Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
1.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor, met uitzondering van personenauto’s met een motor die wordt gevoed door al dan niet tot vloeistof verdicht gas, moeten voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in richtlijn 70/156/EEG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen, met uitzondering van de eisen, bedoeld in artikel 3.2.13.
2.
Personenauto’s met een andere dan een verbrandingsmotor moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 92/53/EEG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen, met uitzondering van de eisen, bedoeld in de artikelen 3.2.12, 3.2.13, eerste lid, 3.2.14, 3.2.15 en 3.2.16.
Artikel 3.2.2
Personenauto’s moeten van deugdelijke bouw en inrichting zijn.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/114/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat:
a. voor elke personenauto van hetzelfde merk verschillend is;
b. uit ten minste 3 letters of cijfers bestaat, welke minimaal 7 mm hoog zijn;
c. goed leesbaar op een vast voertuigdeel is ingeslagen.
1.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voor wat betreft de lengte, de breedte en de hoogte voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/21/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
1.
De toegestane maximum last onder de assen en de toegestane maximum massa van personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/21/EEG.
2.
De last onder de assen van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mag niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last, en
b. 10 000 kg voor een niet-aangedreven as en 11 500 kg voor een aangedreven as.
3.
Op personenauto’s met meer dan twee assen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 is het bepaalde in artikel 3.3.9 van overeenkomstige toepassing.
4.
De toegestane maximum massa van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mag niet meer bedragen dan de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum massa.
1.
De toegestane maximum massa van samenstellen van een personenauto die in gebruik is genomen na 31 december 1995 en een aanhangwagen moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/21/EEG.
2.
De toegestane maximum massa van samenstellen van een personenauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1996 en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan de door de fabrikant van de personenauto voor het samenstel van voertuigen opgegeven toegestane maximum massa.
3.
De toegestane maximum massa van een door een personenauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1996 voort te bewegen aanhangwagen mag niet meer bedragen dan:
a. de daarvoor door de fabrikant van de personenauto opgegeven toegestane maximum massa, en
b. indien het een ongeremde aanhangwagen betreft, niet meer dan 750 kg en niet meer dan:
1°. de helft van de massa in bedrijfsklare toestand van de personenauto indien de personenauto in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, of
2°. de helft van de ledige massa van de personenauto, vermeerderd met 50 kg, indien de personenauto in gebruik is genomen voor 1 januari 1995.
1.
Personenauto’s die zijn voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG.
2.
Van fabrieksmatig in serie vervaardigde complete personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten het brandstofreservoir alsmede de plaats van het originele brandstofreservoir van voertuigen voldoen aan de door de fabrikant van het voertuig gestelde eisen.
3.
Van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, mogen delen van het brandstofreservoir, met inbegrip van bevestigingssteunen en leidingen, in onbelaste toestand van het voertuig niet lager zijn gelegen dan 0,25 m boven het wegdek, tenzij de dragende delen van het chassis of de carrosserie lager zijn gelegen en voldoende bescherming bieden.
1.
Het brandstofsysteem van personenauto’s voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
2.
Personenauto’s die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.2.14
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Artikel 3.2.15
Personenauto’s moeten voor wat betreft geluidproduktie voldoen aan het bepaalde in het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen ( Stb. 1981, 741).
1.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het bepaalde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging ( Stb. 1990, 393).
2.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voor wat betreft de wijze van meten van het brandstofverbruik voldoen aan het bepaalde in richtlijn 80/1268/EEG.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt gelijkgesteld een controleapparaat dat voldoet aan het bepaalde in verordening 3821/85/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden.
1.
Personenauto’s moeten sneller kunnen rijden dan 25 km/h.
2.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor als bedoeld in Bijlage I van richtlijn 80/1269/EEGdie in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voor betreft de wijze van meten van het motorvermogen voldoen aan het bepaalde in deze richtlijn.
1.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van banden die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG.
2.
Indien een personenauto als bedoeld in het eerste lid is voorzien van een reservewiel dat afwijkt van de overige wielen, moeten dat reservewiel en het weggedrag van het voertuig bij gebruikmaking van dat wiel voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 en voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van banden:
a. die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG, of
b. waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel.
4.
Indien een personenauto als bedoeld in het derde lid is voorzien van een reservewiel dat afwijkt van de overige wielen, moeten dat reservewiel en het weggedrag van het voertuig bij gebruikmaking van dat wiel voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG.
5.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de montage van banden van personenauto’s als bedoeld in het derde lid.
1.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een stuurinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 71/320/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
De deuren, sloten en scharnieren van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG.
2.
Van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten de scharnieren van opendraaiende zijdeuren aan de langszijden van het voertuig, met uitzondering van vouwdeuren, aan de voorzijde van de deuren zijn aangebracht. Bij dubbele deuren geldt dit voor de deurvleugel die het eerst wordt geopend. De andere deurvleugel moet kunnen worden vergrendeld.
Artikel 3.2.28
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/649/EEG.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van ruiten die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
2.
De voorruiten van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een ruitenwisserinstallatie en van een ruitensproeierinstallatie, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/318/EEG.
2.
Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
3.
Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
Artikel 3.2.31
Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van een installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. De bedoelde installatie van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/317/EEG.
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2006, voldoen wat inrichtingen voor indirect zicht betreft aan richtlijn 2003/97/EG.
2.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 26 januari 2006, voldoen wat spiegels betreft aan richtlijn 71/127/EEG.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel.
4.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste gezichtsveld op de weg niet wordt verkregen. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
5.
Spiegels als bedoeld in het derde en het vierde lid moeten voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.2.33
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/316/EEG.
1.
Personenauto's, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 2001/56/EG.
2.
Personenauto's, in gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 9 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 78/548/EEG.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 74/60/EEG en 74/297/EEG.
2.
Bij personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, mogen delen van het voertuig waaraan inzittenden zich wanneer zij door een plotselinge vertraging of stilstand van het voertuig naar voren worden geworpen, zouden kunnen stoten, niet zijn uitgevoerd met gevaarlijke scherpe delen of kanten, die het gevaar voor dan wel de ernst van verwondingen zouden kunnen vergroten.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, voldoen terzake van de inrichting, sterkte en bevestiging van zitplaatsen en hoofdsteunen aan de volgende eisen:
a. indien zij in gebruik zijn genomen voor 20 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen en hoofdsteunen daarvan aan de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG;
b. indien zij in gebruik zijn genomen na 19 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de zijdelings gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG en voor wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen en hoofdsteunen daarvan aan de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG.
4.
Bij personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten:
a. de zitplaatsen deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
b. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld indien deze personenauto’s na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen;
c. verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld indien deze personenauto’s na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen;
d. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch zijn vergrendeld indien deze personenauto’s na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen;
5.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998 moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij zijdelingse botsingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 96/27/EG.
6.
Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij frontale botsingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 96/79/EG. Op verzoek van de fabrikant wordt deze eis ook toegepast ten aanzien van personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998 en waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg of ten aanzien van personenauto’s die na 30 september 1998 in fasen worden gebouwd.
7.
Het bepaalde in het vijfde en het zesde lid is niet van toepassing op in fasen gebouwde personenauto’s die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan is vastgesteld voor kleine series als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG;
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 76/115/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995, moeten tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het tweede lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
4.
De aanwezigheid van de in het tweede en derde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing te doen zijn.
5.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
6.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het tweede en derde lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/483/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten uitstekende delen van bedoelde personenauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4.
Het bepaalde in het tweede en derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
5.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG.
6.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van voorzieningen ter afscherming van de wielen, welke voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/549/EEG.
7.
De wielen van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten doelmatig zijn afgeschermd.
1.
Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 30 september 2005 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
2.
Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 31 augustus 2010 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
3.
Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die zijn voorzien van een frontbeschermingsinrichting en die in gebruik worden genomen na 24 november 2006, voldoen wat betreft de veiligheid van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die, wat de essentiële aspecten van carrosseriebouw en ontwerp voor de A-stijlen betreft, niet verschillen van voertuigtypen waarvoor voor 1 oktober 2005 een typegoedkeuring is verleend.
Artikel 3.2.38
De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen niet kunnen aanlopen.
Artikel 3.2.39
Personenauto’s moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. De bedoelde mogelijkheid moet voor personenauto"s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG.
1.
Het klimaatregelingssysteem van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 20 juni 2008 is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van niet meer dan 150 en voldoet wat betreft emissies aan richtlijn 2006/40/EG.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor personenauto’s die in gebruik worden genomen voor 1 januari 2011 en die zijn voorzien een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, waarbij de lekkagewaarden voor een dergelijk systeem met één verdamper niet meer dan 40 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen en voor een systeem met twee verdampers niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen, verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
Artikel 3.2.41
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/759/EEG;
d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/759/EEG;
e. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
f. remlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, met dien verstande dat een derde remlicht slechts verplicht is indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2000.
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/760/EEG;
h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG;
i. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/538/EEG;
j. een achteruitrijlicht dat voldoet aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
k. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van:
a. mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/762/EEG;
b. parkeerlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/540/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder dan 2,00 m;
c. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
e. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG;
f. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m;
g. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2000;
h. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
i. en extra achteruitrijlicht dat voldoet aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
j. twee hoeklichten die voldoen aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen bovendien zijn voorzien van:
a. een richtlicht;
b. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
c. werklichten.
3.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
1.
Het richtlicht en het bermlicht van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen naar voren niet anders dan wit of geel licht stralen.
2.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 3.2.50
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.2.51
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.2.41 en 3.2.46 dan wel krachtens artikel 3.2.40, tweede lid, is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De mechanische koppelinrichting, indien aanwezig, van een personenauto die in gebruik is genomen na 31 december 1995 en de bevestiging daarvan aan het voertuig moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG.
2.
De mechanische koppelinrichting, indien aanwezig, van een personenauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1996 moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG of behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem bij de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de personenauto is voorzien van een kogelkoppeling, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die voldoet aan en is gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien an ten minste een hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70 decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel en niet meer dan 104 decibel, te meten op de door Onze Minister vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers er op attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
4.
Personenauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 3.2.55
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichtingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG.
Artikel 3.2.56
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de aanwezigheid van een sleepinrichting en de sterkte daarvan voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/389/EEG.
Artikel 3.2.62
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 14 december 2008 voldoen wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing aan richtlijn 2005/64/EG.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
- Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
+ Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht