Let op. Deze wet is vervallen op 19 juli 2016. U leest nu de tekst die gold op 18 juli 2016.

Warenwetbesluit drukapparatuur

Uitgebreide informatie
Artikel 5
Drukapparatuur, samenstellen en druksystemen zijn zodanig ontworpen en vervaardigd, hebben zodanige eigenschappen en zijn van zodanige vermeldingen voorzien dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens of voor de veiligheid van zaken, wanneer zij op passende wijze worden geïnstalleerd en onderhouden en worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn bestemd.
1.
De drukapparatuur en samenstellen, bedoeld in artikel 7, onderscheidenlijk artikel 8, worden overeenkomstig bijlage II bij de richtlijn naar toenemend gevaar in categorieën ingedeeld. Indien drukapparatuur uit verschillende ruimten bestaat, wordt het ingedeeld in de hoogste van de verschillende categorieën van de afzonderlijke ruimten. Wanneer een ruimte verschillende stoffen bevat, vindt de indeling plaats op grond van de stof die in de hoogste categorie valt.
2.
Met het oog op de categorie-indeling, bedoeld in het eerste lid, worden stoffen onderverdeeld in groepen overeenkomstig artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur (PbEU 2014, L 189).
3.
Het eerste en tweede lid ten aanzien van samenstellen, zijn van overeenkomstige toepassing op druksystemen.
Artikel 7
De volgende drukapparatuur voldoet aan de essentiële veiligheidseisen, genoemd in bijlage I bij de richtlijn. Het betreft:
a. drukvaten, met uitzondering van de onder c bedoelde, voor gassen, vloeibare gassen, onder druk opgeloste gassen, dampen en vloeistoffen waarvan de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur meer dan 0,5 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar), binnen de volgende grenzen:
1°. voor stoffen, ingedeeld in groep 1, wanneer het volume groter is dan 1L en het product van PS en V groter is dan 25 bar.L, of wanneer de druk PS groter is dan 200 bar;
2°. voor stoffen, ingedeeld in groep 2, wanneer het volume groter is dan 1L en het product van PS en V groter is dan 50 bar.L, of wanneer de druk PS groter is dan 1000 bar, alsmede alle draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen;
b. drukvaten, met uitzondering van de onder c bedoelde, voor vloeistoffen waarvan de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur 0,5 bar of minder boven de normale atmosferische druk (1013 mbar) ligt, binnen de volgende grenzen:
1°. voor stoffen, ingedeeld in groep 1, wanneer het volume groter is dan 1L en het product van PS en V groter is dan 200 bar.L of, wanneer de druk PS hoger is dan 500 bar;
2°. voor stoffen, ingedeeld in groep 2, wanneer de druk PSmeer is dan 10 bar en het product van PS en V groter is dan 10 000 bar.L, of wanneer de druk PS meer dan 1000 bar is;
c. brandstofgestookte of anderszins verwarmde drukapparatuur waarbij gevaar voor oververhitting bestaat, bestemd voor de productie van stoom of oververhit water met een temperatuur hoger dan 110°C met een volume van meer dan 2L, alsmede alle snelkookpannen;
d. installatieleidingen bestemd voor gassen, vloeibare gassen, onder druk opgeloste gassen, dampen en vloeistoffen waarvan de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur meer dan 0,5 bar hoger is dan de normale atmosferische druk (1013 mbar), binnen de volgende grenzen:
1°. voor stoffen, ingedeeld in groep 1, met een DN groter dan 25;
2°. voor stoffen, ingedeeld in groep 2, met een DN groter dan 32 en een product van PS en DN groter dan 1000 bar;
e. installatieleidingen bestemd voor vloeistoffen waarvan de dampdruk bij de maximaal toelaatbare temperatuur 0,5 bar of minder boven de normale atmosferische druk (1013 mbar) ligt binnen de volgende grenzen:
1°. voor stoffen, ingedeeld in groep 1, met een DN groter dan 25 en een product van PS en DN groter dan 2000 bar;
2°. voor stoffen, ingedeeld in groep 2, met een PS groter dan 10 bar en een DN groter dan 200 en een product van PS en DN groter dan 5000 bar;
f. veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, bestemd voor drukapparatuur als bedoeld onder a tot en met e.
1.
De volgende samenstellen, waarin ten minste één drukapparaat als bedoeld in artikel 7 is opgenomen, voldoen aan de essentiële veiligheidseisen, genoemd in bijlage I bij de richtlijn.Het betreft:
a. samenstellen voor de productie van stoom en oververhit water met een temperatuur hoger dan 110 °C waarin ten minste één brandstofgestookt of anderszins verwarmd drukapparaat waarbij gevaar voor oververhitting bestaat, is opgenomen;
b. andere dan onder punt a. bedoelde samenstellen, wanneer deze door de fabrikant bestemd zijn om als samenstellen in de handel gebracht en in gebruik genomen te worden.
2.
In afwijking van het eerste lid, voldoen manueel met vaste brandstoffen gestookte samenstellen voor de productie van warm water waarvan de watertemperatuur ten hoogste 110 °C en het product van PS en V meer bedraagt dan 50 bar.L en waarin ten minste één drukapparaat als bedoeld in artikel 7 is opgenomen, aan de essentiële veiligheidseisen, genoemd in de punten 2.10, 2.11, 3.4, 5a) en 5d) van bijlage I bij de richtlijn.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op druksystemen, waarin ten minste één drukapparaat als bedoeld in artikel 7 is opgenomen, met uitzondering van het aanbrengen van de CE-markering, bedoeld in artikel 16.
1.
Drukapparatuur, samenstellen of druksystemen met kenmerkende waarden beneden of gelijk aan de grenzen, bedoeld in artikel 7, onderscheidenlijk artikel 8, worden ontworpen en vervaardigd overeenkomstig de gebruiken van goed vakmanschap, om een veilig gebruik te waarborgen.
2.
De drukapparatuur of samenstellen, bedoeld in het eerste lid, gaan vergezeld van een toereikende gebruiksaanwijzing en markeringen, waarmee de fabrikant of diens in de Europese Economische Ruimte gevestigde gemachtigde kan worden geïdentificeerd. Op deze drukapparatuur en samenstellen wordt de CE-markering, bedoeld in artikel 16, niet aangebracht.
3.
De druksystemen, bedoeld in het eerste lid, gaan vergezeld van een toereikende gebruiksaanwijzing en zijn voorzien van markeringen, waarmee de gebruiker onder wiens verantwoordelijkheid het druksysteem is ontworpen en vervaardigd, kan worden geïdentificeerd.
Artikel 10
Drukapparatuur en samenstellen die voldoen aan de door Onze Minister aangewezen geharmoniseerde normen worden in zoverre vermoed te voldoen aan de essentiële veiligheidseisen, bedoeld in bijlage I bij de richtlijn.
Inhoudsopgave
+ HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
- Hoofdstuk II. Ontwerp en vervaardiging
+ Hoofdstuk III. Beoordeling, keuring, bewaren documenten, CE-markering, materiaalgoedkeuring en intrekking
+ Hoofdstuk IV. Aangewezen keuringsinstellingen, aangewezen onafhankelijke instellingen en aangewezen keuringsdienst van gebruikers op verzoek
+ Hoofdstuk V. Verkeer en gebruik
+ Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk VII
+ Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht