Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
Artikel 3.3.1
Bedrijfsauto’s moeten voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
1.
Een T100-bus voldoet aan de in deze afdeling en aan de ingevolge artikel 28, eerste lid, van de wet gestelde eisen met betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg van bussen, alsmede aan de bij ministeriële regeling voor T100-bussen vastgestelde eisen.
2.
Indien een bus bij keuring door de Dienst Wegverkeer voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen wordt, op verzoek van degene aan wie het kenteken voor de desbetreffende bus is opgegeven, door de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld een aantekening gemaakt op het kentekenbewijs en in het kentekenregister.
Artikel 3.3.2
Bedrijfsauto’s moeten:
a. van deugdelijke bouw en inrichting zijn;
b. voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling 3, bedoelde permanente eisen.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/114/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat:
a. voor elke bedrijfsauto van hetzelfde merk verschillend is;
b. uit ten minste 3 letters of cijfers bestaat, welke minimaal 7 mm hoog zijn;
c. goed leesbaar op een vast voertuigdeel is ingeslagen.
Artikel 3.3.5
Het hart van de opleggerkoppeling van trekkers mag niet achter de achterste as van het voertuig zijn gelegen.
1.
Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG.
2.
Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.2 van die richtlijn.
3.
Bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m, met uitzondering van bussen met twee assen die niet langer mogen zijn dan 13,50 m, bussen met meer dan twee assen die niet langer mogen zijn dan 15,00 m en gelede bussen die niet langer mogen zijn dan 18,75 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m, met uitzondering van geconditioneerde voertuigen, die niet breder mogen zijn dan 2,60 m; en
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
4.
Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, moeten rijdend naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
5.
Rijdende werktuigen mogen niet langer of breder zijn dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, met een maximum lengte van 20,00 m en een maximum breedte van 3,00 m.
6.
In afwijking van het eerste tot en met het derde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
7.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
Artikel 3.3.8
Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor rijdende werktuigen regels vaststellen met betrekking tot de maximum bestreken baan.
1.
De last onder de as of assen van bedrijfsauto’s die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen, mag niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last,
b. voor enige as: 10 000 kg voor een niet-aangedreven as en 11 500 kg voor een aangedreven as,
c. voor voertuigen met een asstel met twee niet-aangedreven assen:
1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11 000 kg te zamen,
2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16 000 kg te zamen,
3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18 000 kg te zamen,
d. voor voertuigen met een asstel met twee assen waarvan 1 of 2 assen zijn aangedreven:
1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11 500 kg te zamen,
2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16 000 kg te zamen,
3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m:
a. 18 000 kg te zamen,
b. 19 000 kg te zamen indien de aangedreven as is voorzien van banden in dubbele montage alsmede van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering,
c. 19 000 kg te zamen indien beide aangedreven assen zijn voorzien van banden in dubbele montage, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 9500 kg.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder enige as van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan:
a. voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is,
b. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last, en
c. 12 000 kg per as.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de toegestane maximum last onder de as of assen van bedrijfsauto’s die niet in het eerste lid zijn genoemd dan wel die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen.
1.
De toegestane maximum massa van bedrijfsauto’s alsmede de toegestane maximum massa van samenstellen van bedrijfsauto en aanhangwagen mogen niet meer bedragen dan:
a. 50 000 kg,
b. de door de fabrikant van de bedrijfsauto voor de bedrijfsauto onderscheidenlijk voor het samenstel van voertuigen opgegeven toegestane maximum massa,
c. vijf maal de toegestane maximum last onder de aangedreven as of assen,
d. de ten aanzien van het remsysteem van het trekkend motorrijtuig toegestane maximum massa, en
e. indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, het vermogen van de motor, vastgesteld volgens richtlijn 80/1269/EEG, gedeeld door de factor 3,68 * 10-3kW/kg.
2.
De toegestane maximum massa van een door de bedrijfsauto voort te bewegen aanhangwagen mag niet meer bedragen dan:
a. de daarvoor door de fabrikant van de bedrijfsauto opgegeven toegestane maximum massa,
b. de daarvoor ten aanzien van de sterkte van de koppeling toegestane maximum massa,
c. de daarvoor ten aanzien van de sterkte en de bevestiging van de delen van het chassisraam waaraan de koppeling is bevestigd, toegestane maximum massa,
d. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van het trekkend motorrijtuig toegestane maximum massa,
e. de helft van de ledige massa van de bedrijfsauto met een maximum van 750 kg indien het een ongeremde aanhangwagen betreft, en
f. 3.500 kg indien het trekkende voertuig een bus betreft.
3.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag de toegestane maximum massa van een door een bedrijfsauto voort te bewegen geremde middenasaanhangwagen niet meer bedragen dan:
a. 24 000 kg,
b. de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, tenzij deze een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg, of de bedrijfsauto als een terreinvoertuig overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG kan worden aangemerkt,
c. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, voorzover de bedrijfsauto als een terreinvoertuig overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG kan worden aangemerkt, met een maximum van 3 500 kg,
d. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsauto een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg.
4.
In afwijking van het tweede lid mag de toegestane maximum massa van een door een bedrijfsauto met een zelfdragende carrosserie en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3 500 kg voort te bewegen aanhangwagen niet meer bedragen dan de door de fabrikant van de bedrijfsauto opgegeven toegestane maximum massa.
5.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de toegestane maximum massa van een rijdend werktuig alsmede van een samenstel van een rijdend werktuig en een aanhangwagen meer bedragen dan 50 000 kg doch niet meer dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet meer dan 60 000 kg.
6.
Bij bedrijfsauto’s die zodanig zijn ingericht dat buiten de normaal aangedreven as of assen nog een of meer assen kunnen worden aangedreven, worden voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid deze incidenteel aangedreven as of assen als aangedreven as of assen aangemerkt mits de snelheid waarmee met ingeschakelde as of assen mag worden gereden, ten minste 60 km/h bedraagt.
1.
De last onder de bestuurde as of assen van bedrijfsauto’s mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig.
2.
Bussen die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen, moeten met betrekking tot hun stabiliteit voldoen aan het bepaalde in bijlage I van richtlijn 2001/85/EG.
3.
Gelede bussen die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen, moeten met betrekking tot richtingvastheid voldoen aan bijlage I van richtlijn 2001/85/EG.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de stabiliteit en de richtingvastheid als bedoeld in het tweede en derde lid.
1.
Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG.
2.
Van fabrieksmatig in serie vervaardigde complete bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten het brandstofreservoir alsmede de plaats van het originele brandstofreservoir voldoen aan de door de fabrikant van het voertuig gestelde eisen.
3.
Van bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, mogen delen van het brandstofreservoir, met inbegrip van bevestigingssteunen en leidingen, in onbelaste toestand van het voertuig niet lager zijn gelegen dan 0,25 m boven het wegdek, tenzij de dragende delen van het chassis of de carrosserie lager zijn gelegen en voldoende bescherming bieden.
1.
Het brandstofsysteem van bedrijfsauto’s voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
2.
Bedrijfsauto’s die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.3.14
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Artikel 3.3.15
Bedrijfsauto’s moeten voor wat betreft geluidproduktie voldoen aan het bepaalde in het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen ( Stb. 1981, 741).
1.
Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het bepaalde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging ( Stb. 1990, 393).
2.
De volgende bedrijfsauto’s voldoen wat betreft de wijze van meten van het brandstofverbruik aan richtlijn 80/1268/EEG:
a. bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van niet meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2004, of na 31 december 2005 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft;
b. bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2006, of na 31 december 2007 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan tweeduizend per jaar wereldwijd en die zijn voorzien van een motortype waarvoor goedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2005/55/EG.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt gelijkgesteld een controleapparaat dat voldoet aan het bepaalde in verordening 3821/85/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
3.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden.
4.
De volgende categorieën motorrijtuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/6/EEG en in richtlijn 92/24/EEG:
a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen;
c. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
d. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen.
5.
In afwijking van het vierde lid mag de snelheidsbegrenzer van een bedrijfsauto of bus, die na 31 december 1987 doch vóór 1 januari 1994 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister goedgekeurde soort.
6.
De in het vierde lid bedoelde verplichting geldt niet voor:
b. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast:
1°. het gebruiksdoel zich verzet tegen het aanbrengen van een snelheidsbegrenzer;
2°. de door de constructie bepaalde maximumsnelheid minder bedraagt dan de in richtlijn 92/6/EEG voor het desbetreffende motorrijtuig voorgeschreven afstelsnelheid;
c. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, door de aanvrager van een kentekenbewijs aannemelijk wordt gemaakt dat het motorrijtuig gebruikt wordt:
1°. door een openbare dienst, uitsluitend binnen de bebouwde kom;
2°. voor wetenschappelijke proefnemingen op de weg.
1.
Bedrijfsauto’s moeten sneller kunnen rijden dan 25 km/h.
2.
Bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor als bedoeld in Bijlage I van richtlijn 80/1269/EEG die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 moeten voor wat betreft de wijze van meten van het motorvermogen voldoen aan het bepaalde in deze richtlijn.
1.
De ashefinrichting van bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 31 maart 1983 dient, voorzover deze inrichting werkt door het optrekken van de wielen van de bodem of het neerlaten van de wielen op de bodem en de bedrijfsauto is voorzien van een samenstel van assen, zodanig te zijn uitgevoerd dat deze inrichting automatisch buiten werking wordt gesteld niet later dan nadat de aslast van een van de op het rijvlak rustende assen van dat samenstel de grootste voor deze as toegestane waarde heeft bereikt.
2.
In afwijking van het eerste lid mogen bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 zijn voorzien van een ashefinrichting die voldoet aan het bepaalde in Bijlage IV, onderdeel 3, van richtlijn 97/27/EG.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van banden die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG. In afwijking hiervan mogen bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, zijn voorzien van banden waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel.
2.
Het draagvermogen van de banden moet voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven draagvermogen van de as waarop zij zijn gemonteerd.
3.
De banden moeten geschikt zijn voor de door de fabrikant van het voertuig opgegeven maximum snelheid die met het voertuig kan worden bereikt bij het door de fabrikant opgegeven draagvermogen.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de montage van banden.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
Bedrijfsauto's die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een stuurinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 71/320/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
De deuren, sloten en scharnieren van bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 31 december 1994 en bestemd voor het vervoer van goederen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG.
2.
Bestuurderscabines van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten indien de cabine door middel van een schot van het overige deel van de carrosserie is gescheiden, zowel aan de linker- als aan de rechterzijde over een uitgang beschikken met zodanige minimumafmetingen dat daarin een ellips kan worden beschreven met een korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m.
3.
Een van de in het tweede lid genoemde uitgangen mag zijn vervangen door een gelijkwaardige uitgang in het dak of in de achterwand van de cabine.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op rijdende werktuigen.
5.
Bussen die in gebruik worden genomen na 12 februari 2004, moeten voorzien zijn van een carrosserie en inrichting welke voldoen aan hetgeen voor de onderscheiden klassen is bepaald in richtlijn 2001/85/EG.
Artikel 3.3.27a
Bussen van klasse I die in gebruik worden genomen na 12 februari 2004 alsmede bussen van een andere klasse dan klasse I die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen en voorzien zijn van technische voorzieningen ter verbetering van de toegankelijkheid voor personen met een mobiliteitshandicap, moeten voldoen aan bijlage VII van richtlijn 2001/85/EG.
Artikel 3.3.28
Bussen moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
De ruiten van bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
2.
De voorruiten van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2.
Bedrijfsauto's met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
3.
Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik worden genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
1.
Bedrijfsauto's met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
2.
Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik worden genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
1.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2006, voldoen wat inrichtingen voor indirect zicht betreft aan richtlijn 2003/97/EG.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn de bepalingen voor vooruitkijkspiegels van toepassing met ingang van 26 januari 2007.
3.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel.
4.
In afwijking van het derde lid mogen voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste gezichtsveld op de weg wordt verkregen.
5.
Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, alsmede rijdende werktuigen, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een trottoirspiegel mits deze zodanig op het voertuig kan worden aangebracht dat in elke stand geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is bevestigd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt bij een belasting van het voertuig die overeenkomt met de toegestane maximum massa.
6.
Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, waarvan de linker- of rechterbuitenspiegel niet convex is, en voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg zijn voorzien van een breedtespiegel.
7.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, mogen met inachtneming van richtlijn 71/127/EEG zijn voorzien van meer spiegels dan in de voorgaande leden genoemd.
8.
De spiegels van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 26 januari 2006, voldoen voor wat betreft constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld op de weg aan richtlijn 71/127/EEG.
9.
De spiegels van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 januari 1995, voldoen voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
10.
In afwijking van het achtste lid mogen bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 14 oktober 2002 doch voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een breedtespiegel die voor wat betreft verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.3.33
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/316/EEG.
Artikel 3.3.34
Bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 2001/56/EG.
1.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/297/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, voldoen terzake van de inrichting, sterkte en bevestiging van zitplaatsen aan de volgende eisen:
a. indien zij in gebruik zijn genomen voor 20 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG;
b. indien zij in gebruik zijn genomen na 19 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de zijdelings en de naar voren gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG.
3.
Bedrijfsauto’s bestemd voor het vervoer van goederen en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij zijdelingse botsingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 96/27/EG.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 76/115/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995 en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995 en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het tweede lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
4.
De aanwezigheid van de in het tweede en derde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing te doen zijn.
5.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
6.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het tweede en derde lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen die zich vóór de achterwand van de cabine bevinden, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/114/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4.
Het bepaalde in het tweede en derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
5.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van trekkers, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG. Deze bepaling geldt niet voor voertuigen waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
6.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, met uitzondering van trekkers, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien zij hieromtrent voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. Deze bepaling geldt niet voor voertuigen waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
7.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten tussen de achterste vooras en de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG, alsmede achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
8.
In afwijking van het zevende lid moeten bedrijfsauto's met een maximum toegestane massa van meer dan 3 500 kg en die zijn uitgerust met meer dan drie assen ter zake van de zijdelingse afscherming voldoen aan door Onze Minister vastgestelde eisen.
9.
Op bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de achterste vooras en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEG voor bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12 000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. Zij moeten voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
10.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
11.
De in het zevende, achtste, negende en tiende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor trekkers alsmede voor bedrijfsauto’s die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen.
12.
De wielen van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd.
13.
Bedrijfsauto's, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2003, moeten zijn voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden die voldoet aan richtlijn 2000/40/EG.
1.
Bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 30 september 2005 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
2.
Bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 31 augustus 2010 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
3.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, die zijn voorzien van een frontbeschermingsinrichting en die in gebruik worden genomen na 24 november 2006, voldoen wat betreft de veiligheid van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die, wat de essentiële aspecten van carrosseriebouw en ontwerp voor de A-stijlen betreft, niet verschillen van voertuigtypen waarvoor voor 1 oktober 2005 een typegoedkeuring is verleend.
Artikel 3.3.38
De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s mogen niet kunnen aanlopen.
Artikel 3.3.39
Bedrijfsauto’s moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. De bedoelde mogelijkheid moet voor bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG.
1.
Het klimaatregelingssysteem van bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik worden genomen na 20 juni 2008, is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van niet meer dan 150 en voldoet wat betreft emissies aan richtlijn 2006/40/EG.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik worden genomen voor 1 januari 2011 en die zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, waarbij de lekkagewaarden voor een dergelijk systeem met één verdamper niet meer dan 40 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen en voor een systeem met twee verdampers niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen, verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan, aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Het eerste lid is wat betreft retroreflecterende voorzieningen en extra richtingaanwijzers als bedoeld in artikel 30a, van het RVV 1990, niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende striping en de extra richtingaanwijzers, bedoeld in het tweede lid.
4.
In afwijking van het eerste lid moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het voertuig zijn voorzien van niet-driehoekige dan wel driehoekige rode retroreflectoren.
5.
Indien het als gevolg van de constructie van een rijdend werktuig niet mogelijk is de zijrichtingaanwijzers en de zijretroreflectoren aan te brengen op de ingevolge het bepaalde in het eerste lid voorgeschreven plaats, moeten deze lichten en retroreflectoren zo ver mogelijk naar voren tegen de zijkanten van het voertuig zijn geplaatst met inachtneming van de toegestane maximum hoogte waarop deze lichten en retroreflectoren mogen worden geplaatst.
6.
De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG.
7.
Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
8.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
e. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
f. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/760/EEG;
h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
i. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/538/EEG;
j. achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG;
k. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m; deze bepaling geldt niet voor chassiscabines;
m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
n. een markering aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor trekkers, voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede door Onze Minister aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het voertuig zijn voorzien van driehoekige dan wel niet-driehoekige rode retroreflectoren die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG.
3.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, zijn voorzien van een derde remlicht dat voldoet aan de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG.
4.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, niet zijnde bussen, zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
6.
Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig, bedoeld in het vierde lid, mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken.
7.
Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van:
a. mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/762/EEG;
b. parkeerlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/540/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m;
c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG, aangebracht op het breedste punt zo hoog mogelijk aan de achterzijde van het voertuig;
d. herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen deel van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die voldoen aan het bepaalde in de onder c genoemde richtlijn, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven het wegdek;
e. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m of indien het een chassiscabine betreft;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
g. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
h. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m;
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
k. werklichten;
l. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG;
m. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG;
n. een markering aan de achterzijde van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg;
n. extra achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
o. hoeklichten die voldoen aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
3.
Bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 10 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van:
a. opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, of
b. een lijnmarkering of contourmarkering, die voldoet aan en is aangebracht overeenkomstig ECE-reglement 104, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Supplement 2, van 28 februari 2003, betreffende uniforme eisen voor de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens.
4.
Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 9 juli 2008 mogen zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, voorzover deze niet reeds ingevolge artikel 3.3.41 verplicht zijn.
5.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
6.
Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig, bedoeld in het derde of vierde lid, mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken.
7.
Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
8.
Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping.
1.
De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
2.
Het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
3.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 3.3.50
Bedrijfsauto's mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.3.51
Bedrijfsauto's mogen, onverminderd het in de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.3.41 en 3.3.46 dan wel krachtens artikel 3.3.40, vijfde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
1.
Indien de bedrijfsauto in gebruik genomen is na 30 juni 1967 en is voorzien van een mechanische koppelinrichting voor het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting:
a. voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG, of
b. indien de bedrijfsauto voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem in de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken, en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
2.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg, moet de afstand van het laagste punt van de koppeling van het trekkend voertuig tot het wegdek ten minste een vijfde deel bedragen van de afstand van het laagste punt van die koppeling tot het hart van de achterste as van het trekkend voertuig.
3.
Indien voor het koppelen van voertuigen bijzondere constructies aan de voertuigen worden toegepast, moeten deze constructies voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van ten minste een hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70 decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel en niet meer dan 104 decibel, te meten op door Onze Minister vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers er op attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
4.
Bedrijfsauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
1.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg, met uitzondering van bussen, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichtingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG.
2.
Indien bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, zijn voorzien van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moeten deze inrichtingen voldoen aan richtlijn 74/61/EEG.
Artikel 3.3.56
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de aanwezigheid van een sleepinrichting en de sterkte daarvan voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/389/EEG.
1.
Bussen
a. met een toegestane maximum massa van meer dan 5000 kg,
b. bestemd voor het vervoer van meer dan 22 passagiers, de bestuurder daaronder niet begrepen,
c. niet bestemd voor het vervoer van staande passagiers,
d. niet bestemd voor vervoer binnen één gemeente, en
e. in gebruik genomen na 25 oktober 1999, moeten voor wat betreft de verbrandingseigenschappen van bij de inwendige constructie gebruikte materialen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/28/EG.
2.
Bussen die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen, moeten voor wat betreft het gebruik van brandbaar materiaal binnen een straal van 100 mm van het uitlaatsysteem of een andere belangrijke warmtebron voldoen aan bijlage I van richtlijn 2001/85/EG.
1.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg die in gebruik worden genomen na 14 december 2008 voldoen wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing aan richtlijn 2005/64/EG.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de voertuigen, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van richtlijn 2005/64/EG.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
- Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
+ Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht