Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de installatie van verlichting en lichtsignalen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995 moeten voor wat betreft de installatie van verlichting en lichtsignalen voldoen aan het gestelde in artikel 3.5.41, derde lid.
3.
De in de lichtarmaturen van driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
4.
Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
5.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van grote lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten, een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
d. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/758/EEG;
e. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/758/EEG;
f. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/760/EEG;
g. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, moeten zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
b. twee dimlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
c. twee stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
e. twee achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
f. twee remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/760/EEG;
h. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
4.
Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,50 m mogen in afwijking van het bepaalde in het derde lid, onderdelen a, b, c, e, f en h, zijn voorzien van:
a. één groot licht;
b. één dimlicht;
c. één stadslicht;
d. één achterlicht;
e. één remlicht;
f. één niet-driehoekige rode retroreflector.
1.
De in artikel 3.5.41, derde en vierde lid, bedoelde lichten en retroreflectoren moeten, met uitzondering van de kentekenplaatverlichting, niet lager dan 0,35 m en niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2.
De in artikel 3.5.41, derde en vierde lid, bedoelde lichten en retroreflectoren moeten, met uitzondering van de kentekenplaatverlichting, symmetrisch ten opzichte van het midden van het voertuig zijn aangebracht.
3.
De in artikel 3.5.41, derde lid, bedoelde grote lichten, dimlichten, stadslichten en niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten niet verder dan 0,40 m van de zijkanten van het voertuig zijn aangebracht.
4.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, achterlichten, remlichten en niet-driehoekige rode retroreflectoren, bedoeld in artikel 3.5.41, tweede, derde en vierde lid, moeten op een onderlinge afstand van ten minste 0,60 m zijn aangebracht, waarbij de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig niet meer dan 0,40 m mag bedragen.
5.
De in artikel 3.5.41, vierde lid, bedoelde lichten en retroreflector moeten in afwijking van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid in het midden van het voertuig zijn aangebracht.
1.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn.
2.
De in artikel 3.5.41 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, mogen zijn voorzien van:
a. één of twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. één of twee achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 77/539/EEG;
d. een niet-driehoekige ambergele retroflector aan de zijkant van het voertuig die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, mogen zijn voorzien van:
a. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. parkeerlichten, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m;
d. een of twee achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG;
e. een zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;
f. herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen deel van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven het wegdek;
g. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
h. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
k. werklichten.
3.
Driewielige motorrijtuigen als bedoeld in het tweede lid, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
4.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
1.
Indien één parkeerlicht is aangebracht, mag dit naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien twee parkeerlichten zijn aangebracht, moet het voorste wit en het achterste rood stralen.
2.
De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3.
Het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
4.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
1.
De mistlichten aan de voorzijde en de parkeerlichten moeten niet lager dan 0,25 m, niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek en niet verder dan 0,40 m van de zijkanten van het voertuig zijn aangebracht.
2.
De mistlichten aan de achterzijde moeten op een afstand van ten minste 0,10 m van het remlicht en niet hoger dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. De mistlichten aan de achterzijde moeten symmetrisch ten opzichte van het midden van het voertuig zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
3.
De witte retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0.40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
Artikel 3.5.50
Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.5.51
Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.5.41 en 3.5.46 dan wel krachtens artikel 3.5.40, vierde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
- Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
+ Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht