Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
1.
Het frame dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van gehandicaptenvoertuigen mag:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
2.
Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zijn doorgeroest;
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
3.
De onderdelen die deel uitmaken van het frame of de daarvoor in de plaats tredende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.11.6
Gehandicaptenvoertuigen mogen:
a. niet langer zijn dan 3,50 m;
b. niet breder zijn dan 1,10 m;
c. niet hoger zijn dan 2,00 m.
1.
Alle onderdelen van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een:
a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor;
b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig; alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare:
c. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen;
d. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie.
1.
De tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
3.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen.
Artikel 5.11.17
Bij gehandicaptenvoertuigen moet de snelheid regelbaar zijn.
1.
De stuurinrichting van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn.
2.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
1.
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goedwerkende bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt.
2.
Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken.
3.
Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn.
4.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
Artikel 5.11.39
Van gehandicaptenvoertuigen moet vanuit de zitpositie van de bestuurder:
a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel
b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend.
Artikel 5.11.46
De zitplaats van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk aan het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd.
Artikel 5.11.48
Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
Artikel 5.11.51
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
Artikel 5.11.54
De niet-driehoekige rode retroreflector moet zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
1.
De niet-driehoekige rode retroreflector mag niet zijn afgeschermd.
2.
De niet-driehoekige rode retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
3.
De niet-driehoekige rode retroreflector moet voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van:
a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
d. één of twee remlichten;
e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2.
Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.11.65
Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.11.51 en 5.11.57 is voorgeschreven of toegestaan.
Artikel 5.11.71
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
+ Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
- Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht