Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 september 2001, nr. MJZ2001102504, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst;
Gelet op de artikelen 24, 32, tweede en vierde lid, en artikel 39, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, artikel 2c, derde lid, van de Wet rampen en zware ongevallen en de artikelen 16 en 20 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 18, derde lid, van de Wet politieregisters, artikel 9, vijfde lid, onder b, van de Wet wapens en munitie,
voor zover het betreft artikel 5.1.3, gelet op de artikelen 8.2, tweede lid, 8.5 en 8.7 van de Wet milieubeheer,
voor zover het betreft de artikelen 1.1.4, 1.2.2, eerste lid, onder b, 1.4.3, 2.1.2, 2.2.1, 2.2.3, 2.2.4 en 5.1.9 tot en met 5.1.14, gelet op de artikelen 8.19, 8.40 en 8.41 van de Wet milieubeheer,
voor zover het betreft de artikelen 1.1.4, 1.2.2, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder b, 1.4.3, 2.1.2, 2.2.2, 2.2.3, 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.3, gelet op artikel 8.44 van de Wet milieubeheer,
voor zover het betreft de artikelen 4.1 tot en met 4.4, gelet op de artikelen 5.1 en 5.3 van de Wet milieubeheer, en
voor zover het betreft artikel 5.1.6, gelet op artikel 18.4 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2001, nr. W08.01.0495/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 januari 2002, nr. MJZ2002005975, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
ADR: de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171);
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
bedrijfsmatig: in de uitoefening van een beroep of bedrijf of tegen vergoeding;
beperkt kwetsbaar object:
a.
1°. woning, woonschip of woonwagen van een derde, gelegen op een locatie met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, of
2°. dienst- of bedrijfswoning van een derde;
b. kantoorgebouw, niet zijnde een kwetsbaar object;
c. hotel of restaurant, niet zijnde een kwetsbaar object;
d. winkel, niet zijnde een kwetsbaar object;
e. sporthal, sportterrein, zwembad of speeltuin;
f. kampeerterrein of ander terrein, niet zijnde een kwetsbaar object, bestemd voor recreatieve doeleinden;
g. bedrijfsgebouw, niet zijnde een kwetsbaar object;
h. object dat met een van de onder a tot en met e en g genoemde categorieën beperkt kwetsbare objecten gelijkgesteld kan worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval;
i. object met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, dat wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdient tegen de gevolgen van dat ongeval;
bestemmingsgrens: grens van het perceel waarop de bouw, vestiging of plaatsing van een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object op grond van het voor het betrokken gebied geldende bestemmingsplan dan wel de daarvoor geldende beheersverordening geëffectueerd of toelaatbaar is;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een omgevingsvergunning voor een inrichting te verlenen, waar consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden opgeslagen of bewerkt;
bouwstrook: gedeelte van het perceel dat op grond van het voor het betrokken gebied geldende bestemmingsplan dan wel de daarvoor geldende beheersverordening voor de bouw van een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object is bestemd;
Categorie F1, F2, F3 en F4: categorie F1, F2, F3 onderscheidenlijk F4 als bedoeld in artikel 1A.1.3;
categorie T1 en T2: categorie T1 onderscheidenlijk T2 als bedoeld in artikel 1A.1.3;
CE-markering: CE-markering als bedoeld in de artikelen 19 en 20 van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen;
consumentenvuurwerk: vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F1, F2 of F3 en dat bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik;
distributeur: natuurlijk of rechtspersoon in de toeleveringsketen, niet zijnde de fabrikant of de importeur, die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op de markt aanbiedt;
EU-richtlijn pyrotechnische artikelen: richtlijn nr. 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking) (PbEU L 178);
fabrikant: natuurlijke of rechtspersoon die vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen en dat vuurwerk of pyrotechnische artikel voor theatergebruik onder zijn naam of merknaam verhandelt;
fop- en schertsvuurwerk: consumentenvuurwerk dat is ingedeeld in categorie F1 alsmede ander, als zodanig bij ministeriële regeling aangewezen consumentenvuurwerk;
geprojecteerd beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object: nog niet aanwezig beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object dat op grond van het voor het betrokken gebied geldende bestemmingsplan dan wel de daarvoor geldende beheersverordening toelaatbaar is;
grondgebied van de Europese Unie: gebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is;
importeur: in de Europese Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik uit een derde land in de Europese Unie in de handel brengt;
in de handel brengen: het voor het eerst in de Europese Unie op de markt aanbieden van vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar;
kwetsbaar object:
a. woning, woonschip of woonwagen, niet zijnde een beperkt kwetsbaar object;
b. gebouw bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, waartoe in ieder geval behoren:
1°. een ziekenhuis, bejaardenhuis of verpleeghuis,
2°. een school of
3°. een gebouw of een gedeelte daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
c. gebouw waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren, waartoe in ieder geval behoren:
1°. een kantoorgebouw of hotel met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m 2 ,
2°. een complex waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd, waaronder in ieder geval een supermarkt, hypermarkt of warenhuis, met een gezamenlijk bruto vloeroppervlak van meer dan 1000 m 2 , of
3°. een winkel, zijnde een supermarkt, hypermarkt of warenhuis, met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m 2 ;
d. kampeer- of ander recreatieterrein bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;
e. rijksweg of hoofdspoorweg als bedoeld in de Spoorwegwet ;
lidstaat van de Europese Unie: lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
luchthaven: luchthaven als bedoeld in de Wet luchtvaart ;
Marktdeelnemers: fabrikant, importeur en distributeur;
NEM: netto explosieve massa, zijnde de totale hoeveelheid pyrotechnische stof of preparaat, met eventuele toevoegingen, in vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
ontbrandingstoestemming: toestemming als bedoeld in artikel 3B.1, derde lid, onder a;
Op de markt aanbieden: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van de Unie;
persoon met gespecialiseerde kennis: persoon, aangewezen bij artikel 1.1.2a;
primaire verpakking: verpakking waarin zich meer dan één exemplaar bevindt van eenzelfde type vuurwerk, bedoeld om in zijn geheel aan de particulier ter beschikking te worden gesteld;
professioneel vuurwerk: vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F4 alsmede vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F2 of F3 en dat niet bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik;
pyrotechnisch artikel: artikel dat explosieve stoffen of een explosief mengsel van stoffen bevat die tot doel hebben warmte, licht, geluid, gas of rook dan wel een combinatie van dergelijke verschijnselen te produceren door middel van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties;
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: pyrotechnische artikelen die bestemd zijn voor binnenshuis of buitenshuis plaatsvindend podiumgebruik, met inbegrip van film- en TV-producties of soortgelijke vormen van gebruik;
Richtlijn 2007/23/EG: Richtlijn 2007/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen (PbEU L 154);
theatervuurwerk: met het oog op de opslag ervan door Onze Minister aangewezen pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, ingedeeld in categorie T1 of categorie T2;
toepassingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid;
veiligheidsafstand: afstand die met het oog op de kwaliteit van het milieu voor zover het betreft externe veiligheid ten minste moet zijn gelegen tussen een inrichting als bedoeld in de artikelen 2.2.1, 3.2.1 en 3A.2.1, of een onderdeel van een zodanige inrichting, dan wel een zodanige inrichting waarvoor het geldende bestemmingsplan dan wel de daarvoor geldende beheersverordening verlening van een vergunning voor het bouwen daarvan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toelaat enerzijds en beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten en geprojecteerde beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten anderzijds;
vuurwerk: pyrotechnische artikelen ter vermaak;
werkdag: dag, niet zijnde een zondag of algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet ;
woning: gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning is bestemd;
woonschip: schip dat voor bewoning is bestemd;
woonwagen: woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht .
2.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bewerken van professioneel vuurwerk: bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren;
b. bewerken van consumentenvuurwerk: handelingen gericht op het positief beïnvloeden van de stabiliteit, waardoor de kans op omvallen of afbreken tijdens het afsteken wordt verkleind, waarbij geen pyrotechnische stof wordt verwijderd of toegevoegd.
3.
Onder professioneel vuurwerk wordt mede verstaan: een door Onze Minister aangewezen stof of een preparaat, een voorwerp of een onderdeel van een voorwerp dan wel een stof of een preparaat, een voorwerp of een onderdeel van een voorwerp dat behoort tot een door Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen categorie, voor zover die stof of dat preparaat, dat voorwerp of dat onderdeel van een voorwerp kennelijk is bestemd of wordt gebruikt om voor vermakelijkheidsdoeleinden effecten te bewerkstelligen.
4.
Voor de toepassing van de artikelen 1.2.2, eerste tot en met derde lid, 2.1.2, eerste lid 2.3.2, 2.3.3, 2.3.4 wordt onder het begrip particulier mede verstaan een exploitant van een bedrijf zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoon die:
a. geen inrichting drijft als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1;
b. geen houder is van een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid;
c. in het buitenland is gevestigd en wiens bedrijfsmatige activiteit niet bestaat uit het verhandelen van of het tot ontbranding brengen van vuurwerk.
5.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. verpakt vuurwerk: vuurwerk inclusief het omhulsel en eventuele verpakking, detailhandelsverpakking of assortimentverpakking en inclusief de transportverpakking als bedoeld in het ADR;
b. onverpakt vuurwerk: vuurwerk inclusief het omhulsel en eventuele verpakking, detailhandelsverpakking of assortimentverpakking doch exclusief de transportverpakking als bedoeld in het ADR;
c. hoeveelheid consumentenvuurwerk in de bewaarplaats: massa verpakt consumenten-vuurwerk, uitgedrukt in kilogrammen;
d. hoeveelheid consumentenvuurwerk in de bufferbewaarplaats of verkoopruimte: massa verpakt en onverpakt vuurwerk, uitgedrukt in kilogrammen onverpakt vuurwerk;
e. hoeveelheid consumentenvuurwerk in de inrichting: sommatie van de aanwezige hoeveelheid consumentenvuurwerk in de bewaarplaats, de bufferbewaarplaats en de verkoopruimte, uitgedrukt in kilogrammen;
f. maatwerkvoorschrift: maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
1.
Als een persoon met gespecialiseerde kennis worden aangewezen:
a. een persoon die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 3.2.1 of 3A.2.1;
b. een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid;
c. medewerkers van de politie in de uitoefening van hun functie;
d. medewerkers van de brandweer in de uitoefening van hun functie;
e. personen die in de uitoefening van hun functie vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding brengen bij een instelling die de genoemde producten bedrijfsmatig en uitsluitend ten behoeve van onderzoek tot ontbranding brengt;
f. medewerkers van de krijgsmacht in de uitoefening van hun functie.
2.
Als een persoon met gespecialiseerde kennis wordt tevens aangewezen een persoon die als zodanig met betrekking tot vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik is aangewezen in een andere lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 1.1.3
Dit besluit is van toepassing op vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, met uitzondering van:
a. in beslag genomen vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die in beheer zijn bij de overheid;
b. vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarover door de krijgsmacht, de politie of de brandweer wordt beschikt ten behoeve van instructiedoeleinden;
c. vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht en niet in Nederland worden gelost of rechtstreeks worden overgeladen naar een ander zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig;
d. vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ;
e. vuurwerk dat door een fabrikant voor eigen gebruik is vervaardigd en dat door Onze Minister uitsluitend voor gebruik op zijn grondgebied is goedgekeurd en dat op het grondgebied van Nederland blijft.
1.
De artikelen 2.2.1, 2.2.3, 3.2.1, 3.2.2 en 3A.2.1 zijn niet van toepassing op de opslag van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, voor zover deze plaatsvindt gedurende ten hoogste 48 uur te rekenen vanaf het moment van opslaan en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, met inbegrip van het laden en lossen van de artikelen en de overbrenging daarvan naar een andere vervoersmodaliteit dan waarlangs de artikelen zijn ontvangen, voor zover daadwerkelijk in aansluitend vervoer is voorzien en het betrokken artikel in de oorspronkelijke verpakking blijft.
2.
Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde termijn van 48 uur worden zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen in de zin van de Algemene termijnenwet niet meegerekend.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt indien sprake is van opslag van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in containers voor vervoer in een inrichting die is gelegen op een haventerrein van de zeehaven van Amsterdam, Eemshaven, Rotterdam of Vlissingen en waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en voor zover aan de voorwaarden van het eerste lid is voldaan, in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
Artikel 1.1.5
De artikelen 2.3.6, 3.3.1, 3A.3.1 en 3B.1 zijn niet van toepassing op instellingen die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bedrijfsmatig en uitsluitend ten behoeve van onderzoek tot ontbranding brengen.
Artikel 1.1.6 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Voor inrichtingen voor het opslaan of bewerken van professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 3.2.1, en voor inrichtingen voor het opslaan of bewerken van consumentenvuurwerk als bedoeld in de artikelen 2.2.1 en 2.2.2, voor zover deze zijn gelegen in gebieden die in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijn aangewezen, blijven de in bijlage 1 en 2 opgenomen voorschriften en de in bijlage 3 opgenomen veiligheidsafstanden ten opzichte van deze inrichtingen onderling, buiten toepassing.
Artikel 1.1.7
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de praktische regelingen voor het regelmatig verzamelen en bijwerken van gegevens over ongevallen, als bedoeld in artikel 43, onder b, van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen.
1.
Het is verboden professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, indien bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan, te vervaardigen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen.
2.
Het is verboden aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ter beschikking te stellen.
3.
Het is verboden als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan, voorhanden te hebben of tot ontbranding te brengen.
4.
Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan, te vervaardigen, toe te passen, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen of tot ontbranding te brengen indien dit niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit.
5.
Het is eenieder verboden, teneinde handelingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, voor te bereiden of te bevorderen:
a. te trachten een ander te bewegen om die handelingen te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
b. te trachten zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het verrichten van die handelingen te verschaffen, of
c. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het verrichten van die handelingen.
6.
Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik buiten het grondgebied van Nederland te brengen zonder dat het voornemen daartoe met inachtneming van artikel 1.3.2 is gemeld.
7.
Van bestemd voor particulier gebruik als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake indien:
a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier,
b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier,
c. het aangetroffen wordt bij een particulier,
d. het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen, of
e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.
Artikel 1.2.2a
Het is verboden, behoudens het bepaalde in de artikelen 1.3.1, derde lid, 2.1.2, tweede lid, en 2.1.3, zesde lid, dan wel 3.1.1, zesde lid, en 3A.1.1, zesde lid, vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan of te bewerken indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die zijn gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, dan wel krachtens dit besluit.
Artikel 1.2.3
Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik buiten een daartoe bestemde inrichting te vervaardigen of, behoudens het bepaalde in artikel 3B.1, eerste lid, te bewerken.
1.
Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden te hebben buiten een inrichting als bedoeld in:
b. artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk;
c. artikel 2.2.1 waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing:
a. tijdens de perioden dat consumentenvuurwerk ingevolge artikel 2.3.2 ter beschikking mag worden gesteld of ingevolge artikel 2.3.6 tot ontbranding mag worden gebracht, indien niet meer dan 25 kilogram consumentenvuurwerk voorhanden is;
b. buiten de perioden, bedoeld onder a, indien niet meer dan 25 kilogram consumentenvuurwerk voorhanden is op een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is;
c. tijdens het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik overeenkomstig artikel 3B.1, alsmede gedurende ten hoogste zestien uur daaraan voorafgaand, met dien verstande dat niet meer vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden zijn dan redelijkerwijs tot ontbranding zullen worden gebracht;
d. gedurende ten hoogste 12 uur nadat is of zou worden aangevangen met het tot ontbranding van professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik overeenkomstig artikel 3B.1 en het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden zijn op een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is en op een zodanige wijze dat geen gevaar voor personen is te duchten, met dien verstande dat niet meer vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden zijn dan redelijkerwijs tot ontbranding zouden worden gebracht.
3.
Gedeputeerde staten van de provincie waarin het professioneel vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht kunnen bij de ontbrandingstoestemming in plaats van de tijdsduur, genoemd in het tweede lid, onder c, een andere tijdsduur vaststellen.
4.
Het eerste lid is tevens niet van toepassing indien het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden vervoerd overeenkomstig de eisen gesteld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en met inachtneming van artikel 1.2.5.
1.
Het is verboden handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, d en e, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen te verrichten, voor zover het betreft handelingen met vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, anders dan:
a. het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel waarin of waarop zich vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden, in verband met:
2°. een wettelijk voorschrift dat dat voorschrijft in verband met weersomstandigheden.
b. het ononderbroken beladen van een vervoermiddel met vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en het ononderbroken lossen daaruit, of
c. het in inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1.4, eerste lid:
1°. laten staan en laten liggen van een vervoermiddel waarin of waarop zich vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden,
2°. beladen van een vervoermiddel met vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en het lossen daaruit, of
3°. nederleggen tijdens het vervoer van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
2.
Het is verboden verpakt of onverpakt consumentenvuurwerk, anders dan voor eigen gebruik, in een hoeveelheid van meer dan 25 kilogram per vervoermiddel dan wel professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik te vervoeren, tenzij degene die vervoert tijdens dat vervoer schriftelijk kan aantonen door middel van een inschrijvingsbewijs of een vrachtbrief als bedoeld in de artikelen 20 onderscheidenlijk 29 van de Wet goederenvervoer over de weg, dan wel door middel van een cognossement als bedoeld in boek 8 van het Burgerlijk Wetboek , dat de artikelen zijn bestemd voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon:
a. die ingevolge het bij of krachtens dit besluit bepaalde, dit vuurwerk of deze pyrotechnische artikelen voor theatergebruik mag opslaan,
b. die houder is van een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid, of
c. wiens gegevens, als het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik buiten het grondgebied van Nederland worden gebracht, zijn verstrekt bij de melding, bedoeld in artikel 1.3.2, vierde lid, onder f.
1.
Het is een ieder verboden ander vuurwerk dan consumentenvuurwerk dat voldoet aan de bij dit besluit gestelde eisen of de ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels met betrekking tot consumentenvuurwerk, aan te prijzen of aan te bevelen:
a. als consumentenvuurwerk, of
b. indien hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit vuurwerk zal worden aangewend voor een ander gebruik dan waartoe het gelet op de samenstelling of eigenschappen of de bijbehorende gebruiksaanwijzing, kennelijk is geschikt.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
Artikel 1.2.7
Het is een ieder die anders dan beroepshalve vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding brengt, verboden handelingen te verrichten of na te laten waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens of milieu.
1.
Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen het grondgebied van Nederland brengt, draagt ervoor zorg dat:
a. op de verpakking waarin het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zich tijdens het vervoer bevinden, is aangeduid de klasse waarin het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik volgens bijlage A van het ADR zijn ingedeeld als vuurwerk, en de aanduiding van de klasse overeenstemt met de eigenschappen van dat verpakte vuurwerk,
b. het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik vergezeld gaan van een door of namens hem opgestelde schriftelijke verklaring waarin per transportverpakking is aangeduid volgens welke klasse het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik ingevolge onderdeel a zijn ingedeeld en waarin hij verklaart dat de aanduiding van die klasse overeenstemt met de eigenschappen van de verpakte artikelen.
c. aan degene aan wie hij het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik na het binnen het grondgebied van Nederland te hebben gebracht ter beschikking stelt, een schriftelijke verklaring als bedoeld onder b wordt afgegeven.
2.
Degene die het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opslaat draagt ervoor zorg dat op artikelen die verpakt worden opgeslagen de aanduiding van de klasse waarin de artikelen volgens bijlage A van het ADR zijn ingedeeld als vuurwerk aanwezig is en blijft en dat hij in het bezit is van de schriftelijke verklaring, bedoeld in het eerste lid, onder b.
3.
Het eerste lid, onder c , is niet van toepassing op vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarvan op het moment dat deze artikelen binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht, naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat zij binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zullen worden gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4, derde lid, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
1.
Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, meldt voorafgaand elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt ten minste 48 uur voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van de artikelen gedaan.
2.
In afwijking van het eerste lid is het degene die consumentenvuurwerk in de periode van 15 december tot 1 januari binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, toegestaan het voornemen hiertoe ten minste 24 uur van te voren elektronisch bij Onze Minister te melden.
3.
In afwijking van het eerste lid is het binnen 24 uur nadat is of zou worden aangevangen met het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik overeenkomstig artikel 3B.1, toegestaan de resterende artikelen buiten het grondgebied van Nederland te brengen zonder voorafgaande melding, met dien verstande dat binnen een werkdag na het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de artikelen, door degene die de artikelen buiten Nederland heeft gebracht een melding aan Onze Minister wordt gedaan.
4.
Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. de naam en het adres van degene die het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt;
b. de voorziene plaats waar, de datum en het verwachte tijdstip, waarop het vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland worden gebracht;
c. of het consumenten- of professioneel vuurwerk dan wel pyrotechnische artikelen voor theatergebruik betreft, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het artikel, de CE-markering, het type vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, de NEM, per artikelnummer de hoeveelheid verpakt vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in kilogrammen of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen en indien van toepassing het containernummer waarin het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zich bevinden;
d. de voorziene datum waarop en de plaats waar het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden gelost of overgeladen en, indien de artikelen aansluitend aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding worden gebracht, de plaats van die ontbranding;
e. bij binnen het grondgebied van Nederland brengen het land van productie, de naam van de onderneming die het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik geproduceerd heeft, de naam en het adres van degene bij wie de artikelen worden opgeslagen, en de naam en het adres van degene voor wie de artikelen zijn bestemd;
f. bij buiten het grondgebied van Nederland brengen de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn bestemd, en het adres van degene bij wie de artikelen worden afgeleverd in het buitenland.
5.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop een melding langs elektronische weg wordt gedaan.
6.
Afwijking van de gemelde gegevens wordt voorafgaand aan het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik terstond aan Onze Minister gemeld.
7.
Voor de berekening van de periode van 48 uur, bedoeld in het eerste lid, worden uren die vallen op een dag, niet zijnde een werkdag, niet meegerekend.
1.
Degene die:
a. consumentenvuurwerk aan een groothandelaar ter beschikking stelt, of
b. professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aan een ander ter beschikking stelt,
meldt voordat de terbeschikkingstelling plaatsvindt elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt gedaan ten minste 48 uur voorafgaand aan de terbeschikkingstelling van de artikelen.
2.
In afwijking van het eerste lid is het degene die consumentenvuurwerk in de periode van 15 december tot 1 januari ter beschikking stelt toegestaan het voornemen hiertoe ten minste 24 uur van te voren elektronisch bij Onze Minister te melden.
3.
Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. de naam en het adres van degene die ter beschikking stelt,
b. de naam en het adres van degene aan wie ter beschikking wordt gesteld,
c. de datum waarop de artikelen ter beschikking worden gesteld, en de plaats waar deze worden opgeslagen, en
d. of het consumenten- of professioneel vuurwerk dan wel pyrotechnische artikelen voor theatergebruik betreft, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het artikel, de CE-markering, het type vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor theatergebruik, de NEM en per artikelnummer de hoeveelheid vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in kilogrammen.
4.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop een melding langs elektronische weg wordt gedaan.
5.
Voor de berekening van de periode van 48 uur, bedoeld in het eerste lid, worden uren die vallen op een dag, niet zijnde een werkdag, niet meegerekend.
1.
Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik vervaardigt, binnen het grondgebied van Nederland brengt, of voor handelsdoeleinden voorhanden heeft, registreert:
a. of het consumenten- of professioneel vuurwerk dan wel pyrotechnische artikelen voor theatergebruik betreft, en het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het artikel;
b. de hoeveelheid verpakt vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in kilogrammen die per afnemer ter beschikking is gesteld.
2.
Artikel 3, eerste en derde lid, van het Administratiebesluit milieugevaarlijke stoffen en preparaten is van overeenkomstige toepassing op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op degene die bedrijfsmatig consumentenvuurwerk ter beschikking stelt aan particulieren.
1.
Degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 draagt er zorg voor dat burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, en het bestuur van de regionale brandweer, bij de toegang tot de inrichting direct toegang hebben tot in ieder geval de volgende actuele gegevens:
a. de classificatie van het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik volgens het ADR en de opgeslagen hoeveelheid verpakt en onverpakt vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in kilogrammen;
b. informatie over de mate waarin de opgeslagen artikelen gevoelig zijn voor blusmiddelen;
c. de plaats waar de artikelen binnen de inrichting zijn opgeslagen.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die in een inrichting professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden heeft die zijn aangewezen ingevolge artikel 1.1.1, derde lid.
1.
Degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, draagt er zorg voor dat op 1 februari van elk jaar binnen de inrichting een overzicht aanwezig is van:
a. de hoeveelheid ingekocht consumentenvuurwerk in de voorgaande 12 maanden;
b. de hoeveelheid verkocht consumentenvuurwerk in de voorgaande 12 maanden;
c. de hoeveelheid afgevoerd consumentenvuurwerk in de voorgaande 12 maanden;
d. de hoeveelheid opgeslagen consumentenvuurwerk.
Hij bewaart het overzicht gedurende een periode van ten minste 7 jaar vanaf de hiervoor genoemde datum in het jaar waarin het overzicht is opgesteld.
2.
De hoeveelheid, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in kilogrammen onverpakt vuurwerk.
1.
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aangemelde instanties: aangemelde instanties als bedoeld in artikel 21 van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen;
aangewezen instantie: een instantie, aangewezen door Onze Minister, die conformiteitsbeoordelingsactiviteiten verricht, zoals onder meer het ijken, testen, certificeren en inspecteren;
accreditatie: accreditatie zoals gedefinieerd in artikel 2, tiende lid, van de Verordening;
bevoegde autoriteit: Onze Minister;
bijlage I bij de EU-richtlijn: bijlage I bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen, naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld;
bijlage II bij de EU-richtlijn: bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen, naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld, voor zover het betreft de in het tweede lid genoemde onderdelen van de bijlage, en bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen voor de overige onderdelen van de bijlage;
conformiteitsbeoordeling: proces waarin wordt beoordeeld of voldaan is aan de essentiële veiligheidseisen;
conformiteitsbeoordelingsprocedure: procedure als bedoeld in bijlage II bij de EU-richtlijn;
essentiële veiligheidseisen: essentiële veiligheidseisen als bedoeld in bijlage I bij de EU-richtlijn;
EU-conformiteitsverklaring: verklaring dat een product voldoet aan de eisen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen als bedoeld in artikel 18, eerste tot en met derde lid, van die richtlijn;
geharmoniseerde norm: geharmoniseerde norm als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van beschikking 87/95/EEG van de raad en besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad;
harmonisatiewetgeving van de Europese Unie: alle wetgeving van de Europese Unie die de voorwaarden voor het verhandelen van producten harmoniseert;
markttoezicht: hetgeen daaronder in hoofdstuk 5 van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen wordt verstaan;
markttoezichthouder: de in artikel 5:10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bedoelde ambtenaren, die handelen in het kader van het markttoezicht
module B, C2, D, E, G en H: module B, C2, D, E, G en H als bedoeld in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen;
nationale accreditatie-instantie: nationale accreditatie-instantie zoals gedefinieerd in artikel 2, elfde lid, van de Verordening;
technische specificatie: document dat de technische vereisten voorschrijft waaraan vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik moet voldoen;
terugroepen: maatregel waarmee wordt beoogd vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik te doen terugkeren dat al aan de eindgebruiker ter beschikking is gesteld;
uit de handel nemen: maatregel waarmee wordt beoogd te voorkomen dat vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik dat zich in de toeleveringsketen bevindt, op de markt wordt aangeboden;
Verordening: Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93;
2.
De in het eerste lid, in de begripsomschrijving van bijlage II bij de EU-richtlijn, bedoelde onderdelen van die bijlage zijn:
a. Module B, de onderdelen 7, tweede alinea, tot en met 9;
b. Module C2, de onderdelen 2 tot en met 4.2, voor zover het betreft het ter beschikking houden van de EU-conformiteitsverklaring;
c. Module D, de onderdelen 3.4, 3.5, 4.2 tot en met 4.4, 6 en 7;
d. Module E, de onderdelen 3.4, 3.5, 4.2 tot en met 4.4, 6 en 7;
e. Module H, de onderdelen 3.4, 3,5, 4.2 tot en met 4.4, 6 en 7.
1.
Een wijziging van artikel 10 van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen, van bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen, met uitzondering van de onderdelen, genoemd in artikel 1A.1.1, tweede lid, en van bijlage III of IV bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen gaat voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn of het betrokken wijzigingsbesluit uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
2.
Onze Minister doet meteen na het van kracht worden van een wijziging als bedoeld in het eerste lid daarvan mededeling in de Staatscourant.
1.
De fabrikant brengt het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik in een bepaalde categorie onder op grond van toepassing, doel en gevaar, met inbegrip van hun geluidniveau.
2.
Een aangemelde instantie bevestigt de categorisering als onderdeel van de conformiteitsbeoordelingsprocedure.
3.
De categorieën luiden als volgt:
a. vuurwerk
Categorie F1: vuurwerk dat zeer weinig gevaar en een te verwaarlozen geluidsniveau oplevert en bestemd is voor gebruik in een besloten ruimte, inclusief vuurwerk dat bestemd is voor gebruik binnenshuis;
Categorie F2: vuurwerk dat weinig gevaar en een laag geluidsniveau oplevert en bestemd is voor gebruik buitenshuis in een afgebakende plaats;
Categorie F3: vuurwerk dat middelmatig gevaar oplevert en bestemd is voor gebruik buitenshuis in een grote open ruimte, en waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid;
Categorie F4: vuurwerk dat veel gevaar oplevert en uitsluitend bestemd is voor gebruik door personen met gespecialiseerde kennis, en waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid.
b. pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
Categorie T1: pyrotechnische artikelen voor podiumgebruik met gering gevaar;
Categorie T2: pyrotechnische artikelen voor podiumgebruik die uitsluitend bestemd zijn om door personen met gespecialiseerde kennis te worden gebruikt.
Artikel 1A.1.4
Vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die in overeenstemming zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan, waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de essentiële veiligheidseisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.
1.
Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die niet voldoen aan de essentiële veiligheidseisen in de handel te brengen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen.
2.
Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die niet zijn onderworpen aan de conformiteitsbeoordelingsprocedure conform de artikelen 1A.3.1 en 1A.3.2 in de handel te brengen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen.
3.
Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel te brengen, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen of te gebruiken anders dan met inachtneming van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 1A.4.1, 2.1.3, 3.1.1 en 3A.1.1 met betrekking tot de aanduiding en het bezigen van vermeldingen.
4.
Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel te brengen zonder dat hiervoor, overeenkomstig artikel 1A.4.2, een EU-conformiteitsverklaring is opgesteld.
5.
Het is voor fabrikanten verboden te handelen in strijd met bijlage II bij de EU-richtlijn.
1.
Artikel 1A.2.1 is niet van toepassing op vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van EU-richtlijn pyrotechnische artikelen en die worden getoond en gebruikt op handelsbeurzen, tentoonstellingen en demonstraties voor het verhandelen van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, mits is voldaan aan het bepaalde in het derde lid.
2.
Artikelen als bedoeld in het eerste lid mogen pas verkocht worden nadat ze in overeenstemming zijn gebracht met de bepalingen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen.
3.
Op de artikelen, bedoeld in het eerste lid:
a. wordt een zichtbaar teken aangebracht waaruit duidelijk de naam en de datum van de handelsbeurs, tentoonstelling of demonstratie blijken;
b. is aangegeven dat de artikelen niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen en niet verkocht mogen worden.
1.
Artikel 1A.2.1 is niet van toepassing op vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die voor onderzoeks-, ontwikkelings- en testdoeleinden zijn geproduceerd en niet met de bepalingen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn. Deze artikelen mogen vrij circuleren en worden gebruikt, mits is voldaan aan het bepaalde in het derde lid.
2.
Artikelen als bedoeld in het eerste lid mogen niet beschikbaar worden gesteld of worden gebruikt voor andere doeleinden dan voor ontwikkeling, tests en onderzoek.
3.
Op de artikelen, bedoeld in het eerste lid, wordt een zichtbaar teken aangebracht waaruit duidelijk blijkt dat ze niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen en niet beschikbaar zijn voor andere doeleinden dan voor ontwikkeling, tests en onderzoek.
Artikel 1A.2A.1
De fabrikant waarborgt dat vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden ontworpen en vervaardigd overeenkomstig de essentiële veiligheidseisen.
1.
De fabrikant stelt de technische documentatie, genoemd in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen op en laat de toepasselijke conformiteitsbeoordelingsprocedure uitvoeren, overeenkomstig de artikelen 1A.3.1 en 1A.3.2.
2.
Wanneer met de conformiteitsbeoordelingsprocedure is aangetoond dat vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik aan de toepasselijke eisen voldoet, stelt de fabrikant een EU-conformiteitsverklaring op en brengt hij de CE-markering aan.
3.
De fabrikant bewaart de technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring gedurende tien jaar nadat het vuurwerk of pyrotechnische artikel voor theatergebruik in de handel is gebracht.
Artikel 1A.2A.3
De fabrikant zorgt ervoor dat hij beschikt over procedures om de conformiteit van zijn serieproductie met EU-richtlijn pyrotechnische artikelen te blijven waarborgen. Er wordt terdege rekening gehouden met veranderingen in het ontwerp of in de kenmerken van het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik en met veranderingen in de geharmoniseerde normen of andere technische specificaties waarnaar in de EU-conformiteitsverklaring van het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik wordt verwezen.
1.
Met een met redenen omkleed verzoek kan de bevoegde autoriteit een of meer van de volgende maatregelen van de fabrikant vergen:
a. het uitvoeren van steekproeven op in de handel gebracht vuurwerk of in de handel gebrachte pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
b. het onderzoeken van klachten;
c. het onderzoeken van niet-conform vuurwerk of niet-conforme pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
d. het onderzoeken van teruggeroepen vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
e. het bijhouden van een register met betrekking tot de onder b, c, en d bedoelde onderzoeken;
f. het op de hoogte houden van de distributeurs betreffende de genomen maatregelen.
2.
De bevoegde autoriteit kan het in het eerste lid bedoelde verzoek doen als dit gezien de risico’s van het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik passend wordt geacht.
3.
De fabrikant voert de maatregelen uit met het oog op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consumenten.
Artikel 1A.2A.5
De fabrikant zorgt ervoor dat door hem in de handel gebracht vuurwerk of pyrotechnisch artikelvoor theatergebruik is geëtiketteerd overeenkomstig de artikelen 2.1.3, 3.1.1 of 3A.1.1.
Artikel 1A.2A.6
Indien de fabrikant van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat door hem in de handel gebracht vuurwerk of een door hem in de handel gebracht pyrotechnisch artikel voor theatergebruik niet in overeenstemming is met de eisen bij of krachtens dit besluit:
a. neemt hij onmiddellijk alle corrigerende maatregelen die nodig zijn om het vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor theatergebruik in overeenstemming te brengen met deze eisen of, zo nodig, uit de handel te nemen of terug te roepen, en
b. brengt hij, indien het artikel een risico vertoont, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar hij het artikel op de markt heeft aangeboden, hiervan onmiddellijk op de hoogte. Indien hij het artikel in Nederland op de markt heeft aangeboden, brengt hij de bevoegde autoriteit op de hoogte. Hierbij beschrijft hij in het bijzonder uitvoerig de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen.
1.
Op een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten:
a. verstrekt de fabrikant aan deze autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit aan te tonen, en
b. verleent de fabrikant medewerking aan alle genomen maatregelen om de risico’s van de door hem in de handel gebracht vuurwerk of door hem in de handel gebrachte pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, uit te sluiten.
2.
De informatie en documentatie wordt op papier of elektronisch ter beschikking van de autoriteiten, bedoeld in het eerste lid, gesteld. Deze wordt gesteld in de Nederlandse of Engelse taal.
Artikel 1A.2A.8
Een importeur of een distributeur wordt als fabrikant beschouwd en voldoet aan de verplichtingen overeenkomstig dit hoofdstuk, wanneer hij vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik onder zijn eigen naam of merknaam in de handel brengt, of reeds in de handel gebracht vuurwerk of een reeds in de handel gebracht pyrotechnisch artikel voor theatergebruik zodanig wijzigt dat de conformiteit met de essentiële veiligheidseisen in het geding komt.
Artikel 1A.2B.1
De importeur brengt alleen vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel die aan de essentiële veiligheidseisen voldoen.
Artikel 1A.2B.2
Alvorens vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik in de handel wordt gebracht:
a. vergewist de importeur zich ervan dat de fabrikant de conformiteitsbeoordelingsprocedure heeft uitgevoerd;
b. zorgt de importeur ervoor dat de fabrikant de technische documentatie heeft opgesteld;
c. zorgt de importeur ervoor dat het vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor theatergebruik is voorzien van de CE-markering en vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten; en
d. zorgt de importeur ervoor dat de fabrikant het vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor theatergebruik heeft geëtiketteerd overeenkomstig de artikelen 2.1.3, 3.1.1 of 3A.1.1.
Artikel 1A.2B.3
De importeur die van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik niet in overeenstemming is met de essentiële veiligheidseisen:
a. brengt het vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor theatergebruik niet in de handel alvorens het in overeenstemming is gemaakt met de essentiële veiligheidseisen, en
b. brengt de fabrikant en de markttoezichthouder op de hoogte, indien het vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor theatergebruik een risico vertoont.
Artikel 1A.2B.4
De importeur voldoet aan de aan hem gestelde eisen ingevolge de artikelen 2.1.3, eerste lid, onder d, 3.1.1, eerste lid, onder d, of 3A.1.1, eerste lid, onder d.
Artikel 1A.2B.5
De importeur zorgt, gedurende de periode dat hij voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik verantwoordelijk is, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden ervan dat de conformiteit van het pyrotechnische artikel met de essentiële veiligheidseisen niet in het geding komt.
1.
Met een met redenen omkleed verzoek kan de bevoegde autoriteit een of meer van de volgende maatregelen van de importeur vergen:
a. het uitvoeren van steekproeven op in de handel gebracht vuurwerk of in de handel gebrachte pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
b. het onderzoeken van klachten;
c. het onderzoeken van niet-conform vuurwerk of niet-conforme pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
d. het onderzoeken van teruggeroepen vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
e. het bijhouden van een register met betrekking tot de onder b, c, en d bedoelde onderzoeken;
f. het op de hoogte houden van de distributeurs betreffende de genomen maatregelen.
2.
De bevoegde autoriteit kan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, doen als dit gezien de risico’s van het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik passend wordt geacht.
3.
De importeur voert de maatregelen uit met het oog op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consumenten.
Artikel 1A.2B.7
Indien een importeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat door hem in de handel gebracht vuurwerk of een door hem in de handel gebracht pyrotechnisch artikel voor theatergebruik, niet in overeenstemming is met de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit:
a. neemt hij onmiddellijk alle corrigerende maatregelen die nodig zijn om dat vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor theatergebruik in overeenstemming te maken met die eisen of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen; en
b. brengt hij, indien het artikel een risico vertoont, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar hij het artikel op de markt heeft aangeboden, hiervan onmiddellijk op de hoogte. Indien hij de artikelen in Nederland op de markt heeft aangeboden, brengt hij de bevoegde autoriteit onmiddellijk op de hoogte. Hierbij beschrijft de importeur in het bijzonder uitvoerig de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen.
Artikel 1A.2B.8
De importeur houdt gedurende tien jaar nadat het vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor theatergebruik in de handel is gebracht, een kopie van de EU-conformiteitsverklaring ter beschikking van de markttoezichthouder en zorgt ervoor dat de technische documentatie op verzoek aan de markttoezichthouder kan worden verstrekt.
1.
Op een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde autoriteit of de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten:
a. verstrekt de importeur alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik met de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit aan te tonen; en
b. verleent de importeur medewerking aan alle genomen maatregelen om de risico’s van door hem in de handel gebracht vuurwerk of door hem in de handel gebrachte pyrotechnische artikelen voor theatergebruik uit te sluiten.
2.
De informatie en documentatie wordt op papier of elektronisch ter beschikking van de autoriteiten, bedoeld in het eerste lid, gesteld. Deze worden gesteld in de Nederlandse of Engelse taal.
Artikel 1A.2C.1
De distributeur die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op de markt aanbiedt, neemt de nodige zorgvuldigheid in acht ten aanzien van de eisen in dit besluit.
Artikel 1A.2C.2
Alvorens vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op de markt aan te bieden, controleert de distributeur of:
a. het artikel is voorzien van een CE-markering;
b. het artikel vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten en van instructies en informatie aangaande de veiligheid, overeenkomstig artikel 2.1.3, eerste lid, onder j, en tweede lid, artikel 3.1.1, eerste lid, onder i, en tweede lid, en artikel 3A.1.1, eerste lid, onder i, en tweede lid;
c. de fabrikant en de importeur aan de verplichtingen ingevolge artikel 2.1.3, 3.1.1 en 3A.1.1 hebben voldaan.
Artikel 1A.2C.3
De distributeur die van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik niet in overeenstemming zijn met de essentiële veiligheidseisen:
a. biedt het vuurwerk of pyrotechnische artikel voor theatergebruik niet op de markt aan alvorens het in overeenstemming is gemaakt met de essentiële veiligheidseisen, en
b. brengt de fabrikant, de importeur en de markttoezichthouder hiervan op de hoogte, indien het vuurwerk of pyrotechnische artikel voor theatergebruik een risico vertoont.
Artikel 1A.2C.4
De distributeur zorgt gedurende de periode dat hij voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik verantwoordelijk is, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden ervan dat de conformiteit van het artikel met de essentiële veiligheidseisen niet in het gedrang komt.
Artikel 1A.2C.5
Indien een distributeur van mening is, of redenen heeft om aan te nemen, dat door hem op de markt aangeboden vuurwerk of pyrotechnisch artikel voor theatergebruik niet in overeenstemming is met de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit:
a. ziet hij erop toe dat de nodige corrigerende maatregelen worden genomen om die artikelen in overeenstemming te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen; en
b. brengt hij, indien het artikel een risico vertoont, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar hij het artikel op de markt heeft aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte. Indien hij de artikelen in Nederland op de markt heeft aangeboden, brengt hij de bevoegde autoriteit op de hoogte. Hierbij beschrijft hij in het bijzonder uitvoerig de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen.
1.
Op een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde autoriteit of bevoegde autoriteiten van andere lidstaten:
a. verstrekt de distributeur deze autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik met de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit aan te tonen; en
b. verleent de distributeur medewerking aan alle genomen maatregelen om de risico’s van de door hem in de handel gebrachte artikelen uit te sluiten.
2.
De informatie en documentatie, genoemd in het eerste lid, onder a, wordt op papier of elektronisch ter beschikking van de autoriteiten, genoemd in het eerste lid, gesteld.
1.
Op verzoek van de bevoegde autoriteit verstrekken de marktdeelnemers de volgende informatie:
a. welke marktdeelnemer vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aan hen heeft geleverd; en
b. aan welke marktdeelnemer zij vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik hebben geleverd.
2.
De marktdeelnemers houden de informatie, genoemd in het eerste lid, ten minste tien jaar nadat het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik aan de marktdeelnemers is geleverd, dan wel nadat de marktdeelnemers het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik heeft geleverd, ter beschikking van de bevoegde autoriteit.
1.
De fabrikant etiketteert vuurwerk en pyrotechnische artikel voor theatergebruik met een registratienummer dat wordt toegekend door de aangemelde instantie.
2.
Vuurwerk en pyrotechnische artikelen worden voorzien van een etiket met een registratienummer dat, naast het registratienummer, bedoeld in het eerste lid, de volgende elementen bevat:
a. het viercijferige identificatienummer van de aangemelde instantie die het volgende heeft opgesteld:
1°. de verklaring van EU-typeonderzoek in overeenstemming met de conformiteitsbeoordelingsprocedure, bedoeld in artikel 1A.3.2, onder a (module B);
2°. de verklaring van overeenstemming, overeenkomstig de conformiteitsbeoordelingsprocedure, bedoeld in artikel 1A.3.2, onder b (module G);
of
3°. de goedkeuring van het kwaliteitssysteem, in overeenkomst met de conformiteitsbeoordelingsprocedure, bedoeld in artikel 1A.3.2, onder c (module H).
b. de afkorting in hoofdletters van de categorie van het vuurwerk of pyrotechnische artikel voor theatergebruik waarvoor de conformiteit is gecertificeerd:
1°. F1, F2, F3 of F4 voor vuurwerk uit de desbetreffende categorieën vuurwerk;
2°. T1 of T2 voor pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor de desbetreffende categorieën pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
3.
De structuur van het registratienummer is «XXXX-YY-ZZZZ», waarbij XXXX verwijst naar het element, genoemd in het tweede lid, onder a, YY naar het element, genoemd in het tweede lid, onder b, en ZZZZ naar het element, genoemd in het eerste lid.
Artikel 1A.2E.2
Fabrikanten en importeurs van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:
a. houden een register bij met alle registratienummers van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die zij hebben vervaardigd of ingevoerd, vergezeld van de handelsnaam, het algemene type en, indien van toepassing, het subtype, en de plaats van vervaardiging. Deze informatie wordt ten minste tien jaar nadat het artikel in de handel is gebracht bijgehouden;
b. dragen het register over aan Onze Minister indien zij hun activiteiten staken;
c. verstrekken de bevoegde autoriteit, de markttoezichthouder en bevoegde autoriteiten en markttoezichtautoriteiten van andere lidstaten, op hun met redenen omkleed verzoek, het register, genoemd onder a.
1.
Indien de marktdeelnemer van de markttoezichthouder verneemt dat vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik, dat weliswaar in overeenstemming is met de essentiële veiligheidseisen en overige bepalingen van dit Besluit, toch een risico vormt voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere aspecten van de bescherming van algemene belangen:
a. neemt hij alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat dit vuurwerk of dit pyrotechnische artikel voor theatergebruik dat risico niet meer meebrengt wanneer zij in de handel worden gebracht, of
b. neemt hij, binnen een door de markttoezichthouder vast te stellen termijn, dit vuurwerk of dit pyrotechnische artikel voor theatergebruik uit de handel of roept hij deze terug.
2.
De marktdeelnemer zorgt ervoor dat door hem genomen corrigerende maatregelen worden toegepast op alle betrokken vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die hij in de Europese Unie op de markt heeft aangeboden.
1.
Vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden onderworpen aan een conformiteitsbeoordelingsprocedure overeenkomstig bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen.
2.
De fabrikant voldoet aan de verplichtingen die uit hoofde van bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen aan hem worden gesteld.
3.
De aangewezen instantie voldoet aan de verplichtingen die uit hoofde van bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen aan haar worden gesteld.
Artikel 1A.3.2
De fabrikant kiest een van de navolgende conformiteitsbeoordelingsprocedures, volgens welke de door hem gekozen aangemelde instantie de conformiteitsbeoordelingsprocedure uitvoert:
a. het EU-typeonderzoek (module B), en naar keuze van de fabrikant een van de volgende procedures:
1°. conformiteit met het type op basis van interne productiecontrole plus productcontroles onder toezicht met willekeurige tussenpozen (module C2);
2°. conformiteit met het type op basis van de kwaliteitsborging van het productieproces (module D); of
3°. conformiteit met het type op basis van productkwaliteitsborging (module E);
b. conformiteit op basis van eenheidskeuring (module G);
c. conformiteit op basis van volledige kwaliteitsborging (module H), voor zover het gaat om vuurwerk van categorie F4.
1.
De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik aangebracht. Wanneer dit gezien de aard van het artikel niet mogelijk of niet gerechtvaardigd is, wordt de CE-markering aangebracht op de verpakking en in de begeleidende documenten.
2.
De CE-markering wordt aangebracht voordat het vuurwerk of pyrotechnische artikel voor theatergebruik in de handel wordt gebracht.
3.
Indien de aangemelde instantie betrokken is geweest bij de productiecontrolefase, wordt de CE-markering gevolgd door het identificatienummer van die aangemelde instantie.
4.
Het identificatienummer, bedoeld in het derde lid, wordt aangebracht door de aangemelde instantie zelf, dan wel overeenkomstig haar instructies door de fabrikant.
1.
In de EU-conformiteitsverklaring wordt vermeld dat is aangetoond dat aan de essentiële veiligheidseisen is voldaan.
2.
De EU-conformiteitsverklaring:
a. komt qua structuur overeen met het model van bijlage III bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen;
b. bevat de in de desbetreffende modules van bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen vermelde elementen;
c. wordt voortdurend bijgewerkt;
d. wordt vertaald in de taal of talen zoals gevraagd door de lidstaat waar het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik in de handel wordt gebracht of op de markt wordt aangeboden.
3.
De EU-conformiteitsverklaring die betrekking heeft op vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die binnen het grondgebied van Nederland in de handel worden gebracht of op de markt worden aangeboden, is gesteld in de Nederlandse taal.
4.
Indien voor vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik uit hoofde van meer dan één handeling van de Europese Unie een EU-conformiteitsverklaring vereist is, wordt één EU-conformiteitsverklaring met betrekking tot al die handelingen van de Europese Unie opgesteld. In die verklaring moet duidelijk worden aangegeven om welke handelingen van de Europese Unie het gaat, met vermelding van de publicatiereferenties ervan.
5.
Door de EU-conformiteitsverklaring op te stellen neemt de fabrikant de verantwoordelijkheid voor de conformiteit van het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik met de eisen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen op zich.
1.
Onze Minister kan een instantie, die hiertoe een verzoek heeft ingediend overeenkomstig artikel 1A.5.2, aanwijzen die bevoegd is tot het uitvoeren van de conformiteitsbeoordelingsprocedure. Onze Minister meldt de aangewezen instantie aan overeenkomstig artikel 21 van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen.
2.
De aangewezen instantie voldoet aan de eisen, genoemd in de artikelen 1A.5.3 tot en met 1A.5.10.
3.
Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden ter uitvoering van de eisen, genoemd in de artikelen 1A.5.3 tot en met 1A.5.10.
1.
Een instantie die wenst te worden aangewezen in de zin van artikel 1A.5.1, eerste lid, dient een verzoek tot aanwijzing in bij Onze Minister.
2.
Het verzoek tot aanwijzing, genoemd in het eerste lid, gaat vergezeld van:
a. een beschrijving van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitbeoordelingsmodule(s), genoemd in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen en het pyrotechnische artikel of de pyrotechnische artikelen waarvoor de instantie verklaart bekwaam te zijn, en
b. het accreditatiecertificaat dat is afgegeven door een nationale accreditatie-instantie, waarin wordt verklaard dat de instantie voldoet aan de eisen, genoemd in de artikelen 1A.5.3 tot en met 1A.5.10.
1.
De aangewezen instantie is onafhankelijk van de door haar beoordeelde organisaties en het door haar beoordeeld vuurwerk of de door haar beoordeelde pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
2.
De aangewezen instantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, installateur, koper, eigenaar, gebruiker of onderhouder van het vuurwerk, de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, of explosieve stoffen, noch de vertegenwoordiger van een van die partijen. Dit belet echter niet het gebruik van pyrotechnische artikelen of explosieve stoffen die nodig zijn voor de activiteiten van de aangewezen instantie of het gebruik van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor persoonlijke doeleinden.
3.
De aangewezen instantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet rechtstreeks of als vertegenwoordiger van de betrokken partijen betrokken bij het ontwerpen, vervaardigen of bouwen, verhandelen, installeren, gebruiken of onderhouden van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of explosieve stoffen. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijke oordeel of hun integriteit met betrekking tot conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangewezen in het gedrang kunnen brengen. Dit geldt met name voor adviesdiensten.
4.
De aangewezen instantie waarborgt dat activiteiten van haar dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die de aangewezen instantie verricht;
1.
De aangewezen instantie en haar personeel voeren de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied.
2.
De aangewezen instantie en haar personeel zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, met name van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.
1.
De aangewezen instantie is in staat alle conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten die in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen aan haar zijn toegewezen en waarvoor zij is aangewezen, ongeacht of deze taak door de aangewezen instantie zelf of namens haar en onder haar verantwoordelijkheid wordt verricht.
2.
De aangewezen instantie beschikt te allen tijde, voor elke conformiteitsbeoordelingsprocedure en voor elk soort en elke categorie vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarvoor zij is aangemeld over:
a. benodigd personeel met technische kennis en voldoende passende ervaring om de conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten;
b. beschrijvingen van de procedures voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordeling, waarbij de transparantie en de mogelijkheid tot reproductie van deze procedures worden gewaarborgd;
c. gepast beleid en geschikte procedures om een onderscheid te maken tussen taken die zij als aangewezen instantie verricht en andere activiteiten; en
d. procedures voor de uitoefening van haar activiteiten die naar behoren rekening houden met de omvang van een onderneming, de sector waarin zij actief is, de structuur ervan, de relatieve complexiteit van de producttechnologie in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces.
3.
Een aangewezen instantie beschikt over de noodzakelijke middelen om de technische en administratieve taken, die zijn verbonden met de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, op passende wijze uit te voeren en heeft toegang tot alle noodzakelijke apparatuur en faciliteiten.
Artikel 1A.5.6
Het personeel van de aangewezen instantie dat verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordelingstaken beschikt over:
a. een gedegen technische en beroepsopleiding die alle relevante conformiteitsbeoordelingsactiviteiten omvat waarvoor de instantie is aangewezen;
b. een voldoende kennis van de eisen inzake de beoordelingen die de aangewezen instantie verricht en voldoende bevoegdheden om deze beoordelingen uit te voeren;
c. voldoende kennis van en inzicht in de essentiële veiligheidseisen, de toepasselijke geharmoniseerde normen en de relevante bepalingen van de harmonisatiewetgeving van de Europese Unie en van het bij of krachtens dit besluit bepaalde; en
d. de bekwaamheid om certificaten, dossiers en rapporten op te stellen die aantonen dat de beoordelingen zijn verricht.
1.
De aangewezen instantie waarborgt haar onpartijdigheid en die van haar leidinggevenden en haar personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht.
2.
De beloning van leidinggevenden en personeel van de aangewezen instantie hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan;
Artikel 1A.5.8
De aangewezen instantie heeft een geldige aansprakelijkheidsverzekering.
1.
Het personeel van een aangewezen instantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennisneemt bij de uitoefening van de taken van de aangewezen instantie uit hoofde van bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen of bij of krachtens dit besluit. De eigendomsrechten worden beschermd.
2.
Het beroepsgeheim, genoemd in het eerste lid, geldt niet ten opzichte van de bevoegde autoriteit.
1.
De aangewezen instantie neemt deel aan of zorgt ervoor dat haar personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, op de hoogte is van:
a. de relevante normalisatieactiviteiten, en
b. de activiteiten van de coördinatiegroep van aangemelde instantie die is opgericht uit hoofde van de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Europese Unie.
2.
De aangewezen instantie hanteert de administratieve beslissingen en geproduceerde documenten van de coördinatiegroep, genoemd in het eerste lid, onder b, als algemene richtsnoeren.
Artikel 1A.5.11
Een conformiteitsbeoordelingsinstantie die aantoont dat zij voldoet aan de criteria in de ter zaken doende geharmoniseerde normen of delen ervan, waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt geacht aan de eisen, genoemd in artikel 1A.5.3 tot en met 1A.5.10, te voldoen, op voorwaarde dat de van toepassing zijnde geharmoniseerde normen de eisen dekken.
1.
Indien de aangewezen instantie specifieke taken in verband met de conformiteitsbeoordeling uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren:
a. waarborgt zij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan de eisen, genoemd in artikel 1A.5.3 tot en met 1A.5.10, voldoet;
b. brengt zij Onze Minister hiervan op de hoogte;
c. neemt zij de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de taken die onderaannemers of dochterondernemingen verrichten, ongeacht waar deze gevestigd zijn;
d. houdt zij de relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of dochteronderneming en over de door de onderaannemer of dochteronderneming uit hoofde van bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen uitgevoerde werkzaamheden ter beschikking van Onze Minister.
2.
Activiteiten mogen uitsluitend met instemming van de klant worden uitbesteed of door een dochteronderneming worden uitgevoerd.
1.
De aangewezen instantie voert conformiteitsbeoordelingen uit. Zij voldoet aan de eisen die in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen aan haar worden gesteld.
2.
De aangewezen instantie is bij uitvoering van de conformiteitsbeoordelingen, genoemd in het eerste lid, in elk geval bevoegd tot het nemen van de volgende besluiten:
a. beslissen omtrent afgifte van een verklaring van EU-typeonderzoek in het kader van de toepassing van module B, als bedoeld in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen, onder 6;
b. beslissen omtrent afgifte van een aanvullende goedkeuring in het kader van de toepassing van module B, als bedoeld in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen, onder 7;
c. beslissen omtrent beoordelen of opnieuw beoordelen van het kwaliteitssysteem in het kader van de toepassing van module D, als bedoeld in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen, onder 3.3 en 3.5.
3.
De aangewezen instantie voert de conformiteitbeoordelingen op evenredige wijze uit, waarbij zij voorkomt dat de marktdeelnemers onnodig worden belast. De aangewezen instantie houdt hierbij naar behoren rekening met de volgende aspecten, waarbij zij de striktheid en het beschermingsniveau eerbiedigt die nodig zijn opdat het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik voldoet aan de essentiële veiligheidseisen:
a. de omvang van de onderneming;
b. de sector waarin zij actief is;
c. de structuur van de onderneming;
d. de relatieve technologische complexiteit van de producten; en
e. het massa- of seriële karakter van het productieproces.
1.
De aangewezen instantie kent registratienummers toe ter identificatie van het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die aan een conformiteitsbeoordeling zijn onderworpen en ter identificatie van de fabrikanten van deze artikelen.
2.
De aangewezen instantie houdt een register bij van de registratienummers van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarvoor zij conformiteitcertificaten heeft afgegeven.
3.
Bij het bijhouden van het register gebruikt de aangewezen instantie het model en het formaat daarvan dat is vastgelegd in bijlage 4 .
4.
Het register moet ten minste de in bijlage 4 vermelde informatie over producten bevatten. Deze informatie wordt gedurende tien jaar bewaard na de datum waarop de aangemelde instantie de documenten, bedoeld in artikel 1A.5.13, heeft afgegeven.
5.
De aangewezen instantie werkt het register regelmatig bij. Zij maken het register bekend via internet.
6.
Wanneer de aanmelding van een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt ingetrokken, draagt deze instantie de registers onverwijld over aan een andere aangemelde instantie of aan Onze Minister.
Artikel 1A.5.15
De aangewezen instantie verleent geen conformiteitscertificaat indien zij vaststelt dat een fabrikant niet heeft voldaan aan de essentiële veiligheidseisen of aan de overeenkomstige geharmoniseerde normen of andere technische specificaties. Zij verlangt dat de fabrikant de passende corrigerende maatregelen neemt.
1.
De aangewezen instantie verlangt dat de fabrikant passende corrigerende maatregelen neemt, indien zij bij het toezicht op de conformiteit na verlening van een certificaat vaststelt dat vuurwerk of het pyrotechnische artikelen voor theatergebruik niet meer in overeenstemming is met de essentiële veiligheidseisen, de overeenkomstige geharmoniseerde normen of andere technische specificaties. Zo nodig schorst zij het certificaat of trekt zij dit in.
2.
Indien geen corrigerende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden genomen, worden de certificaten naargelang het geval door de aangewezen instantie geschorst, beperkt of ingetrokken.
Artikel 1A.5.17
De aangewezen instantie neemt rechtstreeks of via aangestelde vertegenwoordigers deel aan de werkzaamheden van het forum van aangemelde instanties.
1.
Onze Minister ziet toe op de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van het bepaalde bij of krachtens dit besluit door de aangewezen instantie.
2.
De aangewezen instantie brengt Onze Minister op de hoogte van:
a. elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van certificaten;
b. omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van of de voorwaarden voor de aanwijzing;
c. informatieverzoeken over conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die zij van de markttoezichthouder of de marktautoriteiten uit andere lidstaten, ontvangen;
3.
Op verzoek van Onze Minister brengt de aangewezen instantie Onze Minister op de hoogte van de binnen haar werkingssfeer verrichte conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en uitbestedingen.
4.
De aangewezen instantie verstrekt relevante informatie over negatieve conformiteitsbeoordelingsresultaten en op verzoek over positieve conformiteitsbeoordelingsresultaten aan de andere aangemelde instanties die soortgelijke conformiteitsbeoordelingsactiviteiten voor dezelfde pyrotechnische artikelen verrichten.
Artikel 1A.5.19
De aangewezen instantie beschikt over een behoorlijke administratie waarin de gegevens die samenhangen met en betrekking hebben op de uitvoering van haar taken, op een systematische wijze zijn vastgelegd. Aan de hand van deze gegevens zijn de beoordeelde pyrotechnische artikelen afdoende te identificeren.
1.
Indien is gebleken dat de aangewezen instantie niet langer voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 1A.5.3 tot en met 1A.5.10, of haar verplichtingen niet nakomt, kan Onze Minister de aanwijzing beperken, schorsen of intrekken, afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan die eisen of het niet-nakomen van die verplichtingen.
2.
Onze Minister stelt de andere lidstaten van de Europese Unie en de Europese Commissie onverwijld op de hoogte van de maatregelen, genoemd in het eerste lid.
3.
Wanneer de aanwijzing wordt beperkt, geschorst, of ingetrokken, of de aangewezen instantie haar activiteiten heeft gestaakt:
a. stelt deze instantie, ook nadat de aanwijzing is beperkt, geschorst of ingetrokken, de dossiers op verzoek van Onze Minister, ter beschikking aan Onze Minister en de markttoezichthouder, of
b. draagt deze instantie de dossiers over aan een andere aangemelde instantie.
Artikel 2.1.1
Bij regeling van Onze Minister wordt vuurwerk aangewezen dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. De aanwijzing geschiedt aan de hand van de aard, samenstelling, constructie en eigenschappen van het vuurwerk.
1.
Verpakt consumentenvuurwerk is bij het opslaan en het voorhanden hebben anders dan door particulieren, op zodanige wijze verpakt dat het volgens bijlage A van het ADR, uitsluitend kan worden aangemerkt als vuurwerk behorende tot klasse 1.4G of 1.4S.
2.
Dit artikel is niet van toepassing op vuurwerk waarvan op het moment dat het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat het binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zal worden gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4, derde lid, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
1.
Consumentenvuurwerk is voorzien van:
a. de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik;
b. een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk waaruit duidelijk blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren zijn;
c. de naam, de geregistreerde handelsnaam of de geregistreerde merknaam van de fabrikant en één postadres waarop contact met hem kan worden opgenomen;
d. indien de fabrikant niet is gevestigd op het grondgebied van de Europese Unie: de gegevens, genoemd onder c, en de naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam van de importeur en het postadres waarop contact met hem kan worden opgenomen;
e. indien de importeur niet in Nederland is gevestigd: de gegevens, genoemd onder c en d, en de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de plaats van vestiging van de distributeur;
f. de naam en het type van het artikel, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het vuurwerk en, voor zover het vuurwerk betreft dat is ingedeeld in categorie F3, het productiejaar van het vuurwerk, het registratienummer en het product-, partij- of serienummer van het product;
g. de minimumleeftijd voor het verkopen of anderszins ter beschikking stellen van het consumentenvuurwerk, bedoeld in artikel 2.3.5;
h. de categorie, bedoeld in artikel 1A.1.3, waartoe het consumentenvuurwerk behoort;
i. de NEM;
j. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan.
2.
Consumentenvuurwerk is voorts voorzien van de volgende informatie:
voor zover het betreft categorie F1: in voorkomend geval: «uitsluitend buitenshuis te gebruiken» en een minimale veiligheidsafstand;
voor zover het betreft categorie F2: «uitsluitend buitenshuis te gebruiken» en, in voorkomend geval, een minimale veiligheidsafstand(en);
voor zover het betreft categorie F3: «uitsluitend buitenshuis te gebruiken» en de minimale veiligheidsafstand(en).
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor consumentenvuurwerk van geringe afmeting, mits dat vuurwerk zich in een primaire verpakking bevindt waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens zijn aangebracht. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder c, d en e, worden, indien vermelding op het vuurwerk niet mogelijk is, vermeld op een bij het vuurwerk gevoegd document.
4.
De aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn in de Nederlandse taal gesteld, zichtbaar, leesbaar, duidelijk, begrijpelijk en onuitwisbaar.
5.
In afwijking van het vierde lid worden de aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, op consumentenvuurwerk dat aan de consument zal worden aangeboden in een andere lidstaat van de Europese Unie gesteld in de officiële taal of talen van het desbetreffende land.
6.
Dit artikel is niet van toepassing op vuurwerk waarvan op het moment dat het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat het binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zal worden gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4, derde lid, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
7.
Consumentenvuurwerk is voorts voorzien van de informatie waartoe met betrekking tot vuurwerk is besloten met toepassing van artikel 18, eerste lid, onder c, van de EG-richtlijn pyrotechnische artikelen. Indien de informatie, bedoeld in de eerste volzin, zou afwijken van het bepaalde in het eerste of tweede lid, blijft het in die leden bepaalde in zoverre buiten toepassing. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.1.4
Het is verboden vuurwerk dat niet voldoet aan de ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer gestelde regels met betrekking tot consumentenvuurwerk, te voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.
1.
Degene die een inrichting drijft, waar consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, herverpakt of bewerkt, voldoet aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1, onder A, B en C , en aan de veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge bijlage 3 . Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.
2.
Indien een inrichting tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort, niet uitsluitend omdat daarin vuurwerk wordt opgeslagen, geldt een voor de inrichting verleende omgevingsvergunning ook voor het oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting, dan wel het veranderen van de werking daarvan, voor zover dit oprichten, in werking hebben of veranderen dan wel veranderen van de werking betrekking heeft op het opslaan van vuurwerk.
1.
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot een in bijlage 1 , onder B, opgenomen voorschrift, voor zover dat bij het voorschrift is aangegeven.
2.
De maatwerkvoorschriften gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de maatwerkvoorschriften worden nageleefd.
3.
Het bevoegd gezag stelt het bestuur van de regionale brandweer binnen wiens gebied de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen, in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking waarbij een maatwerkvoorschrift wordt gesteld.
4.
Van de beschikking wordt mededeling gedaan door kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
1.
Degene die een inrichting opricht waar ten hoogste 10.000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting schriftelijk aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag zendt onverwijld een afschrift van de melding aan Onze Minister en aan het bestuur van de regionale brandweer. De verzending van het afschrift aan Onze Minister geschiedt langs elektronische weg. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het afschrift wordt verzonden.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting, als bedoeld in artikel 2.2.1, en het veranderen van de werking daarvan.
3.
Bij de meldingen worden vermeld:
a. het adres en het nummer waaronder de inrichting bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven,
b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien dit iemand anders is, van degene die de inrichting drijft of zal drijven,
c. de aard en omvang van de activiteiten en processen in de inrichting, waaronder de hoeveelheid consumentenvuurwerk in opslag, uitgedrukt in kilogrammen verpakt vuurwerk per (buffer)bewaarplaats,
d. de indeling en de uitvoering van de inrichting, waarbij de grenzen van het terrein van de inrichting, de ligging en de indeling van de gebouwen, en de functie van de te onderscheiden ruimten worden aangegeven,
e. een situatieschets met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de ligging van de inrichting ten opzichte van de omgeving is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl, en
f. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn.
4.
De in het derde lid vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt indien degene die de inrichting drijft, deze gegevens reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft en het bevoegd gezag geacht kan worden over die gegevens te beschikken.
5.
Degene die de melding doet, geeft in voorkomend geval bij de melding aan welke van de ingevolge dit artikel te verstrekken gegevens hij reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft.
Artikel 2.2.5
Het bevoegd gezag zendt een afschrift van een melding als bedoeld in artikel 2.2.4, eerste lid, onderscheidenlijk een afschrift van een verleende omgevingsvergunning aan Onze Minister.
Artikel 2.3.1
Het is verboden consumentenvuurwerk voor handelsdoeleinden ter beschikking te stellen aan een ander dan:
a. degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 2.2.1;
b. een in het buitenland gevestigde ondernemer wiens bedrijfsmatige activiteit bestaat uit het verhandelen van vuurwerk en die gerechtigd is het vuurwerk op te slaan of te bewerken, dan wel, indien de betrokken persoon het vuurwerk tot ontbranding zal brengen, gerechtigd is het vuurwerk tot ontbranding te brengen.
1.
Het is verboden consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een particulier.
2.
Het verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december.
Artikel 2.3.3
Het is verboden per levering meer dan 25 kilogram consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking te stellen. Voor de bepaling van de hoeveelheid consumentenvuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als zijnde onverpakt.
Artikel 2.3.4
Het is verboden consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde maatwerkvoorschriften.
Artikel 2.3.5
Het is verboden consumentenvuurwerk te verkopen of anderszins ter beschikking te stellen aan particulieren jonger dan:
Voor zover het betreft categorie F1: 12 jaar;
Voor zover het betreft categorie F2: 16 jaar;
Voor zover het betreft categorie F3: 18 jaar.
Artikel 2.3.6
Het is verboden vuurwerk, anders dan bedrijfsmatig, tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar.
Artikel 2.3.7
De artikelen 1.2.4, 1.2.5, 2.3.2, 2.3.3 en 2.3.6 gelden niet ten aanzien van fop- en schertsvuurwerk.
1.
Professioneel vuurwerk is voorzien van:
a. de aanduiding: Niet geschikt voor particulier gebruik;
b. een vermelding of afbeelding van de soort van het vuurwerk waaruit duidelijk blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren zijn;
c. de naam, de geregistreerde handelsnaam of de geregistreerde merknaam van de fabrikant en één postadres waarop contact met hem kan worden opgenomen;
d. indien de fabrikant niet is gevestigd op het grondgebied van de Europese Unie: de gegevens, genoemd onder c, en de naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam van de importeur en het postadres waarop contact met hem kan worden opgenomen;
e. indien de importeur niet in Nederland is gevestigd: de gegevens, genoemd onder c en d, en de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de plaats van vestiging van de distributeur;
f. de naam en het type van het artikel, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende registratienummer en het product-, partij- of serienummer van het product en, voor zover het vuurwerk betreft dat is ingedeeld in categorie F3 of F4, het productiejaar van het vuurwerk;
g. de categorie, bedoeld in artikel 1A.1.3, waartoe het professionele vuurwerk behoort;
h. de NEM;
i. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan.
2.
De verpakking van professioneel vuurwerk is voorts voorzien van de volgende informatie:
voor zover het betreft categorie F2: „uitsluitend buitenshuis te gebruiken» en, in voorkomend geval, de minimale veiligheidsafstand(en);
voor zover het betreft categorie F3: «uitsluitend buitenshuis te gebruiken» en de minimale veiligheidsafstand(en);
voor zover het betreft categorie F4: «uitsluitend door personen met gespecialiseerde kennis te gebruiken» en de minimale veiligheidsafstand(en).
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor professioneel vuurwerk van geringe afmeting, mits dat vuurwerk zich in een verpakking bevindt waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens zijn aangebracht. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder c, d en e, worden, indien vermelding op het vuurwerk niet mogelijk is, vermeld op een bij het vuurwerk gevoegd document.
4.
De aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn in de Nederlandse, Duitse, Engelse of Franse taal gesteld, zichtbaar, leesbaar, duidelijk, begrijpelijk en onuitwisbaar.
5.
In afwijking van het vierde lid worden de aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, op professioneel vuurwerk dat aan een persoon met gespecialiseerde kennis zal worden aangeboden in een andere lidstaat van de Europese Unie, gesteld in de officiële taal of talen van het desbetreffende land.
6.
Dit artikel is niet van toepassing op vuurwerk waarvan op het moment dat het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat het binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zal worden gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4, derde lid, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
7.
Professioneel vuurwerk is voorts voorzien van de informatie waartoe met betrekking tot professioneel vuurwerk is besloten met toepassing van artikel 18, eerste lid, onder c, van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen. Indien de informatie, bedoeld in de eerste volzin, zou afwijken van het bepaalde in het eerste of tweede lid, blijft het in die leden bepaalde in zoverre buiten toepassing. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Degene die een inrichting drijft, waar professioneel vuurwerk al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik wordt opgeslagen of bewerkt, voldoet aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 2 en aan de veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge bijlage 3 .
2.
Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.
1.
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot een in bijlage 2 , onder B, opgenomen voorschrift, voor zover dat bij het voorschrift is aangegeven.
2.
De maatwerkvoorschriften gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de maatwerkvoorschriften worden nageleefd.
3.
Het bevoegd gezag stelt het bestuur van de regionale brandweer binnen wiens gebied de inrichting geheel of in hoofdzaak is gelegen, in de gelegenheid advies uit te brengen over het voorgenomen maatwerkvoorschrift.
4.
Van de beschikking wordt mededeling gedaan door kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
1.
Degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid:
a. stelt naar het oordeel van het bevoegd gezag op genoegzame wijze door verzekering of anderszins financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek , waartoe het drijven van de inrichting aanleiding kan geven;
b. overlegt aan het bevoegd gezag binnen een daartoe door het bevoegd gezag gestelde termijn schriftelijk bewijs van de gestelde financiële zekerheid.
2.
De zekerheid bedraagt tenminste  € 5 000 000,00 per gebeurtenis en per inrichting en wordt in stand gehouden tot het moment waarop de omgevingsvergunning vervalt.
3.
De verzekering is gesloten bij een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing ter zake van opslag van vuurwerk door of onder verantwoordelijkheid van bestuursorganen die door Onze Minister zijn aangewezen. De benadeelde heeft jegens een bestuursorgaan dat geen financiële zekerheid als bedoeld in het eerste lid heeft gesteld de rechten welke hij overeenkomstig dit artikel anders tegenover de verzekeraar zou hebben, indien de financiële zekerheid door verzekering zou zijn gesteld.
Artikel 3.2.4
Het bevoegd gezag zendt een afschrift van een verleende omgevingsvergunning aan Onze Minister.
1.
Het is verboden professioneel vuurwerk aan een ander ter beschikking te stellen.
2.
Het verbod geldt niet voor het ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk aan een persoon met gespecialiseerde kennis die gerechtigd is het vuurwerk op te slaan of te bewerken, dan wel, indien de betrokken persoon het vuurwerk tot ontbranding zal brengen, gerechtigd is het vuurwerk tot ontbranding te brengen.
1.
Pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn voorzien van:
a. de aanduiding: Niet geschikt voor particulier gebruik;
b. een vermelding of afbeelding van de soort van het artikel waaruit duidelijk blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren zijn;
c. de naam, de geregistreerde handelsnaam of de geregistreerde merknaam van de fabrikant en één postadres waarop contact met hem kan worden opgenomen;
d. indien de fabrikant niet is gevestigd op het grondgebied van de Europese Unie: de gegevens, genoemd onder c, en de naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam van de importeur en het postadres waarop contact met hem kan worden opgenomen;
e. indien de importeur niet in Nederland is gevestigd: de gegevens, genoemd onder c en d, en de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de plaats van vestiging van de distributeur;
f. De naam en het type van het artikel en het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende registratienummer en het product-, partij- of serienummer van het product;
g. de categorie, bedoeld in artikel 1A.1.3, waartoe het artikel behoort;
h. de NEM;
i. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan.
2.
Op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik moet voorts de volgende informatie staan: voor zover het betreft categorie T1: in voorkomend geval: «uitsluitend buitenshuis te gebruiken» en de minimale veiligheidsafstand; voor zover het betreft categorie T2: «uitsluitend door personen met gespecialiseerde kennis te gebruiken» en de minimale veiligheidsafstand(en).
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van geringe afmeting, mits die artikelen zich in een verpakking bevinden waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens zijn aangebracht. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder c, d en e, worden, indien vermelding op het pyrotechnisch artikel voor theatergebruik niet mogelijk is, vermeld op een bij het pyrotechnisch artikel voor theatergebruik gevoegd document.
4.
De aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn in de Nederlandse, Duitse, Engelse of Franse taal gesteld, zichtbaar, leesbaar, duidelijk, begrijpelijk en onuitwisbaar.
5.
In afwijking van het vierde lid worden de aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die zullen worden verkocht in een andere lidstaat van de Europese Unie gesteld in de officiële taal of talen van het desbetreffende land.
6.
Dit artikel is niet van toepassing op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarvan op het moment dat het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat zij binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zullen worden gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4, derde lid, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.
7.
Pyrotechnische artikelen voor theatergebruikmoeten voorts zijn voorzien van de informatie waartoe met betrekking tot deze artikelen is besloten met toepassing van artikel 18, eerste lid, onder c, van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen. Indien de informatie, bedoeld in de eerste volzin, zou afwijken van het bepaalde in het eerste of tweede lid, blijft het in die leden bepaalde in zoverre buiten toepassing. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Verpakt theatervuurwerk is bij het opslaan en het voorhanden hebben op zodanige wijze verpakt dat zij volgens bijlage A van het ADR, uitsluitend kunnen worden aangemerkt als artikelen behorende tot klasse 1.4G of 1.4S.
2.
Dit artikel is niet van toepassing op theatervuurwerk waarvan op het moment dat zij binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht, naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat zij binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zullen worden gebracht. Indien sprake is van opslag als bedoeld in artikel 1.1.4, derde lid, wordt in plaats van 48 uur gelezen: twee weken.
1.
Degene die een inrichting drijft waar pyrotechnische artikelen voor theatergebruik al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk of professioneel vuurwerk worden opgeslagen of bewerkt, voldoet aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 2 en aan de veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge bijlage 3 .
2.
In afwijking van het eerste lid voldoet degene die een inrichting drijft waar theatervuurwerk al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk worden opgeslagen, aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 en aan de veiligheidsafstanden die van toepassing zijn ingevolge bijlage 3 .
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien er sprake is van opslag van uitsluitend theatervuurwerk in een hoeveelheid van ten hoogste 25 kilogram en het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is op die opslag of aan de omgevingsvergunning, een voorschrift is verbonden, waarvan de inhoud overeenkomt met artikel 4.11 van de Activiteitenregeling milieubeheer.
4.
Voor de bepaling van de hoeveelheid artikelen, bedoeld in het derde lid, wordt uitgegaan van het gewicht van de artikelen als zijnde onverpakt.
5.
Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.
Artikel 3A.2.2
De artikelen 3.2.2, 3.2.3 en 3.2.4 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Het is verboden pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aan een ander ter beschikking te stellen.
2.
Het verbod geldt niet voor het ter beschikking stellen van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aan een persoon met gespecialiseerde kennis die gerechtigd is het vuurwerk op te slaan of te bewerken, dan wel, indien de betrokken persoon het vuurwerk tot ontbranding zal brengen, gerechtigd is het vuurwerk tot ontbranding te brengen.
1.
Met uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 2.3.6, is het verboden zonder een daartoe verleende vergunning consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding te brengen, ten behoeve daarvan op te bouwen, te installeren, te bewerken, dan wel na ontbranding te verwijderen.
2.
Onze Minister beslist op een aanvraag om een toepassingsvergunning.
3.
Aan de toepassingsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat:
a. voorafgaand aan het tot ontbranding brengen van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik door de aanvrager toestemming is verkregen van gedeputeerde staten van de provincie waarin de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht en de aan de toestemming verbonden voorschriften worden nageleefd;
b. het tot ontbranding te brengen vuurwerk en de tot ontbranding te brengen pyrotechnische artikelen voor theatergebruik afkomstig zijn uit een inrichting als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, 3.2.1, eerste lid, of 3A.2.1, eerste lid, of een inrichting ten aanzien waarvan de in artikel 4.11, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer opgenomen verplichting geldt, dan wel rechtstreeks afkomstig zijn uit het buitenland.
4.
Aan de toepassingsvergunning worden voorts voorschriften verbonden in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu. Zij kan onder beperkingen worden verleend.
5.
Degene aan wie een toepassingsvergunning is verleend, is gehouden de in het derde en vierde lid bedoelde voorschriften na te leven.
6.
De toepassingsvergunning vervalt op het moment dat de geldigheidsduur van het certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3B.2, tweede lid, onder c, afloopt. Is de toepassingsvergunning verleend aan een onderneming dan vervalt de toepassingsvergunning eveneens op het moment dat er geen persoon aan wie een certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is afgegeven, meer werkzaam is voor de onderneming.
1.
De aanvraag om een toepassingsvergunning wordt langs elektronische weg ingediend. In afwijking van artikel 2:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neemt het bevoegd gezag een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend, in ontvangst.
2.
Bij de aanvraag worden door de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden langs elektronische weg verstrekt:
a. zijn naam, adres, geboortedatum en geboorteplaats en, in voorkomend geval, de naam en het adres van de betrokken onderneming;
b. gegevens waaruit blijkt dat de handelingen waarop de aanvraag betrekking heeft bedrijfsmatig worden verricht;
c. een afschrift van een geldig certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dat is afgegeven aan de persoon door wie of onder wiens voortdurend toezicht de handelingen, waarop de aanvraag betrekking heeft, worden verricht en dat betrekking heeft op die handelingen;
d. de handelingen en de soorten vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarop de aanvraag betrekking heeft;
e. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over hemzelf, die niet ouder is dan zes maanden.
3.
De aanvrager stelt naar het oordeel van het bevoegd gezag bij de aanvraag op genoegzame wijze door verzekering of anderszins financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de in het eerste lid, onder b, bedoelde handelingen.
4.
De zekerheid bedraagt ten minste € 2 500 000,00 per gebeurtenis en wordt in ieder geval in stand gehouden tot het moment waarop de vergunning vervalt. Artikel 3.2.3, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.
Met een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in het tweede lid, onder e, wordt gelijkgesteld een verklaring omtrent het gedrag afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden, mits die verklaring niet ouder is dan zes maanden.
6.
De aanvrager kan de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, op schriftelijke wijze verstrekken, voor zover het bevoegd gezag daarvoor toestemming heeft gegeven.
7.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop een aanvraag langs elektronische weg wordt ingediend.
1.
De ontbrandingstoestemming kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu.
2.
Aan de ontbrandingstoestemming kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu. De voorschriften kunnen afwijken van regels gesteld in de regeling, bedoeld in artikel 3B.7.
3.
Degene aan wie de toestemming is verleend, is gehouden de in het tweede lid bedoelde voorschriften na te leven.
1.
De aanvraag om een ontbrandingstoestemming wordt langs elektronische weg ingediend. In afwijking van artikel 2:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neemt het bevoegd gezag een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend, in ontvangst. De aanvraag mag betrekking hebben op meerdere evenementen of voorstellingen waarbij vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding worden gebracht, mits die evenementen of voorstellingen plaatsvinden binnen dezelfde gemeente en binnen een tijdvak van ten hoogste een jaar.
2.
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden langs elektronische weg verstrekt:
a. gegevens omtrent de datum, het tijdstip en de plaats van het tot ontbranding brengen;
b. een afschrift van de toepassingsvergunning die aan de aanvrager is verleend;
c. een afschrift van het in artikel 3B.2, tweede lid, onder c, bedoelde certificaat;
d. een schietlijst met daarin een overzicht van de toe te passen artikelen en per categorie artikelen de volgende gegevens:
het aantal,
de omschrijving van het artikel,
de fabrikant van het artikel,
het artikelnummer,
gegevens waaruit blijkt of het artikel consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik betreft,
het brutogewicht van het artikel in kilogrammen,
het kaliber,
het maximale effect van het artikel in verticale richting,
gegevens waaruit blijkt of er sprake is van een schuin opgesteld of schuin gemonteerd artikel, en
de veiligheidsafstand tot het publiek die bij het ontbranden in acht zal worden genomen;
e. indien sprake is van het ontbranden in de buitenlucht, een actuele situatietekening, waarop is aangegeven:
de opbouwlocatie,
de afsteeklocatie met opstelling van de af te steken artikelen,
de omliggende bebouwing,
de veiligheidsafstanden,
de afzettingen van de gevarenzone tijdens opbouw en ontbranding,
de opstelplaats van het publiek, en
de vluchtwegen.
f. indien wegen in de gevarenzone zijn gelegen, een toestemming van de burgemeester binnen wiens gemeente de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht, voor het afzetten van die wegen of, indien het een eigen weg betreft, een toestemming van de eigenaar van de weg voor het afzetten van de weg;
g. een omschrijving van bijzondere omstandigheden.
3.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, derde volzin, worden bij de aanvraag per evenement of voorstelling de gegevens en bescheiden, bedoeld in de onderdelen b tot en met g, verstrekt en hoeven bij de aanvraag de gegevens omtrent de datum en het tijdstip van het tot ontbranding brengen niet te worden verstrekt.
4.
De aanvrager kan de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, op schriftelijke wijze verstrekken, voor zover het bevoegd gezag daarvoor toestemming heeft gegeven.
5.
Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van de aanvraag aan de burgemeester binnen wiens gemeente het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht.
6.
Gedeputeerde staten stellen alvorens een ontbrandingstoestemming te verlenen de volgende bestuursorganen en instanties in de gelegenheid advies uit te brengen:
a. Onze Minister,
b. de betrokken verlener van een luchtverkeersdienst als bedoeld in de Wet luchtvaart , voor zover het zichzelf voortdrijvend opstijgend vuurwerk of zichzelf opstijgende pyrotechnische artikelen voor theatergebruik betreft die in de openlucht tot ontbranding zullen worden gebracht binnen 15 kilometer afstand van een luchthaven,
c. het bestuur van de regionale brandweer binnen wiens gebied het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht, en
d. de burgemeester van de gemeente aangrenzend aan de gemeente waar het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht, voor zover de artikelen effect kunnen hebben binnen zijn gemeente.
7.
Gedeputeerde staten verlenen geen ontbrandingstoestemming indien de burgemeester binnen wiens gemeente het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht binnen twee weken na ontvangst van het afschrift van de aanvraag heeft verklaard tegen het verlenen van de toestemming in verband met de veiligheid bedenkingen te hebben, dan wel indien de burgemeester binnen die termijn gedeputeerde staten er van in kennis heeft gesteld dat hij de aanvraag binnen die termijn niet kan beoordelen, die verklaring heeft gegeven binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de burgemeester niet binnen de van toepassing zijnde termijn heeft verklaard bedenkingen te hebben, wordt hij geacht geen bedenkingen te hebben.
8.
Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van de ontbrandingstoestemming aan Onze Minister, aan de burgemeester, bedoeld in het zesde lid, onder d, en aan het bestuur van de regionale brandweer, bedoeld in het zesde lid, onder c. Deze verzending geschiedt zo veel als mogelijk en in ieder geval aan Onze Minister langs elektronische weg.
9.
Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontbrandingstoestemming.
10.
Degene aan wie een ontbrandingstoestemming is verleend voor meerdere evenementen of voorstellingen, meldt uiterlijk 5 werkdagen voorafgaand aan ieder evenement of iedere voorstelling aan gedeputeerde staten van de provincie waarin het evenement of de voorstelling zal plaatsvinden, de datum en het tijdstip van het opbouwen van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de datum, het tijdstip en de plaats van het tot ontbranding brengen van die artikelen, onder verwijzing naar de datum en het kenmerk van die toestemming. Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van de melding aan de bestuursorganen en instanties, bedoeld in het achtste lid. Deze verzending geschiedt zo veel als mogelijk en in ieder geval aan Onze Minister langs elektronische weg.
11.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop een aanvraag als bedoeld in het eerste lid langs elektronische weg wordt ingediend en een afschrift van een ontbrandingstoestemming als bedoeld in het achtste lid en van een melding als bedoeld in het tiende lid langs elektronische weg wordt gezonden.
1.
In afwijking van artikel 3B.1, derde lid, onder a, kan degene aan wie een toepassingsvergunning is verleend en die:
a. ten hoogste 20 kilogram theatervuurwerk tot ontbranding wil brengen, of
b. ten hoogste 200 kilogram consumentenvuurwerk tot ontbranding wil brengen,
voorafgaand aan het tot ontbranding brengen volstaan met een melding aan gedeputeerde staten van de provincie waarin de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht.
2.
Voor de bepaling van de hoeveelheid consumentenvuurwerk of theatervuurwerk, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het gewicht van de artikelen als zijnde onverpakt consumentenvuurwerk onderscheidenlijk onverpakt theatervuurwerk.
3.
Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van de melding aan het bestuur van de regionale brandweer binnen wiens gebied de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht, aan de burgemeester van de gemeente binnen wiens gemeente de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht en aan Onze Minister. Deze verzending geschiedt zo veel als mogelijk en in ieder geval aan Onze Minister langs elektronische weg.
4.
Degene die het consumentenvuurwerk of theatervuurwerk tot ontbranding wil brengen draagt er zorg voor dat de melding ten minste twee weken voordat de artikelen tot ontbranding worden gebracht door gedeputeerde staten is ontvangen.
5.
In afwijking van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met de burgemeester en het bestuur, bedoeld in het derde lid, in bijzondere omstandigheden een kortere termijn voor de melding toestaan.
6.
Artikel 3B.3a, eerste lid, eerste en tweede volzin, tweede, vierde en elfde lid, is van overeenkomstige toepassing op een melding als bedoeld in het eerste lid.
1.
De toepassingsvergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken.
1.
Degene aan wie een toepassingsvergunning is verleend, houdt een register bij waarin zijn vermeld:
a. de persoon of personen aan wie een certificaat van vakbekwaamheid is afgegeven als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, en door wie of onder wier toezicht bedrijfsmatig handelingen met vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik worden verricht, als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid;
b. de personen die onder toezicht van de onder a bedoelde persoon of personen bedrijfsmatig handelingen met vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik verrichten als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid;
c. de evenementen en voorstellingen, waarbij vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zijn gebracht en de daarbij tot ontbranding gebrachte typen en hoeveelheden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in kilogrammen alsmede de weigeraars, met vermelding van de door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummers die dienen ter identificatie van het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
d. ongewone voorvallen die zich tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik hebben voorgedaan.
2.
Het register wordt binnen twee werkdagen na een wijziging dan wel na een evenement of voorstelling bijgewerkt.
3.
De gegevens worden op een zodanige wijze geregistreerd dat gedurende de periode waarover de registratieplicht ingevolge het vierde lid geldt, indien Onze Minister of gedeputeerde staten van de provincie die de vergunning hebben verleend daarom verzoeken, binnen acht uur de gegevens schriftelijk kunnen worden overgelegd.
4.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, blijven ten minste voor de duur van zeven jaar na de vastlegging in de registratie opgenomen.
5.
Degene aan wie een toepassingsvergunning is verleend, meldt een ongewoon voorval als bedoeld in het eerste lid, onder d, onverwijld aan gedeputeerde staten van de provincie waarin het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding worden gebracht.
Artikel 3B.7
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
1.
De veiligheidsafstanden, bedoeld in bijlage 3 worden, voor zover deze in acht genomen moeten worden bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 4.2, aangemerkt als grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.
2.
Indien de kwaliteit van een gebied waarvoor de veiligheidsafstand in acht moet worden genomen, beter is dan de grenswaarde aangeeft, treedt de kwaliteit van dat gebied niet in de plaats van de grenswaarde.
1.
Het bevoegd gezag neemt de in bijlage 3 gestelde afstanden in acht bij:
a. het vaststellen van een bestemmings- of inpassingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, 3.26 of 3.28, onderscheidenlijk artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening;
b. het wijzigen van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid, onder a, van die wet.
2.
Gedeputeerde staten nemen de in bijlage 3 gestelde afstanden in acht bij de verlening of wijziging van een omgevingsvergunning.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1.4.
4.
In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag een kleinere afstand dan genoemd in bijlage 3, onder 1.3 , vaststellen, indien het desbetreffende besluit betrekking heeft op:
a. een inrichting waar theatervuurwerk al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk wordt opgeslagen of bewerkt,
b. een inrichting waar meer dan 10 000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, herverpakt of bewerkt, of
c. de bestemming van grond, voor zover die grond ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld onder a of b,
indien aan de omgevingsvergunning voor de desbetreffende inrichting zodanige voorschriften zijn verbonden dat:
1°. de warmtestraling ten gevolge van brand in die inrichting waarbij vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik betrokken zijn voor personen die zich ophouden buiten een gebouw dat onderdeel is van een beperkt kwetsbaar object, kwetsbaar object of geprojecteerd beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object beperkt blijft tot ten hoogste 10 kW/m 2 , en
2°. de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de deuropening van een bewaarplaats of een bufferbewaarplaats en een gebouw, indien dat gebouw een beperkt kwetsbaar object, kwetsbaar object of geprojecteerd beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object is, niet lager is dan 60 minuten.
1.
Indien voor het desbetreffende gebied een bestemmingsplan geldt, gelden de veiligheidsafstanden, tenzij in bijlage 3 anders is aangegeven, vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012, van het gebouw waar vuurwerk wordt opgeslagen of bewerkt binnen een inrichting als bedoeld in artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1, tot aan de bestemmingsgrens.
2.
Indien een bestemmingsplan voor het desbetreffende gebied ontbreekt, gelden de veiligheidsafstanden, tenzij in bijlage 3 anders is aangegeven, vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012, van het gebouw, bedoeld in het eerste lid, tot aan de eigendomsgrens van het gebied dat behoort bij het beperkt kwetsbare of kwetsbare object.
3.
In afwijking van het eerste lid gelden de veiligheidsafstanden tot tien meter vanaf het beperkt kwetsbare of kwetsbare object of het geprojecteerde beperkt kwetsbare of kwetsbare object, indien:
a. het object een gebouw is, niet zijnde een gebouw bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten of een kantoorgebouw is, niet zijnde een kwetsbaar object, en de grens van de bouwstrook meer dan tien meter vanaf de bestemmingsgrens is gelegen;
b. het object een woonwagen is die meer dan tien meter vanaf de grens van het gebied dat voor woonwagens is bestemd, is of mag worden geplaatst.
4.
Indien in het bestemmingsplan geen bouwstrook is aangegeven, gelden de veiligheidsafstanden tot aan de bestemmingsgrens.
5.
In afwijking van het tweede lid gelden de veiligheidsafstanden tot tien meter vanaf het beperkt kwetsbare of kwetsbare object, indien:
a. het object een gebouw is, niet zijnde een gebouw bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten of een kantoorgebouw is, niet zijnde een kwetsbaar object, en het object meer dan tien meter vanaf de eigendomsgrens van het desbetreffende gebied is gelegen;
b. het object een woonwagen is die meer dan tien meter van de eigendomsgrens van het desbetreffende perceel of van het gebied dat voor woonwagens is aangewezen, is geplaatst.
6.
In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid gelden de veiligheidsafstanden, tenzij in bijlage 3 anders is aangegeven, vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012, van het gebouw, bedoeld in het eerste lid, tot aan de ligplaats van een woonschip.
Artikel 5.1.1
[Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.]
Artikel 5.1.2
[Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.]
Artikel 5.1.3
[Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.]
Artikel 5.1.4
[Wijzigt het Transactiebesluit milieudelicten.]
Artikel 5.1.5
[Wijzigt het Transactiebesluit 1994.]
Artikel 5.1.6
[Wijzigt het Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren milieuwetgeving.]
Artikel 5.1.7
[Wijzigt het Besluit politieregisters.]
Artikel 5.1.8
[Wijzigt het Besluit aanwijzing Halt-feiten.]
Artikel 5.1.9
[Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer.]
Artikel 5.1.10
[Wijzigt het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer.]
Artikel 5.1.11
[Wijzigt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.]
Artikel 5.1.12
[Wijzigt het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer.]
Artikel 5.1.13
[Wijzigt het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer.]
Artikel 5.1.14
[Wijzigt het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.]
Artikel 5.2.1
Ingetrokken worden:
a. het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen;
b. het Besluit opslag vuurwerk milieubeheer;
c. het Reglement Gevaarlijke Stoffen;
d. de beschikking van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 6 november 1979, houdende voorschriften voor de aflevering van ontploffingsgevaarlijke stoffen;
e. de regeling van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 17 maart 1980, houdende verbod tot het gebruik van explosieven voor opruimingswerkzaamheden;
f. de ontheffing van het Reglement Gevaarlijke Stoffen van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 19 december 1985;
g. de regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 december 1990, houdende vergunningplicht voor het afleveren, ter aflevering aanwezig houden en bezigen van vuurwerk;
h. het Interim-besluit bezigen en afleveren professioneel vuurwerk Wms;
i. de Interimregeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Interim-besluit bezigen en afleveren professioneel vuurwerk Wms.
Artikel 5.2.2
[Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.]
Artikel 5.3.1
De nadere eisen, gesteld krachtens artikel 2.2.3 of 3.2.2, alsmede de toestemmingen, verleend krachtens voorschrift 1.8 van bijlage 1 , die voor een inrichting onmiddellijk voor 1 juli 2012 in werking en onherroepelijk waren, worden gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften.
1.
Een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid, die onmiddellijk voor 1 juli 2012 van kracht en onherroepelijk is, wordt gelijkgesteld met een toepassingsvergunning.
2.
Een toestemming als bedoeld in artikel 3B.1, derde lid, onder a, die onmiddellijk voor 1 juli 2012 van kracht en onherroepelijk is, wordt gelijkgesteld met een ontbrandingstoestemming.
1.
Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 juli 2012 blijft van toepassing op:
a. de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid, of een toestemming als bedoeld in artikel 3B.3, derde lid, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor die datum een aanvraag is ingediend;
b. de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid, indien voor die datum van het ontwerpbesluit mededeling is gedaan met overeenkomstige toepassing van artikel 3:19, tweede lid, onderdelen b en c, van de Algemene wet bestuursrecht;
c. een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid, of een toestemming als bedoeld in artikel 3B.3, derde lid, of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is.
2.
In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt:
a. een vergunning of toestemming gelijkgesteld met een toepassingsvergunning onderscheidenlijk ontbrandingstoestemming;
b. een beschikking tot wijziging van een vergunning of toestemming gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een toepassingsvergunning onderscheidenlijk ontbrandingstoestemming,
op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.
Artikel 5.3.4
Een melding die is gedaan op grond van artikel 3B.4, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voor 1 juli 2012, behoudt haar geldigheid tot vier weken na die datum.
1.
De artikelen 1A.1.3 tot en met 1A.4.1 en 3A.1.1 zoals die luidden vóór 1 juli 2015 zijn eerst met ingang van 4 juli 2013 van toepassing op vuurwerk behorende tot categorie F4 en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
2.
Tot en met 3 juli 2017 wordt onder professioneel vuurwerk mede verstaan vuurwerk dat niet behoort tot categorie F1, F2 of F3 en wel behoort tot :
a. professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit, zoals dit artikel luidde op 3 juli 2010,
b. vuurwerk bestemd voor particulier gebruik als bedoeld in artikel 1.2.2, zevende lid, of
c. vuurwerk waarvan de bestemming niet kan worden vastgesteld.
3.
Artikel 3.1.1 van het Vuurwerkbesluit, zoals dat artikel luidde op 3 juli 2010, blijft tot en met 3 juli 2017 van toepassing op professioneel vuurwerk als bedoeld in het tweede lid.
4.
Tot en met 3 juli 2013 is het in de handel brengen van vuurwerk behorende tot categorie F4 en van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik behorende tot categorie T1 of T2 slechts toegestaan overeenkomstig de artikelen van dit besluit genoemd in het eerste lid, dan wel artikel 3.1.1, zoals dat artikel luidde op 3 juli 2010.
5.
Vuurwerk dat voor 4 juli 2010 in Nederland in de handel is gebracht en voldoet aan de eisen voor consumentenvuurwerk die zijn gesteld bij of krachtens het Vuurwerkbesluit dat gold op 3 juli 2010, mag tot en met 3 juli 2014 in Nederland worden verhandeld of gebruikt overeenkomstig dat besluit.
6.
Vuurwerk dat voor 4 juli 2013 in Nederland in de handel is gebracht en voldoet aan de eisen voor professioneel vuurwerk die zijn gesteld bij of krachtens het Vuurwerkbesluit zoals dat gold op 3 juli 2010, mag tot en met 3 juli 2017 in Nederland worden verhandeld of gebruikt overeenkomstig dat besluit.
7.
Vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die voldoen aan dit besluit zoals dat onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het besluit van 8 september 2015 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit ter implementatie van richtlijn nr. 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking) (PbEU L 178) en uitvoeringsrichtlijn 2014/58/EU van 16 april 2014 van de Commissie betreffende het opzetten van een traceerbaarheidssysteem voor pyrotechnische artikelen overeenkomstig Richtlijn 2007/23/EG (PbEU L 115) (Stb. 2015, nr. 332) luidde en die vóór dat tijdstip in de handel zijn gebracht, mogen ook na dat tijdstip op de markt worden aangeboden.
8.
Conformiteitscertificaten, verstrekt uit hoofde van Richtlijn 2007/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen, zijn geldig uit hoofde van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen.
1.
Een vergunning, verleend op grond van artikel 3.3.2 van het Vuurwerkbesluit, zoals dit gold tot en met 3 juli 2010, wordt na die datum aangemerkt als een vergunning krachtens artikel 3B.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit.
2.
Een toestemming als bedoeld in artikel 3.3.2, derde lid, onder a, van het Vuurwerkbesluit, zoals dit gold tot en met 3 juli 2010, wordt na die datum aangemerkt als een toestemming als bedoeld in artikel 3B.1, derde lid, van het Vuurwerkbesluit.
3.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, en een toestemming als bedoeld in het tweede lid, gelden tevens voor consumentenvuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
1.
De artikelen 3.3.2, 3.3.3 en 3.3.4 van het Vuurwerkbesluit zoals dat gold tot en met 3 juli 2010 blijven van toepassing op voor 4 juli 2010 ingediende aanvragen van onderstaande besluiten, totdat deze onherroepelijk zijn geworden:
a. een besluit inzake het verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning voor het tot ontbranding brengen, ten behoeve daarvan opbouwen, installeren, bewerken, dan wel na ontbranding verwijderen van professioneel vuurwerk;
b. een besluit inzake het verlenen, wijzigen of intrekken van een toestemming voor het tot ontbranding brengen, ten behoeve daarvan opbouwen, installeren, bewerken, dan wel na ontbranding verwijderen van professioneel vuurwerk.
2.
Artikel 5.3.6 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.3.8
Een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dat voor 4 juli 2010 is afgegeven aan de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, geldt, indien het betrekking heeft of mede betrekking heeft op professioneel vuurwerk, mede voor consumentenvuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.
Artikel 5.4.1
Onze Minister wijst een vertaling aan van bijlage A van het ADR of draagt zorg voor een vertaling en doet van de aanwijzing of wijze van bekendmaking van de vertaling mededeling in de Staatscourant.
Artikel 5.4.2
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 5.4.3
Dit besluit wordt aangehaald als: Vuurwerkbesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 januari 2002
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven de negenentwintigste januari 2002
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemeen
+ Hoofdstuk 1a. In de handel brengen
+ Hoofdstuk 2. Consumentenvuurwerk
+ Hoofdstuk 3. Professioneel vuurwerk
+ Hoofdstuk 3a. Pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
+ Hoofdstuk 3b. Het tot ontbranding brengen van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik
+ Hoofdstuk 4. Veiligheidsafstanden
+ Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht