Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
Artikel 5.14.51
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van:
a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m;
b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;
c. twee achterlichten;
d. twee remlichten;
e. twee driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
g. niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig;
h. met ingang van 1 januari 2005, twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
i. een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
1.
De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen.
2.
De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
3.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
1.
De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,15 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2.
De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
3.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4.
De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5.
De driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek; indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6.
De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7.
De niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant en het voertuig moeten:
a. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht;
b. zodanig zijn aangebracht dat:
1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen;
2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt;
3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m;
4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde.
8.
De markeringslichten moeten zijn aangebracht:
a. zo hoog mogelijk boven het wegdek;
b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig.
9.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
1.
De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
6.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van:
a. twee stadslichten, indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.14.51 verplicht zijn;
b. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
c. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig niet reeds ingevolge artikel 5.14.51 van deze lichten moet zijn voorzien;
d. één of twee achteruitrijlichten;
e. werklichten.
2.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
3.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
1.
De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
2.
Op de stadslichten en markeringslichten is artikel 5.14.54, eerste lid onderscheidenlijk achtste lid, van toepassing.
3.
Het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moeten zijn aangebracht:
a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek.
Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
Artikel 5.14.64
Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.14.65
Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57 is voorgeschreven of toegestaan.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
+ Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
- Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht