Let op. Deze wet is vervallen op 19 juli 2016. U leest nu de tekst die gold op 18 juli 2016.

Warenwetbesluit drukapparatuur

Uitgebreide informatie
Besluit van 5 juli 1999 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet op de gevaarlijke werktuigen, de Brandweerwet 1985, de Mijnwet 1903, de Mijnwet continentaal plat, de Wet milieubeheer en de Stoomwet met betrekking tot drukapparatuur (Besluit drukapparatuur)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst van 5 maart 1999, directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/APM/99/9253, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat, Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Gelet op richtlijn nr. 97/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur (PbEG L 181);
Gelet op de artikelen 1, eerste lid, aanhef, en onderdelen a en b, 2, 3, eerste en tweede lid, 5, 6, 12, derde lid, en 25a van de Wet op de gevaarlijke werktuigen, artikel 17, eerste lid, van de Brandweerwet 1985, artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903, artikel 26, eerste lid, onder b, van de Mijnwet continentaal plat, artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, en de artikelen 2, 3, 4, 6, 21, aanhef en onderdeel c, van de Stoomwet;
De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1999, no. W12.99.0108/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst van 30 juni 1999, directie Arbeidsomstandigheden, nr. ARBO/APM/99/26935, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat, Volksgezondheid Welzijn en Sport, Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Warenwet ;
b. richtlijn: richtlijn nr.97/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 (PbEG L 181) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur;
c. [vervallen;]
d. Europese Economische Ruimte: het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is;
e. drukapparatuur of drukapparaten: drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, alsmede, voor zover van toepassing, de elementen die bevestigd zijn aan onder druk staande delen;
f. drukvat: een omhulling, bestaande uit één of meer ruimten, die is ontworpen en vervaardigd voor stoffen onder druk, met inbegrip van de rechtstreeks daarmee verbonden delen tot aan de voorziening voor de aansluiting met andere apparatuur;
g. installatieleidingen: onderdelen van een leidingstelsel die voor de verplaatsing van stoffen dienen, wanneer zij zijn verbonden om in een ander onder druk staand systeem te worden geïntegreerd, met name bestaande uit een pijp of een pijpenstelsel, buizen, fittingen, expansieverbindingen en slangen of eventueel andere onder druk staande delen alsmede warmtewisselaars bestaande uit pijpen voor het koelen of verhitten van lucht;
h. veiligheidsappendages: voorzieningen voor de beveiliging van drukapparatuur tegen overschrijding van de toegestane grenzen, die bestaan uit:
1°. voorzieningen voor de rechtstreekse drukbegrenzing, en
2°. begrenzingsvoorzieningen die corrigerende organen in werking stellen of zorgen voor vergrendeling of voor vergrendeling en blokkering;
i. onder druk staande appendages: voorzieningen met een operationele functie waarvan de omhulling onder druk staat;
j. samenstellen: verschillende drukapparaten die een fabrikant tot een geïntegreerd en functioneel geheel heeft geassembleerd;
k. druksysteem: een stelsel van verschillende drukapparaten of samenstellen die onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker op zijn bedrijfsterrein tot een geïntegreerd en functioneel geheel is geassembleerd;
l. druk: de druk gerelateerd aan de atmosferische druk, zijnde de overdruk, waarbij een vacuüm of onderdruk met een negatieve waarde wordt aangeduid;
m. maximaal toelaatbare druk (PS): de door de fabrikant aangegeven maximale druk waarvoor de apparatuur is ontworpen. Deze druk wordt bepaald op een door de fabrikant aangegeven plaats waar de beveiligings- of veiligheidsinrichtingen zijn aangesloten of de bovenzijde van de apparatuur, of, indien dat niet passend is, een andere door hem aangegeven plaats;
n. maximaal of minimaal toelaatbare temperatuur (TS): de maximaal of minimaal door de fabrikant opgegeven temperatuur waarvoor de apparatuur is ontworpen;
o. volume (V): het inwendige volume van een ruimte met inbegrip van het volume van tubulures tot de eerste aansluiting en met uitsluiting van de inhoud van het volume van permanente inwendige onderdelen;
p. nominale maat (DN): getalsaanduiding voor afmeting, gebruikt voor alle onderdelen van een leidingstelsel, behalve voor onderdelen die met de uitwendige middellijn of met de maat van de schroefdraad wordt aangeduid. De getalsaanduiding betreft een gemakkelijk rond getal voor verwijzingsdoeleinden, dat slechts in oppervlakkig verband staat tot de fabricagematen. De nominale maat wordt aangegeven met DN, gevolgd door een getal;
q. stoffen: gassen, vloeistoffen en dampen in zuivere fase en mengsels daarvan, die een suspensie van vaste stoffen kunnen bevatten;
r. permanente verbindingen: verbindingen die alleen met destructieve methoden losgemaakt kunnen worden;
s. Europese materiaalgoedkeuring: technisch document, waarin bij het ontbreken van een geharmoniseerde norm de kenmerken van bij herhaalde toepassing bestemde materialen voor de fabricage van drukapparatuur worden gedefinieerd;
t. aangewezen keuringsinstelling: een krachtens artikel 7a van de wet aangewezen keuringsinstelling;
u. aangewezen aangemelde keuringsinstelling en aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling: een krachtens artikel 7a van de wet in het kader van de richtlijn aangewezen en bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde keuringsinstelling of onafhankelijke instelling, dan wel een door een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het kader van de richtlijn aangewezen en bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde keuringsinstantie of onafhankelijke instelling;
v. aangewezen keuringsdienst van gebruikers: een krachtens artikel 7a van de wet aangewezen keuringsdienst;
w. aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers: een krachtens artikel 7a van de wet in het kader van de richtlijn aangewezen en bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde keuringsdienst dan wel, indien deze aanwijzing heeft plaatsgevonden, een door een andere lidstaat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het kader van de richtlijn aangewezen en aangemelde keuringsdienst van gebruikers;
x. inspectieafdeling van de gebruiker: een organisatorische eenheid die door de gebruiker van drukapparatuur is belast met het verrichten van inspecties.
Artikel 2
In afwijking van artikel 1, onder e en j, wordt onder drukapparatuur, onderscheidenlijk samenstellen, niet verstaan:
a. transportleidingen met een pijp of een geheel van pijpen voor het vervoer van of naar een installatie te land of ter zee, vanaf en met inbegrip van de laatste afsluiter binnen de grenzen van de installatie, inclusief alle bijbehorende apparatuur die speciaal voor de transportleiding is ontworpen, met uitzondering van standaarddrukapparatuur zoals in reduceerstations en compressorstations;
b. netten voor de aanvoer, distributie en de afvoer van water en de bijbehorende apparaten alsmede leidingen voor aandrijfwater, zoals sluispoorten, drukleidingen en drukschachten voor waterkrachtinstallaties en bijbehorende specifieke appendages;
c. apparatuur die valt onder het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm ;
d. aërosolen die vallen onder het Warenwetbesluit drukverpakkingen ;
e. apparatuur voor de werking van voertuigen als bedoeld in:
1°. Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende de goedkeuring van motor-voertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 42);
2°. Richtlijn nr. 74/150/EEG van de Raad van de Europese Gemeen-schappen van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84);
3°. Richtlijn nr. 2002/24/EG: richtlijn nr. 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 maart 2002 (PbEG L 124) betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn nr. 92/61/EEG van de Raad;
f. apparatuur die ten hoogste valt onder categorie I, bedoeld in artikel 9 van de richtlijn, en die tevens onder één of meerdere van de volgende besluiten valt:
1°. Besluit gastoestellen ;
2°. Warenwetbesluit explosieveilig materieel ;
3°. Warenwetbesluit liften ;
4°. Besluit medische hulpmiddelen ;
5°. Warenwetbesluit elektrotechnische producten ;
6°. Warenwetbesluit machines ;
g. apparatuur als bedoeld in artikel 223, eerste lid, onderdeel b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
h. speciaal voor nucleair gebruik ontworpen apparatuur die bij defecten de verspreiding van radioactiviteit kan veroorzaken;
i. putregelingsapparatuur voor de exploratie en winning van aardolie, aardgas of geothermische energie of voor de ondergrondse opslag om de druk van de put te behouden of te regelen;
j. apparatuur die uit kasten en mechanismen bestaat waarvan de afmetingen, de materiaalkeuze en de fabricagevoorschriften voornamelijk berusten op de criteria sterkte, stijfheid en stabiliteit bij statische en dynamische bedrijfsbelastingen of op andere functioneringseigenschappen waarvoor de druk geen wezenlijke ontwerpfactor is;
k. hoogovens, met inbegrip van de ovenkoeling, windverhitters, stofafzuigers en gaswassers voor afvoergassen en koepelovens voor directe reductie, met inbegrip van de ovenkoeling, gasconvertors en pannen voor het smelten, hersmelten, ontgassen en gieten van staal en non-ferrometalen;
l. omhullingen voor elektrische hoogspanningsapparatuur;
m. mantels onder druk rond de onderdelen van transmissiesystemen;
n. schepen, raketten, luchtvaartuigen en mobiele offshore-eenheden en apparatuur die uitdrukkelijk bedoeld is voor installatie op dergelijke machines of de voortbeweging daarvan;
o. drukapparatuur met een flexibele buitenwand;
p. flessen of blikjes voor koolzuurhoudende dranken, bestemd voor eindconsumptie;
q. vaten voor vervoer of distributie van dranken waarin het product van de maximaal toelaatbare druk (PS) en volume (V) ten hoogste 500 bar.L en de maximaal toelaatbare druk (PS) 7 bar bedraagt;
r. apparatuur die valt onder de ADR-overeenkomst, de IMDG-code, het RID- of het ICAO-verdrag;
s. radiatoren en buizen in systemen voor warmwaterverwarming;
t. vaten voor vloeistoffen, waarin de gasdruk boven de vloeistof ten hoogste 0,5 bar bedraagt;
u. inlaat- en uitlaatgeluiddempers.
1.
Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en het gebruik van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt.
2.
Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van toepassing op drukapparatuur, samenstellen en druksystemen indien deze onroerend zijn.
3.
De artikelen 12b, 12c, 12d en 14a zijn niet van toepassing ten aanzien van:
a. draagbare brandblussers als bedoeld in artikel 1 van het Besluit draagbare blustoestellen 1997;
b. snelkookpannen als bedoeld in bijlage II, tabel 5, bij de richtlijn;
c. de krachtens artikel 21, tweede lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen aangewezen drukapparatuur, samenstellen en druksystemen.
1.
Het is verboden drukapparatuur, samenstellen en druksystemen te verhandelen, in bedrijf te stellen of te gebruiken, die niet voldoen aan de vervaardigingsvoorschriften gesteld bij of krachtens dit besluit.
2.
Het is verboden drukapparatuur, samenstellen en druksystemen te verhandelen of te gebruiken anders dan met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot de aanduiding en het bezigen van vermeldingen.
3.
Het is verboden drukapparatuur, samenstellen en druksystemen te verhandelen of te gebruiken, indien de bij of krachtens dit besluit voorgeschreven beoordelings- en keuringsprocedures niet in acht zijn genomen.
4.
Het is verboden drukapparatuur, samenstellen en druksystemen te gebruiken anders dan met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot het voorhanden zijn van documenten.
Artikel 5
Drukapparatuur, samenstellen en druksystemen zijn zodanig ontworpen en vervaardigd, hebben zodanige eigenschappen en zijn van zodanige vermeldingen voorzien dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens of voor de veiligheid van zaken, wanneer zij op passende wijze worden geïnstalleerd en onderhouden en worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn bestemd.
1.
De drukapparatuur en samenstellen, bedoeld in artikel 7, onderscheidenlijk artikel 8, worden overeenkomstig bijlage II bij de richtlijn naar toenemend gevaar in categorieën ingedeeld. Indien drukapparatuur uit verschillende ruimten bestaat, wordt het ingedeeld in de hoogste van de verschillende categorieën van de afzonderlijke ruimten. Wanneer een ruimte verschillende stoffen bevat, vindt de indeling plaats op grond van de stof die in de hoogste categorie valt.
2.
Met het oog op de categorie-indeling, bedoeld in het eerste lid, worden stoffen onderverdeeld in groepen overeenkomstig artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur (PbEU 2014, L 189).
3.
Het eerste en tweede lid ten aanzien van samenstellen, zijn van overeenkomstige toepassing op druksystemen.
Artikel 7
De volgende drukapparatuur voldoet aan de essentiële veiligheidseisen, genoemd in bijlage I bij de richtlijn. Het betreft:
a. drukvaten, met uitzondering van de onder c bedoelde, voor gassen, vloeibare gassen, onder druk opgeloste gassen, dampen en vloeistoffen waarvan de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur meer dan 0,5 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar), binnen de volgende grenzen:
1°. voor stoffen, ingedeeld in groep 1, wanneer het volume groter is dan 1L en het product van PS en V groter is dan 25 bar.L, of wanneer de druk PS groter is dan 200 bar;
2°. voor stoffen, ingedeeld in groep 2, wanneer het volume groter is dan 1L en het product van PS en V groter is dan 50 bar.L, of wanneer de druk PS groter is dan 1000 bar, alsmede alle draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen;
b. drukvaten, met uitzondering van de onder c bedoelde, voor vloeistoffen waarvan de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur 0,5 bar of minder boven de normale atmosferische druk (1013 mbar) ligt, binnen de volgende grenzen:
1°. voor stoffen, ingedeeld in groep 1, wanneer het volume groter is dan 1L en het product van PS en V groter is dan 200 bar.L of, wanneer de druk PS hoger is dan 500 bar;
2°. voor stoffen, ingedeeld in groep 2, wanneer de druk PSmeer is dan 10 bar en het product van PS en V groter is dan 10 000 bar.L, of wanneer de druk PS meer dan 1000 bar is;
c. brandstofgestookte of anderszins verwarmde drukapparatuur waarbij gevaar voor oververhitting bestaat, bestemd voor de productie van stoom of oververhit water met een temperatuur hoger dan 110°C met een volume van meer dan 2L, alsmede alle snelkookpannen;
d. installatieleidingen bestemd voor gassen, vloeibare gassen, onder druk opgeloste gassen, dampen en vloeistoffen waarvan de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur meer dan 0,5 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar), binnen de volgende grenzen:
1°. voor stoffen, ingedeeld in groep 1, met een DN groter dan 25;
2°. voor stoffen, ingedeeld in groep 2, met een DN groter dan 32 en een product van PS en DN groter dan 1000 bar;
e. installatieleidingen bestemd voor vloeistoffen waarvan de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur 0,5 bar of minder boven de normale atmosferische druk (1013 mbar) ligt binnen de volgende grenzen:
1°. voor stoffen, ingedeeld in groep 1, met een DN groter dan 25 en een product van PS en DN groter dan 2000 bar;
2°. voor stoffen, ingedeeld in groep 2, met een PS groter dan 10 bar en een DN groter dan 200 en een product van PS en DN groter dan 5000 bar;
f. veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, bestemd voor drukapparatuur als bedoeld onder a tot en met e.
1.
De volgende samenstellen, waarin ten minste één drukapparaat als bedoeld in artikel 7 is opgenomen, voldoen aan de essentiële veiligheidseisen, genoemd in bijlage I bij de richtlijn.Het betreft:
a. samenstellen voor de productie van stoom en oververhit water met een temperatuur hoger dan 110 °C waarin ten minste één brandstofgestookt of anderszins verwarmd drukapparaat waarbij gevaar voor oververhitting bestaat, is opgenomen;
b. andere dan onder punt a. bedoelde samenstellen, wanneer deze door de fabrikant bestemd zijn om als samenstellen in de handel gebracht en in gebruik genomen te worden.
2.
In afwijking van het eerste lid, voldoen manueel met vaste brandstoffen gestookte samenstellen voor de productie van warm water waarvan de watertemperatuur ten hoogste 110 °C en het product van PS en V meer bedraagt dan 50 bar.L en waarin ten minste één drukapparaat als bedoeld in artikel 7 is opgenomen, aan de essentiële veiligheidseisen, genoemd in de punten 2.10, 2.11, 3.4, 5a) en 5d) van bijlage I bij de richtlijn.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op druksystemen, waarin ten minste één drukapparaat als bedoeld in artikel 7 is opgenomen, met uitzondering van het aanbrengen van de CE-markering, bedoeld in artikel 16.
1.
Drukapparatuur, samenstellen of druksystemen met kenmerkende waarden beneden of gelijk aan de grenzen, bedoeld in artikel 7, onderscheidenlijk artikel 8, worden ontworpen en vervaardigd overeenkomstig de gebruiken van goed vakmanschap, om een veilig gebruik te waarborgen.
2.
De drukapparatuur of samenstellen, bedoeld in het eerste lid, gaan vergezeld van een toereikende gebruiksaanwijzing en markeringen, waarmee de fabrikant of diens in de Europese Economische Ruimte gevestigde gemachtigde kan worden geïdentificeerd. Op deze drukapparatuur en samenstellen wordt de CE-markering, bedoeld in artikel 16, niet aangebracht.
3.
De druksystemen, bedoeld in het eerste lid, gaan vergezeld van een toereikende gebruiksaanwijzing en zijn voorzien van markeringen, waarmee de gebruiker onder wiens verantwoordelijkheid het druksysteem is ontworpen en vervaardigd, kan worden geïdentificeerd.
Artikel 10
Drukapparatuur en samenstellen die voldoen aan de door Onze Minister aangewezen geharmoniseerde normen worden in zoverre vermoed te voldoen aan de essentiële veiligheidseisen, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn.
1.
Drukapparatuur als bedoeld in artikel 7 wordt door de fabrikant onderworpen aan een procedure voor de beoordeling van overeenstemming overeenkomstig dit artikel en is voorzien van de CE-markering, bedoeld in artikel 16, en gaat vergezeld van de EG-verklaring van overeenstemming, bedoeld in bijlage VII bij de richtlijn, die de in deze bijlage genoemde gegevens bevat. De kosten van de beoordeling van overeenstemming zijn voor rekening van de fabrikant.
2.
De overeenkomstig bijlage III bij de richtlijn naar keuze van de fabrikant te volgen procedure voor de beoordeling van de overeenstemming van drukapparatuur wordt bepaald door de categorie, bedoeld in artikel 6, waarin het drukapparaat is ingedeeld. De fabrikant kan, voor zover dat mogelijk is, een procedure volgen die bestemd is voor een hogere categorie.
3.
De CE-markering, bedoeld in het eerste lid, wordt, met inachtneming van artikel 16, door de fabrikant uitsluitend aangebracht nadat toepassing is gegeven aan het tweede lid.
4.
Ten aanzien van kwaliteitsborgingsprocedures overeenkomstig bijlage III bij de richtlijn, voor drukapparatuur als bedoeld in artikel 7, onderdeel a, onderdeel b ten eerste, en onderdeel c, en die op grond van artikel 6 is ingedeeld in de categorieën III of IV, neemt de aangewezen aangemelde keuringsinstelling bij een onaangekondigd bezoek een monster van de drukapparatuur uit de fabricage- of opslagplaatsen om de eindcontrole, bedoeld in punt 3.2.2 van bijlage I bij de richtlijn, te verrichten. Daartoe stelt de fabrikant de aangewezen aangemelde keuringsinstelling in kennis van het beoogde productieschema. De aangewezen aangemelde keuringsinstelling legt in het eerste productiejaar ten minste twee bezoeken af. De frequentie van latere bezoeken wordt door de aangewezen aangemelde keuringsinstelling bepaald op basis van de criteria, genoemd in punt 4.4. van de desbetreffende procedures, bedoeld in bijlage III bij de richtlijn.
5.
De fabrikant stelt de aangewezen aangemelde keuringsinstelling in kennis van het beoogde productieschema, indien sprake is van een eenmalige productie van vaten en drukapparatuur als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, en die op grond van artikel 6 zijn ingedeeld in categorie III en die overeenkomstig module H als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn worden geproduceerd en de aangewezen aangemelde keuringsinstelling de eindcontrole, bedoeld in punt 3.2.2 van bijlage I bij de richtlijn, verricht.
6.
De dossiers en de briefwisseling met betrekking tot de procedures voor de beoordeling van de overeenstemming worden gesteld in de Nederlandse taal of in een door de betrokken aangewezen aangemelde keuringsinstelling aanvaarde taal.
1.
Samenstellen als bedoeld in artikel 8, worden door de fabrikant, onderworpen aan een procedure voor de beoordeling van overeenstemming overeenkomstig dit artikel en zijn voorzien van de CE-markering, bedoeld in artikel 16, en gaan vergezeld van de EG-verklaring van overeenstemming, bedoeld in bijlage VII bij de richtlijn, die de in deze bijlage genoemde gegevens bevat.
2.
De overeenkomstig bijlage III bij de richtlijn te volgen procedure voor de beoordeling van de overeenstemming van samenstellen omvat:
a. de beoordeling van de overeenstemming van elk van de drukapparaten, bedoeld in artikel 7, waaruit dat samenstel bestaat wanneer die niet reeds aan een afzonderlijke procedure voor de beoordeling van overeenstemming onderworpen zijn geweest en geen aparte CE-markering hebben gekregen. De procedure voor de beoordeling van de overeenstemming wordt bepaald door de categorie, bedoeld in artikel 6, waarin elk van die drukapparaten is ingedeeld;
b. de beoordeling van de integratie van de verschillende onderdelen van het samenstel overeenkomstig de punten 2.3, 2.8 en 2.9 van bijlage I bij de richtlijn. De procedure voor de beoordeling van de overeenstemming wordt bepaald door de categorie, bedoeld in artikel 6, waarin het drukapparaat met het hoogste risico is ingedeeld, waarbij veiligheidsappendages niet in aanmerking worden genomen, en
c. de beoordeling van de beveiliging van het samenstel tegen overschrijding van de toelaatbare grenzen, bedoeld in de punten 2.10 en 3.2.3 van bijlage I bij de richtlijn. De procedure voor de beoordeling van de overeenstemming wordt bepaald door de categorie, bedoeld in artikel 6, waarin het te beveiligen drukapparaat met het hoogste risico is ingedeeld.
3.
Indien een afzonderlijk samenstel wordt gekoppeld aan een ander samenstel of druksysteem, kan de beoordeling van de overeenstemming ten aanzien van de integratie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en de beveiliging, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, worden betrokken op het desbetreffende afzonderlijke samenstel.
4.
De CE-markering, bedoeld in het eerste lid, wordt, met inachtneming van artikel 16, door de fabrikant uitsluitend aangebracht nadat toepassing is gegeven aan het tweede lid.
5.
Artikel 11, zesde lid, is van toepassing.
1.
Druksystemen als bedoeld in artikel 8, derde lid, worden, alvorens zij in gebruik worden genomen, onderworpen aan een procedure voor de beoordeling van overeenstemming overeenkomstig dit artikel en gaan vergezeld van een verklaring van overeenstemming. Op deze verklaring is bijlage VII bij de richtlijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Voor de beoordeling van overeenstemming van druksystemen is artikel 12, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. Voor de in bijlage III bij de richtlijn vermelde begrippen «fabrikant of zijn de in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde» onderscheidenlijk «fabrikant» wordt gelezen: gebruiker, voor «EG-typeonderzoek» wordt gelezen: typeonderzoek, voor «EG-ontwerponderzoek» wordt gelezen: ontwerponderzoek, voor« aangemelde instantie» wordt gelezen: aangewezen keuringsinstelling of aangewezen keuringsdienst van gebruikers, voor «EG-verklaring van overeenstemming» wordt gelezen: verklaring van overeenstemming en voor «drukapparatuur» wordt gelezen: druksysteem.
3.
Met de onderzoeken in het kader van de beoordeling van overeenstemming, bedoeld in de artikelen 11 en 12, wordt bij de toepassing van het tweede lid rekening gehouden.
4.
Artikel 11, zesde lid, is van toepassing.
1.
Bij ministeriële regeling wordt drukapparatuur aangewezen die overeenkomstig dit artikel wordt gekeurd.
2.
De drukapparatuur, bedoeld in het eerste lid, wordt, wanneer die wordt opgesteld en geïnstalleerd, gekeurd voor de eerste ingebruikneming alsmede na elke montage op een nieuwe plaats van opstelling en gaat vergezeld van een verklaring van ingebruikneming. De kosten van de keuring zijn voor rekening van de gebruiker, bedoeld in het vierde lid.
3.
De verklaring van ingebruikneming, bedoeld in het tweede lid, wordt onder overlegging van de gegevens en bescheiden, vermeld in het vierde lid, schriftelijk aangevraagd bij een aangewezen keuringsinstelling of een aangewezen keuringsdienst van gebruikers.
4.
De aanvraag, bedoeld in het derde lid, omvat, voorzover van toepassing:
a. naam en adres van de gebruiker en de plaats waar de drukapparatuur staat opgesteld;
b. de gebruiksaanwijzing, bedoeld in bijlage I, punt 3.4, bij de richtlijn, met inbegrip van de EG-verklaring van overeenstemming of de verklaring van overeenstemming en het aantekenblad, bedoeld in artikel 12e, eerste lid;
c. het vervaardigingsbewijs en het rapport, bedoeld in artikel 39, vierde lid.
5.
De bescheiden, bedoeld in het vierde lid, onder b en c, kunnen met instemming van de instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, in afwijking van het derde lid, beschikbaar worden gehouden op het moment van de keuring.
6.
De instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, die de keuring, bedoeld in het tweede lid, uitvoert, verricht, voorzover van toepassing, de volgende onderzoeken:
a. de verificatie van de drukapparatuur aan de hand van de gebruiksaanwijzing en markeringen;
b. de controle van de uitwendige toestand van de drukapparatuur;
c. de controle van de werking van de veiligheidsappendages en onder druk staande appendages;
d. de controle van de opstelling van de drukapparatuur.
7.
Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van de onderzoeken, bedoeld in het zesde lid, nadere regels worden gesteld.
8.
Bij de toepassing van het tweede en zesde lid wordt rekening gehouden met de onderzoeken in het kader van de beoordeling van overeenstemming, bedoeld in de artikelen 11, 12 en 12a.
9.
Indien een afzonderlijk drukvat of afzonderlijke installatieleiding met inbegrip van de daarbij behorende veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, wordt gekoppeld aan een bestaand drukvat of bestaande installatieleiding, kan de keuring voor ingebruikneming, bedoeld in het tweede lid, worden betrokken op het afzonderlijk drukvat of de afzonderlijke installatieleiding, met inbegrip van de daarbij behorende veiligheidsappendages en onder druk staande appendages.
10.
De instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, stelt een rapport op van de keuring, bedoeld in het tweede lid en stelt een exemplaar van dit rapport beschikbaar aan de gebruiker. In dit rapport kunnen voorwaarden worden gesteld waaraan wordt voldaan alvorens een verklaring van ingebruikneming wordt afgegeven.
11.
Door de instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring van ingebruikneming afgegeven indien is gebleken dat tegen het in gebruik nemen van de drukapparatuur, bedoeld in het tweede lid, geen bezwaar bestaat.
In deze verklaring:
a. wordt de termijn vermeld waarbinnen de drukapparatuur uiterlijk aan een herkeuring als bedoeld in artikel 12c wordt onderworpen;
b. kunnen gebruiksvoorwaarden worden gesteld.
12.
Door de instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, kan een voorlopige verklaring van ingebruikneming worden afgegeven, wanneer ten aanzien van de drukapparatuur, bedoeld in het tweede lid, nog niet aan alle verplichtingen ingevolge dit artikel is voldaan, doch hiervan vooralsnog geen extra gevaar is te duchten.
13.
Een voorlopige verklaring van ingebruikneming als bedoeld in het twaalfde lid wordt slechts verleend voor beperkte duur.
14.
Een voorlopige verklaring van ingebruikneming als bedoeld in het twaalfde lid vervalt indien binnen een in deze verklaring gestelde termijn de door de betrokken instelling of dienst nodig geachte en nader omschreven voorzieningen niet zijn getroffen.
15.
De verklaring van ingebruikneming en de voorlopige verklaring van ingebruikneming kunnen betrekking hebben op één of meer drukapparaten.
16.
De gebruiker draagt er zorg voor dat de keuring, bedoeld in het tweede lid, veilig kan worden uitgevoerd.
17.
Dit artikel is niet van toepassing indien een verklaring als bedoeld in artikel 12d, tweede lid, is afgegeven, tot het tijdstip waarop de betreffende apparatuur na montage wordt opgesteld en geïnstalleerd op een nieuwe plaats van opstelling.
1.
Bij ministeriële regeling wordt in verband met de veiligheid en gezondheid van personen en het milieu drukapparatuur aangewezen die overeenkomstig dit artikel wordt herkeurd.
2.
De drukapparatuur, bedoeld in het eerste lid, wordt herkeurd en gaat vergezeld van een verklaring van herkeuring. De kosten van de herkeuring zijn voor rekening van de gebruiker, bedoeld in het vierde lid.
3.
De verklaring van herkeuring, bedoeld in het tweede lid, wordt, met inachtneming van de termijn, bedoeld in artikel 12b, elfde lid, onder a, onderscheidenlijk de termijn, bedoeld in het negende lid, onder a, onder overlegging van de gegevens en bescheiden, vermeld in het vierde lid, schriftelijk aangevraagd bij een aangewezen keuringsinstelling of een aangewezen keuringsdienst van gebruikers.
4.
De aanvraag, bedoeld in het derde lid, omvat, voorzover van toepassing:
a. naam en adres van de gebruiker en de plaats waar de drukapparatuur staat opgesteld;
b. de verklaring van ingebruikneming, de verklaring van intredekeuring en ingebruikneming en de verklaring van herkeuring, afgegeven na een voorgaande herkeuring, met inbegrip van de bij de keuringen behorende rapporten, en het aantekenblad, bedoeld in artikel 12e, eerste lid.
c. de documentatie van de apparatuur die is afgegeven tot 29 mei 2002 op grond van de wettelijke voorschriften die van toepassing waren vóór 29 november 1999;
d. naar het oordeel van de instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, aanvullende documentatie.
5.
Artikel 12b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.
De instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, die de herkeuring, bedoeld in het tweede lid, uitvoert, verricht, voorzover van toepassing, de volgende onderzoeken:
a. de controle van de inwendige toestand van drukapparatuur door een inwendig onderzoek of ander passend onderzoek gericht op de inwendige toestand;
b. de controle van de uitwendige toestand van de drukapparatuur.
7.
Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van de onderzoeken, bedoeld in het zesde lid, nadere regels worden gesteld.
8.
De instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, stelt een rapport op van de herkeuring, bedoeld in het tweede lid, en stelt een exemplaar van dit rapport beschikbaar aan de gebruiker. In dit rapport kunnen voorwaarden worden gesteld waaraan wordt voldaan alvorens een verklaring van herkeuring wordt afgegeven.
9.
Door de instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring van herkeuring afgegeven indien is gebleken dat tegen het verdere gebruik van de drukapparatuur voor de geldende termijn geen bezwaar bestaat.
In deze verklaring:
a. wordt de geldigheidstermijn vermeld;
b. kunnen gebruiksvoorwaarden worden gesteld.
10.
De verklaring van herkeuring kan betrekking hebben op één of meer drukapparaten.
11.
De gebruiker draagt er zorg voor dat de herkeuring, bedoeld in het tweede lid, veilig kan worden uitgevoerd.
12.
Bij Ministeriële regeling kunnen met betrekking tot bepaalde drukapparatuur als bedoeld in het eerste lid regels worden gesteld die afwijken of strekken ter aanvulling van dit artikel of onderdelen daarvan.
1.
Dit artikel is van toepassing op drukapparatuur die:
a. voor 29 mei 2002 is vervaardigd overeenkomstig de wettelijke voorschriften van een staat, niet zijnde Nederland, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of
b. op of na 29 mei 2002 is vervaardigd overeenkomstig de wettelijke voorschriften van een staat, die is toegetreden tot de Europese Unie op of na 29 mei 2002, mits de vervaardiging is geschied voor de datum van toetreding van de desbetreffende staat,
en die niet voor de onder a en b genoemde data in overeenstemming is gebracht met de richtlijn, en die op grond van artikel 12c, eerste lid, is aangewezen.
2.
Alvorens de drukapparatuur, bedoeld in het eerste lid, in gebruik wordt genomen, wordt zij aan een intredekeuring onderworpen en gaat vergezeld van een verklaring van intredekeuring en ingebruikneming. De kosten van de intredekeuring zijn voor rekening van de gebruiker, bedoeld in het vierde lid.
3.
De verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt, onder overlegging van de gegevens en bescheiden, vermeld in het vierde lid, schriftelijk door de gebruiker aangevraagd bij een aangewezen keuringsinstelling of een aangewezen keuringsdienst van gebruikers.
4.
De aanvraag, bedoeld in het derde lid, omvat voorzover van toepassing:
a. naam en adres van de gebruiker en het adres van de plaats van opstelling van de drukapparatuur;
b. de documenten omtrent het ontwerp, de vervaardiging en het toegestane gebruik van de drukapparatuur;
c. de afgegeven verklaringen met bijbehorende rapporten met betrekking tot de drukapparatuur van keuringsinstellingen.
5.
Artikel 12b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6.
De instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, die de keuring uitvoert, verricht, voorzover van toepassing, de volgende onderzoeken:
a. een beoordeling van het ontwerp naar het beoogde gebruiksdoel van de drukapparatuur;
b. een beoordeling van de documenten die betrekking hebben op de vervaardiging van de drukapparatuur;
c. een beoordeling van de integratie en beveiliging van de drukapparatuur;
d. de onderzoeken, bedoeld in artikel 12b, zesde lid;
e. de onderzoeken, bedoeld in artikel 12c, zesde lid.
7.
Met een goedkeuring van een beoordeling als bedoeld in het zesde lid, onder a en b, wordt gelijkgesteld een bewijs van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke instelling in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welk bewijs is afgegeven op basis van onderzoeken die aan ten minste gelijkwaardige eisen voldoen.
8.
Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van de onderzoeken, bedoeld in het zesde lid, onder a en b, nadere regels worden gesteld.
9.
De instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, stelt een rapport op van de intredekeuring, bedoeld in het tweede lid, en stelt een exemplaar van dit rapport beschikbaar aan de gebruiker. In dit rapport kunnen voorwaarden worden gesteld waaraan wordt voldaan alvorens een verklaring van intredekeuring en ingebruikneming wordt afgegeven.
10.
Door de instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid afgegeven, indien is gebleken dat tegen het in gebruik nemen van de drukapparatuur, bedoeld in het eerste lid, geen bezwaar bestaat.
In deze verklaring:
a. wordt de termijn vermeld waarbinnen de drukapparatuur uiterlijk aan een herkeuring als bedoeld in artikel 12c wordt onderworpen;
b. kunnen gebruiksvoorwaarden worden gesteld.
11.
De verklaring, bedoeld in het tweede lid, kan betrekking hebben op één of meer drukapparaten.
12.
De gebruiker draagt er zorg voor dat de keuring, bedoeld in het tweede lid, veilig kan worden uitgevoerd.
1.
De verklaring van ingebruikneming, bedoeld in artikel 12b, tweede lid, en de verklaring van intredekeuring en ingebruikneming, bedoeld in artikel 12d, tweede lid, gaan vergezeld van een aantekenblad.
2.
Op een aantekenblad worden de bevindingen van elke verrichting aan de drukapparatuur vermeld, met, indien van toepassing, verwijzing naar verklaringen en bijbehorende rapporten, totdat de drukapparatuur is afgekeurd hetzij onklaar is gemaakt hetzij anderszins kennelijk niet meer voor gebruik is bestemd.
3.
Uitsluitend de betrokken aangewezen keuringsinstelling of de aangewezen keuringsdienst van gebruikers is bevoegd op het aantekenblad aantekeningen te maken.
1.
Gedurende tien jaar na de vervaardiging van drukapparatuur of samenstellen of indien deze in een serie zijn vervaardigd, na de vervaardiging van de laatste drukapparatuur of samenstellen, bewaart de fabrikant overeenkomstig bijlage III bij de richtlijn, voor zover van toepassing, de technische documentatie, een afschrift van de EG-verklaring van overeenstemming, een afschrift van de verklaring van EG-typeonderzoek of EG-ontwerponderzoek inclusief de aanvullingen daarop, alsmede de gegevens, bedoeld in punt 5 van module D, onderscheidenlijk punt 6 van module D1, onderscheidenlijk punt 5 van module E, onderscheidenlijk punt 6 van module E1, onderscheidenlijk punt 5 van module H van bijlage III bij de richtlijn.
2.
Indien de fabrikant niet in de Europese Economische Ruimte is gevestigd is het eerste lid van toepassing op degene die de drukapparatuur of samenstellen in de Europese Economische Ruimte in de handel brengt.
3.
Zolang het druksysteem, bedoeld in artikel 8, derde lid, in werking is of in werking kan worden gesteld, bewaart de gebruiker, voor zover van toepassing, de technische documentatie, de verklaring van overeenstemming, de verklaring van typeonderzoek of ontwerponderzoek inclusief de aanvullingen daarop, alsmede de overeenkomstige gegevens als bedoeld in punt 5 van module D, onderscheidenlijk punt 6 van module D1, onderscheidenlijk punt 5 van module E, onderscheidenlijk punt 6 van module E1, onderscheidenlijk punt 5 van module H van bijlage III bij de richtlijn.
4.
Zolang de drukapparatuur, samenstellen of druksystemen in werking zijn of in werking kunnen worden gesteld bewaart de gebruiker, voor zover van toepassing, de EG-verklaring van overeenstemming, de gebruiksaanwijzing, bedoeld in bijlage I, punt 3.4, bij de richtlijn, de verklaring van ingebruikneming, bedoeld in artikel 12b, tweede lid, de voorlopige verklaring van ingebruikneming, bedoeld in artikel 12b, twaalfde lid, de verklaringen van herkeuring, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, het aantekenblad, bedoeld in artikel 12e, eerste lid, de verklaring van intredekeuring en ingebruikneming, bedoeld in artikel 12d, tweede lid, het vervaardigingsbewijs, bedoeld in artikel 39, vierde lid en de bij beoordelingen en keuringen behorende rapporten.
1.
Van voorgenomen wijzigingen in drukapparatuur of samenstellen of het type hiervan waarvoor een verklaring van EG-typeonderzoek of EG-ontwerponderzoek is afgegeven of van voorgenomen wijzigingen in een kwaliteitssysteem waarvoor een goedkeuring is verleend overeenkomstig bijlage III bij de richtlijn, wordt de aangewezen aangemelde keuringsinstelling die in het bezit is van de technische documentatie van de drukapparatuur of samenstellen, onverwijld in kennis gesteld.
2.
De keuringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, beoordeelt de wijzigingen en deelt schriftelijk mee of de verklaring van EG-typeonderzoek of EG-ontwerponderzoek onderscheidenlijk het goedgekeurde kwaliteitssysteem voor de te wijzigen drukapparatuur of samenstellen of het te wijzigen type hiervan geldig is of aanvullingen behoeft dan wel dat het kwaliteitssysteem opnieuw moet worden beoordeeld.
3.
Indien de keuringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de wijzigingen van invloed kunnen zijn op de overeenstemming met de in bijlage I bij de richtlijn opgenomen essentiële veiligheidseisen, wordt de gewijzigde drukapparatuur of samenstellen of het gewijzigde type hiervan aan een aanvullend EG-typeonderzoek of EG-ontwerponderzoek, onderscheidenlijk wordt het kwaliteitssysteem aan een aanvullende beoordeling, bedoeld in bijlage III bij de richtlijn, onderworpen. Bij goedkeuring van het EG-typeonderzoek of het EG-ontwerponderzoek wordt een aanvulling op de oorspronkelijke verklaring afgegeven. Een aanvullende beoordeling van het gewijzigde kwaliteitssysteem wordt vastgelegd in een rapport. Bij goedkeuring van het gewijzigde kwaliteitssysteem wordt een aanvulling op de oorspronkelijke goedkeuring afgegeven. De kosten van het aanvullend EG-type-onderzoek, het aanvullend EG-ontwerponderzoek en de aanvullende beoordeling zijn voor rekening van de fabrikant.
4.
Dit artikel is, met inachtneming van artikel 12a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op druksystemen.
1.
Op voorgenomen wijzigingen of reparaties, met uitzondering van het reguliere technische onderhoud, aan drukapparatuur, bedoeld in artikel 12c, eerste lid, is bijlage I, met uitzondering van punt 3.3, bij de richtlijn van overeenkomstige toepassing, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de wijzigingen en reparaties worden uitgevoerd.
3.
Van voorgenomen wijzigingen of reparaties aan drukapparatuur, bedoeld in het eerste lid, wordt een aangewezen keuringsinstelling of een aangewezen keuringsdienst van gebruikers door de gebruiker onverwijld in kennis gesteld.
4.
De instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, verricht de noodzakelijke onderzoeken aan het ontwerp en de constructie van de voorgenomen wijziging of reparatie waarbij, voorzover van toepassing, rekening wordt gehouden met eerder uitgevoerd onderzoek en verricht tijdens de uitvoering van de wijziging of reparatie passende onderzoeken en proeven. De kosten van de onderzoeken en proeven zijn voor rekening van de gebruiker, bedoeld in het derde lid.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van de onderzoeken en proeven, bedoeld in het vierde lid, nadere regels worden gesteld.
6.
Indien de wijzigingen of reparaties aan de drukapparatuur, bedoeld in het eerste lid, van invloed zijn op de wijze van gebruik, de uitrusting of de opstelling, beoordeelt de instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, de integratie en beveiliging.
7.
Met betrekking tot de gewijzigde of gerepareerde apparatuur worden door de instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, zo nodig, de onderzoeken, bedoeld in artikel 12b, zesde lid, uitgevoerd.
8.
Met betrekking tot voorgenomen wijzigingen aan drukapparatuur dat in gebruik is en voor de voorgenomen wijziging niet valt onder de drukapparatuur, bedoeld in artikel 12c, eerste lid, maar na de voorgenomen wijziging daar wel onder valt, is het eerste tot en met het zevende lid van overeenkomstige toepassing, alsmede worden door de dienst of instelling, bedoeld in het derde lid, zo nodig, de volgende onderzoeken uitgevoerd:
a. een beoordeling van het ontwerp naar het beoogde gebruiksdoel van de drukapparatuur;
b. een beoordeling van de documenten die betrekking hebben op de vervaardiging van de drukapparatuur;
c. de onderzoeken met betrekking tot de toestand als bedoeld in artikel 12c, zesde lid;
d. een beoordeling van de integratie en beveiliging van de drukapparatuur.
9.
De instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, stelt een rapport op van de beoordelingen, bedoeld in het vierde en zesde lid, van het toezicht, bedoeld in het vierde en vijfde lid, en van de onderzoeken, bedoeld in het zevende en achtste lid, en stelt een exemplaar van dit rapport beschikbaar aan de gebruiker.
10.
Indien is gebleken dat tegen het verder gebruik van de drukapparatuur geen bezwaar bestaat, wordt door de instelling of dienst, bedoeld in het derde lid, voorzover van toepassing,
a. een aanvulling op de verklaring van ingebruikneming of de verklaring van intredekeuring en ingebruikneming gegeven, of
b. een verklaring van ingebruikneming afgegeven indien het achtste lid van toepassing is.
1.
De CE-markering bestaat uit de letters CE overeenkomstig het model in bijlage VI bij de richtlijn, gevolgd door het identificatienummer van de aangewezen aangemelde keuringsinstelling die betrokken is geweest bij de produktiecontrolefase.
2.
De CE-markering en de gegevens, bedoeld in punt 3.3 van bijlage I bij de richtlijn, wordt overeenkomstig dit punt zichtbaar, goed leesbaar en onuitwisbaar aangebracht op drukapparatuur of samenstellen als bedoeld in artikel 7, onderscheidenlijk artikel 8, wanneer deze zijn voltooid, of zich in een staat bevinden die het mogelijk maakt de eindcontrole, bedoeld in punt 3.2 van bijlage I bij de richtlijn, te verrichten.
3.
Op elk van de afzonderlijke drukapparaten waaruit een samenstel bestaat behoeft niet een CE-markering te worden aangebracht. De afzonderlijke drukapparaten die reeds een CE-markering hebben wanneer zij in het samenstel worden opgenomen, behouden die markering.
4.
Op drukapparatuur en samenstellen worden geen markeringen aangebracht die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of grafische vorm van de CE-markering. Andere markeringen mogen worden aangebracht op voorwaarde dat de zichtbaarheid en leesbaarheid van de CE-markering er niet door worden verminderd.
1.
Drukapparatuur en samenstellen die zijn voorzien van de CE-markering en vergezeld gaan van de EG-verklaring van overeenstemming worden vermoed te voldoen aan dit besluit, voor zover de voorschriften betrekking hebben op het ontwerp, de fabricage en de beoordeling van de overeenstemming.
2.
Druksystemen die vergezeld gaan van de verklaring van overeenstemming worden vermoed te voldoen aan dit besluit, voor zover de voorschriften betrekking hebben op het ontwerp, de fabricage en de beoordeling van de overeenstemming.
1.
De Europese materiaalgoedkeuring wordt op verzoek van één of meer materiaal- of drukapparatuurfabrikanten verleend door een hiertoe aangewezen aangemelde keuringsinstelling. De kosten van de materiaalgoedkeuring zijn voor rekening van de betrokken fabrikant of fabrikanten.
2.
De voor de fabricage van drukapparatuur gebruikte materialen die voldoen aan de Europese materiaalgoedkeuringen waarvan de referenties door de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, worden geacht te voldoen aan de daarop van toepassing zijnde essentiële veiligheidseisen, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn.
Artikel 18a. Inhoud verklaringen en goedkeuringen
Met uitzondering van de verklaring van EG-typeonderzoek, de verklaring van EG-ontwerponderzoek, de EG-verklaring van overeenstemming en de goedkeuring van het kwaliteitssysteem als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn, kunnen bij ministeriële regeling ten aanzien van de inhoud en geldigheidsduur van verklaringen en goedkeuringen nadere regels worden gesteld.
1.
De aangewezen aangemelde keuringsinstelling of aangewezen keuringsinstelling trekt een door haar afgegeven verklaring van EG-typeonderzoek, onderscheidenlijk typeonderzoek of EG-ontwerponderzoek, onderscheidenlijk ontwerponderzoek of een verleende goedkeuring van het kwaliteitssysteem als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn, onderscheidenlijk artikel 12a, tweede lid, in, indien de essentiële veiligheidseisen of de voorgeschreven gebruiksomstandigheden, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn, zodanig zijn gewijzigd dat het type, het ontwerp of het kwaliteitssysteem niet meer voldoet aan de gewijzigde eisen op het tijdstip waarop deze volgens de richtlijn van toepassing zijn.
2.
De aangewezen aangemelde keuringsinstelling trekt een door haar verleende Europese materiaalgoedkeuring in, indien naar haar oordeel deze goedkeuring niet verleend had mogen worden of indien de materiaalsoort onder een geharmoniseerde norm valt.
3.
Een aangewezen keuringsinstelling of aangewezen keuringsdienst van gebruikers trekt een door haar afgegeven verklaring van ingebruikneming, een verklaring van herkeuring, of een verklaring van intredekeuring en ingebruikneming in, indien de drukapparatuur niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 12b, onderscheidenlijk artikel 12c, onderscheidenlijk artikel 12d.
1.
Als aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling of aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling kan worden aangewezen de instelling die:
a. rechtspersoonlijkheid heeft;
b. onafhankelijk is;
c. beschikt over de deskundigheid en outillage die nodig zijn om de uitvoering van de taken waarvoor zij aangewezen wil worden, naar behoren te kunnen vervullen;
d. beschikt over een registratiesysteem waarin de gegevens die samenhangen met en betrekking hebben op de uitvoering van de taken waarvoor zij aangewezen wil worden, naar behoren vastgelegd kunnen worden. Aan de hand van deze gegevens zijn de gekeurde drukapparatuur, samenstellen en druksystemen, alsmede de onderzochte kwaliteitssystemen afdoende te identificeren;
e. verzekerd is tegen wettelijke aansprakelijkheid voor de risico’s die voortvloeien uit de uitoefening van de taken waarvoor zij aangewezen wil worden;
f. een overeenkomst heeft gesloten met de in voorkomend geval aanwezige beheerstichting die de krachtens dit besluit geregelde certificatieschema’s beheert; en
g. naar behoren functioneert.
2.
Als aangewezen keuringsdienst van gebruikers of als aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers kan worden aangewezen een keuringsdienst die voldoet aan de voorschriften, genoemd in het eerste lid onder b tot en met h.
3.
In aanvulling op het eerste lid komen voor een aanwijzing als aangewezen aangemelde keuringsinstelling of als aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling slechts in aanmerking instellingen die ten minste voldoen aan de in bijlage IV van de richtlijn neergelegde voorwaarden.
4.
In aanvulling op het tweede lid komen voor een aanwijzing als aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers slechts in aanmerking keuringsdiensten die ten minste voldoen aan de in bijlage V van de richtlijn neergelegde voorwaarden en handelen overeenkomstig het gemeenschappelijk veiligheidsbeleid van de groep waartoe zij behoren.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
6.
Een keuringsdienst van gebruikers die deel uitmaakt van een mijnbouwonderneming wordt aangewezen door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
1.
Een aangewezen aangemelde keuringsinstelling is belast met de volgende taken, voorzover hiervoor aangewezen:
a. de toepassing van de procedures voor de beoordeling van de overeenstemming, bedoeld in de artikelen 11 en 12;
b. de Europese materiaalgoedkeuring, bedoeld in artikel 18;
c. de beoordelingen en de onderzoeken, bedoeld in artikel 14.
2.
Een aangewezen keuringsinstelling is belast met de volgende taken, voorzover hiervoor aangewezen:
a. de toepassing van de procedures voor de beoordeling van de overeenstemming, bedoeld in artikel 12a;
b. de keuring voor ingebruikneming, bedoeld in artikel 12b;
c. de herkeuring, bedoeld in artikel 12c;
d. de intredekeuring, bedoeld in artikel 12d;
e. de beoordelingen en de onderzoeken, bedoeld in artikel 14, voorzover deze betrekking hebben op druksystemen;
f. de beoordelingen en de onderzoeken, bedoeld in artikel 14a.
Artikel 21. Onafhankelijke instellingen
Een aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling is belast met de taken, bedoeld in de punten 3.1.2 en 3.1.3 van bijlage I bij de richtlijn.
1.
Een aangewezen keuringsdienst van gebruikers en een aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers werkt uitsluitend voor de groep waarvan hij deel uitmaakt, welke groep een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid hanteert ten aanzien van de technische specificaties voor ontwerp, fabricage, controle, onderhoud en gebruik van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen.
2.
Een aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers is belast met de toepassing van de procedures voor de beoordeling van de overeenstemming, bedoeld in de artikelen 11 en 12, en hanteert hierbij de modules A1, C1, F of G, bedoeld in bijlage III bij de richtlijn,
3.
Een aangewezen keuringsdienst van gebruikers is belast met de volgende taken voorzover hiervoor aangewezen:
a. de toepassing van de procedures voor de beoordeling van de overeenstemming, bedoeld in artikel 12a, en hanteert hierbij de modules A1, C1, F of G, bedoeld in bijlage III bij de richtlijn,
b. de keuring voor ingebruikneming, bedoeld in artikel 12b;
c. de herkeuring, bedoeld in artikel 12c;
d. de intredekeuring, bedoeld in artikel 12d;
e. de beoordelingen en de onderzoeken, bedoeld in artikel 14, voorzover deze betrekking hebben op druksystemen;
f. de beoordelingen en de onderzoeken, bedoeld in artikel 14a.
4.
Drukapparatuur en samenstellen waarvan de overeenstemming is beoordeeld door een aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers en druksystemen waarvan de overeenstemming is beoordeeld door een aangewezen keuringsdienst van gebruikers, dragen geen CE-markering en worden uitsluitend gebruikt in vestigingen die behoren tot de groep waarvan de betreffende keuringsdienst deel uitmaakt.
1.
De instelling of dienst, bedoeld in artikel 19a, dient de aanvraag tot aanwijzing in bij Onze Minister.
2.
De instelling of dienst doet de aanvraag vergezellen van een beoordeling door de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht, waaruit blijkt dat zij voldoet aan de criteria, genoemd in artikel 19a, eerste lid dan wel tweede lid, en, in geval van artikel 19a, derde lid dan wel vierde lid, van een bewijs dat is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in dat lid.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de indiening van de aanvraag, de beoordeling, het bewijs, bedoeld in het tweede lid, en de afhandeling van evenbedoelde aanvraag.
4.
De kosten van de beoordeling en het bewijs, bedoeld in het tweede lid, zijn voor rekening van de aanvragende instelling of dienst.
1.
Een aanwijzing als aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers en aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers wordt geweigerd, indien:
a. de aanvragende instelling of dienst niet heeft voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 19a of 22a; of
b. ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag, sprake was van een weigering om de aanvragende instelling of dienst aan te wijzen als aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers of aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers dan wel van een intrekking van een aanwijzing en de weigering of intrekking is geschied op grond van aan de aanvragende instelling of dienst toe te rekenen feiten of omstandigheden.
2.
De aanvraag wordt in het geval, genoemd in het eerste lid, onder b, eerst in behandeling genomen nadat twaalf maanden, te rekenen vanaf de dag direct na de datum van de weigering respectievelijk van de intrekking, zijn verstreken.
3.
Een aanwijzing kan worden geschorst, ten nadele van de aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers of aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers worden gewijzigd of ingetrokken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de aanwijzing redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan hij de aanwijzing niet of alleen met voorschriften, bedoeld in artikel 7a, vierde lid, van de wet zou hebben gegeven;
b. op grond van door de aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers of aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan aan de instelling of dienst bekend was of kon zijn;
c. indien de aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers of aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers niet meer voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 19a;
d. indien de aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers of aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers gedurende een aaneengesloten periode van twee jaren geen werkzaamheden waarvoor zij is aangewezen, heeft uitgevoerd; of
e. indien de aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers of aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers haar wettelijke verplichtingen niet meer naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is aangewezen, niet meer naar behoren uitvoert.
1.
Tijdens de looptijd van de aanwijzing stelt Onze Minister periodiek vast of de instelling of dienst:
a. nog voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 19a; en
b. haar wettelijke verplichtingen naar behoren nakomt en de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren uitvoert.
2.
Ten behoeve van de periodieke vaststelling laat Onze Minister de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht een beoordeling ter zake doen.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de periodieke vaststelling en de beoordeling.
4.
De kosten van de beoordeling zijn voor rekening van de aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers of aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers.
1.
De aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers en aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers verstrekken de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht desgevraagd kosteloos alle informatie die deze nodig heeft bij de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens artikel 22c.
2.
Bij ministeriele regeling worden nadere regels gesteld betreffende het kosteloos verstrekken van gegevens en inlichtingen door een aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers en aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers aan Onze Minister of de toezichthouder respectievelijk door Onze Minister of de toezichthouder aan de in het eerste lid genoemde Stichting Raad voor Accreditatie of een aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers en aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taken.
1.
Een inspectieafdeling van de gebruiker werkt uitsluitend voor de groep waarvan de inspectieafdeling deel uitmaakt. Deze groep hanteert een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid ten aanzien van de technische specificaties voor ontwerp, fabricage, levering, installatie, gebruik, controle en onderhoud van drukapparatuur.
2.
Onze Minister kan op verzoek ten aanzien van een inspectieafdeling van de gebruiker bepalen dat het eerste lid, eerste zin, niet van toepassing is.
3.
De inspectieafdeling van de gebruiker heeft een identificeerbare structuur en binnen de organisatie waar de inspectieafdeling deel van is, rapportagelijnen die haar onpartijdigheid waarborgen. De inspectieafdeling van de gebruiker en haar personeel mogen niet verantwoordelijk zijn voor ontwerp, fabricage, levering, installatie, gebruik, controle en onderhoud van drukapparatuur en geen activiteiten uitoefenen die strijdig zijn met de onafhankelijkheid van hun oordeel en met hun integriteit met betrekking tot hun inspectieactiviteiten.
4.
Een inspectieafdeling van de gebruiker hanteert een gecertificeerd kwaliteitsmanagement-systeem voor de uitoefening van haar taken.
5.
Een inspectieafdeling van de gebruiker is bevoegd tot het uitoefenen, onder toezicht van een aangewezen keuringsinstelling, van de volgende taken voor zover hiervoor gecertificeerd:
a. het verrichten van onderzoeken in het kader van herkeuringen als bedoeld in artikel 12c, zesde lid;
b. het verrichten van onderzoeken in het kader van voorgenomen reparaties en constructieve wijzigingen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid.
6.
De aangewezen keuringsinstelling stelt met gebruikmaking van een rapport van de inspectieafdeling van de gebruiker, de verklaring van herkeuring, bedoeld in artikel 12c, negende lid, onderscheidenlijk de aanvulling op de verklaring van in gebruikneming, de verklaring van intredekeuring of de verklaring van ingebruikneming, bedoeld in artikel 14a, tiende lid, op met betrekking tot de door de inspectieafdeling van de gebruiker verrichte inspecties, voor zover hiervoor gecertificeerd.
Artikel 23
Drukapparatuur, samenstellen en druksystemen gaan vergezeld van een gebruiksaanwijzing, bestemd voor de gebruiker, met alle voor de veiligheid van belang zijnde informatie als bedoeld in punt 3.4 van bijlage I bij de richtlijn.
1.
De opstelling van een drukapparaat of samenstel voorzien van een CE-markering en een druksysteem moet zodanig zijn dat het toegankelijk en bereikbaar is voor het gebruik en het uitvoeren van onderhoud, onderzoek, inspectie, reparatie en keuringen. Zij zijn voorzien van een zodanige ondersteuning dat de veiligheid niet in gevaar wordt gebracht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van het eerste lid nadere regels worden gesteld.
1.
Degene die drukapparatuur, samenstellen of druksystemen voorhanden heeft, aflevert, tentoonstelt of gebruikt zorgt ervoor dat die in goede staat van onderhoud verkeren.
2.
Degene die drukapparatuur, samenstellen of druksystemen gebruikt of doet gebruiken, zorgt ervoor dat die drukapparatuur, samenstellen of druksystemen overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover drukapparatuur, samenstellen of druksystemen hetzij zijn afgekeurd hetzij onklaar zijn gemaakt hetzij anderszins kennelijk niet meer voor gebruik zijn bestemd.
Artikel 25
Artikel 4, eerste tot en met derde lid, is niet van toepassing op het tentoonstellen en demonstreren op (jaar-)beurzen, exposities en bij demonstraties van drukapparatuur, samenstellen of druksystemen die niet in overeenstemming zijn met dit besluit, mits op een zichtbaar bord duidelijk is aangegeven dat zij niet in overeenstemming zijn met dit besluit en niet te koop zijn voordat zij door de fabrikant of zijn in de Europese Economische Ruimte gevestigde gemachtigde in overeenstemming zijn gebracht met dit besluit. Bij demonstraties worden alle nodige veiligheidsmaatregelen genomen om de bescherming van de mens te waarborgen.
Artikel 29
De informatie, bedoeld in de punten 3.3 en 3.4 van bijlage I bij de richtlijn, wordt verstrekt in de Nederlandse taal indien de drukapparatuur of samenstellen ter beschikking worden gesteld aan de eindgebruiker in Nederland.
1.
Dit besluit is, wat de eisen ten aanzien van de vervaardiging betreft, niet van toepassing op drukapparatuur en samenstellen die voldoen aan de wettelijke voorschriften ten aanzien van de vervaardiging zoals die luidden op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit en voor 29 mei 2002 in de handel zijn gebracht en voor of na deze laatste datum in bedrijf zijn of worden gesteld voorzover zij niet alsnog in overeenstemming zijn gebracht met dit besluit met betrekking tot de eisen ten aanzien van de vervaardiging.
2.
Met betrekking tot drukapparatuur en samenstellen als bedoeld in het eerste lid waarop dit besluit niet wordt toegepast en waarop ingevolge één of meer andere wettelijke regelingen de CE-markering wordt aangebracht, worden op de bij die drukapparatuur en samenstellen gevoegde documenten, handleidingen of gebruiksaanwijzingen de in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte referenties van de aan die wettelijke regelingen ten grondslag liggende richtlijnen vermeld.
3.
Artikel 12a is niet van toepassing op druksystemen die voldoen aan de wettelijke voorschriften ten aanzien van vervaardiging zoals die luidden op de dag voor de inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van het Besluit drukapparatuur houdende regels inzake de samenbouw van druksystemen en de ingebruikneming van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen en tot wijziging van enige andere besluiten (Stb. 2001, 339) en voor 29 mei 2002 in bedrijf zijn gesteld voorzover zij niet alsnog in overeenstemming zijn gebracht met artikel 12a.
4.
Van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, welke voor het eerst of opnieuw in gebruik wordt genomen, wordt vóór de ingebruikneming ervan, voorzover van toepassing, de integratie en beveiliging beoordeeld door een aangewezen keuringsinstelling of aangewezen keuringsdienst van gebruikers. Deze beoordeling vindt uitsluitend plaats voor apparatuur die is voorzien van een vervaardigingsbewijs. Van de beoordeling wordt door de instelling of dienst een rapport opgesteld en een exemplaar van dit rapport wordt beschikbaar gesteld aan de gebruiker. De kosten van de beoordeling zijn voor rekening van de gebruiker.
5.
Voor de toepassing van het vierde lid worden een bewijs van onderzoek en beproeving en een verklaring over de vervaardiging en eerste persproef, afgegeven in het kader van de toepassing van de Stoomwet , onderscheidenlijk de Wet Milieubeheer , aangemerkt als geldige vervaardigingbewijzen.
1.
De artikelen 12b en 23a zijn niet van toepassing op drukapparatuur, samenstellen en druksystemen die reeds in gebruik zijn gesteld op de dag van inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van het Besluit drukapparatuur houdende regels inzake de samenbouw van druksystemen en de ingebruikneming van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen en tot wijziging van enige andere besluiten (Stb. 2001, 339) en die voldoen aan de wettelijke voorschriften ten aanzien van de ingebruikneming zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van voornoemd besluit tot het tijdstip waarop deze apparatuur na montage wordt opgesteld en geïnstalleerd op een nieuwe plaats van opstelling.
2.
Voor de toepassing van dit besluit wordt een vergunning voor het in werking brengen van stoomtoestellen of damptoestellen op grond van de Stoomwet onderscheidenlijk een verklaring voor het in werking brengen van toestellen onder druk in het kader van de toepassing van de Wet Milieubeheer aangemerkt als een verklaring van ingebruikneming als bedoeld in artikel 12b, tweede lid, tot het tijdstip waarop de apparatuur na montage wordt opgesteld en geïnstalleerd op een nieuwe plaats van opstelling.
1.
Artikel 12c is niet van toepassing op drukapparatuur die reeds in gebruik is gesteld voor de dag van inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van het Warenwetbesluit drukapparatuur houdende regels inzake het gebruik van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen en enige andere algemene maatregelen van bestuur (Stb. 2004, 387) en die voldoet aan de wettelijke voorschriften ten aanzien van het gebruik zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van voornoemd besluit tot het tijdstip waarop deze apparatuur een eerstvolgende herkeuring ingevolge voornoemde wettelijke voorschriften had moeten ondergaan.
2.
Artikel 12c is niet van toepassing op drukapparatuur die reeds in gebruik is gesteld op de dag van inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en waarvoor geen herkeuring ingevolge de wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, is vereist.
3.
Bij ministeriele regeling kunnen, in afwijking van het tweede lid, om veiligheidstechnische redenen nadere regels worden gesteld.
4.
Een aanvraag om een herkeuring van drukapparatuur op grond van een wettelijk voorschrift, gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, waarbij over het resultaat van de herkeuring op dat tijdstip nog niet is beslist, wordt vanaf dat tijdstip beschouwd als een aanvraag om een verklaring van herkeuring als bedoeld in artikel 12c, derde lid.
5.
Voor de toepassing van artikel 12c, zesde lid, wordt rekening gehouden met de onderzoeken ingevolge de wettelijke voorschriften ten aanzien van het gebruik zoals die luidden op de dag voor de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 39c. Keuringsverklaring
Een voorlopige verklaring van ingebruikneming, een verklaring van ingebruikneming, een verklaring van intredekeuring en een verklaring van herkeuring, afgegeven op grond van de wet, en geldend op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 september 2009, Stb. 395, worden geacht te zijn afgegeven met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde bepalingen, zoals die luiden met ingang van de datum van inwerkingtreding van evengenoemd besluit, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 12b, 12c, 12d en 14a.
1.
De aanwijzing als aangewezen keuringsinstelling, aangewezen aangemelde keuringsinstelling, aangewezen aangemelde onafhankelijke instelling, aangewezen keuringsdienst van gebruikers en aangewezen aangemelde keuringsdienst van gebruikers op verzoek, afgegeven op grond van de wet, en geldend op de dag, voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 september 2009, Stb. 395, worden geacht te zijn afgegeven met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde bepalingen, zoals die luiden met ingang van de datum van inwerkingtreding van evengenoemd besluit.
2.
Onverminderd het derde en zesde lid, vervalt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, van rechtswege vierentwintig maanden na de datum van inwerkingtreding van de voor het werkveld waarop de betrokken instelling of dienst werkzaam is, geldende ministeriële regeling, bedoeld in artikel 19a, vijfde lid.
3.
De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, met een vervaldatum, gelegen voor de in het tweede lid bedoelde vervaldatum, vervalt van rechtswege op de oorspronkelijke vervaldatum, tenzij de betrokken instelling of dienst binnen vijf maanden na de datum van inwerkingtreding van de voor het werkveld waarop de instelling of dienst werkzaam is, geldende ministeriële regeling, bedoeld in artikel 19a, vijfde lid, en voorafgaand aan de oorspronkelijke vervaldatum een verzoek tot beoordeling ten behoeve van een hernieuwde aanwijzing heeft ingediend bij de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht. Alsdan blijft de aanwijzing van kracht tot uiterlijk de in het tweede lid bedoelde vervaldatum van rechtswege.
4.
De instelling of dienst waarvan de aanwijzing op grond van het tweede of derde lid vervalt, kan Onze Minister vragen om hernieuwde aanwijzing met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde bepalingen, zoals die luiden met ingang van de datum van inwerkingtreding van het besluit van 7 september 2009, Stb. 395.
5.
In afwijking van artikel 22a, vierde lid, zijn de aan de beoordeling door de in het derde lid genoemde Stichting Raad voor Accreditatie verbonden kosten voor rekening van Onze Minister, indien de instelling of dienst, bedoeld in het eerste lid, een verzoek tot beoordeling ten behoeve van een hernieuwde aanwijzing heeft ingediend bij voornoemde Stichting Raad voor Accreditatie binnen vijf maanden na de datum van inwerkingtreding van de voor het werkveld waarop de instelling of dienst werkzaam is, geldende ministeriële regeling, bedoeld in artikel 19a, vijfde lid.
6.
Indien Onze Minister op een aanvraag tot hernieuwde aanwijzing beslist op een tijdstip, gelegen voor de in het tweede lid bedoelde vervaldatum van rechtswege, vervalt de oorspronkelijke aanwijzing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de hernieuwde aanwijzing.
1.
Een wijziging van een van de bijlagen van de richtlijn waarnaar in dit besluit wordt verwezen, treedt voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
2.
Een wijziging van de richtlijnen, bedoeld in artikel 2, onder e, treedt voor de toepassing van artikel 2 in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 41
Dit besluit treedt in werking met ingang van 29 november 1999.
Artikel 42
Dit besluit wordt aangehaald als: Warenwetbesluit drukapparatuur.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 juli 1999
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 1999
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
+ Hoofdstuk II. Ontwerp en vervaardiging
+ Hoofdstuk III. Beoordeling, keuring, bewaren documenten, CE-markering, materiaalgoedkeuring en intrekking
+ Hoofdstuk IV. Aangewezen keuringsinstellingen, aangewezen onafhankelijke instellingen en aangewezen keuringsdienst van gebruikers op verzoek
+ Hoofdstuk V. Verkeer en gebruik
+ Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk VII
+ Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht