Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
1.
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:
a. niet deugdelijk van bouw of inrichting is, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert,
b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft, of
c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
2.
Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte niet-driehoekige dan wel driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c , en het tweede lid, zijn op motorrijtuigen welke niet vallen onder een van de in de afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk genoemde categorieën motorrijtuigen, de in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Artikel 5.1.3
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de bepalingen of voorwaarden, welke ingevolge artikel 52, tweede lid, van de wet in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn opgenomen.
1.
Gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie, moeten voldoen aan de in afdeling 6 aan bromfietsen gestelde eisen, met dien verstande dat:
a. het bepaalde in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdelen a, c, d en e, geen toepassing vindt,
b. voor het in artikel 5.6.6 ter zake van de afmetingen bepaalde artikel 5.10.6 in de plaats treedt, en
c. de cylinderinhoud van de verbrandingsmotor van het gehandicaptenvoertuig niet meer dan 50 cm3 mag bedragen.
2.
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in de afdelingen 9 en 18, paragraaf 4, van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6 ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt.
Artikel 5.1.6
Het is de bestuurder van een motorrijtuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien in of aan het motorrijtuig een radarontvangstapparaat aanwezig is, dat geschikt is om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen.
1.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde een bus, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
2.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde een bus, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat.
3.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is voltooid.
Artikel 5.2.1
Personenauto’s moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport;
d. de kentekenplaten moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
e. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.
1.
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
2.
Onze Minister stelt regels vast inzake corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede de bevestiging daarvan.
Artikel 5.2.4
De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
Artikel 5.2.6
Personenauto's mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
1.
De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten.
2.
De totale massa of de som van de aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De LPG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;
b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak;
c. mag geen deuken vertonen.
3.
De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst en indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1994, niet op het dak zijn geplaatst.
4.
De volgende onderdelen moeten aanwezig zijn:
a. de veerveiligheid, die in de buitenlucht moet uitmonden;
b. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, dan wel een mengregelsysteem;
c. de gasdichte kast indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst;
d. de automatische inrichting ter begrenzing van de vullingsgraad indien het voertuig na 30 juni 1983 in gebruik is genomen;
e. de automatische afnameklep op de tank indien het voertuig na 31 december 1987 in gebruik is genomen;
f. het gasmengstuk dan wel een inspuitstuk;
g. de automatische afsluitklep.
5.
Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
6.
Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden.
7.
De in het vierde lid genoemde onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
9.
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
1.
Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De CNG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en
b. mag geen deuken vertonen.
3.
De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4.
Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar.
5.
Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte.
6.
Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter.
7.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9.
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
1.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Personenauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging ( Stb. 1990, 393). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4.
Personenauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen ( Stb. 1981, 741). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5.
Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Het geluidsniveau van de uitlaat wordt vastgesteld op een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6.
De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor:
a. niet meer dan 4,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 oktober 1986;
b. niet meer dan 3,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1986 doch voor 1 juli 2002;
c. niet meer dan 1,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas;
d. niet meer dan 0,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1985 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig is uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen;
e. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002.
7.
De afstelling van het stationaire mengsel van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, met uitzondering van personenauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient zodanig te zijn dat een door Onze Minister voor het desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte aan koolmonoxyde van de uitlaatgassen, uitgedrukt in % vol, bij het bij die aanwijzing aangegeven stationaire toerental, niet wordt overschreden. Bij de meting van het gehalte koolmonoxyde moeten de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Deze eis wordt alleen getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve van de afgifte of teruggave van een kentekenbewijs.
8.
De in het zevende lid bedoelde controle van de afstelling van het stationaire mengsel vindt bij personenauto’s die worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas en die in gebruik zijn genomen:
a. na 31 december 1993, of
b. na 31 december 1990 doch vóór 1 januari 1994, indien aan de typeaanduiding op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs de aanduiding S6, K6, S9, K9, U9, N9, E2 of N2 is toegevoegd,
plaats aan de hand van de afstel- en controlegegevens, vermeld op het op het voertuig aangebrachte symbool, bedoeld in artikel 3 a , tweede lid, van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging, dan wel aan de hand van de gegevens vermeld in het kentekenregister.
9.
Bij personenauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient het brandstofdoseringssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxyde van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Deze beoordeling vindt plaats op een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze.
10.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
11.
De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen.
12.
Bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1992 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn.
1.
De accu van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
1.
De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd.
2.
De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
Artikel 5.2.15
Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
1.
De onderdelen van de aandrijving van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
1.
De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
4.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen.
2.
Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
De wielbasis van personenauto's mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen.
Artikel 5.2.22
De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen.
Artikel 5.2.23
De spoorbreedte van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van personenauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De wielen van personenauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5.
De banden mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is.
6.
De banden op een as moeten dezelfde karkasstructuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32.
7.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
1.
Personenauto's moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Personenauto's moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
2.
Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
3.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
4.
Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
5.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
6.
Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
7.
De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
8.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
9.
Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
10.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
1.
Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren.
3.
Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt.
4.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
5.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
6.
Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
7.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
8.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
9.
Remcylinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.
10.
Anti-blokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt.
11.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b , en het vijfde lid, onderdeel a .
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten indien het hydraulisch remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir, waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, zijn voorzien van:
a. een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of
b. in geval van een gescheiden remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra een van de kringen van het remsysteem faalt.
2.
De goede werking van het signaal van de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.
3.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N.
2.
Personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
3.
De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.
4.
Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras.
5.
In afwijking van het eerste lid moeten ambulances, kampeerauto's en begrafeniswagens met een maximum toegestane massa van meer dan 2500 kg waarvoor overeenkomstig richtlijn 98/14/EG, Bijlage XI, aanhangsel 1, een goedkeuring is verleend, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s 2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N.
6.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid.
1.
Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.
2.
De parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
3.
De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen.
1.
Indien de personenauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en is voorzien van een geheel afzonderlijk hulpremsysteem, moet:
a. het hulpremsysteem goed functioneren;
b. de remwerking redelijk gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn verdeeld.
Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,6 m/s2 bedragen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
1.
De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
2.
Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen.
3.
De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
De voorruit en de zijruiten van personenauto’s mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
2.
Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
3.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2.
Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
Artikel 5.2.44
Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2010, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel.
2.
Indien met de in het eerste lid bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
3.
Personenauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2011, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en een binnenspiegel.
4.
De in het derde lid bedoelde personenauto’s zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
5.
De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor personenauto’s die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen.
6.
De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
7.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, zijn niet voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving.
3.
De zitplaatsen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Bij personenauto’s die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten:
a. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand automatisch zijn vergrendeld,
b. verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld, en
c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het derde lid.
1.
Personenauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
2.
Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
3.
Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen.
4.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig.
5.
De in het tweede en derde lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels behoeven te zijn voorzien.
6.
Autogordels in personenauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7.
De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
8.
De autogordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.
9.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het zevende lid.
Artikel 5.2.47a
Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel voldoen aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van personenauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto's:
a. moeten goed zijn afgeschermd;
b. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken;
c. mogen niet aanlopen.
5.
Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van de personenauto bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat wiel goed zijn opgesloten.
6.
Geen deel van de buitenzijde van de personenauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
1.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 zijn niet voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
2.
Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.
3.
Aan de in het eerste en tweede lid opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.2.50
Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Personenauto’s moeten zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen voldoen aan door Onze Minister gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan;
c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
j. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
k. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
l. een of twee achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
o. ten minste twee ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m;
p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat:
1º. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2º. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, worden twee extra remlichten aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd.
1.
Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten.
3.
Het eerste lid geldt niet voor personenauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en personenauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
1.
De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3.
De zijrichtingaanwijzers, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel f, mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
De achterlichten en mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
5.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
6.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
7.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
8.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
1.
De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid.
6.
De retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
Het dimlicht van personenauto’s moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.
1.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van:
a. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
b. parkeerlichten indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder dan 2,00 m;
c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig. Personenauto’s, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen ook zijn voorzien van twee extra richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig;
d. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen;
e. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn;
f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
g. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn en het voertuig breder is dan 1,80 m;
h. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
k. werklichten;
l. een derde remlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2001, aangebracht zodanig dat:
1º. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2º. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel h;
m. twee dagrijlichten;
n. een markering aan de achterzijde van het voertuig bestaande uit een rechthoekig bord dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende parallel lopende diagonale strepen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg;
o. verlichte transparanten.
2.
Lichten die ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.2.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen g onderscheidenlijk h van het eerste lid.
3.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
4.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel l, kunnen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd.
1.
Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
De mistlichten aan de voorzijde, het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, tenzij zij zijn ingebouwd in ambergeel stralende zijrichtingaanwijzers.
3.
De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
6.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
8.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
9.
Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.2.55, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
10.
De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
11.
Verlichte transparanten zijn:
a. afzonderlijk geschakeld;
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
1.
Bij personenauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en werklichten.
Artikel 5.2.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.2.63
Achteruitrijlichten van personenauto’s mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
1.
Personenauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Personenauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.2.65
Personenauto’s mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.2.51, 5.2.52, 5.2.57 en in of krachtens artikel 5.2.58 is voorgeschreven of toegestaan.
Artikel 5.2.66
Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm:
a. moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed functioneren en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
2.
Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.3.68 en 5.3.70.
1.
Personenauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te voorkomen.
3.
Personenauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake tweetonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
Artikel 5.3.1
Bedrijfsauto’s moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximum massa's die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport;
d. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport;
e. de kentekenplaten moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
f. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.
1.
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bedrijfsauto’s mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
2.
Onze Minister stelt regels vast inzake corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede de bevestiging daarvan.
1.
De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2.
De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de ondersteuning.
1.
Bedrijfsauto’s mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen:
a. bussen met twee assen niet langer zijn dan 13,50 m;
b. bussen met twee assen die in gebruik genomen zijn vóór 10 september 2003 tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m;
c. bussen met meer dan twee assen niet langer zijn dan 15,00 m;
d. gelede bussen niet langer zijn dan 18,75 m;
e. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m;
f. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
3.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b , mogen:
a. geconditioneerde voertuigen niet breder zijn dan 2,60 m;
b. rijdende werktuigen niet breder zijn dan 3,00 m.
4.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
1.
De last onder de assen van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten.
2.
De totale massa of de som van de aslasten van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De LPG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;
b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak;
c. mag geen deuken vertonen.
3.
De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst en indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1994, niet op het dak zijn geplaatst.
4.
De volgende onderdelen moeten aanwezig zijn:
a. de veerveiligheid, die in de buitenlucht moet uitmonden;
b. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, dan wel een mengregelsysteem;
c. de gasdichte kast indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst;
d. de automatische inrichting ter begrenzing van de vullingsgraad indien het voertuig na 30 juni 1983 in gebruik is genomen;
e. de automatische afnameklep op de tank indien het voertuig na 31 december 1987 in gebruik is genomen;
f. het gasmengstuk dan wel een inspuitstuk;
g. de automatische afsluitklep.
5.
Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
6.
Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden.
7.
De in het vierde lid genoemde onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
9.
De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De CNG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en
b. mag geen deuken vertonen.
3.
De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4.
Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar.
5.
Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte.
6.
Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter.
7.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9.
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
1.
Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Bedrijfsauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging (Stb. 1990, 393). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4.
Bedrijfsauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5.
De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor:
a. niet meer dan 4,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 oktober 1986;
b. niet meer dan 3,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1986 doch voor 1 juli 2002;
c. niet meer dan 1,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas;
d. niet meer dan 0,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1985 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig is uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen;
e. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002.
6.
De afstelling van het stationaire mengsel van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, met uitzondering van bedrijfsauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient zodanig te zijn dat een door Onze Minister voor het desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte aan koolmonoxyde van de uitlaatgassen, uitgedrukt in % vol, bij het bij die aanwijzing aangegeven stationaire toerental, niet wordt overschreden. Bij de meting van het gehalte koolmonoxyde moeten de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Deze eis wordt alleen getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve van de afgifte of teruggave van een kentekenbewijs.
7.
De in het zesde lid bedoelde controle van de afstelling van het stationaire mengsel vindt bij bedrijfsauto’s die worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas en die in gebruik zijn genomen na 1 juli 1997 plaats aan de hand van de afstel- en controlegegevens, vermeld op het op het voertuig aangebrachte symbool, bedoeld in artikel 3a, tweede lid, van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging, dan wel aan de hand van de gegevens vermeld in het kentekenregister.
8.
Bij bedrijfsauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient het brandstofdoseringssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Deze beoordeling vindt plaats op een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze.
9.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
10.
De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen.
11.
Bij bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn.
1.
De accu van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
1.
De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd.
2.
De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
2.
De volgende categorieën motorrijtuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer:
a. bedrijfsauto’s met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen;
d. bussen met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
e. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
f. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen.
3.
De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld op:
a. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, niet meer dan 90 km/h kan bedragen;
b. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bussen niet meer dan 100 km/h kan bedragen;
c. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft met een maximum massa van meer dan 10.000 kg, die voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen.
De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht.
4.
De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening.
5.
De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt niet voor:
b. motorrijtuigen die blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien.
6.
Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet zijn voorzien van een controleapparaat als bedoeld in verordening 3821/85/EEG:
a. mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt;
b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd;
c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld;
d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening.
1.
De onderdelen van de aandrijving van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
1.
De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
4.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen.
2.
Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan:
a. 15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg;
b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg.
Artikel 5.3.22
De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan:
a. 15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg;
b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg.
Artikel 5.3.23
De spoorbreedte van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van bedrijfsauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.3.25
De wielnaven van bedrijfsauto’s moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.3.26
Stabilisatoren moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd en mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet te veel speling op de draaipunten vertonen.
1.
De wielen van bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en van T100-bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5.
De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is opsnijden toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding "REGROOVABLE" of door het teken "
", met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn.
6.
De banden op een as moeten dezelfde karkasstructuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32.
7.
De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde load-index mag niet kleiner zijn dan de load-index, behorende bij de maximum last per band van de in het kentekenregister vermelde aslast.
8.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
9.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het zevende lid.
1.
Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd.
3.
Bedrijfsauto's die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers.
4.
Schokdempers van bedrijfsauto's moeten deugdelijk zijn bevestigd.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede en vierde lid.
1.
De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
2.
Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
3.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
4.
Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
5.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
6.
Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
7.
De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
8.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
9.
Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
10.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren.
3.
De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden.
4.
Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt.
5.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
6.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
7.
Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen.
8.
Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
9.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
10.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
11.
Remcylinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.
12.
Anti-blokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt.
13.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b , het zesde lid, onderdeel a , het zevende lid.
1.
Bedrijfsauto’s met een hydraulisch remsysteem, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten indien het remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir, waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, zijn voorzien van:
a. een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of
b. in geval van een gescheiden remsysteem, een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra een van de kringen van het remsysteem faalt.
2.
De goede werking van het signaal van de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.
3.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
Artikel 5.3.33
Bedrijfsauto’s met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimum druk is gedaald.
Artikel 5.3.34
Bedrijfsauto’s met een veerrem, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1975, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld.
1.
Bedrijfsauto’s met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van:
a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcylinders op iedere as, kunnen worden gemeten;
b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten;
c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975.
2.
Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren.
3.
Bedrijfsauto’s met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op genoemde plaat.
4.
De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren.
1.
De slag van drukluchtremcylinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd.
2.
De slag van drukluchtremcylinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximum slag van de betrokken remcylinder.
1.
Bedrijfsauto’s met een tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,5 tot 8,5 bar, en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar.
2.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997 mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen.
3.
Bij bedrijfsauto’s met een éénleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moet aan de aansluitkop de voorraaddruk van het remsysteem aanwezig zijn. Deze druk moet ten minste 5 doch niet meer dan 6 bar bedragen.
4.
Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1997 mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen.
5.
Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters.
1.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, en bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N.
2.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N.
3.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
4.
De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.
5.
Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras.
6.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, derde en vijfde lid.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.
2.
De parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
3.
De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen.
1.
Indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en is voorzien van een geheel afzonderlijk hulpremsysteem, moet:
a. het hulpremsysteem goed functioneren;
b. de remwerking redelijk gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn verdeeld.
Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen indien het een bedrijfsauto, niet zijnde een bus, betreft, en ten minste 2,2 m/s2 bedragen indien het een bus betreft. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
1.
De deuren en de laadbakkleppen van bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
2.
Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen.
3.
De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast.
4.
Bedrijfsdeuren en nooddeuren van een stilstaande bus die na 12 februari 2004 in gebruik is genomen, moeten van binnen en van buiten kunnen worden geopend.
5.
Constructie en bedieningssysteem van een bedrijfsdeur van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, moet zodanig zijn dat een passagier niet door een deur verwond kan worden of bij het sluiten tussen de deur bekneld kan raken.
6.
Bedrijfsdeuren en nooddeuren van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004 die niet volledig zijn gesloten, dienen een verklikker te activeren die voor de bestuurder goed waarneembaar is.
7.
Noodluiken van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, dienen gemakkelijk van binnen en van buiten te kunnen worden geopend of verwijderd. De vrije doorgang mag daarbij niet worden belemmerd.
8.
Noodramen van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, moeten op geschikte wijze kunnen worden geopend met een als toereikend beschouwde voorziening. Een scharnierend noodraam dat niet duidelijk vanuit de bestuurderszitplaats zichtbaar is, dient te zijn uitgerust met een akoestische voorziening om de bestuurder te waarschuwen wanneer het raam niet volledig gesloten is.
9.
Nooduitgangen en de noodbedieningsinrichtingen van bedrijfsdeuren en van alle nooduitgangen van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, dienen als zodanig aan de binnen- en buitenzijde van het voertuig te zijn aangeduid, hetzij door een representatief symbool, hetzij door een duidelijk geformuleerd opschrift, en voorzien van duidelijke aanwijzingen over de bedieningswijze.
10.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het derde tot en met negende lid.
1.
Een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, moet voor wat betreft de binneninrichting voldoen aan de volgende eisen:
a. de toegang tot bedrijfsdeuren, nooddeuren en noodramen moet vrij zijn van obstakels en uitstekende voorwerpen die tot de inrichting behoren.
b. er moeten voorzieningen zijn om de bestuurder te beschermen tegen verblinding door en weerkaatsing van de binnenverlichting;
c. vormen van visueel vermaak voor passagiers moeten zich buiten het gezichtsveld van de bestuurder bevinden.
2.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
De voorruit en de zijruiten van bedrijfsauto’s mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
2.
Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
3.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
Bedrijfsauto's met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2.
Bedrijfsauto's met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
3.
Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
1.
Bedrijfsauto's met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
2.
Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
1.
Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2011, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel indien het gezichtsveld van de binnenspiegel zodanig is dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte, waarvan het midden in het verticale vlak door de lengte-as van het voertuig ligt, kan overzien vanaf een afstand van 60,00 m van de achterzijde van het voertuig tot aan de horizon over een breedte van 20,00 m.
3.
Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2010, zijn tevens voorzien van een binnenspiegel tenzij het gezichtsveld van deze spiegel niet zodanig is dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte, waarvan het midden in het verticale vlak door de lengteas van het voertuig ligt, kan overzien vanaf een afstand van 60,00 m van de achterzijde van het voertuig tot aan de horizon over een breedte van 20,00 m.
4.
De volgende bedrijfsauto’s zijn aan de rechterzijde tevens voorzien van een trottoirspiegel:
a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 7500 kg, in gebruik genomen voor 1 januari 2000;
b. rijdende werktuigen;
c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999.
5.
De verplichting, genoemd in het vierde lid, geldt niet indien het onmogelijk is om op een bedrijfsauto een trottoirspiegel zodanig te monteren dat deze aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. geen enkel punt van de spiegel bevindt zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek, bij een belasting die overeenkomt met het maximale technisch toelaatbare gewicht; en
b. de spiegel is volledig zichtbaar vanaf de bestuurdersplaats.
6.
De volgende bedrijfsauto’s zijn tevens voorzien van een breedtespiegel:
a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, waarvan de linker- of rechterbuitenspiegel niet convex is en die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2000;
b. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999; en
c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 7500 kg.
7.
De verplichting, genoemd in het zesde lid, geldt niet indien het voertuig is voorzien van een breedtespiegel waarmee wordt voldaan aan artikel 5.3.45a, eerste of tweede lid.
8.
De verplichtingen, genoemd in het vierde en zesde lid, gelden niet indien:
a. het voertuig is voorzien van andere inrichtingen voor indirect zicht, die zijn voorgeschreven door maatregelen van de lidstaten van de Europese Unie die voor de data, genoemd in de artikelen 2 en 5 van richtlijn nr. 2003/97/EG, in werking zijn getreden en waarmee minstens 95% van het in die richtlijn voor spiegels van klasse IV (breedtespiegels) en V (trottoirspiegels) voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan worden overzien;
b. het voertuig is voorzien van breedtespiegels en trottoirspiegels, waarmee minstens 95% voor een spiegel van klasse IV (breedtespiegels) en minstens 85% voor een spiegel van klasse V (trottoirspiegels) van het in richtlijn nr. 2003/97/EG voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan worden overzien;
c. het voertuig bij gebrek aan beschikbare en economisch haalbare technische oplossingen niet kan worden uitgerust met spiegels die voldoen aan de uitzondering, genoemd in onderdeel b, of aan de verplichtingen, genoemd in het vierde en het zesde lid, en het is voorzien van extra spiegels of andere inrichtingen voor indirect zicht, mits daarmee minstens 95% voor een spiegel van klasse IV (breedtespiegel) en minstens 85% voor spiegels van klasse V (trottoirspiegel) van het in richtlijn nr. 2003/97/EG voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan worden overzien.
9.
Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met frontstuur, met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2008, zijn tevens voorzien van:
a. een vooruitkijkspiegel dan wel een camera-monitorsysteem en
b. een breedtespiegel aan de bestuurderszijde.
10.
De vooruitkijkspiegel is zodanig aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag de bedrijfsauto niet van een vooruitkijkspiegel zijn voorzien en is geen andere inrichting voor indirect zicht vereist.
11.
In afwijking van het vierde lid is een trottoirspiegel niet vereist indien het daarvoor voorgeschreven gezichtsveld wordt verkregen door een combinatie van een vooruitkijkspiegel en een breedtespiegel.
12.
De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor bedrijfsauto's die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen.
13.
De spiegels en camera-monitorsystemen zijn deugdelijk bevestigd.
14.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
15.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de gezichtsvelden van de verplichte spiegels en camera-monitorsystemen.
1.
Onverminderd artikel 5.3.45 zijn bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen of kampeerauto’s, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977, voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen of kampeerauto’s, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977 en met een bestuurderszitplaats aan de rechterzijde van het voertuig, voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich links van het voertuig bevinden.
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor bedrijfsauto’s:
a. die in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen zijn geregistreerd, of
b. die voldoen aan de in de artikelen 2.9.15 en 2.9.16 van de Regeling permanente eisen vereiste gezichtsvelden voor voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1999.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het eerste en tweede lid.
1.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en bussen behorende tot de klasse III of B als bedoeld in artikel 1.1, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, zijn niet voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, bedrijfsauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving.
3.
Het eerste lid is tot 21 oktober 2010 niet van toepassing op bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg behorende tot de klasse III of B als bedoeld in artikel 1.1, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal 10 plaatsen, met dien verstande dat deze zijdelings gerichte zitplaatsen, onverminderd artikel 5.3.47, zijn voorzien van een hoofdsteun en een tweepuntsgordel met oprolmechanisme.
4.
De zitplaatsen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld.
5.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het vierde lid.
1.
bedrijfsauto's, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, en T100-bussen moeten zijn voorzien van autogordels voor:
a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en
b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1.30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt.
2.
In afwijking van het eerste lid moeten:
a. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die na 30 september 2002 in gebruik zijn genomen, en
b. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
3.
Bedrijfsauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten voorzien zijn van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
4.
Bedrijfsauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten zijn voorzien van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen.
5.
Het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing op:
a. klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig;
b. bussen die zijn bestemd voor stadsgebruik;
c. bussen die beschikken over speciaal voor staande passagiers bedoelde plaatsen, en
d. voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels hoeven te zijn voorzien.
6.
Autogordels van bedrijfsauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7.
De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
8.
De autogordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.
9.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het zevende lid.
Artikel 5.3.47a
Bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel voldoen aan bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen en mogen niet aanlopen. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
5.
Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Deze verplichting geldt niet voor:
a. trekkers;
b. bedrijfsauto’s die blijkens een aantekening op het kentekenbewijs hiervan zijn uitgezonderd;
c. het gedeelte achter de achterste as van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg.
6.
Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van de bedrijfsauto bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat wiel goed zijn opgesloten.
7.
Geen deel aan de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
8.
De beweging van een intrekbare trede van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, mag geen letsel kunnen toebrengen aan passagiers of mensen buiten de bus.
9.
Bussen van klasse I in gebruik genomen na 12 februari 2004, moeten voorzien zijn van:
a. een deugdelijk functionerend knielsysteem tezamen met een deugdelijk functionerende lift of oprijplaat,
b. duidelijk gemarkeerde bedieningsinrichtingen voorzien van een verklikkerinrichting bij een aanwezige lift of oprijplaat,
c. een deugdelijke voorziening die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt, en
d. ten minste vier gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap, voorzien van handgrepen en dichtbij een geschikte bedrijfsdeur.
10.
Op bussen van een andere klasse dan klasse I, in gebruik genomen na 12 februari 2004 en die voorzien zijn van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor personen met een mobiliteitshandicap, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap voor bussen van klasse II en III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en B ten minste één. Een stoel die wordt ingeklapt wanneer hij niet wordt gebruikt, mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats.
11.
Voor bussen als bedoeld in het negende en tiende lid geldt, dat bussen van klasse I en II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste een naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld en van merktekens voorzien voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze plaatsen moeten dicht bij een voor deze passagiers geschikte ingang geplaatst zijn.
12.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het vierde, vijfde en achtste tot en met elfde lid.
1.
Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen.
2.
De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m.
3.
Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 31 december 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,40 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor bedrijfsauto's, ingericht als betonmolen, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen.
4.
Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten.
5.
De stootbalk van bedrijfsauto's mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
Voor bedrijfsauto's die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
6.
De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
7.
De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen.
8.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a. trekkers;
b. voertuigen die blijkens een aantekening in het kentekenbewijs van het bepaalde in het eerste lid zijn uitgezonderd.
9.
Bedrijfsauto's, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2004, moeten op deugdelijke wijze zijn voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden.
10.
De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen de punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,45 m bedragen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
11.
De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,40 m bedragen, waarbij voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten.
12.
De bescherminrichting mag:
a. niet breder zijn dan de breedte van het voertuig met inbegrip van de spatborden van de voorste as;
b. aan weerszijden niet meer dan 0,10 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten, of
c. aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan het voertuig gemeten over de uiterste punten van de instaptrede naar de bestuurderscabine.
13.
De beschermingsinrichting aan de voorzijde en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
14.
Het negende lid geldt niet voor:
a. bedrijfsauto's die blijkens een aantekening in het kentekenbewijs of blijkens gegevens in het kentekenregister de toegevoegde categorie-aanduiding« G» als beschreven in bijlage I, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG hebben;
b. bedrijfsauto's waarvan het gebruik blijkens een aantekening in het kentekenbewijs onverenigbaar is met het voldoen aan de voorschriften voor een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden.
15.
Het elfde en twaalfde lid zijn niet van toepassing op bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 7500 kg.
1.
Bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 zijn niet voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
2.
Het eerste lid is tot 1 januari 2017 niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.
3.
Aan de in het eerste en tweede lid opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
1.
Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de bij regeling van Onze Minister gestelde eisen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op bussen.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen voldoen aan door Onze Minister gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan;
c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen; voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
j. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, onderscheidenlijk twee driehoekige dan wel niet-driehoekige, rode retroreflectoren indien het een gelede bus betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005;
k. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
l. één of twee achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen; deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines;
o. niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; deze eis geldt niet voor trekkers, voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede door Onze Minister aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.
2.
Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of licht.
3.
Het eerste lid geldt niet voor bedrijfsauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
1.
De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3.
De achterlichten en mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
6.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
7.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
8.
De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen.
1.
De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid.
6.
De retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
Het dimlicht van bedrijfsauto’s moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.
1.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van:
a. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
b. parkeerlichten, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m;
c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig. Bedrijfsauto’s, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen ook zijn voorzien van twee extra richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig;
d. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn;
e. twee herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
g. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
h. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn en het voertuig breder is dan 1,80 m;
i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
j. een richtlicht;
k. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
l. werklichten;
m. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.3.51, onderdeel h;
n. In afwijking van onderdeel m kunnen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0.15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd;
o. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg kunnen, in afwijking van onderdeel m, twee extra remlichten worden aangebracht;
p. twee dagrijlichten;
q. verlichte transparanten;
r. een markering aan de achterzijde van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg.
2.
Lichten die ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen h onderscheidenlijk i van het eerste lid.
3.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
4.
Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van een ambergele of witte lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele, witte of rode lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig.
5.
Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van een ambergele of witte contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of een ambergele, witte of rode contourmarkering aan de achterkant van het voertuig. Binnen de contourmarkering aan de zijkant van het voertuig mogen retroreflecterende letters of afbeeldingen zijn aangebracht, voorzover deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de contourmarkering uitmaken
6.
Ieder afzonderlijk deel van de lijn- en contourmarkering en van het materiaal voor de retroreflecterende letters of afbeeldingen binnen de contourmarkering is voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7.
Bij regeling van Onze Minister worden voorschriften gesteld met betrekking tot de installatie van de lijn- en contourmarkering.
1.
Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
De mistlichten aan de voorzijde, het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet anders dan ambergeel stralen.
3.
De extra richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en herhalingswaarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit, en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
5.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
7.
Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.3.55, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
8.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
9.
De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
10.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
11.
Verlichte transparanten zijn:
a. afzonderlijk geschakeld;
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
1.
Bij bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig en werklichten.
3.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze of plaats van bevestiging van verlichte transparanten op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW.
Artikel 5.3.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.3.63
Achteruitrijlichten van bedrijfsauto’s mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
1.
Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.3.65
Bedrijfsauto’s mogen onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 dan wel bij of krachtens artikel 5.3.51a is voorgeschreven of toegestaan.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
Artikel 5.3.67
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm:
a. moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed functioneren en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van:
a. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen;
b. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46 mm bedragen;
c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55 mm bedragen.
2.
De in het eerste lid bedoelde koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen;
b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen;
c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen;
d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren;
e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen;
f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan;
g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn;
h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag:
a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen;
b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde onder a , voor wat betreft de uiterste linker en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen;
c. de diepte van groeven langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.
Dit lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak.
2.
Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen.
4.
De sluit- en borginrichting moet goed functioneren.
Artikel 5.3.70
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot bijzondere constructies voor het koppelen van voertuigen en andere koppelingen dan bedoeld in de artikelen 5.3.67, 5.3.68 en 5.3.69.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
3.
Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
6.
Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid.
Artikel 5.4.1
Motorfietsen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. het merk of de fabrieksaanduiding moet aanwezig zijn;
d. de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
e. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.
1.
Het frame of de zelfdragende constructie alsmede de voor- en achtervork van motorfietsen mag:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zijn doorgeroest;
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt benvloed.
2.
De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.4.4
Een aan een motorfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de motorfiets zijn bevestigd.
1.
Motorfietsen mogen:
a. niet langer zijn dan 4.00 m;
b. niet breder zijn dan 2.00 m;
c. niet hoger zijn dan 2.50 m.
2.
Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorrijtuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem van motorfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.4.9, voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De LPG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;
b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak;
c. mag geen deuken vertonen.
3.
De volgende onderdelen moeten aanwezig zijn:
a. de veerveiligheid, die in de buitenlucht moet uitmonden;
b. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, dan wel een mengregelsysteem;
c. de gasdichte kast indien de tank in de zijspanwagen is geplaatst;
d. de automatisch inrichting ter begrenzing van de vullingsgraad;
e. de automatische afnameklep op de tank;
f. het gasmengstuk dan wel een inspuitstuk;
g. de automatische afsluitklep.
4.
De in het derde lid genoemde onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
5.
De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
6.
De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
1.
Indien de motorfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.4.9, voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen.
2.
De CNG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en
b. mag geen deuken vertonen.
3.
Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar.
4.
Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
5.
Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter.
6.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
7.
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8.
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
1.
Motorfietsen moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Motorfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 3 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen ( Stb. 1981, 741).
4.
Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Het geluidsniveau van de uitlaat wordt vastgesteld op een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze.
5.
Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de in onderstaande tabel bij de onderscheiden cylinderinhouden telkens vermelde waarde:
Cylinderinhoud t/m Maximum toegestane waarde
80 cm 3 91 dB(A)
125 cm 3 92 dB(A)
350 cm 3 95 dB(A)
500 cm 3 97 dB(A)
750 cm 3 100 dB(A)
1000 cm 3 103 dB(A)
>1000 cm 3 106 dB(A)

Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van deze waarden.
1.
De accu van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.4.13
De motor van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.4.15
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999 of na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
Artikel 5.4.16
De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De assen van motorfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
Artikel 5.4.21
De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister.
Artikel 5.4.24
De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van motorfietsen mogen geen breuken, scheuren of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken.
1.
De wielen van motorfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,0 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5.
De banden mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is.
6.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
7.
De banden van motorfietsen in gebruik genomen voor 17 juni 1999 moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen omtrent geschiktheid en montage.
1.
Indien de motorfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De voorvork moet zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien.
3.
De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen.
1.
Motorfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
Het rempedaal onderscheidenlijk de remhandel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt.
3.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
4.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
5.
Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn.
6.
Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
7.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
8.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
9.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Motorfietsen, in gebruik genomen na 31 maart 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt;
b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt;
c. bij gebruik van de voorwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt;
d. bij gebruik van de achterwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt;
e. in geval van een gecombineerde reminrichting:
1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s2 bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en
2°. bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt.
2.
Motorfietsen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s2;
b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s2 bedraagt;
c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s2 bedraagt.
3.
Motorfietsen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s2 bedraagt.
4.
Motorfietsen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op en droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
5.
De voor het gebruik van de remmen benodigde bedieningskracht mag bij motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, bij gebruik van een remhandel niet meer dan 200N en bij gebruik van een rempedaal niet meer bedragen dan:
a. 500 N, dan wel
b. 350 N indien de motorfiets na 31 maart 1997 in gebruik is genomen.
1.
Windschermen en stroomlijnkappen van motorfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren.
2.
Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 2003, moeten zijn voorzien van:
a. een linker buitenspiegel;
b. een rechterbuitenspiegel indien de maximum snelheid van het voertuig 100 km/h of meer kan bedragen en het voertuig na 31 december 1996 in gebruik is genomen.
3.
De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
1.
De zitplaats of zitplaatsen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Voetsteunen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Motorfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
De wielen onderscheidenlijk banden van motorfietsen mogen niet aanlopen en moeten goed zijn afgeschermd indien de motorfiets voor 17 juni 1999 in gebruik is genomen.
3.
Geen deel aan de buitenzijde van een motorfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
1.
Motorfietsen moeten zijn voorzien van:
a. een of twee grote lichten;
b. een of twee dimlichten;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van de motorfiets indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
d. een of twee stadslichten indien het voertuig na 31 oktober 1997 in gebruik is genomen;
e. een of twee achterlichten;
f. een of twee remlichten indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h. een of twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
2.
Onverminderd het eerste lid, onderdeel c , mag, indien de motorfiets is voorzien van een zijspanwagen en in gebruik is genomen na 31 oktober 1997, de aan de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzer aan de zijde van de zijspanwagen niet functioneren.
1.
Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten.
3.
Het eerste lid geldt niet voor motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.4.52
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van:
a. een richtingaanwijzer aan de voorzijde en een richtingaanwijzer aan de achterzijde indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
b. een achterlicht;
c. een stadslicht indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
d. een remlicht indien de motorfiets in gebruik in genomen na 31 oktober 1997;
e. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het zijspan herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten.
3.
Het eerste lid geldt niet voor zijspanwagens gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
1.
De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
1.
De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd.
6.
De retroreflector mag geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem.
1.
Het dimlicht van motorfietsen moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
1.
Motorfietsen mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
b. een mistlicht aan de voorzijde van het voertuig;
c. een mistlicht aan de achterzijde van het voertuig;
d. waarschuwingsknipperlichten;
e. een of twee parkeerlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
f. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig;
g. een witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
h. een richtlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
i. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
j. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
k. verlichte transparanten.
2.
Lichten die ingevolge artikel 5.4.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.4.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen.
3.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
b. richtingaanwijzers indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997 en waarschuwingsknipperlichten;
c. een remlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
d. een witte retroreflector aan de voorzijde van de zijspanwagen, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
e. een ambergele retroreflector aan elke zijkant van de zijspanwagen;
f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997.
2.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets die in gebruik is genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
Het mistlicht aan de voorzijde, het richtlicht, het bermlicht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
3.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
Het remlicht en het mistlicht aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
6.
Op het mistlicht aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.4.55, eerste tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
7.
Verlichte transparanten zijn:
a. afzonderlijk geschakeld;
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
Artikel 5.4.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
1.
Motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Motorfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.4.65
Motorfietsen mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.4.51, 5.4.52, 5.4.57 of 5.4.58 dan wel bij of krachtens, de artikelen 5.4.51a, 5.4.52a, 5.4.57a of 5.5.58a is voorgeschreven of toestaan.
1.
Indien de motorfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm:
a. moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed werken en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
1.
Motorfietsen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Motorfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld.
3.
Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
6.
Motorfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tot en met het vijfde lid.
Artikel 5.5.1
Driewielige motorrijtuigen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport;
d. Het voertuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van een kentekenplaat. De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd;
e. de kentekenplaat aan de achterzijde mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn.
1.
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
2.
Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zijn doorgeroest;
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
3.
De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4.
Onze Minister stelt regels vast inzake corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede de bevestiging daarvan.
Artikel 5.5.4
De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen:
a. niet langer zijn dan 4,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,00 m;
c. niet hoger zijn dan 2,50 m.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
1.
De ledige massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan 1000 kg. In afwijking van artikel 1.1, onderdeel ad, wordt bij het bepalen van de ledige massa de massa van de brandstof of de massa van de batterijen in elektrische voertuigen buiten beschouwing gelaten.
2.
De totale massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan:
a. 1300 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het personenvervoer,
b. 2500 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het goederenvervoer.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De LPG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;
b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak;
c. mag geen deuken vertonen.
3.
De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst en indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1994, niet op het dak zijn geplaatst.
4.
De volgende onderdelen moeten aanwezig zijn:
a. de veerveiligheid, die in de buitenlucht moet uitmonden;
b. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, dan wel een mengregelsysteem;
c. de gasdichte kast indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst;
d. de automatische inrichting ter begrenzing van de vullingsgraad indien het voertuig na 30 juni 1983 in gebruik is genomen;
e. de automatische afnameklep op de tank indien het voertuig na 31 december 1987 in gebruik is genomen;
f. het gasmengstuk dan wel een inspuitstuk;
g. de automatische afsluitklep.
5.
Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
6.
Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden.
7.
De in het vierde lid genoemde onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
9.
De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
1.
Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.5.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen.
2.
De CNG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en
b. mag geen deuken vertonen.
3.
De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4.
Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar.
5.
Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte.
6.
Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter.
7.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9.
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
1.
Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Driewielige motorrijtuigen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 3 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen ( Stb. 1981, 741). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4.
Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn.
1.
De accu van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
1.
De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd.
2.
De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
Artikel 5.5.15
Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999 of na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
1.
De onderdelen van de aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
1.
De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
4.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen.
2.
Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van driewielige motorrijtuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De wielen van driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5.
De banden mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is.
6.
De banden op een as moeten dezelfde karkasstructuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32.
7.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
1.
Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Indien een driewielig motorrijtuig met een toegestane maximum massa van meer dan 1000 kg, dan wel met een ledige massa van meer dan 400 kg, is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
2.
Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
3.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
4.
Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
5.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
6.
Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
7.
De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
8.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
9.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
1.
Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een voorvork, moet deze zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien.
2.
De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen.
1.
Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
De rembekrachtiger en remkrachtregelaar moeten goed functioneren.
3.
Het rempedaal onderscheidenlijk de remhandel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt.
4.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
5.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
6.
Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn.
7.
Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
8.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
9.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
10.
Remcylinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.
11.
Anti-blokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt.
12.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b , en het vijfde lid, onderdeel a .
1.
Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten indien het hydraulisch remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir, waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, zijn voorzien van:
a. een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of
b. in geval van een gescheiden remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra een van de kringen van het remsysteem faalt.
2.
De goede werking van het signaal van de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.
3.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 31 maart 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhandel van niet meer dan 200 N;
b. ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhandel van niet meer dan 200 N, indien het een voertuig betreft dat voor 1 april 1997 in gebruik is genomen en dat is bestemd voor het vervoer van goederen;
c. in geval van een gecombineerde reminrichting:
1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en
2°. bij gebruik van de andere bedrijfsrem of hulprem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt.
2.
Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhandel van niet meer dan 200 N.
3.
Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen; bij gebruik van elke der reminrichtingen afzonderlijk moet de remvertraging ten minste 1,7 m/s2 bedragen.
4.
Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen voor 27 november 1975, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen.
5.
De bedrijfsrem van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg moet op alle wielen werken.
6.
Driewielige motorrijtuigen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras.
7.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het zesde lid.
1.
Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste één as werkt.
2.
De parkeerrem van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
3.
De remvertraging van de parkeerrem van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen.
1.
Indien het driewielig motorrijtuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en is voorzien van een geheel afzonderlijk hulpremsysteem, moet:
a. het hulpremsysteem goed functioneren;
b. de remwerking redelijk gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn verdeeld.
Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
1.
De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
2.
Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen.
3.
De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
De voorruit, de zijruiten dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
2.
Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
3.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen met een voorruit met een ledige massa van niet meer dan 400 kg die voor 27 november 1975 in gebruik zijn genomen.
3.
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 31 december 1994, in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
1.
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
2.
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit en met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1994, doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
1.
Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen:
a. waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg,
b. waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij van zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte kan overzien, en
c. die in gebruik zijn genomen vóór 27 november 1975.
2.
Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een binnenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 2003 en voldoen aan de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde voorwaarden.
3.
Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
4.
De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor driewielige motorrijtuigen die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen.
5.
De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
6.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
1.
De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Bij driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 30 september 1971, moeten:
a. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand automatisch zijn vergrendeld;
b. verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld;
c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
1.
Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
2.
Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
3.
Driewielige motorrijtuigen die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen en die zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten zijn voorzien van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen.
4.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen.
5.
De in het tweede en derde lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels behoeven te zijn voorzien.
6.
De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
7.
De autogordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprol-mechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.
1.
Driewielige motorrijtuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van driewielige motorrijtuigen, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
De wielen onderscheidenlijk banden van driewielige motorrijtuigen mogen niet aanlopen en moeten goed zijn afgeschermd indien het driewielige motorrijtuig voor 17 juni 1999 in gebruik is genomen.
5.
Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van het driewielige motorrijtuig bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat wiel goed zijn opgesloten.
6.
Geen deel aan de buitenzijde van een driewielig motorrijtuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
1.
Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van:
a. twee grote lichten;
b. twee dimlichten;
c. twee stadslichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967, en twee of vier stadslichten, indien het voertuig voor 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van driewielige motorrijtuigen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1996 in gebruik is genomen;
f. twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en twee of vier achterlichten, indien het voertuig voor 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
g. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
h. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
i. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
2.
De in het eerste lid, onderdelen d en g , genoemde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer.
3.
Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,30 m mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a , b , c , f , g en i , zijn voorzien van:
a. één groot licht;
b. één dimlicht;
c. één stadslicht
d. één achterlicht;
e. één remlicht;
f. één niet-driehoekige rode retroreflector.
1.
Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of licht.
3.
Het eerste lid geldt niet voor driewielige motorrijtuigen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
1.
De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
1.
De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.5.51 vermelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid.
6.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
Het dimlicht van driewielige motorrijtuigen moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.
1.
Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van:
a. een of twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
b. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig;
c. parkeerlichten, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m en in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
d. één of twee achteruitrijlichten;
e. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig. Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van één extra zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;
f. twee herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
g. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
i. een richtlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
k. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
l. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling van Onze Minister vast te stellen informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De verlichting moet afzonderlijk zijn geschakeld en mag naar achteren niet rood stralen. Bij regeling van Onze Minister worden nadere eisen vastgesteld ten aanzien van de uitvoering van de transparanten en de plaats waar zij op of aan het voertuig zijn aangebracht.
2.
Lichten die ingevolge artikel 5.5.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.5.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen.
3.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
De mistlichten aan de voorzijde, de achteruitrijlichten, het richtlicht en het bermlicht mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De mistlichten aan de achterzijde van het voertuig mogen niet anders dan rood stralen.
3.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
4.
De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
5.
Artikel 5.5.55, tweede, derde, vierde en zevende lid, is van toepassing.
6.
Op de mistlichten aan de voorzijde alsmede aan de achterzijde van het voertuig is artikel 5.5.55, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en werklichten.
Artikel 5.5.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.5.63
Achteruitrijlichten van driewielige motorrijtuigen mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
1.
Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.5.65
Driewielige motorrijtuigen mogen, onverminderd het in de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai,- flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.5.51 of 5.5.57 dan wel bij of krachtens de artikelen 5.5.51a of 5.5.58 is voorgeschreven of toegestaan.
1.
Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm:
a. moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed werken en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
1.
Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
3.
Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
6.
Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidsignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid.
1.
Bromfietsen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig is in overeenstemming met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer is op een vast voertuigdeel ingeslagen en is goed leesbaar;
c. de kentekenplaat is voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
d. het kenteken is goed leesbaar en de kentekenplaat is niet afgeschermd;
e. het merk of de fabrieksaanduiding is goed leesbaar op het voertuig aanwezig.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen als bedoeld in artikel 2.4, onderdelen a, b en g.
1.
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bromfietsen mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
2.
Indien de bromfiets is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zijn doorgeroest;
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
3.
De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4.
Onze Minister stelt regels vast inzake de toelaatbare mate van corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede de bevestiging daarvan.
1.
Een aan een bromfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de bromfiets zijn bevestigd.
2.
De bovenbouw van bromfietsen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd.
1.
Bromfietsen mogen:
a. niet langer zijn dan 4.00 m;
b. niet breder zijn dan 1.00 m;
c. niet hoger zijn dan 2.50 m.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b , mogen bromfietsen op meer dan twee wielen niet breder zijn dan 2,00 m.
1.
Bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximum constructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h.
2.
Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximum constructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van de in het eerste lid bedoelde snelheid.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem dan wel van de elektrische aandrijving van bromfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Bromfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging ( Stb. 1984, 525).
4.
Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A).
5.
Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen.
6.
Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van de in het vierde en vijfde lid bedoelde geluidproductie.
1.
De accu van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De elektrische bedrading van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.6.13
De motor van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.6.15
Bromfietsen, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
Artikel 5.6.16
De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De assen van bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
1.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
4.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het derde lid.
1.
Van bromfietsen met drie of vier wielen:
a. mogen de wiellagers niet te veel speling vertonen;
b. mogen verschijnselen van slijtage of beschadiging niet hoorbaar of voelbaar zijn.
2.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het eerste lid, onderdeel a.
Artikel 5.6.24
De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bromfietsen mogen geen breuken, scheuren of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken.
1.
De wielen van bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn.
5.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
1.
Indien de bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Van bromfietsen met twee wielen:
a. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd;
b. moet de voorvork zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien, en
c. mag de balhoofdlagering geen zichtbare speling vertonen.
2.
Van bromfietsen op drie of vier wielen:
a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel;
b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien;
c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast;
d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten;
e. moeten kruiskoppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen;
f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt;
g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen; en
h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het tweede lid, onderdelen c, f en g.
1.
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
Het rempedaal onderscheidenlijk de remhandel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt.
3.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
4.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
5.
Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn.
6.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
7.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
8.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg
a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s 2 bedraagt;
b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s 2 bedraagt, en
c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s 2 bedraagt.
2.
Bromfietsen op twee wielen in gebruik genomen voor 1 januari 2007 moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één tenminste op het voorwiel en de ander tenminste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s 2 bedragen.
3.
Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s 2 bedraagt.
4.
De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken.
Artikel 5.6.39
Van bromfietsen op meer dan twee wielen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is.
1.
Windschermen en stroomlijnkappen van bromfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren.
2.
Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3.
De deuren van bromfietsen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
4.
Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen.
5.
De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast.
6.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het vijfde lid.
1.
Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2.
Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
1.
Bromfietsen, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel.
2.
In afwijking van het eerste lid moeten bromfietsen op meer dan twee wielen met gesloten carrosserie, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van een binnenspiegel en een linker buitenspiegel dan wel zijn voorzien van een linker en een rechter buitenspiegel.
3.
De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
1.
De zitplaats of zitplaatsen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Voetsteunen moeten deugdelijk zijn aangebracht.
1.
Bromfietsen op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie en een ledige massa van meer dan 250 kg, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen.
3.
De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
4.
De autogordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.
1.
Bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
De wielen onderscheidenlijk banden van bromfietsen mogen niet aanlopen.
3.
Geen deel aan de buitenzijde van een bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
1.
Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van:
a. een of twee dimlichten;
b. een of twee achterlichten;
c. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
d. een of twee remlichten indien de bromfiets een vermogen van meer dan 0,5 kW en een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h heeft en in gebruik is genomen na 31 december 2006.
2.
Bromfietsen op drie of vier wielen moeten zijn voorzien van:
a. een of twee dimlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
b. een of twee stadslichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie;
d. een of twee achterlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
e. een of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
f. een of twee niet-driehoekige rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee niet driehoekige rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
g. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers.
Artikel 5.6.52
Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, moeten zijn voorzien van een niet-driehoekige rode retroreflector, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op ten minste 0,25 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek.
1.
De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De remlichten mogen niet anders dan rood stralen.
1.
De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd.
6.
De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem.
1.
Bromfietsen op twee wielen mogen zijn voorzien van:
a. een of twee grote lichten;
b. een of twee stadslichten;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten;
d. een of twee remlichten;
e. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
f. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers;
g. een installatie ter verlichting van de aan achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h. een naar voren gerichte witte retroreflector.
2.
Bromfietsen op drie of vier wielen mogen zijn voorzien van:
a. een of twee grote lichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee grote lichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
b. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig niet is voorzien van een gesloten carrosserie;
c. een installatie ter verlichting van de aan achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
e. naar voren gerichte witte retroreflectoren;
f. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
g. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig;
h. een of twee achteruitrijlichten;
i. een derde remlicht.
3.
Bromfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht aan de uiterste buitenzijde van het voertuig op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
b. een achterlicht;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
d. een remlicht;
e. een naar voren gerichte witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,40 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2.
Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Het grote licht het mistlicht aan de voorzijde, het achteruitrijlicht en het stadslicht mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
Het achterlicht het mistlicht aan de achterzijde, het derde remlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen.
3.
Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
1.
Bromfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.6.65
Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6.51, 5.6.52, 5.6.57 en 5.6.58 is voorgeschreven of toegestaan.
1.
Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm:
a. moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed werken en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
1.
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte.
2.
Bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets of de zijspanwagen te voorkomen.
3.
Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 5.7.1
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen dan wel op de motor is aangebracht, welk nummer goed leesbaar is.
Artikel 5.7.3
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
1.
De bovenbouw van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2.
De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,60 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b , mogen rijdende werktuigen breder zijn dan 2,60 m, doch niet breder dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet breder dan 3,00 m.
1.
De last onder enig wiel van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan 5000 kg.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder enig wiel van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan 6000 kg.
3.
De totale massa of de som van de aslasten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan 50 000 kg.
4.
In afwijking van het bepaalde in het derde lid mag de totale massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid die zijn voorzien van rupsbanden, niet meer bedragen dan 10 000 kg.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. De verbindingen van deelbare uitlaatleidingen moeten zoveel mogelijk gasdicht zijn.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn.
1.
De accu van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
1.
De motorsteunen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd.
2.
De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
Artikel 5.7.14
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een ledige massa van meer dan 400 kg moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden.
Artikel 5.7.16
De onderdelen van de aandrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De assen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.7.25
De wielnaven van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft.
2.
Het bepaalde in het eerste lid inzake het loopvlak is niet van toepassing op walsen en rijdende werktuigen.
3.
De luchtbanden van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
4.
De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen.
5.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
1.
Indien het motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
2.
De bestuurde wielen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
3.
De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging.
4.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
De rembekrachtiger moet goed functioneren.
3.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
4.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
5.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
6.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem:
a. die ten minste op de wielen van één as werkt;
b. waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt.
2.
Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken.
Artikel 5.7.39
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een parkeerrem die het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand moet kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
1.
Gesloten cabines van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van ten minste twee deuren dan wel een deur en een nooduitgang, welke zijn gelegen in verschillende wanden dan wel in een wand en in het dak.
2.
De nooduitgang moet zodanige minimum afmetingen hebben dat daarin een ellips kan worden beschreven met een korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m.
3.
De deuren van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
Artikel 5.7.42
De ruiten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
Artikel 5.7.43
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen.
2.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 30 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 3,50 m en is gelegen rechts van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest rechts gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen.
3.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een lengte van meer dan 6 m die zijn voorzien van een gesloten carrosserie en die zijn ingericht voor het vervoer van goederen, moeten zijn voorzien van een trottoirspiegel waarmee de bestuurder het wegdek naast de cabine aan de rechterzijde kan overzien.
4.
De trottoirspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien.
5.
De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
6.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
Artikel 5.7.46
De zitplaatsen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van motorrijtuigen met beperkte snelheid, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
Geen deel van de buitenzijde van het motorrijtuig met beperkte snelheid mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van:
a. twee dimlichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de dimlichten afschermen, twee extra dimlichten;
b. twee stadslichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de stadslichten afschermen, twee extra stadslichten;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten;
d. een zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
e. twee achterlichten;
f. twee remlichten;
g. twee of vier niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
i. een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
2.
Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting.
1.
De dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
1.
De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 2,80 m boven het wegdek.
2.
De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m zijn aangebracht.
De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten.
3.
De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht.
De zijrichtingaanwijzers moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,80 m vanaf de voorzijde van het voertuig.
4.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5.
De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6.
De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m indien twee retroreflectoren zijn aangebracht. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien vier retroreflectoren zijn aangebracht mogen de extra twee retroreflectoren niet hoger dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7.
De retroreflectoren aan de zijkanten moeten zijn aangebracht:
a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één retroreflector zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en de meest naar voren geplaatste retroreflector zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en de meest achterwaarts geplaatste retroreflector zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt;
b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende retroreflectoren;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
8.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder van 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
1.
De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd.
6.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld.
8.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Het dimlicht van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c.
1°. van de projectie van de gerichte stralenbundels van de beide dimlichten op een op enige afstand voor het voertuig verticaal of nagenoeg verticaal geplaatst scherm mag de scheidingslijn tussen het lichte en donkere vlak zich niet hoger bevinden dan de hoogte van het midden van het lichtdoorlatende gedeelte van het dimlicht boven de grond, verminderd met ten minste 0,005 m en ten hoogste 0,04 m voor elke meter afstand waarop het vlak zich voor het dimlicht bevindt; indien het dimlicht is geplaatst op een hoogte van meer dan 1,20 m wordt de waarde van 0,04 m verhoogd tot 0,06 m;
2°. van de projectie van het extra dimlicht op een verlichtingsscherm op een afstand van 15 m van het licht, mag de horizontale scheidingslijn tussen het lichte en donkere vlak zich niet hoger bevinden dan de helft van de afstand tussen de grond en het midden van het licht;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee extra dimlichten;
c. twee extra stadslichten;
d. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
e. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig;
f. twee of vier parkeerlichten;
g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.7.51 verplicht zijn;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.7.51 verplicht zijn;
j. één of twee achteruitrijlichten;
k. vier markeringslichten indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
l. een richtlicht;
m. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
n. werklichten.
2.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
De grote lichten, de mistlichten aan de voorzijde, de achteruitrijlichten en het bermlicht mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
3.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen.
4.
De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
5.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6.
Artikel 5.7.55, tweede, derde, vierde en zevende lid, is van toepassing op de in artikel 5.7.57 bedoelde lichten en retroreflectoren.
7.
Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.7.55, eerste tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht, waarbij de buitenste randen van het lichtdoorlatende gedeelte zich niet dichter bij het punt van de grootste breedte van het voertuig mogen bevinden dan de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten.
2.
De extra dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 2,80 m boven het wegdek. De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten.
3.
De mistlichten aan de voorzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht.
4.
Het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
5.
Van de parkeerlichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht, dan wel moet er één aan elke kant van het voertuig zijn aangebracht.
6.
De zijrichtingaanwijzers moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,80 m vanaf de voorzijde van het voertuig.
7.
De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
8.
Van de markeringslichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde zijn aangebracht:
a. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. zo hoog mogelijk als met inachtneming van het bepaalde onder amogelijk is.
Artikel 5.7.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.7.63
Achteruitrijlichten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.7.65
Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.7.51 en 5.7.57 is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan het motorrijtuig met beperkte snelheid zijn bevestigd.
2.
De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
1.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten ten minste zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
3.
Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 5.7.72
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten, met uitzondering van walsen, aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig.
Artikel 5.8.1
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen dan wel op de motor is aangebracht, welk nummer goed leesbaar is.
Artikel 5.8.3
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
Artikel 5.8.6
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 3,00 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
1.
De last onder enige as van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan:
a. 11.500 kg voor een aangedreven as, en
b. 10.000 kg voor een niet aangedreven as.
2.
De totale massa of de som van de aslasten van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan:
a. 18.000 kg voor een twee-assige landbouw- of bosbouwtrekker, en
b. 24.000 kg voor een drie-assige landbouw- of bosbouwtrekker.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. De verbindingen van deelbare uitlaatleidingen moeten zoveel mogelijk gasdicht zijn.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn.
1.
De accu van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.8.14
De versnellingsbak van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zijn voorzien van een achteruitversnelling die vanaf de bestuurderszitplaats kan worden bediend.
1.
De onderdelen van de aandrijving van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
1.
De assen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.8.25
De wielnaven van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft.
2.
De luchtbanden van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
2.
De bestuurde wielen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
3.
De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging of van een uitsluitend pneumatische overbrenging.
4.
Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
5.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
De rembekrachtiger moet goed functioneren.
3.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
4.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
5.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
6.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt; indien op meer dan één as wordt geremd, mag één as ontkoppeld zijn mits bij het in werking stellen van de bedrijfsrem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en mits bij een storing in het koppelingssysteem dit automatisch geschiedt.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximum snelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N.
3.
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximum snelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N.
4.
Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken.
Artikel 5.8.39
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een parkeerrem die het voertuig op een helling van 18,0% in beide richtingen in stilstand moet kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,3 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
1.
Gesloten cabines van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste twee deuren dan wel een deur en een nooduitgang, welke zijn gelegen in verschillende wanden dan wel in een wand en in het dak.
2.
De nooduitgang moet zodanige minimumafmetingen hebben dat daarin een ellips kan worden beschreven met een korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m.
3.
De deuren van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
Artikel 5.8.42
De ruiten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
Artikel 5.8.43
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig onderscheidenlijk van de daardoor voortbewogen aanhangwagen.
2.
De spiegel moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Het spiegelglas van de verplichte spiegel mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
Artikel 5.8.46
De zitplaatsen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van landbouw- of bosbouwtrekkers, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.8.51
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van:
a. twee dimlichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de dimlichten afschermen, twee extra dimlichten;
b. twee stadslichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de stadslichten afschermen, twee extra stadslichten;
c. ten minste twee richtingaanwijzers die naar voren stralen en ten minste twee richtingaanwijzers die naar achteren stralen, alsmede waarschuwingsknipperlichten;
d. twee achterlichten;
e. twee remlichten;
f. twee of vier niet-driehoekige rode retroreflectoren;
g. een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
1.
De dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit stralen.
2.
De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3.
De achterlichten en de remlichten mogen niet anders dan rood stralen.
1.
De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als landbouw- of bosbouwtrekker noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek.
2.
De stadslichten moeten naar voren stralen en zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m zijn aangebracht.
De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten.
3.
De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5.
De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6.
De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m indien twee retroreflectoren zijn aangebracht. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien vier retroreflectoren zijn aangebracht, mogen de extra twee retroreflectoren niet hoger dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
1.
De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover niet anders is bepaald, niet zijn afgeschermd.
6.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld.
8.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Het dimlicht van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c.
1°. van de projectie van de gerichte stralenbundels van de beide dimlichten op een op enige afstand voor het voertuig verticaal of nagenoeg verticaal geplaatst scherm mag de scheidingslijn tussen het lichte en donkere vlak zich niet hoger bevinden dan de hoogte van het midden van het lichtdoorlatende gedeelte van het dimlicht boven de grond, verminderd met ten minste 0,005 m en ten hoogste 0,04 m voor elke meter afstand waarop het vlak zich voor het dimlicht bevindt; indien het dimlicht is geplaatst op een hoogte van meer dan 1,20 m wordt de waarde van 0,04 m verhoogd tot 0,06 m;
2°. van de projectie van het extra dimlicht op een verlichtingsscherm op een afstand van 15 m van het licht, mag de horizontale scheidingslijn tussen het lichte en donkere vlak zich niet hoger bevinden dan de helft van de afstand tussen de grond en het midden van het licht;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee extra dimlichten;
c. twee extra stadslichten;
d. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
e. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig;
f. twee of vier parkeerlichten;
g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
j. een of twee achteruitrijlichten;
k. vier markeringslichten indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
l. een richtlicht;
m. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
n. werklichten.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
De grote lichten, de mistlichten aan de voorzijde, de achteruitrijlichten en het bermlicht mogen niet anders dan wit stralen.
2.
De mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
3.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen.
4.
De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
5.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6.
Artikel 5.8.55, tweede, derde, vierde en zevende lid, is van toepassing op de in artikel 5.8.57 bedoelde lichten en retroreflectoren.
7.
Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.8.55, eerste tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht, waarbij de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte zich niet dichter bij het punt van de grootste breedte van het voertuig mogen bevinden dan de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten.
2.
De extra dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten.
3.
De mistlichten aan de voorzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de verplichte dimlichten zijn aangebracht.
4.
Het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
5.
Van de parkeerlichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht, dan wel moet er een aan elke kant van het voertuig zijn aangebracht.
6.
De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
7.
Van de markeringslichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde zijn aangebracht:
a. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. zo hoog mogelijk als met inachtneming van het bepaalde onder a mogelijk is.
Artikel 5.8.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.8.63
Achteruitrijlichten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.8.65
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57 is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan de landbouw- of bosbouwtrekker zijn bevestigd.
2.
De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
3.
De bedieningsorganen van de in het eerste lid bedoelde inrichting moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
3.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 5.8.72
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig.
Artikel 5.9.3
Het frame van fietsen mag:
a. niet zodanig zijn vervormd,
b. geen zodanige breuken of scheuren vertonen,
c. niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de stijfheid en sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
1.
Fietsen op twee wielen mogen niet breder zijn dan 0,75 m.
2.
Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen niet breder zijn dan 1,50 m.
1.
Fietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
2.
De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3.
De voorvork van fietsen mag geen zodanige breuken of scheuren vertonen en niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat vervorming optreedt.
1.
Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende rem.
2.
Fietsen met uitsluitend velgremmen moeten zijn voorzien van twee goed werkende afzonderlijke remmen, waarmee twee wielen kunnen worden geremd.
Artikel 5.9.39
Van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen moet de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is.
Artikel 5.9.46
De trappers van fietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van een stroef oppervlak.
Artikel 5.9.48
Fietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
1.
Fietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van:
a. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen;
c. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers.
2.
Fietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van:
a. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
b. een naar voren gerichte witte retroreflector indien de fiets breder is dan 0,75 m en is voorzien van één voorwiel;
c. witte of gele retroreflectoren aan de wielen;
d. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers.
Artikel 5.9.52
Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, moeten zijn voorzien van:
a. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
b. een witte of gele retroreflector aan het wiel.
1.
De rode retroreflector moet zijn aangebracht:
a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel;
b. bij fietsen met twee achterwielen aan de uiterste linkerzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek;
c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m.
2.
De in artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b, genoemde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig.
3.
De witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van het voertuig zichtbaar zijn.
1.
De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
2.
De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
3.
De niet-driehoekige rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Fietsen mogen zijn voorzien van:
a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.9.51 verplicht is;
b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2.
Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van:
a. een naar voren gerichte witte retroreflector;
b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
3.
Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
Artikel 5.9.60
De witte retroreflector op de zijspanwagen moet zijn aangebracht aan de uiterste buitenzijde.
Artikel 5.9.65
Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.9.51, 5.9.52 en 5.9.57 is voorgeschreven of toegestaan.
Artikel 5.9.71
Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel.
Artikel 5.10.1
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat goed leesbaar is.
1.
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van gehandicaptenvoertuigen mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
2.
Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zijn doorgeroest;
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
3.
De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.10.4
De bovenbouw van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd.
Artikel 5.10.6
Gehandicaptenvoertuigen mogen:
a. niet langer zijn dan 3,50 m;
b. niet breder zijn dan 1,10 m;
c. niet hoger zijn dan 2,00 m.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem dan wel van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
4.
Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een voorziening voor het regelen van de snelheid van het voertuig alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare brandstofniveaumeter, tenzij het voertuig is voorzien van een brandstoftank met reservestand.
5.
Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een:
a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor;
b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig; alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare:
c. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen;
d. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie.
1.
Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn.
1.
De accu dan wel de tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading vang gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
3.
Gehandicaptenvoertuigen met elektrische aandrijving moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen.
1.
Motorsteunen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd.
2.
De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
Artikel 5.10.14
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden.
Artikel 5.10.16
De onderdelen van de krachtoverbrenging van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.10.17
Bij gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moet de krachtoverbrenging tussen motor en wielen op eenvoudige wijze kunnen worden onderbroken.
1.
De assen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van gehandicaptenvoertuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De wielen van gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn.
1.
Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
2.
De bestuurde wielen van gehandicaptenvoertuigen moeten goed reageren op de beweging van het bedieningsorgaan van de stuurinrichting.
3.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
4.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
5.
Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd.
1.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
3.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
4.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
5.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
1.
Gehandicaptenvoertuigen die niet zijn voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, moeten zijn voorzien van:
a. een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of
b. in geval van een gescheiden remsysteem, een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra één van de kringen van het remsysteem faalt.
2.
De goede werking van het signaal van de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.
3.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem:
a. die op alle wielen werkt;
b. waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt.
2.
Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken.
1.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.
2.
De parkeerrem van gehandicaptenvoertuigen moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
1.
De deuren van gehandicaptenvoertuigen moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
2.
Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen.
1.
De ruiten van gehandicaptenvoertuigen moeten uit gelaagd of gehard glas dan wel uit plastisch materiaal bestaan.
2.
De voorruit en de zijruiten van gehandicaptenvoertuigen mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
3.
Indien het gehandicaptenvoertuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
Artikel 5.10.43
Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft, alsmede van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
Artikel 5.10.44
Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
1.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel.
2.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
3.
De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor een spiegel die na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand kan worden teruggebracht.
4.
De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
5.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
Artikel 5.10.46
De zitplaatsen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld.
1.
Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van gehandicaptenvoertuigen, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
De wielen onderscheidenlijk banden van gehandicaptenvoertuigen moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
4.
Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van het gehandicaptenvoertuig bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat wiel goed zijn opgesloten.
5.
Geen deel van de buitenzijde van het gehandicaptenvoertuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.10.51
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van:
a. twee grote lichten;
b. twee dimlichten;
c. twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde, of twee richtingaanwijzers aan de zijkanten, en met ingang van 1 januari 2005, waarschuwingsknipperlichten;
e. twee achterlichten;
f. twee remlichten;
g. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
1.
De grote lichten, de dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3.
De achterlichten en de mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
1.
De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
2.
De dimlichten en de stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
3.
De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
4.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
5.
De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
6.
De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
7.
Het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen.
1.
De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
6.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
Het dimlicht van gehandicaptenvoertuigen moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
1.
Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van:
a. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig;
b. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
c. twee of vier parkeerlichten;
d. één of twee achteruitrijlichten;
e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
g. een richtlicht;
h. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig.
2.
Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
De mistlichten aan de voorzijde, de achteruitrijlichten, het richtlicht en het bermlicht mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen.
4.
Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.10.55, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
De mistlichten aan de voorzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht.
2.
Van de parkeerlichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht, dan wel moet er één aan elke kant van het voertuig zijn aangebracht.
3.
De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
Artikel 5.10.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.10.63
Achteruitrijlichten van gehandicaptenvoertuigen mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
1.
Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.10.65
Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.10.51 en 5.10.57 is voorgeschreven of toegestaan.
1.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
3.
Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
1.
Het frame dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van gehandicaptenvoertuigen mag:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
2.
Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zijn doorgeroest;
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
3.
De onderdelen die deel uitmaken van het frame of de daarvoor in de plaats tredende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.11.6
Gehandicaptenvoertuigen mogen:
a. niet langer zijn dan 3,50 m;
b. niet breder zijn dan 1,10 m;
c. niet hoger zijn dan 2,00 m.
1.
Alle onderdelen van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een:
a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor;
b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig; alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare:
c. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen;
d. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie.
1.
De tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
3.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen.
Artikel 5.11.17
Bij gehandicaptenvoertuigen moet de snelheid regelbaar zijn.
1.
De stuurinrichting van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn.
2.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
1.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goedwerkende bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt.
2.
Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken.
3.
Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn.
4.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
Artikel 5.11.39
Van gehandicaptenvoertuigen moet vanuit de zitpositie van de bestuurder:
a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel
b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend.
Artikel 5.11.46
De zitplaats van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk aan het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd.
Artikel 5.11.48
Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
Artikel 5.11.51
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
Artikel 5.11.54
De niet-driehoekige rode retroreflector moet zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
1.
De niet-driehoekige rode retroreflector mag niet zijn afgeschermd.
2.
De niet-driehoekige rode retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
3.
De niet-driehoekige rode retroreflector moet voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van:
a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
d. één of twee remlichten;
e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2.
Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.11.65
Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.11.51 en 5.11.57 is voorgeschreven of toegestaan.
Artikel 5.11.71
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte.
Artikel 5.12.1
Aanhangwagens moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximum massa's die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport;
d. de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport;
e. de kentekenplaat moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
f. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.
1.
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
2.
Onze Minister stelt regels vast inzake corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede de bevestiging daarvan.
1.
De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2.
De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de ondersteuning.
Artikel 5.12.5
De bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
1.
Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m.
2.
In afwijking van het eerste lid mogen:
a. kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m;
b. middenasaanhangwagens die voor 1 juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m;
c. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg maar niet meer dan 3500 kg.
3.
Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m.
4.
Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt.
5.
In afwijking van het derde lid mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
6.
Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m.
7.
In afwijking van het bepaalde in het zesde lid mogen geconditioneerde voertuigen niet breder zijn dan 2,60 m.
8.
Aanhangwagens mogen niet hoger zijn dan 4,00 m.
9.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, het derde lid, het zesde lid, het zevende lid en het achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
1.
De last onder de assen van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de last onder de koppeling niet meer bedragen dan in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld.
2.
De totale massa van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa.
3.
De som van de aslasten van autonome aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa.
1.
De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
4.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen.
2.
Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 5.12.21
De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.12.26
Stabilisatoren moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd en mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet te veel speling op de draaipunten vertonen.
1.
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft.
2.
De luchtbanden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
De profilering van de hoofdgroeven van de luchtbanden van aanhangwagens met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5.
De banden van aanhangwagens mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is opsnijden toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding "REGROOVABLE" of door het teken "
", met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn.
6.
De luchtbanden op een as moeten dezelfde karkasstructuur hebben.
7.
De op de luchtband van een aanhangwagen in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde load-index mag niet kleiner zijn dan de load-index, behorende bij de maximum last per band van de in het kentekenregister vermelde aslast.
8.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
9.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het zevende lid.
1.
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd.
3.
Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers.
4.
Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en moeten goed werken.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede en vierde lid.
1.
De gestuurde wielen van aanhangwagens moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkend voertuig.
2.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigingsen borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
3.
Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
4.
De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen.
5.
De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen:
a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is;
b. geen bewegende delen raken.
6.
De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
7.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
8.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het zesde lid.
1.
De draaikransen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigingsen borgmiddelen.
2.
De axiale speling van de draaikransen mag:
a. niet meer bedragen dan 3,5 mm;
b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten.
3.
De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
3.
Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen.
4.
Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
5.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
6.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
7.
Remcylinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.
8.
Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed functioneren.
9.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b , en het tweede lid, onderdeel a .
1.
Aanhangwagens met een drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van:
a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcylinders op iedere as, kunnen worden gemeten;
b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten.
2.
Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren.
3.
Aanhangwagens met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op genoemde plaat.
4.
De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren.
1.
De slag van drukluchtremcylinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd.
2.
De slag van drukluchtremcylinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximumslag van de betrokken remcylinder.
1.
Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt.
2.
Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt.
3.
Aanhangwagens, in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
4.
De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.
5.
De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is.
6.
Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as.
7.
Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste tot en met derde lid en het zesde lid.
1.
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedwerkende vastzetinrichting die ten minste op de wielen van één as werkt en welke door een geheel mechanische overbrenging met de hand in werking kan worden gesteld, ook wanneer het voertuig niet aan een motorrijtuig is verbonden.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. de aanhangwagen is voorzien van een veerrem die automatisch in werking treedt bij het ontkoppelen of drukloos maken van het remsysteem;
b. de aanhangwagen in gebruik genomen voor 1 januari 1998, is voorzien van een hydraulisch remsysteem en is uitgerust met wielkeggen.
1.
Bij het verbreken van de verbinding tussen de aanhangwagen en het trekkende voertuig moet de reminrichting van de aanhangwagen automatisch in werking treden.
2.
Bij het koppelen van de reminrichting van de aanhangwagen aan die van het trekkende voertuig moet de reminrichting van de aanhangwagen automatisch in de bedrijfstoestand komen.
3.
De in het eerste en tweede lid gestelde eisen gelden niet voor middenasaanhangwagens met een toegestane maximum massa van ten hoogste 1500 kg.
4.
Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze goed functioneren.
Artikel 5.12.41
Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen.
1.
Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen en mogen niet aanlopen. De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
5.
Aanhangwagens na 31 december 1969 in gebruik genomen, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Deze verplichting geldt niet voor:
a. aanhangwagens die blijkens een aantekening op het kentekenbewijs hiervan zijn uitgezonderd;
b. het gedeelte achter de achterste as van aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg.
6.
Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van de aanhangwagen bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat wiel goed zijn opgesloten.
7.
Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
8.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het vierde en vijfde lid.
1.
Aanhangwagens die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m, dan wel meer bedraagt dan 0,55 m indien het voertuig na 31 december 1997, in gebruik is genomen.
2.
De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m.
3.
Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,40 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor aanhangwagens, ingericht als betonmolen, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen.
4.
Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten.
5.
De stootbalk van aanhangwagens mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
Voor aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
6.
De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
7.
De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen.
8.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a. dolly’s;
b. voertuigen die blijkens een aantekening in het kentekenbewijs van het bepaalde in het eerste lid zijn uitgezonderd.
Artikel 5.12.51
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van:
a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en na 30 juni 1967 in gebruik is genomen;
b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;
c. twee achterlichten;
d. twee remlichten;
e. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
f. twee driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
g. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 is gebruik is genomen;
i. niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
j. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
l. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg en het voertuig in gebruik genomen is na 30 juni 1967; deze eis geldt niet voor door Onze Minister aangewezen aanhangwagens waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.
1.
De stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
3.
De achterlichten en de mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
5.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
7.
De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van een rood fluorescerende omranding op een geel retroreflecterende achtergrond.
1.
De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd.
6.
De in artikel 5.12.51 bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van:
a. een of twee achteruitrijlichten;
b. twee extra richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;
c. twee waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;
d. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn en het voertuig breder is dan 1,80 m;
e. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn;
g. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die zijn opgenomen in het lamphuis van andere lichten;
h. werklichten;
i. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.12.51, onderdeel d;
j. in afwijking van onderdeel i kunnen twee extra remlichten worden aangebracht;
k. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft.
2.
Lichten die ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.12.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen d onderscheidenlijk e van het eerste lid.
3.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
4.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van een ambergele of witte lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele, witte of rode lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig.
5.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van een ambergele of witte contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of een ambergele, witte of rode contourmarkering aan de achterkant van het voertuig. Binnen de contourmarkering aan de zijkant van het voertuig mogen retroreflecterende letters of afbeeldingen zijn aangebracht, voorzover deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de contourmarkering uitmaken.
6.
Ieder afzonderlijk deel van de lijn- en contourmarkering en van het materiaal voor de retroreflecterende letters of afbeeldingen binnen de contourmarkering is voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7.
Bij regeling van Onze Minister worden voorschriften gesteld met betrekking tot de installatie van de lijn- en contourmarkering.
1.
Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers of tekens.
1.
De achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
5.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
1.
Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,15 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
3.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig en werklichten.
Artikel 5.12.64
Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.12.65
Aanhangwagens mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.12.51 of 5.12.57 dan wel bij of krachtens artikel 5.12.57a is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
2.
De trekdriehoek of trekboom alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestiging, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak.
3.
De trekdriehoek mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn.
4.
Middenasaanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 1500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
5.
Middenasaanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling.
6.
Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.
Artikel 5.12.67
Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling,
a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren;
b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd.
1.
Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 40 mm:
a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 41,5 mm bedragen;
b. moet de dikte van het trekoog ten minste 28,0 mm bedragen.
2.
Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 50 mm:
a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 52,5 mm bedragen;
b. moet de dikte van het trekoog ten minste 41,5 mm bedragen.
3.
Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 57,5 mm:
a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 59,5 mm bedragen;
b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19 mm bedragen.
4.
Het trekoog mag niet zijn vervormd of gescheurd.
5.
Het trekoog mag niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus.
6.
Het trekoog mag niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen.
1.
Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch:
a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen;
b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen.
2.
Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch:
a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen;
b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen.
3.
De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
Artikel 5.12.70
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot bijzondere constructies voor het koppelen van voertuigen en andere koppelingen dan bedoeld in de artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69.
Artikel 5.13.3
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
1.
De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2.
De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.
Artikel 5.13.5
De bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.13.6
Aanhangwagens mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m, dan wel niet langer dan 8,00 m indien het een middenasaanhangwagen betreft;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
1.
De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
1.
De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen.
2.
Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft.
2.
De luchtbanden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
De profilering van de hoofdgroeven van de luchtbanden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5.
De banden mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is.
6.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
1.
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering of schroefveren moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers.
4.
Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.13.31
Indien de aanhangwagen is voorzien van een reminrichting, moet deze zodanig werken dat het voertuig ten gevolge van de remwerking geen zijwaartse bewegingen maakt.
Artikel 5.13.41
Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen.
1.
Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
5.
Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van de aanhangwagen bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat wiel goed zijn opgesloten.
6.
Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
7.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het vierde lid.
Artikel 5.13.50
Aanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
1.
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van:
a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m;
b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;
c. twee achterlichten;
d. twee remlichten;
e. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
f. twee driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
g. met ingang van 1 juli 2006, één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
i. niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig;
j. met ingang van 1 januari 2005, twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
k. met ingang van 1 januari 2005, zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen.
2.
Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op een aanhangwagen die wordt getrokken door een voertuig dat niet is voorzien van één of twee mistlichten aan de achterzijde.
1.
De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen.
2.
De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
3.
De achterlichten en de mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
5.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
1.
De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,15 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2.
De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
3.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4.
De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5.
De driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
6.
Het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moeten zijn aangebracht:
a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek.
Indien slechts één mistlicht aanwezig is, moet dit licht links van het middenlangsvlak van het voertuig zijn aangebracht.
7.
De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten voor de eerste as zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
8.
De niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig moeten:
a. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m evenwijdig aan het middenlangsvlak boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht;
b. zodanig zijn aangebracht dat:
1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen;
2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt;
3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m bedraagt;
4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde.
9.
De markeringslichten moeten zijn aangebracht:
a. zo hoog mogelijk boven het wegdek;
b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig.
1.
De in artikel 5.13.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijk kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.13.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
6.
De in artikel 5.13.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
1.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van:
a. twee stadslichten, indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn;
b. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig niet reeds ingevolge artikel 5.13.51 van deze lichten moet zijn voorzien;
c. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
d. één of twee achteruitrijlichten;
e. werklichten;
f. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het midden langsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.13.51, onderdeel d.
2.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens.
1.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
2.
De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
3.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
1.
De achteruitrijlichten mogen niet lager dan 0,25 m en niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2.
Op de markeringslichten is artikel 5.13.54, negende lid, van toepassing.
Artikel 5.13.64
Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.13.65
Aanhangwagens mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.13.51 of 5.13.57 dan wel bij of krachtens artikel 5.13.57a is voorgeschreven of toegestaan
1.
De koppeling van aanhangwagens moet met ingang van 1 januari 2005 voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen en zijn voorzien van een door hem vastgesteld goedkeuringsmerk.
2.
De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
3.
De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest.
4.
Middenasaanhangwagens die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
5.
Middenasaanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling.
6.
Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.
Artikel 5.13.67
Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling,
a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren;
b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd.
Artikel 5.14.3
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
1.
De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2.
De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.
Artikel 5.14.5
De bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.14.6
Aanhangwagens mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,60 m, met uitzondering van aanhangwagens ten behoeve van de landbouw, welke niet breder mogen zijn dan 3,00 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
1.
De last onder enig wiel van aanhangwagens, voorzien van luchtbanden, mag niet meer bedragen dan 5000 kg.
2.
De last onder enig wiel van aanhangwagens, voorzien van massieve banden, mag niet meer bedragen dan 120 kg per centimeter breedte van het loopvlak.
1.
De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
1.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg mogen niet te veel speling vertonen.
3.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft.
2.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
1.
Aanhangwagens met een massa van meer dan 3500 kg moeten zijn voorzien van een goed werkende bedrijfsrem.
2.
De onderdelen van de in het eerste bedoelde reminrichting moeten:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
3.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
4.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
5.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
6.
Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed functioneren.
Artikel 5.14.41
Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen.
1.
Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens mogen niet aanlopen.
5.
Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.14.51
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van:
a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m;
b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;
c. twee achterlichten;
d. twee remlichten;
e. twee driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
g. niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig;
h. met ingang van 1 januari 2005, twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
i. een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
1.
De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen.
2.
De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
3.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
1.
De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,15 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2.
De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
3.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4.
De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5.
De driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek; indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6.
De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7.
De niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant en het voertuig moeten:
a. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht;
b. zodanig zijn aangebracht dat:
1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen;
2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt;
3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m;
4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde.
8.
De markeringslichten moeten zijn aangebracht:
a. zo hoog mogelijk boven het wegdek;
b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig.
9.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
1.
De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
6.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van:
a. twee stadslichten, indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.14.51 verplicht zijn;
b. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
c. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig niet reeds ingevolge artikel 5.14.51 van deze lichten moet zijn voorzien;
d. één of twee achteruitrijlichten;
e. werklichten.
2.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
3.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
1.
De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
2.
Op de stadslichten en markeringslichten is artikel 5.14.54, eerste lid onderscheidenlijk achtste lid, van toepassing.
3.
Het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moeten zijn aangebracht:
a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek.
Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
Artikel 5.14.64
Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.14.65
Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57 is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of tussen twee aanhangwagens moet worden gevormd door een enkele, voldoende stijve en sterke koppeling die niet kan lostrillen.
2.
De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
3.
De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest.
Artikel 5.14.67
Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling,
a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren;
b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd.
1.
Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen mogen slechts éénassig zijn.
2.
Bij éénwielige aanhangwagens moet het wiel zodanig zijn bevestigd dat het uitsluitend draaibaar is om de eigen horizontale as.
Artikel 5.15.3
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
1.
De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2.
De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.
1.
Aanhangwagens achter motorfietsen mogen:
a. niet breder zijn dan 1,00 m;
b. niet hoger zijn dan 1,00 m.
2.
Aanhangwagens achter bromfietsen mogen:
a. niet breder zijn dan 1,00 m;
b. niet hoger zijn dan 1,00 m.
1.
De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
1.
De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De wielen van aanhangwagens moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
Artikel 5.15.41
De sloten en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen.
1.
Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
4.
Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van de aanhangwagen bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat wiel goed zijn opgesloten.
5.
Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.15.50
Aanhangwagens achter een motorfiets of bromfiets moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
1.
Aanhangwagens achter een motorfiets moeten zijn voorzien van:
a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien de trekkende motorfiets van richtingaanwijzers is voorzien;
b. één of twee achterlichten;
c. één of twee remlichten, indien de trekkende motorfiets van een remlicht is voorzien;
d. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
e. één of twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
f. ten minste één niet-driehoekige ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig.
2.
Aanhangwagens achter een bromfiets moeten zijn voorzien van:
a. één of twee achterlichten;
b. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
c. ten minste één niet-driehoekige ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig;
d. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat.
1.
De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
2.
De achterlichten en de remlichten mogen niet anders dan rood stralen.
3.
De verlichting van de kentekenplaat mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
1.
De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:
a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m boven het wegdek.
De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig.
2.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.
3.
Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, moet dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
4.
De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.
5.
De in artikel 5.15.51 bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen met inbegrip van de dissel.
1.
De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
6.
De in artikel 5.15.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
1.
Aanhangwagens achter een motorfiets mogen zijn voorzien van:
a. één mistlicht aan de achterzijde van het voertuig;
b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
c. werklichten.
2.
Aanhangwagens achter een bromfiets mogen zijn voorzien van:
a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;
b. één of twee remlichten;
c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig.
3.
Aanhangwagens achter motorfietsen en bromfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
2.
De remlichten en het mistlicht aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
1.
De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:
a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m boven het wegdek.
De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig.
2.
Het mistlicht aan de achterzijde van het voertuig moet zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m boven het wegdek, links van het midden van het voertuig op een afstand van niet minder dan 0,10 m van het remlicht.
3.
Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, moet dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
Artikel 5.15.64
Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.15.65
Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.15.51 en 5.15.57 is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De koppeling onderscheidenlijk de dissel van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet zijn doorgeroest.
2.
De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de koppeling onderscheidenlijk de dissel mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
Artikel 5.15.67
Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling,
a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren;
b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd.
Artikel 5.15.70
De koppeling van aanhangwagens met één wiel mag slechts bewegingen toelaten om een horizontale en een verticale as, loodrecht op de lengte-as van het trekkend motorrijtuig.
De koppeling van aanhangwagens met meer dan één wiel moet bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend motorrijtuig toelaten.
Artikel 5.16.6
Aanhangwagens achter fietsen mogen niet breder zijn dan 1,00 m.
Artikel 5.16.51
Aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van:
a. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen.
1.
De niet-driehoekige rode retroreflector moet zijn aangebracht uiterst links aan de achterzijde van het voertuig, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
2.
De witte of gele retroreflectoren moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van de aanhangwagen zichtbaar zijn.
1.
De in artikel 5.16.51 bedoelde retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
2.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
3.
De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van:
a. één achterlicht dat is voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk;
b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
c. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2.
Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
Artikel 5.16.64
Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.16.65
Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.16.51 en 5.16.57 is voorgeschreven of toegestaan.
Artikel 5.17.3
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van wagens mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
1.
De bovenbouw van wagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2.
De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.
1.
Wagens mogen:
a. niet breder zijn dan 2,60 m;
b. niet hoger zijn dan 4,00 m.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen onbespannen wagens niet breder zijn dan 1,50 m.
1.
De last onder enig wiel van wagens mag niet meer bedragen dan 2400 kg. Een samenstel van wielen dat op één wielnaaf is gemonteerd, wordt als één wiel beschouwd.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder een wiel dat niet is voorzien van een rubberen band, niet meer bedragen dan 120 kg per cm bandbreedte.
1.
De wielen van wagens mogen niet zijn voorzien van metalen banden met uitstekende delen.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor landbouwwerktuigen met een massa van ten hoogste 750 kg.
Artikel 5.17.40
Handwagens met motorvermogen moeten zodanig zijn ingericht dat indien de bestuurder het bedieningstoestel loslaat, het voertuig onmiddellijk tot stilstand wordt gebracht.
1.
Wagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van wagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
Artikel 5.17.51
Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van:
a. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren welke zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk, indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel één zodanige retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt;
b. een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
1.
De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig op gelijke hoogte zijn aangebracht:
a. niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
2.
Indien één niet-driehoekige retroreflector is voorgeschreven, moet deze zijn aangebracht:
a. aan de uiterste linkerzijde van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
3.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
1.
De retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
2.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
3.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Wagens mogen zijn voorzien van:
a. twee lichten aan de voorzijde;
b. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogte 1,50 m bedraagt;
c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2.
Wagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Wagens mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Wagens mogen niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.17.65
Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in artikelen 5.17.51 en 5.17.57 is voorgeschreven of toegestaan.
1.
Met een motorrijtuig mag niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.
2.
Met een gelede bus mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
3.
Met een gehandicaptenvoertuig mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
4.
Met een motorfiets met zijspanwagen mag geen aanhangwagen worden voortbewogen, tenzij het wiel van de zijspanwagen is beremd.
5.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid.
1.
Met een motorrijtuig mag niet meer dan één motorrijtuig of samenstel van voertuigen worden voortbewogen. Een afsleepdolly en een zich daarop bevindend motorrijtuig worden als één motorrijtuig beschouwd.
2.
Met een motorrijtuig mag geen tweewielig motorrijtuig worden voortbewogen.
3.
Met een tweewielig motorrijtuig, een gelede bus of een samenstel van voertuigen mag geen motorrijtuig of samenstel van voertuigen worden voortbewogen.
1.
De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd.
2.
In een voertuig waarin vervoer van een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of een botsing kunnen verhogen.
Artikel 5.18.4
Voertuigen en samenstellen van voertuigen moeten zodanig zijn beladen dat de bestuurder voldoende uitzicht naar voren en opzij heeft en met behulp van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels, voldoende uitzicht heeft op het links en rechts naast en achter hem gelegen weggedeelte.
Artikel 5.18.5
Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een door Onze Minister vastgesteld weggedeelte kan overzien.
1.
Het voertuig moet zodanig zijn beladen dat de lading of delen daarvan niet van het voertuig kunnen vallen.
2.
Losse lading ten aanzien waarvan het gevaar bestaat dat deze of delen daarvan tijdens het rijden van het voertuig vallen, moet deugdelijk zijn afgedekt.
1.
Bij het vervoer van goederen aan de achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of driewielig motorrijtuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:
a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
c. de lastdrager met inbegrip van de goederen mag niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken; het bepaalde in artikel 5.18.14, derde lid, is niet van toepassing op op een lastdrager vervoerde fietsen;
d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd;
e. indien de verlichting en retroreflectoren van het voertuig door de lastdrager of de goederen worden afgeschermd, moet de lastdrager aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee niet-driehoekige rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers, die moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig met inbegrip van de lastdrager;
f. indien de op het voertuig aangebrachte kentekenplaat door de lastdrager of de goederen wordt afgeschermd, moet de lastdrager zijn voorzien van een kentekenplaat met het kenteken van het voertuig waarop de lastdrager is aangebracht, alsmede van kentekenplaatsverlichting; het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en mag niet zijn afgeschermd;
g. indien de lastdrager is bevestigd op een trekhaak:
1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximale verticale last onder de koppeling niet worden overschreden; indien de trekhaak hieromtrent geen gegevens vermeldt, mag de verticale last niet meer dan 50 kg bedragen;
2°. mag de lastdrager met inbegrip van de bevestigingsdelen onder normale gebruiksomstandigheden het wegdek niet kunnen raken;
3°. mogen bevestigingsdelen, die na het gedeeltelijk verwijderen van de lastdrager op de trekhaak achterblijven, de bewegingsvrijheid van een aangekoppelde aanhangwagen niet beperken.
2.
Bij het vervoer van goederen op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of driewielig motorrijtuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:
a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
c. de door de fabrikant van het voertuig vastgestelde maximale daklast mag niet worden overschreden;
d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd.
1.
De lading van voertuigen mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op lading of delen daarvan die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
Artikel 5.18.9
Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport van het voertuig over de weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.
1.
Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten indien zij zijn gekoppeld aan een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorrijtuig.
2.
De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd.
3.
Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.
1.
De lengte van een samenstel van trekker en oplegger in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 16,50 m.
2.
Van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger, in onbeladen toestand mag:
a. de lengte niet meer bedragen dan 18,75 m;
b. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen niet meer dan 16,40 m bedragen;
c. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen, verminderd met de afstand tussen de achterzijde van de laadruimte van het motorrijtuig en de voorzijde van de laadruimte van de aanhangwagen, niet meer dan 15,65 m bedragen.
3.
Bij een samenstel van bedrijfsauto en een aanhangwagen, beide met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger, mag de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as van de aanhangwagen niet minder bedragen dan 3,00 m.
4.
De lengte van samenstellen van personenauto of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen, in onbeladen toestand, mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
5.
De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m.
6.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.
7.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
1.
Onverminderd de artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.18.11, eerste en tweede lid, mag de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
b. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
c. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5.3.49 en 5.12.49, een stootbalk moet zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
d. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken.
e. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
3.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 1996.
4.
Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
5.
De in het eerste lid onder a bedoelde lengtevermeerdering van 1,00 m mag alleen worden veroorzaakt door de lading en door een uitschuiflade of laadklep ter ondersteuning van de lading of door een uitschuifbare stootbalk. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
6.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig, dat is ingericht voor het vervoer van goederen, meer dan 1,00 m doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken.
Artikel 5.18.12a
Indien een op een voertuig gemonteerde afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde van dat voertuig uitsteekt en daardoor het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aldaar belemmert, dient deze afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde op gelijke wijze als het betrokken voertuig te zijn voorzien van verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 5.18.12 mag bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
a. de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan waarbij:
1°. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
3°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
4°. de lading die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen;
b. onverminderd het gestelde in onderdeel a , de lengte van een beladen samenstel van trekker en oplegger meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 5.18.12 mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
1°. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
2°. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
3°. de lading die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
1.
De breedte van driewielige motorrijtuigen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, personenauto’s en bedrijfsauto’s alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, dan wel niet meer dan 2,20 m op onverharde wegen.
2.
De breedte van voertuigen waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, mag meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
3.
Lading als bedoeld in het tweede lid, die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig-uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
4.
Lading van personenauto’s mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
5.
Lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen, mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
Artikel 5.18.15
De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 4,00 m.
1.
Een bedrijfsauto of een samenstel van voertuigen moet naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien het een oplegger betreft waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt, de oplegger wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading en de oplegger vóór 1 april 1983 in gebruik is genomen.
3.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
4.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b.
1.
Voertuigen mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de maximum last onder de koppeling, dan wel de toegestane maximum massa van het voertuig wordt overschreden of de som van de aslasten, uitgezonderd de aslasten van niet autonome aanhangwagens, meer bedraagt dan de toegestane maximum massa.
2.
Indien van een aanhangwagen met toepassing van dit besluit de waarden, bedoeld in het eerste lid, niet kunnen worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane maximum massa van 750 kg.
1.
Onverminderd artikel 5.12.7 mag de totale massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig vermelde toegestane maximum te trekken massa. De totale massa van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, mag tevens niet meer bedragen dan de maximum massa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan:
a. de ledige massa van het trekkend motorrijtuig, of
b. de massa in bedrijfsklare toestand van het trekkend motorrijtuig.
2.
De totale massa of de som van de aslasten van samenstellen van voertuigen mag niet meer bedragen dan:
a. de voor het samenstel van voertuigen in het kentekenregister vermelde toegestane maximum massa;
b. vijf maal de toegestane maximum last onder de aangedreven as of assen van het trekkend motorrijtuig.
In elk geval mag de totale massa of de som van de aslasten van voertuigen of samenstellen van voertuigen, niet zijnde rijdende werktuigen, niet meer bedragen dan 50 000 kg en mag de totale massa of de som van de aslasten van rijdende werktuigen of samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens niet meer bedragen dan 60 000 kg.
3.
De last onder de bestuurde as of assen van motorrijtuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag bedoelde last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorrijtuig in beladen toestand.
4.
De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
5.
De last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.
6.
Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van een voertuig niet meer dan 2400 kg bedragen.
7.
Onverminderd het bepaalde in artikel 5.12.7 mag de totale massa van middenasaanhangwagens niet meer bedragen dan 12 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte als gelijkwaardig aangemerkte vering, mag de totale massa niet meer bedragen dan 20 000 kg dan wel 24 000 kg indien de middenasaanhangwagen is voorzien van drie assen.
1.
De massa van aanhangwagens met een bedrijfsremsysteem achter personenauto's mag niet meer bedragen dan:
a. in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld, hetzij
b. de laagste waarde van:
In elk geval mag de massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan 3500 kg.
1°. de door de fabrikant bepaalde technisch toelaatbare getrokken maximum massa gebaseerd op de constructie van het trekkende voertuig of op de sterkte van de mechanische koppelinrichting,
2°. de toegestane maximum massa van het trekkende voertuig.
2.
De massa van aanhangwagens zonder een bedrijfsremsysteem achter personenauto's mag niet meer bedragen dan:
a. in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld, hetzij
b. de laagste waarde van:
In elk geval mag de massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan 750 kg.
1°. de door de fabrikant bepaalde technisch toelaatbare getrokken maximum massa van het trekkende voertuig,
2°. de helft van de massa van het trekkende voertuig in bedrijfsklare toestand.
3.
De massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig vermelde toegestane maximum massa. In afwijking van artikel 1.1, onderdeel ad, wordt bij het bepalen van de ledige massa de massa van de brandstof of de massa van de batterijen in elektrische voertuigen buiten beschouwing gelaten.
Artikel 5.18.19
Aanhangwagens achter motorfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende motorfiets;
d. de afstand van de achteras van de trekkende motorfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
Artikel 5.18.20
De lengte van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
1.
De lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
b. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
c. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag bij het vervoer van lading die redelijkerwijs niet in de lengte deelbaar is, met uitzondering van afzetbakken, wissellaadbakken en containers, de lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid, of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan waarbij:
1°. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
3°. de lading die meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3.
De in het eerste lid onder a bedoelde lengtevermeerdering van 1,00 m mag alleen worden veroorzaakt door de lading en door een uitschuiflade of laadklep ter ondersteuning van de lading of door een uitschuifbare stootbalk. De lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
1.
De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 3,00 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen mag de breedte van de lading niet meer dan 3,50 m bedragen.
2.
Op onverharde wegen mag de breedte van walsen, met inbegrip van de lading, niet meer dan 2,60 m bedragen.
Artikel 5.18.23
De hoogte van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
1.
De last onder de bestuurde as of assen van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de ledige massa van het voertuig.
2.
De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van door landbouw- of bosbouwtrekkers of door motorrijtuigen met beperkte snelheid voortbewogen autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
3.
Op onverharde wegen en wegen die zijn voorzien van een klinkerverharding, mag de totale massa van walsen niet meer dan 8000 kg bedragen.
4.
Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer dan 2400 kg bedragen.
1.
De totale massa van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50 000 kg.
2.
De last onder enige as van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan:
a. 11.500 kg voor een aangedreven as, en
b. 10.000 kg voor een niet aangedreven as.
3.
De last onder enige as van samenstellen van motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 10.000 kg.
4.
De som van de aslasten van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50.000 kg.
Artikel 5.18.25a
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ap, onder b, geen passagiers in de aanhangwagens worden vervoerd mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
1.
Bromfietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
2.
Bromfietsen op meer dan twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 2,00 m.
Artikel 5.18.27
Aanhangwagens achter bromfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende bromfiets;
d. de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,00 m.
1.
Fietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.
2.
Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.
Artikel 5.18.29
Aanhangwagens achter fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
1.
De breedte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,10 m.
2.
De breedte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m.
3.
De breedte van bespannen wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,60 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen, mag de breedte van de lading niet meer bedragen dan 3,50 m.
4.
De hoogte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m.
5.
De hoogte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.31
Middenasaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
a. de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg mag niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten van het trekkend motorrijtuig;
b. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg mag alleen in neerwaartse richting zijn gericht en mag niet meer dan 50 kg bedragen;
c. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane maximum massa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen.
Artikel 5.18.32. Personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
Personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 5.2.27, zesde lid, 5.3.27, zesde lid, en 5.5.27, zesde lid, mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast.
1.
Aanhangwagens achter personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting indien de massa van de aanhangwagen meer bedraagt dan:
a. de helft van de massa in bedrijfsklare toestand van de personenauto,
b. de helft van de ledige massa van de personenauto, vermeerderd met 50 kg, of
c. 750 kg.
2.
Aanhangwagens achter bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting indien de massa van de aanhangwagen meer bedraagt dan:
a. de helft van de ledige massa van het trekkend motorrijtuig, of
b. 750 kg.
1.
Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.
2.
Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
3.
Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem moeten de daartoe bestemde ISO 7638 stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden.
1.
De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
2.
In afwijking van het eerste lid moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.
Artikel 5.18.36
De parkeerrem van het trekkend motorrijtuig van een samenstel van motorrijtuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedraagt.
Artikel 5.18.37
Indien met een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouw- of bosbouwtrekker een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwij