Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
Artikel 5.17.3
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van wagens mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
1.
De bovenbouw van wagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2.
De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.
1.
Wagens mogen:
a. niet breder zijn dan 2,60 m;
b. niet hoger zijn dan 4,00 m.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen onbespannen wagens niet breder zijn dan 1,50 m.
1.
De last onder enig wiel van wagens mag niet meer bedragen dan 2400 kg. Een samenstel van wielen dat op één wielnaaf is gemonteerd, wordt als één wiel beschouwd.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder een wiel dat niet is voorzien van een rubberen band, niet meer bedragen dan 120 kg per cm bandbreedte.
1.
De wielen van wagens mogen niet zijn voorzien van metalen banden met uitstekende delen.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor landbouwwerktuigen met een massa van ten hoogste 750 kg.
Artikel 5.17.40
Handwagens met motorvermogen moeten zodanig zijn ingericht dat indien de bestuurder het bedieningstoestel loslaat, het voertuig onmiddellijk tot stilstand wordt gebracht.
1.
Wagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van wagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
Artikel 5.17.51
Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van:
a. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren welke zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk, indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel één zodanige retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt;
b. een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
1.
De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig op gelijke hoogte zijn aangebracht:
a. niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
2.
Indien één niet-driehoekige retroreflector is voorgeschreven, moet deze zijn aangebracht:
a. aan de uiterste linkerzijde van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
3.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
1.
De retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
2.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
3.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Wagens mogen zijn voorzien van:
a. twee lichten aan de voorzijde;
b. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogte 1,50 m bedraagt;
c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2.
Wagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Wagens mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Wagens mogen niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.17.65
Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in artikelen 5.17.51 en 5.17.57 is voorgeschreven of toegestaan.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
+ Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
- Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht