Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2011. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2011.

Waterleidingbesluit

Uitgebreide informatie
Besluit van 7 juni 1960, houdende technische, hygiënische, geneeskundige en administratieve uitvoeringsmaatregelen van de Waterleidingwet
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 7 maart 1960, no. 3103, Directie Volksgezondheid, Afdeling Gezondheidsbescherming;
Gelet op de artikelen 1, eerste lid, onder e, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 9, 11, eerste lid en 27 van de Waterleidingwet;
Gezien het rapport van de Raad voor de Drinkwatervoorziening van 19 oktober 1959, no. 86 en het rapport van de Centrale Raad van de Volksgezondheid van 14 januari 1960, no. 3394;
De Raad van State gehoord (advies van 12 april 1960, no. 47);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 27 mei 1960, no. 6674, Directie Volksgezondheid, Afdeling Gezondheidsbescherming;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de eigenaar: de eigenaar van een waterleidingbedrijf en, met uitzondering van hoofdstuk IV en voor zover niet anders aangegeven, de eigenaar van een collectieve watervoorziening;
b. huishoudwater: leidingwater dat uitsluitend bestemd is voor toiletspoeling, gebruik in wasmachine of het besproeien van de tuin;
c. huishoudwatervoorziening: een voorziening voor de winning of behandeling van water dat met behulp van een leiding of distributienet als huishoudwater aan derden ter beschikking wordt gesteld;
d. ISO 17025: NEN-EN-ISO/IEC 17025:2000, algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria, uitgegeven door het Nederlandse Normalisatie Instituut;
e. de toezichthouder: de inspecteur dan wel, voor zover het betreft het toezicht op een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet, de op grond van de artikelen 15b, onderscheidenlijk 15f, van de Waterleidingwet aangewezen ambtenaar;
f. warm tapwater: verwarmd leidingwater;
g. de wet: de Waterleidingwet ;
h. aërosolen: in lucht gedispergeerde waterdeeltjes met een diameter van 1 tot 10 micrometer;
i. legionellabacterie: bacterie behorende tot het geslacht Legionella;
j. tappunt: plaats waar het leidingwater beschikbaar komt voor gebruik;
k. NEN 6265: NEN 6265:1991/A1:2003, onderzoek naar de aanwezigheid en het aantal kolonievormende eenheden (KVE) van legionellabacteriën, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut;
l. bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
m. ISO 15189: NEN-EN-ISO 15189: 2003, Medische laboratoria- bijzondere eisen voor kwaliteit en competentie, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut.
Artikel 2
Hoofdstuk II, met uitzondering van de artikelen 4, eerste lid, 4b tot en met 8, van de wet, hoofdstuk IIA, met uitzondering van de artikelen 15a, eerste en tweede lid, juncto 15b, van de wet, hoofdstuk IIB, met uitzondering van artikel 15e, tweede lid, alsmede de hoofdstukken III en IV van de wet, zijn niet van toepassing op huishoudwater, indien de kwaliteit van dit huishoudwater niet van invloed is op de gezondheid van de betrokken verbruikers.
Artikel 3
De eigenaar wordt, voor zover hij de voorschriften van dit hoofdstuk naleeft, geacht te voldoen aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid der Waterleidingwet, doch alleen voor wat betreft de punten, welke bij het bepaalde in dit hoofdstuk uitdrukkelijk zijn geregeld.
1.
Leidingwater dat de eigenaar aan derden ter beschikking stelt, bevat geen micro-organismen, parasieten of stoffen in aantallen per volume-eenheid of concentraties die nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kunnen hebben.
2.
Leidingwater voldoet op het punt waar het binnen een gebouw of perceel aan de tappunten ter beschikking komt, aan de tabellen I, II en III, opgenomen in bijlage A .
3.
Indien leidingwater niet voldoet aan het eerste lid of aan de in het tweede lid genoemde tabellen I en II is de eigenaar verplicht:
a. terstond onderzoek te doen naar de oorzaak en de mogelijke nadelige gevolgen daarvan voor de volksgezondheid,
b. zo spoedig mogelijk herstelmaatregelen in het belang van de volksgezondheid te nemen waardoor het leidingwater voldoet aan het eerste lid en de genoemde tabellen I en II en
c. terstond de toezichthouder te informeren over het niet voldoen aan het eerste lid of aan de in het tweede lid genoemde tabellen I en II en over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde onder a en b.
4.
Indien een ander dan de eigenaar constateert dat leidingwater niet voldoet aan het eerste lid of aan de in het tweede lid genoemde tabellen I en II, brengt hij de eigenaar terstond op de hoogte.
5.
In gevallen als bedoeld in het derde lid informeert de eigenaar terstond de verbruikers over de normoverschrijding en adviseert hij henomtrent de maatregelen die zij kunnen nemen om nadelige gevolgen voor de gezondheid te voorkomen.
6.
Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de eigenaar van een collectief leidingnet.
7.
De eigenaar van een collectieve watervoorziening draagt er zorg voor dat voor de bereiding van warm tapwater uitsluitend water wordt gebruikt dat voldoet aan de tabellen I, II en III, opgenomen in bijlage A .
1.
Artikel 4, derde tot en met vijfde lid, is niet van toepassing op de eigenaar, voor zover leidingwater dat aan de tappunten ter beschikking komt niet voldoet aan artikel 4, eerste lid, of aan de tabellen I en II, opgenomen in bijlage A , en de oorzaak daarvan is gelegen in een op zijn leidingnet aangesloten woninginstallatie, collectief leidingnet of collectieve watervoorziening.
2.
In het in het eerste lid bedoelde geval neemt de eigenaar de in het belang van de volksgezondheid noodzakelijke en passende maatregelen, voor zover deze in zijn vermogen liggen.
3.
Tot de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, behoren in elk geval:
a. het terstond informeren van de toezichthouder en van de eigenaar van de op zijn leidingnet aangesloten woninginstallatie, collectief leidingnet of collectieve watervoorziening, over de normoverschrijding en de mogelijke nadelige gevolgen voor de volksgezondheid alsmede het adviseren van deze eigenaars omtrent herstelmaatregelen die zij kunnen nemen;
b. het informeren en adviseren van de verbruikers omtrent aanvullende herstelmaatregelen die zij kunnen nemen.
Tot de bedoelde maatregelen kan behoren het toepassen van behandelingstechnieken.
1.
Indien niet wordt voldaan aan tabel III, opgenomen in bijlage A , informeert de eigenaar terstond de toezichthouder, verricht hij terstond onderzoek naar de oorzaak en de mogelijke nadelige gevolgen voor de volksgezondheid en neemt hij de in het belang van de volksgezondheid noodzakelijke en passende maatregelen.
2.
In gevallen als bedoeld in het eerste lid informeert de eigenaar de verbruikers over de normoverschrijding en adviseert hij hen omtrent de maatregelen die zij kunnen nemen om nadelige gevolgen voor de gezondheid te voorkomen, tenzij de toezichthouder van oordeel is dat de normoverschrijding geen nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het welzijn van de verbruikers en voor aan de verbruikers toebehorende goederen.
3.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de eigenaar van een collectief leidingnet.
1.
Indien niet wordt voldaan aan tabel II, opgenomen in bijlage A , kan Onze Minister, indien het belang van de volksgezondheid zich daartegen niet verzet en de watervoorziening in het desbetreffende gebied redelijkerwijs niet op een andere wijze kan worden voortgezet, op verzoek van de eigenaar ontheffing verlenen van waarden uit tabel II.
2.
Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kan onder beperkingen worden verleend en aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. De beperkingen en voorschriften worden gesteld in het belang van de volksgezondheid. In het belang van de volksgezondheid kan de ontheffing worden ingetrokken en kunnen de aan de ontheffing verbonden voorschriften worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
3.
De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend voor een zo kort mogelijke periode van ten hoogste drie jaar.
4.
De houder van de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister terstond op de hoogte van omstandigheden die er redelijkerwijs toe kunnen leiden dat aan het eind van de periode, bedoeld in het derde lid, niet wordt voldaan aan de in het eerste lid genoemde tabel II.
5.
In het geval, bedoeld in het vierde lid, kan Onze Minister op verzoek van de houder van de ontheffing besluiten tot verlenging van de periode waarvoor de ontheffing geldt. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Nadien is in uitzonderlijke gevallen nog eenmaal op overeenkomstige wijze verlenging mogelijk.
6.
Een besluit tot verlening van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid of tot verlenging van de periode waarvoor de ontheffing geldt als bedoeld in het vijfde lid omvat in ieder geval de volgende gegevens:
a. de redenen voor de ontheffing;
b. de parameter waarop de ontheffing betrekking heeft, de resultaten van eerdere metingen in verband met deze parameter en de maximaal toegestane waarde ingevolge de ontheffing;
c. het geografisch gebied, de hoeveelheid geleverd water per dag, het aantal verbruikers en de betrokken bevolkingsgroep alsmede de eventuele gevolgen van de ontheffing voor de levensmiddelenindustrie;
d. een adequaat meetschema, met verhoogde meetfrequentie indien noodzakelijk;
e. een samenvatting van het plan voor de noodzakelijke herstelmaatregelen, waaronder een tijdschema, een kostenraming en voorzieningen voor onderzoek en evaluatie;
f. de periode waarvoor de ontheffing geldt.
1.
In afwijking van artikel 4c kan de toezichthouder op verzoek van de eigenaar ontheffing verlenen van waarden uit tabel II, opgenomen in bijlage A , voor zover:
a. overschrijding van een waarde uit tabel II naar zijn oordeel geen nadelige gevolgen voor de volksgezondheid heeft,
b. de overschrijding binnen 30 dagen door het nemen van herstelmaatregelen kan worden opgeheven, en
c. de onder a bedoelde waarde door de eigenaar in de voorafgaande twaalf maanden niet gedurende meer dan 30 dagen is overschreden.
2.
Bij zijn besluit stelt de toezichthouder de maximaal toegestane waarde en duur van de overschrijding van de waarde uit tabel II vast.
1.
De eigenaar draagt zorg, op de wijze en in de mate, welke redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, dat:
1°. de middelen tot winning, behandeling, opslag, transport en distributie van water zo zijn ingericht, worden gebruikt en onderhouden, dat geen verontreiniging van het water plaatsvindt;
2°. het distributienet zo is ingericht, dat gebreken geredelijk kunnen worden opgeheven onder zo gering mogelijke belemmering van de distributie;
3°. het leidingnet van een collectieve watervoorziening, voor zover dat geen deel uitmaakt van een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet, voldoet aan NEN 1006, bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 ;
4°. van de middelen tot winning, behandeling, opslag, transport en distributie van water tekeningen beschikbaar zijn, waarop de ligging en inrichting daarvan zijn aangegeven;
5°. de werkzaamheden in het bedrijf zo worden verricht, dat geen verontreiniging van het water plaatsvindt;
6e. de middelen tot opslag, transport en distributie van leidingwater na het verrichten van werkzaamheden daaraan zo worden ontsmet of gereinigd dat daarbij opgetreden verontreinigingen geheel onschadelijk gemaakt of verwijderd worden.
2.
Het eerste lid, onder 2°, geldt niet voor de eigenaar van een collectieve watervoorziening.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder 3°, is van overeenkomstige toepassing op de eigenaar van een collectief leidingnet, voor zover dat geen deel uitmaakt van een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet.
1.
Indien een waterleidingbedrijf, collectieve watervoorziening of collectief leidingnet in gebruik is, beschikt de eigenaar daarvan over een daarop betrekking hebbend meetprogramma dat voldoet aan de in bijlage B opgenomen tabellen Ia, Ib, Ic en II. Bij majeure wijzigingen in de feitelijke situatie past de eigenaar daaraan voorafgaand het meetprogramma daarop aan.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar van een collectief leidingnet of van een collectieve watervoorziening voor warm tapwater, uitsluitend voor zover daarmee, berekend over een kalenderjaar, per dag gemiddeld minder dan 100 m 3 drinkwater, onderscheidenlijk minder dan 30 m 3 warm tapwater, wordt gedistribueerd.
3.
Een meetprogramma als bedoeld in het eerste lid dat betrekking heeft op een waterleidingbedrijf behoeft goedkeuring van de toezichthouder. Het programma wordt daartoe door de eigenaar van dat bedrijf na vaststelling of wijziging voorgelegd aan de toezichthouder, in de door deze aangegeven vorm.
4.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de eigenaar van een collectieve watervoorziening voor zover deze voor de winning of behandeling van water, dat als leidingwater aan derden ter beschikking wordt gesteld, gebruik maakt van grondwater, oppervlaktewater, zeewater of een overeenkomstige grondstof of halffabrikaat.
5.
De eigenaar, bedoeld in het eerste lid, onderzoekt het water in de frequentie en op de plaatsen, aangegeven in het meetprogramma, bedoeld in dat lid.
6.
Indien en voor zolang de eigenaar niet beschikt over een meetprogramma dat in overeenstemming is met het eerste lid dan wel, in de gevallen, bedoeld in het derde en vierde lid, niet beschikt over een goedgekeurd meetprogramma, verricht hij metingen overeenkomstig de in bijlage B opgenomen tabellen Ia, Ib, Ic en II.
7.
Voor micro-organismen, parasieten of stoffen die niet zijn genoemd in de in bijlage A opgenomen tabellen I, II en III, verricht de eigenaar of de eigenaar van een collectief leidingnet metingen indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze aanwezig zijn in aantallen per volume-eenheid of concentraties die nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kunnen hebben.
8.
De toezichthouder kan bepalen dat door hem aangegeven parameters, genoemd in tabel I van bijlage B , frequenter worden onderzocht dan in tabel II van bijlage B is aangegeven. Tevens kan hij bepalen dat andere dan de in tabel I van bijlage B genoemde, door hem aangegeven parameters, onderzocht worden in een door hem aangegeven frequentie, indien dat naar zijn oordeel van belang is voor het verkrijgen van voldoende inzicht in de kwaliteit van het water.
9.
De toezichthouder kan toestaan dat de meetfrequentie van parameters die in tabel I van bijlage B zijn aangemerkt als «bewaking» wordt verlaagd, indien:
a. de waarden van de resultaten van de in een periode van tenminste twee opeenvolgende jaren genomen monsters constant zijn of significant beter dan de in bijlage A genoemde waarden en
b. het aannemelijk is dat er geen factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het water kan verslechteren.
Bij verlaging van de frequentie bedraagt het aantal te nemen monsters ten minste de helft van de in tabel II van bijlage B genoemde aantallen.
10.
De toezichthouder kan toestaan dat de meetfrequentie van parameters die in tabel I van bijlage B zijn aangemerkt als «audit» wordt verlaagd, indien wordt vastgesteld dat de desbetreffende parameter niet in het leidingwater voorkomt in aantallen per volume-eenheid of concentraties die kunnen leiden tot het risico dat de in bijlage A genoemde waarden worden overschreden.
11.
De eigenaar van een waterleidingbedrijf die drinkwater van een ander betrekt teneinde dit zonder behandeling aan derden ter beschikking te stellen, onderzoekt dit ter plaatse waar hij dit water betrekt overeenkomstig de tabellen I en II, opgenomen in bijlage B . Indien in dit geval drinkwater wordt betrokken van een ander waterleidingbedrijf kan de inspecteur toestaan dat bedoeld onderzoek op andere, door hem aan te geven wijze wordt uitgevoerd.
12.
In alle overige gevallen dan bedoeld in het tiende lid, worden de monsters aan de tappunten genomen, met uitzondering van de monsters waarvan in de kolom« monsterplaats» in tabel I van bijlage B is aangegeven voor welke parameters de monsters of een deel daarvan ter plaatse van de inname van het gebruikte grondwater of oppervlaktewater dan wel na behandeling mogen worden genomen.
13.
De monstername geschiedt op een zodanig tijdstip en op zodanige wijze, dat de uitkomsten van het onderzoek representatief zijn voor de hoedanigheid van het desbetreffende water.
14.
Een monster dat niet ter plaatse wordt geanalyseerd wordt zodanig bewaard dat daardoor de uitkomsten van het onderzoek niet in betekenende mate worden beïnvloed.
1.
De eigenaar, die gebruik maakt van grondwater, oppervlaktewater, of een daaruit vervaardigd halffabrikaat ten behoeve van de bereiding van leidingwater, neemt bij het opstellen van het meetprogramma, bedoeld in artikel 6, eerste lid, tevens tabel III van bijlage B in acht.
2.
De eigenaar die gebruik maakt van oppervlaktewater ten behoeve van de bereiding van leidingwater:
a. verricht het onderzoek of neemt de monsters daarvoor op een plaats die representatief is voor de waterkwaliteit op het punt waar het oppervlaktewater vóór de zuiveringsbehandeling wordt onttrokken en
b. kiest met betrekking tot de parameters temperatuur, zuurgraad en zuurstof-opgelost, een zodanig tijdstip dat de uitkomsten van het onderzoek representatief zijn voor het etmaalgemiddelde over de dag waarop het onderzoek plaatsvindt.
Indien en zo lang als geen gevolg is gegeven aan een op grond van artikel 6, eerste lid, bestaande verplichting tot het opstellen van een meetprogramma, verricht de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, metingen overeenkomstig de in bijlage B opgenomen tabel III, tenzij de toezichthouder anders bepaalt.
3.
De toezichthouder kan bepalen dat:
a. door hem aangegeven parameters, genoemd in tabel III van bijlage B , frequenter worden onderzocht dan aldaar is aangegeven;
b. door hem aangegeven parameters van groep II, genoemd in tabel III van bijlage B , minder frequent worden onderzocht dan aldaar is aangegeven;
c. andere dan in tabel III van bijlage B genoemde, door hem aangegeven parameters, onderzocht worden indien dat naar zijn oordeel van belang is voor het verkrijgen van voldoende inzicht in de kwaliteit van het water.
1.
De eigenaar houdt de in artikelen 6 en 6a bedoelde gegevens gedurende vijf jaar onder zich.
2.
Binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar verstrekt de eigenaar of de eigenaar van een collectief leidingnet voor zover daarmee gemiddeld meer dan 1000 m 3 leidingwater per dag of aan gemiddeld meer dan 5000 personen per dag leidingwater wordt geleverd, aan de toezichthouder een representatieve samenvatting van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de door de toezichthouder aangegeven vorm.
1.
Bij het uitvoeren van onderzoek als bedoeld in de artikelen 6 en 6a worden de specificaties, genoemd in bijlage C , in acht genomen. Voor de in tabel I van bijlage C genoemde parameters worden de daar genoemde analysemethoden toegepast.
2.
In afwijking van het eerste lid, tweede zin, kan de inspecteur op verzoek van degene die de analyses uitvoert toestaan dat van alternatieve analysemethoden gebruik wordt gemaakt, indien deze naar zijn oordeel tenminste even betrouwbaar zijn als de analysemethoden, bedoeld in het eerste lid. Bij zijn verzoek verstrekt de aanvrager alle voor de beoordeling van de alternatieve analysemethode relevante gegevens in de door de inspecteur aangegeven vorm. De inspecteur meldt de toepassing van de alternatieve analysemethode aan Onze Minister.
3.
Voor de in tabel II van bijlage C genoemde parameters worden bij de analyse de daar vermelde prestatiekenmerken in acht genomen.
1.
Het nemen en analyseren van monsters ter uitvoering van dit besluit geschiedt door laboratoria die een kwaliteitsborgingssysteem hanteren dat gebaseerd is op ISO 17025 of een gelijkwaardige norm en die daarvoor overeenkomstig deze norm geaccrediteerd zijn.
2.
In afwijking van het eerste lid kan het nemen en analyseren van monsters ter uitvoering van hoofdstuk IIIC geschieden door medisch microbiologische laboratoria, onder verantwoordelijkheid van een arts-microbioloog, die een kwaliteitsborgingssysteem hanteren dat gebaseerd is op ISO 15189 of een gelijkwaardige norm en die daarvoor overeenkomstig deze norm geaccrediteerd zijn.
3.
Een gelijkwaardige norm als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt uitsluitend toegepast na daartoe verkregen toestemming van de inspecteur. Bij de aanvraag worden alle voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de bedoelde norm relevante gegevens in de door de inspecteur aangegeven vorm aan hem overgelegd.
4.
Het nemen en analyseren van monsters als bedoeld in de artikelen 6 en 6a en hoofdstuk IIIC ten behoeve van waterleidingbedrijven geschiedt door laboratoria als bedoeld in het eerste lid die daartoe zijn aangewezen door Onze Minister.
1.
De eigenaar draagt zorg, dat:
a. de door het pompstation afgeleverde hoeveelheden water voortdurend, of ten minste elk uur, worden geregistreerd;
b. op een aantal door de inspecteur aan te wijzen plaatsen in het distributiegebied de druk van het water voortdurend wordt geregistreerd.
2.
De eigenaar draagt zorg de in het voorgaande lid bedoelde gegevens gedurende ten minste vijf jaar beschikbaar te hebben.
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor de eigenaar van een collectieve watervoorziening of van een collectief leidingnet.
Artikel 14
Onverminderd de voorgaande artikelen draagt degene, aan wie middellijk of onmiddellijk op het leidingnet van een waterleidingbedrijf, van een collectieve watervoorziening of van een collectief leidingnet aangesloten leidingen en toestellen behoren, zorg dat deze redelijkerwijs geen gevaar voor verontreiniging van dat leidingnet en van het door middel van deze leidingen en toestellen aan derden ter beschikking gestelde leidingwater kunnen opleveren.
1.
De eigenaar van een waterleidingbedrijf controleert de middellijk of onmiddellijk op het leidingnet van zijn bedrijf aangesloten woninginstallaties, collectieve watervoorzieningen, collectieve leidingnetten en overige leidingwaterinstallaties op gevaar voor verontreiniging van het leidingnet van zijn bedrijf.
2.
De eigenaar van een waterleidingbedrijf controleert tevens de middellijk of onmiddellijk op het leidingnet van zijn bedrijf aangesloten collectieve watervoorzieningen en collectieve leidingnetten op gevaar voor verontreiniging van het aan derden ter beschikking gestelde leidingwater.
3.
Indien bij een controle als bedoeld in het tweede lid blijkt dat niet wordt voldaan aan de artikelen 4, eerste of tweede lid, of 17j, eerste lid, of dat daarvoor gevaar bestaat, informeert de eigenaar van het waterleidingbedrijf terstond de toezichthouder en de desbetreffende eigenaar van de op zijn leidingnet aangesloten collectieve watervoorziening of collectief leidingnet.
4.
Degene, aan wie de in het eerste en tweede lid bedoelde collectieve watervoorzieningen, collectieve leidingnetten en overige leidingwaterinstallaties toebehoren, is verplicht medewerking te verlenen aan de controle, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 16
De eigenaar draagt zorg, dat het personeel wordt voorgelicht aangaande de hygiënische voorschriften, welke in het bedrijf in acht moeten worden genomen.
1.
Oppervlaktewater, bestemd om te worden gebruikt voor de bereiding van leidingwater, wordt ingedeeld in de kwaliteitsklassen I, II en III, op grond van de waarden van de parameters, genoemd in de bij dit besluit behorende bijlage D . Oppervlaktewater valt in een der kwaliteitsklassen indien geen der waarden van de parameters, genoemd in kolom B van de desbetreffende klasse, wordt overschreden.
2.
Van overschrijding van de waarde van een parameter, genoemd in bijlage D , is sprake indien:
a. na metingen welke éénmaal per 4 weken dienen te worden verricht, wordt vastgesteld dat:
- de waarde meer dan éénmaal per jaar is overschreden; of
- de waarde meer bedraagt dan 150% van de in bijlage D genoemde waarde met uitzondering van de waarde betreffende de parameters temperatuur, zuurgraad, zuurstof opgelost, alsmede de microbiologische parameters;
b. na metingen welke eenmaal per 3 maanden dienen te worden verricht, wordt vastgesteld dat de in bijlage D genoemde waarde is overschreden.
Artikel 17b
Indien de eigenaar vaststelt dat in het door hem voor de bereiding van leidingwater ingenomen oppervlaktewater overschrijding van waarden van in bijlage D genoemde parameters, behorend bij de kwaliteitsklasse, waarin het door hem gebruikte oppervlaktewater valt, optreedt, stelt hij daarvan in kennis:
- de inspecteur,
- het openbare lichaam, belast met de zorg voor de goede hoedanigheid van het betrokken oppervlaktewater,
- in de gevallen, bedoeld in artikel 17 d, onder a en b, Onze Minister,
- indien ten behoeve van de bereiding van leidingwater door de eigenaar water uit oppervlaktewater is ingenomen door een ander bedrijf, de eigenaar van dat bedrijf.
1.
Het is de eigenaar verboden leidingwater te bereiden uit oppervlaktewater dat niet voldoet aan de ten aanzien van kwaliteitsklasse III, onder B in Bijlage D gestelde eisen.
2.
Het is de eigenaar voorts verboden leidingwater te bereiden uit oppervlaktewater, vallende in een der in artikel 17 a, eerste lid, bedoelde kwaliteitsklassen, tenzij het water tevoren is behandeld op een bij de kwaliteitsklasse passende wijze, aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage E.
Artikel 17d
De in artikel 17 cgestelde verboden gelden niet:
a. indien overschrijding van de in bijlage D genoemde waarden het gevolg is van overstromingen of natuurrampen;
b. in de in bijlage D aangegeven gevallen: indien overschrijding van de waarden het gevolg is van uitzonderlijke weersomstandigheden.
c. in de periode die ligt tussen het indienen van een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 17 een de vierde dag na het tijdstip waarop Onze Minister zijn besluit met betrekking tot een ontheffing aan de aanvrager heeft toegezonden.
1.
Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in artikel 17 c , eerste lid, gestelde verbod indien:
a. de eigenaar een zodanige behandeling - met inbegrip van menging - van het water kan toepassen dat het bereide leidingwater voldoet aan de in dit besluit ten aanzien van leidingwater gestelde eisen;
b. de eigenaar is aangewezen op oppervlaktewater dat niet voldoet aan kwaliteitsklasse III, en het gebruik van dat water geen onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid meebrengt.
2.
Onze Minister kan voorts, indien het belang van de volksgezondheid zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van de in artikel 17 cgestelde verboden:
a. indien overschrijding van de in bijlage D genoemde waarden het gevolg is van de natuurlijke gesteldheid van de bodem en de invloed daarvan op het water.
b. in de in bijlage D aangegeven gevallen:
- indien overschrijding van de waarden plaatsvindt bij oppervlaktewater uit meren met een diepte van ten hoogste 20 meter, waarin de vervanging van het water meer dan een jaar in beslag neemt en waarin geen afvalwater wordt geloosd;
- indien de overschrijding van de waarden het gevolg is van uitzonderlijke geografische omstandigheden.
1.
Indien Onze Minister voornemens is over te gaan tot intrekking van de ontheffing dan wel tot wijziging, aanvulling of intrekking van aan de ontheffing verbonden voorschriften, doet hij daarvan mededeling aan het openbare lichaam, belast met de zorg voor de goede hoedanigheid van het betrokken oppervlaktewater.
2.
In een mededeling als bedoeld in het eerste lid en een mededeling ingevolge artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt Onze Minister ten minste:
a. een korte motivering van de voorgenomen beslissing;
b. indien het voornemen een wijziging betreft, de zakelijke inhoud van die wijziging;
c. de termijn waarbinnen een belanghebbende zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen beslissing naar voren kan brengen.
1.
Onverminderd de hoofdstukken II, III en IIIA, draagt de eigenaar er zorg voor dat de materialen en chemicaliën, die gebruikt worden bij de winning, de bereiding, de behandeling, de opslag, het transport of de distributie van leidingwater en de wijze waarop deze worden toegepast, er niet toe leiden dat deze materialen en chemicaliën:
a. in een hogere concentratie in het leidingwater achterblijven dan voor het gebruik van die materialen of chemicaliën noodzakelijk is, en
b. nadelige gevolgen hebben voor de volksgezondheid.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de eigenaar van een collectief leidingnet en de in dat leidingnet toe te passen materialen.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover bij de distributie van leidingwater te gebruiken materialen deel uitmaken van een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet.
1.
Aan de in artikel 17g, eerste lid, onder b, en tweede lid juncto eerste lid, onder b, gestelde eis wordt voldaan voor zover het betreft materialen en chemicaliën:
a. waarvoor door Onze Minister erkende, dan wel gelijkwaardige kwaliteitsverklaringen zijn afgegeven, mits deze materialen en chemicaliën overeenkomstig deze kwaliteitsverklaringen worden gebruikt of toegepast;
b. waarvan anderszins ten genoegen van Onze Minister is aangetoond dat aan de in artikel 17g, eerste lid, onder b, en tweede lid juncto eerste lid, onder b, gestelde eis wordt voldaan.
2.
Er is een commissie van deskundigen, belast met de uitvoering van de regels, bedoeld in het eerste lid.
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de eigenaar van een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet waarop direct of indirect tappunten als bedoeld in het vierde lid, zijn aangesloten, voor zover die tappunten aanwezig zijn:
a. in instellingen:
3. die een of meer vormen van zorg verlenen als bedoeld in artikel 1.2, nummers 17 tot en met 21, van het Uitvoeringsbesluit WTZi, niet in combinatie met verblijf, binnen een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten bekostigd gebouw;
b. in een gebouw, een gedeelte van een gebouw of een samenhangend geheel van gebouwen of gedeelten daarvan met een logiesfunctie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2003, met uitzondering van zomerhuisjes, huisjes op volkstuincomplexen en gebouwen waar uitsluitend wordt overnacht door personen die ter plaatse werkzaam zijn;
c. in een opvangcentrum als bedoeld in artikel 1 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers,
d. in een gebouw, een gedeelte van een gebouw of een samenhangend geheel van gebouwen of gedeelten daarvan met een celfunctie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2003,
f. op een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop ten behoeve van recreatief nachtverblijf gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van tenten, tentwagens, kampeerauto’s of andere voertuigen of gewezen voertuigen of gedeelten daarvan; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf,
g. in een haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen.
2.
De artikelen 17j, 17o, 17p en 17q zijn van overeenkomstige toepassing op de eigenaar van een waterleidingbedrijf, voor zover deze drinkwater aan derden ter beschikking stelt, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 17q geldt dat:
a. het onderzoek naar de aanwezigheid van legionellabacteriën na de laatste zuiveringsstap tenminste halfjaarlijks wordt uitgevoerd,
b. het leidingwater in het distributiegebied van het waterleidingbedrijf onderzocht wordt overeenkomstig de frequentie, aangemerkt als «audit», aangegeven in tabel II van bijlage B .
3.
Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de eigenaar van een waterleidingbedrijf, voor zover deze huishoudwater aan derden ter beschikking stelt.
4.
Als tappunten, bedoeld in de aanhef van het eerste lid worden aangemerkt:
a. tappunten met een douche of andere appendage waarmee water kan worden gesproeid of verneveld;
b. tappunten die al dan niet tijdelijk gebruikt worden voor het aansluiten van een douche, andere appendage of toestel waarmee water kan worden gesproeid of verneveld;
c. tappunten waarvan de eigenaar redelijkerwijze kan weten of vermoeden dat deze al dan niet tijdelijk gebruikt worden voor het aansluiten van een douche, andere appendage of toestel waarmee water kan worden gesproeid of verneveld;
d. alle tappunten in een instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, sub 1, voor zover het een afdeling hematologie of oncologie is, dan wel daar transplantaties worden uitgevoerd, of patiënten met chronische longaandoeningen of met immuunstoornissen verblijven.
1.
Leidingwater dat op een zodanige wijze aan de tappunten ter beschikking komt of wordt gebruikt, dat daarbij aërosolen alsmede daardoor, al dan niet samen met andere micro-organismen, meegevoerde legionellabacteriën kunnen vrijkomen in hoeveelheden die, in geval van inademing, nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kunnen hebben, bevat minder dan 100 kolonie vormende eenheden legionellabacteriën per liter.
2.
De eigenaar van een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet draagt er zorg voor dat het door hem aan derden ter beschikking gestelde leidingwater op het punt van aflevering voldoet aan het eerste lid.
1.
De eigenaar van een collectieve watervoorziening voert een risicoanalyse uit met betrekking tot het risico, dat niet wordt voldaan aan artikel 4, zevende lid, of artikel 17j, eerste lid, overeenkomstig de daarvoor in bijlage F opgenomen voorschriften.
2.
De eigenaar van een collectief leidingnet voert een risicoanalyse uit met betrekking tot het risico, dat niet wordt voldaan aan artikel 17j, eerste lid, ten gevolge van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15e, eerste lid, van de wet, overeenkomstig de daarvoor in bijlage F opgenomen voorschriften.
3.
De risicoanalyse, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt voorafgaand aan de ingebruikneming van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet, uitgevoerd.
4.
Binnen drie maanden na iedere voor het in het eerste of tweede lid bedoelde risico relevante wijziging van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet, of het gebruik daarvan, dan wel van een wijziging van factoren die invloed kunnen hebben op dat risico, wordt de risicoanalyse, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, opnieuw uitgevoerd. De eerste volzin heeft geen betrekking op wijzigingen die zijn toegepast op grond van artikel 17n, eerste lid, of artikel 17o, eerste lid.
5.
De eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet draagt er zorg voor dat de uitkomsten van de op grond van het eerste, tweede of vierde lid uitgevoerde risicoanalyse, met een overzicht van de daarbij gebruikte gegevens en de genomen maatregelen, voor de toezichthouder ter inzage liggen ter plaatse van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet, en aan de toezichthouder op zijn verzoek worden toegezonden in een door hem aangegeven vorm.
6.
Indien de toezichthouder van oordeel is dat de risicoanalyse, bedoeld in het eerste, tweede of vierde lid, onjuist of onvolledig is uitgevoerd dan wel anderszins niet voldoet aan de voorschriften, opgenomen in bijlage F , kan hij de eigenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, verplichten tot het wijzigen, aanvullen of opnieuw uitvoeren van de risicoanalyse binnen een daarbij aangegeven termijn. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien uit de risicoanalyse, bedoeld in artikel 17k, eerste, tweede of vierde lid, blijkt dat er een risico is dat niet wordt voldaan aan artikel 4, zevende lid, of artikel 17j, eerste lid, stelt de eigenaar van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet, op basis van de risicoanalyse een beheersplan op met betrekking tot de inrichting en het beheer van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet, dan wel herziet hij een daarop betrekking hebbend bestaand beheersplan. Het beheersplan strekt ertoe dat voldaan wordt aan artikel 4, zevende lid, of artikel 17j, eerste lid.
2.
Het beheersplan, bedoeld in het eerste lid, wordt voorafgaand aan de ingebruikneming van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet opgesteld.
3.
In het in artikel 17k, vierde lid, bedoelde geval wordt het beheersplan binnen drie maanden na het tijdstip van gereedkomen van de in dat lid bedoelde risicoanalyse opgesteld, dan wel wordt een bestaand beheersplan binnen drie maanden na dat tijdstip herzien, indien de risicoanalyse daartoe aanleiding geeft.
4.
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing voor zover de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, het in dat lid bedoelde risico binnen drie maanden na het tijdstip van gereedkomen van de risicoanalyse opheft door zodanige wijzigingen in de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet dat daardoor niet langer periodieke beheersmaatregelen zijn vereist.
5.
Het beheersplan omvat ten minste de volgende onderdelen:
a. tekeningen of beschrijvingen waaruit de ligging en inrichting van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet blijkt;
b. gegevens over de in de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet opgenomen toestellen waarmee warm tapwater wordt bereid, leidingen en overige toestellen;
c. gegevens over de herkomst, aard en kwaliteit van het water dat wordt gebruikt voor de bereiding van leidingwater, met inbegrip van warm tapwater;
d. de uitkomsten van de uitgevoerde risicoanalyse;
e. de maatregelen die zijn of worden genomen, de werkinstructies voor het uitvoeren van de maatregelen en de voorschriften die worden toegepast voor bediening, onderhoud en controle van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet, voor zover deze betrekking hebben op de beheersing van de bij de risicoanalyse aangetroffen risico’s, waarbij tevens wordt aangegeven wie door de eigenaar belast is met de uitvoering van de maatregelen, welke bevoegdheden daarvoor bestaan en op welke wijze en in welke frequentie de uitvoering plaatsvindt;
f. de tappunten waarop en de frequentie waarin het leidingwater wordt onderzocht op de aanwezigheid van legionellabacteriën overeenkomstig artikel 17q;
g. in geval van een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet in een inrichting als bedoeld in artikel 17i, eerste lid, onder a of b: een omschrijving van de getroffen voorzieningen om het risico van verbranding bij personen, die vanwege hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid niet of onvoldoende in staat zijn de temperatuur van het bij de lichaamsverzorging of anderszins gebruikte leidingwater op een veilig niveau in te stellen, te voorkomen;
h. de maatregelen die worden genomen indien er aanwijzingen zijn dat niet wordt voldaan aan artikel 4, zevende lid, of artikel 17j, eerste lid.
1.
In gevallen waarin op grond van artikel 17l een verplichting bestaat tot het opstellen van een beheersplan, draagt de eigenaar van een collectieve watervoorziening of van een collectief leidingnet er zorg voor dat het beheersplan voor de toezichthouder ter inzage ligt ter plaatse van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet. Op verzoek van de toezichthouder wordt het beheersplan aan hem toegezonden in een door hem aangegeven vorm.
2.
Indien de toezichthouder van oordeel is dat het beheersplan, bedoeld in artikel 17l, eerste of derde lid, onjuist of onvolledig is dan wel anderszins niet voldoet aan de voorschriften, opgenomen in artikel 17l, vijfde lid, kan hij de eigenaar verplichten tot het wijzigen, aanvullen of opnieuw opstellen van het beheersplan binnen een daarbij aangegeven termijn. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
1.
De eigenaar van een collectieve watervoorziening of van een collectief leidingnet voert maatregelen en controles uit overeenkomstig het beheersplan.
2.
De eigenaar, bedoeld in het eerste lid, houdt in een logboek aantekening van de krachtens dit hoofdstuk uitgevoerde maatregelen, controles en onderzoeken, alsmede van de resultaten daarvan. Deze gegevens worden gedurende drie jaar bewaard.
3.
De eigenaar, bedoeld in het eerste lid, draagt er zorg voor dat het logboek voor de toezichthouder ter inzage ligt ter plaatse van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet of, indien de toezichthouder daarmee instemt, op een andere, door hem te bepalen plaats. Op verzoek van de toezichthouder wordt het logboek aan hem toegezonden in een door hem aangegeven vorm.
1.
In geval van omstandigheden die, naar de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet redelijkerwijze kan weten of vermoeden, gevaar of beletsel kunnen vormen voor het voldoen aan artikel 4, zevende lid, of artikel 17j, eerste lid, informeert hij terstond de toezichthouder en voert hij uit voorzorg de maatregelen en controles uit die met het oog op deze omstandigheden in het beheersplan zijn opgenomen of, voor zover daaromtrent in het beheersplan geen maatregelen zijn opgenomen dan wel geen beheersplan van toepassing is, de maatregelen en controles die in deze omstandigheden redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, tenzij de toezichthouder anders voorschrijft. Tevens worden in dit geval de verbruikers terstond geïnformeerd en geadviseerd over de door hen te nemen maatregelen ter bescherming van hun gezondheid, tenzij de normoverschrijding naar het oordeel van de toezichthouder geen nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het welzijn van de verbruikers.
2.
Indien de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet vaststelt dat leidingwater niet voldoet aan artikel 17j, eerste lid, ten gevolge van een oorzaak die gelegen is in een op zijn leidingnet aangesloten woninginstallatie, collectieve watervoorziening of collectief leidingnet, informeert hij terstond de eigenaar hiervan en adviseert hij deze over de te nemen herstelmaatregelen. Tevens informeert hij terstond de toezichthouder.
1.
Het nemen en analyseren van monsters ter uitvoering van dit hoofdstuk geschiedt overeenkomstig NEN 6265 of een gelijkwaardige methode.
2.
Een gelijkwaardige methode als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend toegepast na daartoe verkregen toestemming van de inspecteur. Bij de aanvraag worden alle voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de bedoelde methode relevante gegevens in de door de inspecteur aangegeven vorm aan hem overgelegd.
Artikel 17q
Bij de uitvoering van de risicoanalyse, bedoeld in artikel 17k, eerste of tweede lid, en vervolgens tenminste halfjaarlijks, onderzoekt de eigenaar van een collectieve watervoorziening onderscheidenlijk een collectief leidingnet het leidingwater op de aanwezigheid van legionellabacteriën bij de tappunten, bedoeld in artikel 17i, vierde lid. Het aantal in dit onderzoek te betrekken meetpunten wordt bepaald overeenkomstig bijlage G . De toezichthouder kan bepalen dat de meetfrequentie of het aantal in het onderzoek te betrekken meetpunten verlaagd of verhoogd wordt.
1.
De eigenaar draagt zorg, dat een arts zich belast met het geneeskundige onderzoek van die leden van het personeel bij zijn bedrijf, die geregeld werkzaamheden verrichten bij aanleg, herstel, onderhoud of controle van middelen tot winning van grondwater of van middelen tot behandeling, opslag, vervoer of distributie van water, voor zover zij bij het verrichten van deze werkzaamheden middellijk of onmiddellijk het water kunnen besmetten.
2.
Bij verschil van inzicht tussen de eigenaar en de inspecteur omtrent de beantwoording van de vraag, of een lid van het personeel ingevolge het bepaalde in het eerste lid aan geneeskundig onderzoek moet worden onderworpen, beslist de inspecteur.
1.
Het geneeskundige onderzoek, bedoeld in artikel 18, eerste lid, dat wordt verricht in verband met de indiensttreding of eerste tewerkstelling van personeelsleden voor werkzaamheden, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, omvat:
a. voor de indiensttreding of eerste tewerkstelling het opnemen van de anamnese;
b. voor de indiensttreding of eerste tewerkstelling ten minste één onderzoek van faeces en urine op de aanwezigheid van bacteriën van de geslachten Salmonella en Shigella;
c. voor of terstond na de indiensttreding of eerste tewerkstelling een nader onderzoek, als bedoeld onder b, met dien verstande, dat dit onderzoek wordt verricht na verloop van tenminste één week na het eerste onderzoek;
d. andere of nadere onderzoekingen op verlangen van de inspecteur.
2.
Ten aanzien van personeelsleden, die ingevolge artikel 12, onder b, der Waterleidingwet geen werkzaamheden verrichten, wordt een geneeskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 18, ingesteld, alvorens zij weder te werk worden gesteld.
Dit onderzoek omvat:
a. indien de inspecteur zulks verlangt, een of meer onderzoekingen, als bedoeld in het eerste lid, onder b ;
b. andere of nadere onderzoekingen op verlangen van de inspecteur.
3.
Het geneeskundige onderzoek, bedoeld in artikel 18, dat wordt verricht met betrekking tot personeelsleden, anders dan in de gevallen, als bedoeld in het eerste en tweede lid, omvat zodanige onderzoekingen, als de inspecteur nodig oordeelt. De inspecteur kan bepalen, dat deze onderzoekingen meermalen of periodiek worden verricht.
4.
Voor zover laboratoriumonderzoek dient te worden verricht ten behoeve van de in dit artikel bedoelde onderzoekingen, maakt de daarmede belaste arts gebruik van de diensten van het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid of van door Onze Minister of de inspecteur aan te wijzen laboratoria.
Artikel 20
De ziekten, bedoeld in artikel 11, eerste lid, der Waterleidingwet, zijn:
febris typhoïdea,
paratyfus B (salmonellose Schotmüller),
andere salmonellosen,
dysenteria amoebica,
dysenteria bacillaris,
hepatitis infectiosa,
poliomyelitis anterior acuta.
1.
De eigenaar houdt een register, waarin de namen, geboortedata, woonplaatsen, adressen en functies zijn vermeld van de leden van het personeel van zijn bedrijf, tot wier taak behoort werkzaamheden, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, te verrichten.
2.
De eigenaar zendt onverwijld afschriften van dit register en van alle daarin aangebrachte aanvullingen en wijzigingen aan degene, die is belast met het geneeskundige onderzoek en aan de inspecteur, voor zover deze zulks verlangen.
3.
De eigenaar stelt de inspecteur in kennis van de naam, de woonplaats en het adres van degene, die zich ingevolge artikel 18, eerste lid, met het geneeskundige onderzoek heeft belast.
4.
De eigenaar stelt degene, die is belast met het geneeskundige onderzoek en de inspecteur, voor zover deze zulks verlangt, in kennis van alle aangiften, welke hem ingevolge het bepaalde in artikel 11, tweede lid, der Waterleidingwet door de leden van het personeel van zijn bedrijf worden gedaan.
Artikel 22
Degene, die belast is met het geneeskundige onderzoek, is verplicht:
a. de inspecteur onverwijld in kennis te stellen van de resultaten daarvan, indien blijkt, dat besmetting met bacteriën van de geslachten Salmonella of Shigella aanwezig is of anamnestische verdenking bestaat betreffende besmetting met de verwekker van febris typhoïdea, paratyfus B (salmonellose Schottmüller) of dysenteria amoebica;
b. aan de inspecteur alle door deze met betrekking tot het geneeskundige onderzoek gevraagde inlichtingen te verstrekken.
1.
De eigenaar kan tegen een beschikking, als bedoeld in de artikelen 18, tweede lid en 19, eerste lid, onder d, tweede lid, onder b, en derde lid, bij Onze Minister administratief beroep instellen. Het beroep schorst de verplichting tot het voldoen aan de beslissing, tenzij de inspecteur daarbij heeft bepaald, dat zij ongeacht beroep moet worden uitgevoerd.
2.
Voor zover maatregelen zijn genomen ingevolge een beslissing, als bedoeld in het tweede lid, laatste zinsnede, welke nadien door Onze Minister in beroep is vernietigd, vergoedt het Rijk de schade, door deze maatregelen aan de eigenaar veroorzaakt.
1.
In de gevallen, waarin Onze Minister ontheffing verleent als bedoeld in de artikelen 2, 4c of  17e, wordt hiervan mededeling gedaan in de Staatscourant, in een of meer landelijke dagbladen en in een of meer regionale dagbladen.
2.
Indien toepassing is gegeven aan artikel 4c informeert de houder van de ontheffing de betrokken verbruikers over de ontheffingverlening en adviseert hij zo nodig specifiek gevoelige bevolkingsgroepen over door hen te nemen maatregelen ter bescherming van hun gezondheid.
1.
Gegevens als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 11 en 17a zijn uiterlijk vier weken nadat deze bij de eigenaar of de eigenaar van een collectief leidingnet bekend zijn geworden voor een ieder toegankelijk.
2.
De eigenaar of de eigenaar van een collectief leidingnet, die op grond van artikel 6 verplicht is tot het opstellen van een meetprogramma, stelt jaarlijks voor 1 april een overzicht op van de kwaliteit van het door hem geleverde leidingwater in het voorgaande kalenderjaar. Dit overzicht is openbaar en ligt ter inzage op een voor een ieder toegankelijke plaats. Het eerste overzicht stelt hij op voor 1 april 2003.
Artikel 29
Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel "Waterleidingbesluit".
1.
Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
2.
Voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan kan de inwerkingtreding op verschillende tijdstippen worden vastgesteld.
Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 7 juni 1960
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Uitgegeven de dertigste augustus 1960.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk III. Technische en hygiënische voorschriften
+ Hoofdstuk IIIA. Voorschriften voor de bereiding van leidingwater uit oppervlaktewater
+ Hoofdstuk IIIB. Regels met betrekking tot materialen en chemicaliën
+ Hoofdstuk IIIC. Regels met betrekking tot de preventie van legionella in leidingwater
+ Hoofdstuk IV. Voorschriften met betrekking tot de gezondheid van het personeel van waterleidingbedrijven
+ Hoofdstuk V. Regels met betrekking tot het informeren van consumenten over de kwaliteit van het leidingwater
+ Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken