Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
1.
Motorfietsen moeten zijn voorzien van:
a. een of twee grote lichten;
b. een of twee dimlichten;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van de motorfiets indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
d. een of twee stadslichten indien het voertuig na 31 oktober 1997 in gebruik is genomen;
e. een of twee achterlichten;
f. een of twee remlichten indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h. een of twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
2.
Onverminderd het eerste lid, onderdeel c , mag, indien de motorfiets is voorzien van een zijspanwagen en in gebruik is genomen na 31 oktober 1997, de aan de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzer aan de zijde van de zijspanwagen niet functioneren.
1.
Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten.
3.
Het eerste lid geldt niet voor motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.4.52
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van:
a. een richtingaanwijzer aan de voorzijde en een richtingaanwijzer aan de achterzijde indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
b. een achterlicht;
c. een stadslicht indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
d. een remlicht indien de motorfiets in gebruik in genomen na 31 oktober 1997;
e. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het zijspan herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten.
3.
Het eerste lid geldt niet voor zijspanwagens gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
1.
De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
1.
De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd.
6.
De retroreflector mag geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem.
1.
Het dimlicht van motorfietsen moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
1.
Motorfietsen mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
b. een mistlicht aan de voorzijde van het voertuig;
c. een mistlicht aan de achterzijde van het voertuig;
d. waarschuwingsknipperlichten;
e. een of twee parkeerlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
f. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig;
g. een witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
h. een richtlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
i. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
j. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
k. verlichte transparanten.
2.
Lichten die ingevolge artikel 5.4.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.4.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen.
3.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
b. richtingaanwijzers indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997 en waarschuwingsknipperlichten;
c. een remlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
d. een witte retroreflector aan de voorzijde van de zijspanwagen, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
e. een ambergele retroreflector aan elke zijkant van de zijspanwagen;
f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997.
2.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets die in gebruik is genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
Het mistlicht aan de voorzijde, het richtlicht, het bermlicht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
3.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
Het remlicht en het mistlicht aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
6.
Op het mistlicht aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.4.55, eerste tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
7.
Verlichte transparanten zijn:
a. afzonderlijk geschakeld;
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
Artikel 5.4.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
1.
Motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Motorfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.4.65
Motorfietsen mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.4.51, 5.4.52, 5.4.57 of 5.4.58 dan wel bij of krachtens, de artikelen 5.4.51a, 5.4.52a, 5.4.57a of 5.5.58a is voorgeschreven of toestaan.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
+ Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
- Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht