Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
Artikel 3.7.1
Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg moeten voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
Artikel 3.7.2
Aanhangwagens moeten:
a. van deugdelijke bouw en inrichting zijn;
b. voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling 12, bedoelde permanente eisen.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/114/EEG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat:
a. voor elke aanhangwagen van hetzelfde merk verschillend is;
b. uit ten minste 3 letters of cijfers bestaat, welke minimaal 7 mm hoog zijn;
c. goed leesbaar op een vast voertuigdeel is ingeslagen.
Artikel 3.7.4
Op elk onderdeel dat tot een goedgekeurd type behoort, moeten de in de typegoedkeuring daarvan genoemde kenmerken gemakkelijk zichtbaar en duidelijk leesbaar aanwezig zijn.
Artikel 3.7.5
Onze Minister kan voor middenasaanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg regels vaststellen voor wat betreft het asstel, de soort koppeling, de dynamische verticale last onder de koppeling en de afstand van het hart van de koppeling tot het hart van het asstel.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.1.2.
3.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen:
a. niet breder zijn dan 2,55 m, met uitzondering van geconditioneerde voertuigen die niet breder mogen zijn dan 2,60 m; en
b. niet hoger zijn dan 4,00 m.
4.
Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen niet langer zijn dan 12,00 m.
5.
Van opleggers die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m.
6.
Van opleggers die na 31 december 1994 maar voor 22 juli 1999 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m.
7.
Van opleggers die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt.
8.
Van aanhangwagens, met uitzondering van kermis- of circusvoertuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, mag bij het inrijden en vervolgens doorrijden van een cirkel met een straal van 12,50 m, waarbij het inrijden van de cirkel geschiedt met de buitenzijde van het samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de raaklijn aan de cirkel, en het doorrijden van de cirkel geschiedt over een hoek van 360 graden met de voorzijde van het samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de cirkel, de uitscheermaat van het samenstel van voertuigen niet meer dan 0,80 m bedragen en de bestreken baan niet meer dan 7,20 m bedragen. Deze bepaling geldt niet voor opleggers die voor 1 april 1983 in gebruik zijn genomen, waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt en die worden gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading.
9.
Het eerste en het tweede lid zijn voor wat betreft wendbaarheid niet van toepassing op kermis- of circusvoertuigen.
10.
In afwijking van het bepaalde in het vierde lid mogen:
a. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m, indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2 500 kg maar niet meer dan 3 500 kg;
b. middenasaanhangwagens die voor 1 juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m.
11.
In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
12.
In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en zesde lid mag voor een kermis- of circusvoertuig de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
13.
Bij de vaststelling van de afstand, bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid, worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten.
14.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
1.
Bij middenasaanhangwagens mag de last onder de koppeling:
a. alleen in neerwaartse richting zijn gericht;
b. niet meer bedragen dan de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven toegestane maximum last onder de koppeling;
c. niet meer bedragen dan 10,0% van de toegestane maximum massa van de aanhangwagen en niet meer dan 1000 kg;
d. niet minder bedragen dan 1,0% van de toegestane maximum massa van de aanhangwagen, doch de last behoeft niet meer te bedragen dan 50 kg.
2.
De last onder de as of assen van aanhangwagens die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen, mag niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last,
b. voor enige as, 10 000 kg,
c. voor aanhangwagens met een asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen, indien de onderlinge afstand tussen de assen:
1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 11 000 kg te zamen,
2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16 000 kg te zamen,
3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18 000 kg te zamen,
d. voor aanhangwagens met een asstel met meer dan twee achter elkaar gelegen assen:
1°. indien de afstand tot de dichtstbij zijnde naastgelegen as van dat asstel minder bedraagt dan 1,30 m, 7 000 kg per as;
2°. indien de afstand tot de dichtstbij zijnde naastgelegen as van dat asstel 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8 000 kg per as, dan wel 9 000 kg per as indien het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering,
e. voor aanhangwagens met twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen, 13 000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6500 kg,
f. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen, 16 000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8000 kg,
g. voor aanhangwagens met twee achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e , waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen:
1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 13 000 kg te zamen,
2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 17 000 kg te zamen,
3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 21 000 kg te zamen,
waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6 500 kg,
h. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e , waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen:
1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 16 000 kg te zamen,
2°. 1,00 m of meer bedraagt, 12 000 kg vermenigvuldigd met het aantal aslijnen,
waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8 000 kg,
i. voor aanhangwagens met meer dan twee achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e , waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal aslijnen vermenigvuldigd met 13 000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6500 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering,
j. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e , waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal aslijnen vermenigvuldigd met 16 000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8000 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de toegestane maximum last onder de as of assen van aanhangwagens die niet in het tweede lid zijn genoemd dan wel die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen.
4.
De toegestane maximum massa van middenasaanhangwagens mag niet meer bedragen dan 12 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, mag de toegestane maximum massa niet meer bedragen dan:
a. 20 000 kg, of
b. 24 000 kg indien de middenasaanhangwagen is voorzien van drie assen.
1.
Van een meervoudige asconstructie van een aanhangwagen die in gebruik wordt genomen na 30 september 1974, mogen niet meer dan drie assen star zijn uitgevoerd, waarbij de afstand tussen de twee uiterste starre assen niet meer mag bedragen dan 2,80 m.
2.
Van een meervoudige asconstructie van een aanhangwagen die in gebruik is genomen na 30 september 1974 doch voor 1 januari 1995, mogen een of meer assen zelfsturend zijn uitgevoerd mits de toegestane maximum last onder de zelfsturende assen niet meer bedraagt dan 45,0% van de toegestane maximum last onder de meervoudige asconstructie.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een starre as verstaan een as waarvan de wielen niet gestuurd of zelfsturend zijn.
1.
De ashefinrichting van aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 maart 1983 dient, voorzover deze inrichting werkt door het optrekken van de wielen van de bodem of het neerlaten van de wielen op de bodem en de aanhangwagen is voorzien van een samenstel van assen, zodanig te zijn uitgevoerd dat deze inrichting automatisch buiten werking wordt gesteld niet later dan nadat de aslast van een van de op het rijvlak rustende assen van dat samenstel de grootste voor deze as toegestane waarde heeft bereikt.
2.
In afwijking van het eerste lid mogen aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 zijn voorzien van een ashefinrichting die voldoet aan het bepaalde in Bijlage IV, onderdeel 3, van richtlijn 97/27/EG.
1.
Assen van aanhangwagens moeten door de fabrikant van de as zijn voorzien van:
a. een merk- of fabrieksaanduiding;
b. een typeaanduiding;
c. een opgave van de maximale technisch toelaatbare aslast.
2.
De door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum aslast mag niet meer bedragen dan de opgave, bedoeld in onderdeel c van het eerste lid.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van banden die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG. In afwijking hiervan mogen aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, zijn voorzien van banden waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel.
2.
Het draagvermogen van de banden moet voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven draagvermogen van de as waarop zij zijn gemonteerd, bij een snelheid van 100 km/h.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de montage van banden.
1.
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers.
1.
Aanhangwagens die in gebruik genomen worden na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de stuurinrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG.
2.
De stuurinrichting van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moet deugdelijk zijn.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de reminrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 71/320/EEG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.7.29
De ruiten van aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
Artikel 3.7.34
Aanhangwagens, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 2001/56/EG.
1.
Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
5.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien zij hieromtrent voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
6.
Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten tussen de achterste vooras of de koppelingspen indien het een oplegger betreft, en de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG, alsmede achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
7.
Op aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de achterste vooras of de koppelingspen indien het een oplegger betreft en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEG voor aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 10 000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. Zij moeten voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
8.
Onverminderd het bepaalde in het zesde en zevende lid moeten middenasaanhangwagens voor de voorste as zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
9.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
10.
De in het zesde, zevende, achtste en negende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor aanhangwagens die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
11.
De wielen van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd.
Artikel 3.7.38
De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens mogen niet kunnen aanlopen.
1.
Aanhangwagens die in gebruik genomen worden na 31 december 1994, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
1.
Aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen, verlichting en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Het eerste lid is wat retroreflecterende voorzieningen betreft niet van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende voorzieningen bedoeld in het tweede lid.
4.
De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG.
5.
Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
6.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,60 m;
b. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
c. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
d. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
e. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/760/EEG;
f. driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
g. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/538/EEG;
h. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
j. markeringslichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
k. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
l. een markering aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor door Onze Minister aangewezen aanhangwagens waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering;
m. achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
4.
Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig als bedoeld in het tweede lid, mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken.
5.
Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van:
a. extra achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
b. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG, aangebracht op het breedste punt zo hoog mogelijk aan de achterzijde van het voertuig;
c. herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen deel van de zich aan de zijof achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die voldoen aan het bepaalde in de onder b genoemde richtlijn, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven het wegdek;
d. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m;
e. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
f. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die zijn opgenomen in het lamphuis van andere lichten en die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
g. werklichten;
h. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
2.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode niet-driehoekige aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
3.
Aanhangwagens in gebruik genomen voor 10 juli 2008 mogen zijn voorzien van:
a. opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, of
b. een lijnmarkering of contourmarkering die voldoet aan en is aangebracht overeenkomstig ECE-reglement 104, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Supplement 2, van 28 februari 2003, betreffende uniforme eisen voor de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens.
4.
Aanhangwagens in gebruik genomen na 9 juli 2008 mogen zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, voorzover deze niet reeds ingevolge artikel 3.7.41 verplicht zijn.
5.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
6.
Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig als bedoeld in het derde of vierde lid mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken.
7.
Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
8.
Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping.
9.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende striping, bedoeld in het achtste lid.
Artikel 3.7.48
Het derde remlicht mag slechts rood stralen.
Artikel 3.7.51
Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.7.41 en 3.7.46 dan wel krachtens artikel 3.7.40, vierde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De mechanische koppelinrichting van aanhangwagens in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet:
a. voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG, of
b. indien de aanhangwagen voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem in de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken,en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de oplegger is voorzien van een stuurwig, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
2.
Middenasaanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 1500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling.
3.
Indien voor het koppelen van voertuigen bijzondere constructies worden toegepast, moeten deze constructies voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.7.53
Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.
Artikel 3.7.54
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 1 januari 1996, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
- Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
+ Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht