Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
1.
Motorfietsen moeten tot 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
2.
Motorfietsen moeten met ingang van 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
Artikel 3.4.2
Motorfietsen moeten van deugdelijke bouw en inrichting zijn.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/34/EEG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van:
a. een identificatienummer dat:
1°. voor elke motorfiets van hetzelfde merk verschillend is;
2°. uit ten minste 3 letters of cijfers bestaat, welke minimaal 5 mm hoog zijn;
3°. goed leesbaar op een vast voertuigdeel is ingeslagen, en
b. een merk of een fabrieksaanduiding.
3.
Motorfietsen die zijn voorzien van een identificatienummer dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/114/EEG voldoen aan het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 3.4.5
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten ter zake van maatregelen tegen het onbevoegd opvoeren voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft afmetingen en massa's voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/93/EEG.
2.
Motorfietsen zonder zijspanwagen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mogen niet breder zijn dan 1,00 m.
3.
Motorfietsen met zijspanwagen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mogen niet breder zijn dan 2,55 m.
Artikel 3.4.9
De toegestane maximum massa van motorfietsen mag niet meer bedragen dan de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum massa.
Artikel 3.4.12
Motorfietsen die zijn voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.4.13
Het brandstofsysteem van motorfietsen voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 3.4.14
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.4.15
Motorfietsen moeten voor wat betreft geluidproductie voldoen aan het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen .
Artikel 3.4.16
Motorfietsen met een verbrandingsmotor die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging .
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 30 juni 2001 moeten zijn voorzien van een snelheidsmeter die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 2000/7/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
Artikel 3.4.18
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten voor wat betreft de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximum snelheid, het maximum koppel en het netto-maximum vermogen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/1/EG.
1.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van luchtbanden die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van banden waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel, met dien verstande dat in afwijking hiervan motorfietsen met zijspanwagen mogen zijn voorzien van banden die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG, dan wel van banden overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG.
3.
Het draagvermogen van de banden, bedoeld in het tweede lid, moet voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven draagvermogen van de as waarop de band is gemonteerd.
4.
De banden, bedoeld in het tweede lid, moeten geschikt zijn voor de door de fabrikant opgegeven maximum snelheid die met het voertuig kan worden bereikt bij het door de fabrikant opgegeven draagvermogen.
5.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de montage van de banden, bedoeld in het tweede lid.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 maart 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/14/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 april 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van spiegels die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van:
a. een linkerbuitenspiegel;
b. een rechterbuitenspiegel indien de maximum snelheid van het voertuig 100 km/h of meer bedraagt en het voertuig na 31 december 1994 in gebruik wordt genomen.
3.
De spiegels van motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten voor wat betreft constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld op de weg voldoen aan het bepaalde in richtlijn 80/780/EEG.
4.
De linkerbuitenspiegel van motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 1 januari 1995, moet voor wat betreft afmetingen, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 3.4.33
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten voor wat betreft de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/29/EEG.
Artikel 3.4.36
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten, indien een passagier kan worden vervoerd, zijn voorzien van een riem dan wel een of meer handgrepen voor deze passagier, welke moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/32/EEG.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3.
De wielen van motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten deugdelijk zijn afgeschermd, overeenkomstig de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/94/EEG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de installatie van verlichting en lichtsignalen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
2.
De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3.
Het eerste lid is voor motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van grote lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten, een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. richtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
d. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
e. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
f. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
g. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, moeten zijn voorzien van:
a. een groot licht en een dimlicht, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
b. richtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
c. een achterlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
d. een remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
e. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
f. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG.
Artikel 3.4.42
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, moeten zijn voorzien van:
a. een achterlicht, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
b. een niet-driehoekige rode retroreflector, aan de achterzijde aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek, welke retroreflector voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, mogen zijn voorzien van:
a. mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. waarschuwingsknipperlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. een mistlicht aan de voorzijde van het voertuig, dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. een mistlicht aan de achterzijde van het voertuig, dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
d. waarschuwingsknipperlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
e. een of twee parkeerlichten;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
g. een witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, aangebracht op ten minste 0,35 m en ten hoogste 0,90 meter boven het wegdek;
h. een richtlicht;
i. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
j. werklichten.
3.
De motorfietsen, bedoeld in het tweede lid, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
b. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, aangebracht aan de uiterste buitenzijde van de zijspanwagen op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek; de op de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzers aan de zijde van de zijspanwagen mogen dan niet functioneren;
c. een remlicht, aangebracht op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
d. een witte retroreflector aan de voorzijde van de zijspanwagen, aangebracht op ten minste 0,35 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek;
e. ambergele retroreflectoren, aangebracht aan elke zijkant van de zijspanwagen, op ten minste 0,35 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek;
f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen.
2.
Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
1.
Het richtlicht, het bermlicht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
3.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren en naar achteren niet anders dan ambergeel stralen.
4.
Het remlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 3.4.50
Motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.4.51
Motorfietsen mogen, onverminderd het in de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.4.41, 3.4.42, 3.4.46 en 3.4.47 dan wel krachtens artikel 3.4.40, vijfde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
Artikel 3.4.52
De mechanische koppelinrichting, indien aanwezig, van een motorfiets die in gebruik is genomen na 16 juni 1999 en de bevestiging daarvan aan het voertuig moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/30/EEG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van ten minste een hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70 decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel en niet meer dan 104 decibel, te meten op de door Onze Minister vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3.
Motorfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld.
4.
Motorfietsen mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
Artikel 3.4.55
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten zijn voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichting voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/33/EEG.
Artikel 3.4.57
Motorfietsen op twee wielen, die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten zijn voorzien van een standaard die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/31/EEG.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
- Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
+ Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht