Let op. Deze wet is vervallen op 20 juli 2011. U leest nu de tekst die gold op 19 juli 2011.

Warenwetbesluit Speelgoed

Uitgebreide informatie
Besluit van 29 mei 1991, houdende regelen betreffende de veiligheid van speelgoed en kinderwaren
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 3 oktober 1990, VVP/P/U-689106 gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;
Overwegende dat regelen moeten worden gesteld ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van Europese Gemeenschappen van 3 mei 1988 (88/378/EEG, Pb EG L 187) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen betreffende de veiligheid van speelgoed;
Overwegende dat het tevens wenselijk is om redenen van volksgezondheid regelen te stellen met betrekking tot de veiligheid van kinderwaren niet zijnde speelgoed in de zin van richtlijn 88/378/EEG;
Overwegende dat tevens uitvoering dient te worden gegeven aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 november 1982 houdende de tweede wijziging (benzeen) van richtlijn 76/769/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van gevaarlijke stoffen en preparaten (82/806/EEG, Pb EG L 339), en aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 mei 1983 houdende vierde wijziging van vorengenoemde richtlijn 76/769/EEG (83/264/EEG, Pb EG L 147);
Gelet op de artikelen 4, eerste lid, onderdeel a , 8, onderdelen a, b en c , 11, 12, 13 en 14 van de Warenwet ( Stb. 1988, 360);
Gezien het advies van de Adviescommissie Warenwet van 10 juli 1990, no. 14.166/(52)5;
De Raad van State gehoord (advies van 22 februari 1991, no. W 13.90.0495);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 15 mei 1991, VVP/P/U-690568, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. speelgoed: goederen of delen daarvan, die ontworpen of kennelijk bestemd zijn om bij het spelen door kinderen tot de leeftijd van 14 jaar te worden gebruikt waaronder begrepen teken-, schrijf- en kleurmateriaal, alsmede materiaal voor handenarbeid en leer- en ontwikkelingsmateriaal, met uitzondering van boeken;
b. kinderwaren: overige goederen of delen daarvan, die kennelijk geschikt zijn om bij het spelen door kinderen tot de leeftijd van 14 jaar te worden gebruikt;
c. het EEG-verdrag: het verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van 25 maart 1957, laatstelijk gewijzigd door de Europese akte van 17 en 28 februari 1986 ( Trb. 1986, 63);
d. richtlijn 67/548/EEG: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196).
e. verordening (EG) nr. 1272/2008: verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353).
2.
Niet als speelgoed worden beschouwd de in bijlage 1 bij dit besluit vermelde artikelen.
3.
Tot kinderwaren behoren in ieder geval:
a. schertsartikelen;
b. fopspenen;
c. speelgoedstoommachines.
1.
Het is verboden speelgoed en kinderwaren te verhandelen indien die niet voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens dit besluit met betrekking tot hun samenstelling, uitvoering, hoedanigheid of eigenschappen.
2.
Het is verboden speelgoed en kinderwaren te verhandelen anders dan met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens dit besluit gesteld met betrekking tot de aanduiding, het bezigen van vermeldingen en het technisch dossier.
3.
Het is verboden met gebruikmaking van de in dit besluit aangegeven aanduiding ander speelgoed te verhandelen dan dat waarvoor die aanduiding in dit besluit is voorbehouden.
1.
Speelgoed en kinderwaren dienen zodanig te zijn samengesteld en zodanige eigenschappen te hebben alsmede van zodanige vermeldingen te zijn voorzien, dat zij bij gebruik overeenkomstig de bestemming of bij gebruik op een wijze die gezien het gangbare gedrag van kinderen te verwachten is, geen bijzonder gevaar opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de gebruiker of van derden.
2.
Speelgoed en kinderwaren moeten voldoen aan de in bijlage 2 vermelde voorschriften.
3.
Onze Minister kan voor wat betreft kinderwaren nadere regelen vaststellen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde samenstelling, eigenschappen en vermeldingen.
1.
De aanduiding houdende de CE-markering:
a. moet worden gebezigd voor speelgoed;
b. mag niet worden gebezigd voor kinderwaren.
2.
De in het eerste lid bedoelde aanduiding mag uitsluitend voor speelgoed worden gebezigd:
a. dat geheel is vervaardigd in overeenstemming met de door Onze Minister daartoe aan te wijzen normen, of
b. waarvoor een verklaring is afgegeven waaruit blijkt dat het speelgoed bij gebruik overeenkomstig de bestemming of bij gebruik op een wijze die gezien het gangbare gedrag van kinderen te verwachten is, geen bijzonder gevaar oplevert voor de veiligheid en/of gezondheid van de gebruiker of derden.
3.
Speelgoed, waarbij de in het eerste lid bedoelde aanduiding, overeenkomstig het tweede lid wordt gebezigd, wordt vermoed te voldoen aan het bij artikel 3, tweede lid, bepaalde.
4.
Onze Minister kan nadere regels stellen inzake vorm en grootte van de in het eerste lid genoemde aanduiding.
5.
Ten aanzien van speelgoed en kinderwaren mogen geen vermeldingen, voorstellingen of aanduidingen worden gebezigd die met de in het eerste lid genoemde aanduiding kunnen worden verward.
1.
Speelgoed en kinderwaren dienen te zijn voorzien van de naam, firmanaam of handelsmerk alsmede het adres van de fabrikant, de importeur die de waren binnen het grondgebied waarop het EEG-verdrag van toepassing is dan wel het grondgebied van een van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in de handel brengt of heeft gebracht, of de binnen de hiervoor bedoelde grondgebieden gevestigde gemachtigde van de fabrikant.
2.
De in het eerste lid bedoelde vermeldingen mogen worden afgekort mits identificatie van fabrikant, diens gemachtigde of importeur mogelijk blijft.
1.
De bij of krachtens dit besluit voorgeschreven vermeldingen en aanduiding moeten, voor zover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald, duidelijk zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en onuitwisbaar in de Nederlandse taal op speelgoed en kinderwaren of de verpakking ervan worden aangebracht.
2.
Bij speelgoed van klein formaat en speelgoed dat bestaat uit onderdelen van klein formaat, mogen de in het eerste lid bedoelde vermeldingen en aanduiding worden aangebracht op de verpakking, op een etiket of op een bijgesloten mededeling.
3.
Indien de in het eerste lid bepaalde vermeldingen niet op het speelgoed zijn aangebracht, moet de consument op de verpakking, het etiket of de bijgesloten mededeling erop worden gewezen dat het nuttig is bedoelde vermeldingen te bewaren.
1.
De in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring kan uitsluitend worden afgegeven door:
a. de door Onze Minister aangewezen instanties;
b. de door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten van de EEG dan wel die van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, daartoe aangewezen instanties.
2.
Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder a , komen slechts in aanmerking instanties die voldoen aan de in bijlage 3 neergelegde voorwaarden. Onze Minister kan nadere voorwaarden stellen.
3.
Indien Onze Minister constateert dat een door hem aangewezen instantie niet meer voldoet aan de in bijlage 3 neergelegde voorwaarden, trekt hij de aanwijzing in.
4.
De in het eerste lid, onder a , bedoelde aanwijzing, alsmede de intrekking of wijziging daarvan worden bekend gemaakt in de Staatscourant .
5.
De verklaring, bedoeld in het eerste lid, kan door de in dat lid onder a bedoelde instanties uitsluitend worden afgegeven aan de fabrikant, of aan de binnen het grondgebied waarop het EEG-verdrag van toepassing is dan wel het grondgebied van een van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, gevestigde gemachtigde van de fabrikant.
6.
Onze Minister stelt nadere regelen omtrent het indienen van een aanvraag als bedoeld in het vierde lid, waaronder de daarbij over te leggen documenten, en de behandeling daarvan door de in het eerste lid, onderdeel a , bedoelde instanties, alsmede omtrent de vorm van de door deze instanties af te geven verklaringen.
1.
Ten aanzien van het met de in artikel 4, eerste lid, bedoelde aanduiding voorziene speelgoed dient een technisch dossier voorhanden te zijn bij de fabrikant, diens gemachtigde of, indien deze niet gevestigd zijn binnen het grondgebied waarop het EEG-verdrag van toepassing is dan wel het grondgebied van een van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de importeur die het speelgoed binnen een van de hiervoor bedoelde grondgebieden in de handel heeft gebracht.
2.
Het in het eerste lid bedoelde dossier moet ten minste omvatten:
a. gegevens met betrekking tot de wijze waarop de fabrikant zorgdraagt dat het speelgoed voldoet aan de in artikel 4, tweede lid onderdeel a, bedoelde normen dan wel voldoet aan het gestelde in de in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, bedoelde verklaring.
b. gegevens met betrekking tot ontwerp en vervaardiging;
c. adressen van opslag en vervaardiging.
3.
Heeft het in het eerste lid bedoelde dossier betrekking op speelgoed waarvoor een verklaring als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, is afgegeven, dan omvat het tevens deze verklaring of een gewaarmerkt afschrift daarvan.
4.
Onze Minister kan nadere regelen stellen omtrent de inhoud van het dossier.
1.
Als methoden van onderzoek welke bij uitsluiting beslissend zijn voor de vaststelling of met betrekking tot kinderwaren al dan niet is voldaan aan bij of krachtens dit besluit gestelde regels, worden aangewezen methoden op het gebied van analytisch - chemisch, fysisch - mechanisch en microbiologisch onderzoek.
2.
Onze Minister kan omtrent de in het eerste lid bedoelde methoden van onderzoek nadere regels stellen.
Artikel 10
Het Speelgoedbesluit (Warenwet) 1985 ( Stb. 1985, 751) wordt ingetrokken.
Artikel 11
Dit besluit treedt in werking met ingang van de zevende kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat speelgoed en kinderwaren die voldoen aan het Speelgoedbesluit 1985 (Warenwet) zoals dat luidde onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van dit besluit en voor die inwerkingtreding voor het eerst zijn verhandeld, nog 6 maanden na die inwerkingtreding mogen worden verhandeld.
Artikel 12
Dit besluit kan worden aangehaald als Warenwetbesluit Speelgoed.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 29 mei 1991
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
Uitgegeven de zesde juni 1991
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht