Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
1.
Met een motorrijtuig mag niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.
2.
Met een gelede bus mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
3.
Met een gehandicaptenvoertuig mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
4.
Met een motorfiets met zijspanwagen mag geen aanhangwagen worden voortbewogen, tenzij het wiel van de zijspanwagen is beremd.
5.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid.
1.
Met een motorrijtuig mag niet meer dan één motorrijtuig of samenstel van voertuigen worden voortbewogen. Een afsleepdolly en een zich daarop bevindend motorrijtuig worden als één motorrijtuig beschouwd.
2.
Met een motorrijtuig mag geen tweewielig motorrijtuig worden voortbewogen.
3.
Met een tweewielig motorrijtuig, een gelede bus of een samenstel van voertuigen mag geen motorrijtuig of samenstel van voertuigen worden voortbewogen.
1.
De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd.
2.
In een voertuig waarin vervoer van een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of een botsing kunnen verhogen.
Artikel 5.18.4
Voertuigen en samenstellen van voertuigen moeten zodanig zijn beladen dat de bestuurder voldoende uitzicht naar voren en opzij heeft en met behulp van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels, voldoende uitzicht heeft op het links en rechts naast en achter hem gelegen weggedeelte.
Artikel 5.18.5
Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een door Onze Minister vastgesteld weggedeelte kan overzien.
1.
Het voertuig moet zodanig zijn beladen dat de lading of delen daarvan niet van het voertuig kunnen vallen.
2.
Losse lading ten aanzien waarvan het gevaar bestaat dat deze of delen daarvan tijdens het rijden van het voertuig vallen, moet deugdelijk zijn afgedekt.
1.
Bij het vervoer van goederen aan de achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of driewielig motorrijtuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:
a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
c. de lastdrager met inbegrip van de goederen mag niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken; het bepaalde in artikel 5.18.14, derde lid, is niet van toepassing op op een lastdrager vervoerde fietsen;
d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd;
e. indien de verlichting en retroreflectoren van het voertuig door de lastdrager of de goederen worden afgeschermd, moet de lastdrager aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee niet-driehoekige rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers, die moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig met inbegrip van de lastdrager;
f. indien de op het voertuig aangebrachte kentekenplaat door de lastdrager of de goederen wordt afgeschermd, moet de lastdrager zijn voorzien van een kentekenplaat met het kenteken van het voertuig waarop de lastdrager is aangebracht, alsmede van kentekenplaatsverlichting; het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en mag niet zijn afgeschermd;
g. indien de lastdrager is bevestigd op een trekhaak:
1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximale verticale last onder de koppeling niet worden overschreden; indien de trekhaak hieromtrent geen gegevens vermeldt, mag de verticale last niet meer dan 50 kg bedragen;
2°. mag de lastdrager met inbegrip van de bevestigingsdelen onder normale gebruiksomstandigheden het wegdek niet kunnen raken;
3°. mogen bevestigingsdelen, die na het gedeeltelijk verwijderen van de lastdrager op de trekhaak achterblijven, de bewegingsvrijheid van een aangekoppelde aanhangwagen niet beperken.
2.
Bij het vervoer van goederen op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of driewielig motorrijtuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:
a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
c. de door de fabrikant van het voertuig vastgestelde maximale daklast mag niet worden overschreden;
d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd.
1.
De lading van voertuigen mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op lading of delen daarvan die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
Artikel 5.18.9
Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport van het voertuig over de weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.
1.
Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten indien zij zijn gekoppeld aan een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorrijtuig.
2.
De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd.
3.
Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.
1.
De lengte van een samenstel van trekker en oplegger in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 16,50 m.
2.
Van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger, in onbeladen toestand mag:
a. de lengte niet meer bedragen dan 18,75 m;
b. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen niet meer dan 16,40 m bedragen;
c. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen, verminderd met de afstand tussen de achterzijde van de laadruimte van het motorrijtuig en de voorzijde van de laadruimte van de aanhangwagen, niet meer dan 15,65 m bedragen.
3.
Bij een samenstel van bedrijfsauto en een aanhangwagen, beide met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger, mag de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as van de aanhangwagen niet minder bedragen dan 3,00 m.
4.
De lengte van samenstellen van personenauto of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen, in onbeladen toestand, mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
5.
De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m.
6.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.
7.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
1.
Onverminderd de artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.18.11, eerste en tweede lid, mag de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
b. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
c. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5.3.49 en 5.12.49, een stootbalk moet zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
d. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken.
e. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
3.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 1996.
4.
Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
5.
De in het eerste lid onder a bedoelde lengtevermeerdering van 1,00 m mag alleen worden veroorzaakt door de lading en door een uitschuiflade of laadklep ter ondersteuning van de lading of door een uitschuifbare stootbalk. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
6.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig, dat is ingericht voor het vervoer van goederen, meer dan 1,00 m doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken.
Artikel 5.18.12a
Indien een op een voertuig gemonteerde afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde van dat voertuig uitsteekt en daardoor het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aldaar belemmert, dient deze afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde op gelijke wijze als het betrokken voertuig te zijn voorzien van verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 5.18.12 mag bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
a. de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan waarbij:
1°. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
3°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
4°. de lading die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen;
b. onverminderd het gestelde in onderdeel a , de lengte van een beladen samenstel van trekker en oplegger meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 5.18.12 mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
1°. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
2°. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
3°. de lading die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
1.
De breedte van driewielige motorrijtuigen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, personenauto’s en bedrijfsauto’s alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, dan wel niet meer dan 2,20 m op onverharde wegen.
2.
De breedte van voertuigen waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, mag meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
3.
Lading als bedoeld in het tweede lid, die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig-uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
4.
Lading van personenauto’s mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
5.
Lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen, mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
Artikel 5.18.15
De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 4,00 m.
1.
Een bedrijfsauto of een samenstel van voertuigen moet naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien het een oplegger betreft waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt, de oplegger wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading en de oplegger vóór 1 april 1983 in gebruik is genomen.
3.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
4.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b.
1.
Voertuigen mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de maximum last onder de koppeling, dan wel de toegestane maximum massa van het voertuig wordt overschreden of de som van de aslasten, uitgezonderd de aslasten van niet autonome aanhangwagens, meer bedraagt dan de toegestane maximum massa.
2.
Indien van een aanhangwagen met toepassing van dit besluit de waarden, bedoeld in het eerste lid, niet kunnen worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane maximum massa van 750 kg.
1.
Onverminderd artikel 5.12.7 mag de totale massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig vermelde toegestane maximum te trekken massa. De totale massa van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, mag tevens niet meer bedragen dan de maximum massa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan:
a. de ledige massa van het trekkend motorrijtuig, of
b. de massa in bedrijfsklare toestand van het trekkend motorrijtuig.
2.
De totale massa of de som van de aslasten van samenstellen van voertuigen mag niet meer bedragen dan:
a. de voor het samenstel van voertuigen in het kentekenregister vermelde toegestane maximum massa;
b. vijf maal de toegestane maximum last onder de aangedreven as of assen van het trekkend motorrijtuig.
In elk geval mag de totale massa of de som van de aslasten van voertuigen of samenstellen van voertuigen, niet zijnde rijdende werktuigen, niet meer bedragen dan 50 000 kg en mag de totale massa of de som van de aslasten van rijdende werktuigen of samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens niet meer bedragen dan 60 000 kg.
3.
De last onder de bestuurde as of assen van motorrijtuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag bedoelde last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorrijtuig in beladen toestand.
4.
De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
5.
De last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.
6.
Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van een voertuig niet meer dan 2400 kg bedragen.
7.
Onverminderd het bepaalde in artikel 5.12.7 mag de totale massa van middenasaanhangwagens niet meer bedragen dan 12 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte als gelijkwaardig aangemerkte vering, mag de totale massa niet meer bedragen dan 20 000 kg dan wel 24 000 kg indien de middenasaanhangwagen is voorzien van drie assen.
1.
De massa van aanhangwagens met een bedrijfsremsysteem achter personenauto's mag niet meer bedragen dan:
a. in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld, hetzij
b. de laagste waarde van:
In elk geval mag de massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan 3500 kg.
1°. de door de fabrikant bepaalde technisch toelaatbare getrokken maximum massa gebaseerd op de constructie van het trekkende voertuig of op de sterkte van de mechanische koppelinrichting,
2°. de toegestane maximum massa van het trekkende voertuig.
2.
De massa van aanhangwagens zonder een bedrijfsremsysteem achter personenauto's mag niet meer bedragen dan:
a. in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld, hetzij
b. de laagste waarde van:
In elk geval mag de massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan 750 kg.
1°. de door de fabrikant bepaalde technisch toelaatbare getrokken maximum massa van het trekkende voertuig,
2°. de helft van de massa van het trekkende voertuig in bedrijfsklare toestand.
3.
De massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig vermelde toegestane maximum massa. In afwijking van artikel 1.1, onderdeel ad, wordt bij het bepalen van de ledige massa de massa van de brandstof of de massa van de batterijen in elektrische voertuigen buiten beschouwing gelaten.
Artikel 5.18.19
Aanhangwagens achter motorfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende motorfiets;
d. de afstand van de achteras van de trekkende motorfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
Artikel 5.18.20
De lengte van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
1.
De lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
b. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
c. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag bij het vervoer van lading die redelijkerwijs niet in de lengte deelbaar is, met uitzondering van afzetbakken, wissellaadbakken en containers, de lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid, of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan waarbij:
1°. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
3°. de lading die meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3.
De in het eerste lid onder a bedoelde lengtevermeerdering van 1,00 m mag alleen worden veroorzaakt door de lading en door een uitschuiflade of laadklep ter ondersteuning van de lading of door een uitschuifbare stootbalk. De lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
1.
De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 3,00 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen mag de breedte van de lading niet meer dan 3,50 m bedragen.
2.
Op onverharde wegen mag de breedte van walsen, met inbegrip van de lading, niet meer dan 2,60 m bedragen.
Artikel 5.18.23
De hoogte van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
1.
De last onder de bestuurde as of assen van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de ledige massa van het voertuig.
2.
De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van door landbouw- of bosbouwtrekkers of door motorrijtuigen met beperkte snelheid voortbewogen autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
3.
Op onverharde wegen en wegen die zijn voorzien van een klinkerverharding, mag de totale massa van walsen niet meer dan 8000 kg bedragen.
4.
Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer dan 2400 kg bedragen.
1.
De totale massa van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50 000 kg.
2.
De last onder enige as van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan:
a. 11.500 kg voor een aangedreven as, en
b. 10.000 kg voor een niet aangedreven as.
3.
De last onder enige as van samenstellen van motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 10.000 kg.
4.
De som van de aslasten van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50.000 kg.
Artikel 5.18.25a
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ap, onder b, geen passagiers in de aanhangwagens worden vervoerd mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
1.
Bromfietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
2.
Bromfietsen op meer dan twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 2,00 m.
Artikel 5.18.27
Aanhangwagens achter bromfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende bromfiets;
d. de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,00 m.
1.
Fietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.
2.
Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.
Artikel 5.18.29
Aanhangwagens achter fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
1.
De breedte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,10 m.
2.
De breedte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m.
3.
De breedte van bespannen wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,60 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen, mag de breedte van de lading niet meer bedragen dan 3,50 m.
4.
De hoogte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m.
5.
De hoogte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.31
Middenasaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
a. de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg mag niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten van het trekkend motorrijtuig;
b. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg mag alleen in neerwaartse richting zijn gericht en mag niet meer dan 50 kg bedragen;
c. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane maximum massa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen.
Artikel 5.18.32. Personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
Personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 5.2.27, zesde lid, 5.3.27, zesde lid, en 5.5.27, zesde lid, mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast.
1.
Aanhangwagens achter personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting indien de massa van de aanhangwagen meer bedraagt dan:
a. de helft van de massa in bedrijfsklare toestand van de personenauto,
b. de helft van de ledige massa van de personenauto, vermeerderd met 50 kg, of
c. 750 kg.
2.
Aanhangwagens achter bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting indien de massa van de aanhangwagen meer bedraagt dan:
a. de helft van de ledige massa van het trekkend motorrijtuig, of
b. 750 kg.
1.
Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.
2.
Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
3.
Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem moeten de daartoe bestemde ISO 7638 stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden.
1.
De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
2.
In afwijking van het eerste lid moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.
Artikel 5.18.36
De parkeerrem van het trekkend motorrijtuig van een samenstel van motorrijtuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedraagt.
Artikel 5.18.37
Indien met een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouw- of bosbouwtrekker een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.
Artikel 5.18.37a
Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto of bedrijfsauto die is voorzien van één of twee mistlichten, behoeven alleen de één of twee mistlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen via een schakelaar in het trekkende voertuig plaatsvindt.
Artikel 5.18.38
De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig op die van het trekkend voertuig zijn aangesloten dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkend voertuig.
1.
Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op gehandicaptenvoertuigen die van het voetpad of het trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken.
1.
De in artkel 5.18.43 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
1.
De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.18.46
Aanhangwagens achter fietsen die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van een achterlicht dat is voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Het achterlicht moet goed werken.
2.
Het verlichtingsarmatuur en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
Het glas van het verlichtingsarmatuur mag niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.
4.
Het achterlicht mag niet zijn afgeschermd.
Artikel 5.18.48
Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.18.49
Het achterlicht moet uiterst links aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
Artikel 5.18.50
Wagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
a. twee dimlichten aan de voorzijde;
b. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte niet meer dan 1,50 m bedraagt.
1.
De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
1.
De dimlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
1.
De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde.
2.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
3.
Indien één achterlicht is toegestaan, moet dit aan de achterzijde van de wagen zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m van de uiterste linkerzijde van het voertuig en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
Artikel 5.18.54
Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen door een enkele, passende en geschikte koppeling, die niet kan lostrillen, zodanig aan het trekkend voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Artikel 5.18.55
Aanhangwagens moeten zich zodanig ten opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van de besturingsonderdelen.
1.
Bij samenstellen van voertuigen moet het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of nagenoeg horizontaal liggen indien het samenstel zich op een horizontaal wegdek bevindt.
2.
Bij gebruik van aanhangwagens, voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet beweegbaar is.
3.
Opleggers mogen alleen aan een trekker zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het samenstel van trekker en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt.
Artikel 5.18.57
De hulpkoppeling van middenasaanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1500 kg moet zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling, en dat bij gebruik van de hulpkoppeling de trekboom of koppeling van de aanhangwagen de grond niet raakt.
Artikel 5.18.58
Aanhangwagens moeten zodanig aan een motorfiets of een bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as, loodrecht op de lengte-as van de motorfiets; indien de aanhangwagen meer dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.
Artikel 5.18.59
Een aanhangwagen achter een fiets moet goed met de fiets zijn verbonden.
Artikel 5.18.60
Bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding 45 in zwarte kleur.
1.
Onverminderd de artikelen 5.3.1 en 5.12.1 moeten:
a. bussen,
b. bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg en bestemd voor het vervoer van goederen, en
c. aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, zijn voorzien van:
1°. een constructieplaat, waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, en een plaat waarop zijn vermeld:
de naam van de fabrikant,
het identificatienummer van het voertuig,
de lengte van het motorrijtuig of de aanhangwagen,
de breedte van het motorrijtuig of de aanhangwagen,
de afstand tussen de voorkant van het motorrijtuig en het middelpunt van de koppelinrichting ervan, en
de afstand tussen het middelpunt van de koppelinrichting van de aanhangwagen en de achterkant van de aanhangwagen, hetzij
2°. één plaat waarop de gegevens van de onder 1° bedoelde platen zijn vermeld, hetzij
3°. een door de Dienst Wegverkeer afgegeven document waarin de gegevens van de onder 1° bedoelde platen zijn vermeld.
2.
Onze Minister kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de gegevens op of in de in het eerste lid bedoelde platen of document. Onze Minister kan voorts regels vaststellen met betrekking tot het model van de in het eerste lid bedoelde platen of document, of met betrekking tot de afmetingen of de montage van de in het eerste lid bedoelde platen.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
+ Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
- Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht