Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
Artikel 5.8.1
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen dan wel op de motor is aangebracht, welk nummer goed leesbaar is.
Artikel 5.8.3
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
Artikel 5.8.6
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 3,00 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
1.
De last onder enige as van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan:
a. 11.500 kg voor een aangedreven as, en
b. 10.000 kg voor een niet aangedreven as.
2.
De totale massa of de som van de aslasten van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan:
a. 18.000 kg voor een twee-assige landbouw- of bosbouwtrekker, en
b. 24.000 kg voor een drie-assige landbouw- of bosbouwtrekker.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. De verbindingen van deelbare uitlaatleidingen moeten zoveel mogelijk gasdicht zijn.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn.
1.
De accu van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.8.14
De versnellingsbak van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zijn voorzien van een achteruitversnelling die vanaf de bestuurderszitplaats kan worden bediend.
1.
De onderdelen van de aandrijving van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
1.
De assen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.8.25
De wielnaven van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft.
2.
De luchtbanden van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
2.
De bestuurde wielen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
3.
De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging of van een uitsluitend pneumatische overbrenging.
4.
Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
5.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
De rembekrachtiger moet goed functioneren.
3.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
4.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
5.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
6.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt; indien op meer dan één as wordt geremd, mag één as ontkoppeld zijn mits bij het in werking stellen van de bedrijfsrem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en mits bij een storing in het koppelingssysteem dit automatisch geschiedt.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximum snelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N.
3.
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximum snelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N.
4.
Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken.
Artikel 5.8.39
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een parkeerrem die het voertuig op een helling van 18,0% in beide richtingen in stilstand moet kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,3 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
1.
Gesloten cabines van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste twee deuren dan wel een deur en een nooduitgang, welke zijn gelegen in verschillende wanden dan wel in een wand en in het dak.
2.
De nooduitgang moet zodanige minimumafmetingen hebben dat daarin een ellips kan worden beschreven met een korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m.
3.
De deuren van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
Artikel 5.8.42
De ruiten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
Artikel 5.8.43
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig onderscheidenlijk van de daardoor voortbewogen aanhangwagen.
2.
De spiegel moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Het spiegelglas van de verplichte spiegel mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
Artikel 5.8.46
De zitplaatsen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van landbouw- of bosbouwtrekkers, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.8.51
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van:
a. twee dimlichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de dimlichten afschermen, twee extra dimlichten;
b. twee stadslichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de stadslichten afschermen, twee extra stadslichten;
c. ten minste twee richtingaanwijzers die naar voren stralen en ten minste twee richtingaanwijzers die naar achteren stralen, alsmede waarschuwingsknipperlichten;
d. twee achterlichten;
e. twee remlichten;
f. twee of vier niet-driehoekige rode retroreflectoren;
g. een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
1.
De dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit stralen.
2.
De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3.
De achterlichten en de remlichten mogen niet anders dan rood stralen.
1.
De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als landbouw- of bosbouwtrekker noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek.
2.
De stadslichten moeten naar voren stralen en zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m zijn aangebracht.
De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten.
3.
De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5.
De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6.
De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m;
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m indien twee retroreflectoren zijn aangebracht. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien vier retroreflectoren zijn aangebracht, mogen de extra twee retroreflectoren niet hoger dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
1.
De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover niet anders is bepaald, niet zijn afgeschermd.
6.
De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld.
8.
De rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek moet zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
1.
Het dimlicht van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c.
1°. van de projectie van de gerichte stralenbundels van de beide dimlichten op een op enige afstand voor het voertuig verticaal of nagenoeg verticaal geplaatst scherm mag de scheidingslijn tussen het lichte en donkere vlak zich niet hoger bevinden dan de hoogte van het midden van het lichtdoorlatende gedeelte van het dimlicht boven de grond, verminderd met ten minste 0,005 m en ten hoogste 0,04 m voor elke meter afstand waarop het vlak zich voor het dimlicht bevindt; indien het dimlicht is geplaatst op een hoogte van meer dan 1,20 m wordt de waarde van 0,04 m verhoogd tot 0,06 m;
2°. van de projectie van het extra dimlicht op een verlichtingsscherm op een afstand van 15 m van het licht, mag de horizontale scheidingslijn tussen het lichte en donkere vlak zich niet hoger bevinden dan de helft van de afstand tussen de grond en het midden van het licht;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee extra dimlichten;
c. twee extra stadslichten;
d. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
e. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig;
f. twee of vier parkeerlichten;
g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
j. een of twee achteruitrijlichten;
k. vier markeringslichten indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
l. een richtlicht;
m. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
n. werklichten.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
De grote lichten, de mistlichten aan de voorzijde, de achteruitrijlichten en het bermlicht mogen niet anders dan wit stralen.
2.
De mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
3.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen.
4.
De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
5.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6.
Artikel 5.8.55, tweede, derde, vierde en zevende lid, is van toepassing op de in artikel 5.8.57 bedoelde lichten en retroreflectoren.
7.
Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.8.55, eerste tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht, waarbij de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte zich niet dichter bij het punt van de grootste breedte van het voertuig mogen bevinden dan de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten.
2.
De extra dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten.
3.
De mistlichten aan de voorzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de verplichte dimlichten zijn aangebracht.
4.
Het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moeten op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
5.
Van de parkeerlichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht, dan wel moet er een aan elke kant van het voertuig zijn aangebracht.
6.
De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
7.
Van de markeringslichten moeten er twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde zijn aangebracht:
a. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. zo hoog mogelijk als met inachtneming van het bepaalde onder a mogelijk is.
Artikel 5.8.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.8.63
Achteruitrijlichten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.8.65
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57 is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan de landbouw- of bosbouwtrekker zijn bevestigd.
2.
De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
3.
De bedieningsorganen van de in het eerste lid bedoelde inrichting moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
3.
Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 5.8.72
Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1A. Verbodsbepalingen in verband met het in de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg
+ Hoofdstuk 3. Eisen toelating
+ Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen
- Hoofdstuk 5. Permanente eisen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
+ Hoofdstuk 7. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht