1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
beheer: overheidszorg met betrekking tot een of meer afzonderlijke watersystemen of onderdelen daarvan, gericht op de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen;
beheerder: bevoegd bestuursorgaan van het overheidslichaam dat belast is met beheer;
bergingsgebied: krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen;
beschermingszone: aan een waterstaatswerkgrenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
bevoegd gezag: tot verlening van een watervergunning bevoegd bestuursorgaan, in voorkomend geval met toepassing van artikel 6.17;
buitenwater: water van een oppervlaktewaterlichaam waarvan de waterstand direct invloed ondergaat bij hoge stormvloed, bij hoog opperwater van een van de grote rivieren, bij hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer, dan wel bij een combinatie daarvan;
deltafonds: fonds, bedoeld in artikel 7.22a;
deltaprogramma: programma, bedoeld in artikel 4.9;
dijkring: stelsel van primaire waterkeringen dat, al dan niet tezamen met hoge gronden, beveiliging biedt tegen overstroming, in het bijzonder door buitenwater;
grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen;
grondwaterlichaam: samenhangende grondwatermassa;
infiltreren van water: in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater;
kaderrichtlijn water: richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327);
legger: legger als bedoeld in artikel 5.1;
onttrekken van grondwater: onttrekken van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting;
onttrekkingsinrichting: inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater;
Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
Onze Ministers: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu tezamen met Onze Minister van Economische Zaken, ieder voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren;
openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;
oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna;
primaire waterkering: waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming doordat deze behoort tot een dijkring ofwel vóór een dijkring is gelegen;
regionale wateren: watersystemen of onderdelen daarvan die niet in beheer zijn bij het Rijk;
rijkswateren: watersystemen of onderdelen daarvan die in beheer zijn bij het Rijk;
stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater;
stroomgebiedbeheerplan: plan als bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water;
stroomgebieddistrict: gebied als bedoeld in artikel 2, onderdeel 15, van de kaderrichtlijn water;
VN-Zeerechtverdrag: het op 10 december 1982 te Montego-Bay totstandgekomen Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83);
waterbeheer: de overheidszorg die is gericht op de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen;
waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk;
watersysteem: samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken;
watervergunning: vergunning als bedoeld in de artikelen 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, 6.13, 6.18 of 6.19;
zee: mariene wateren, met uitzondering van de binnenwateren van staten, met inbegrip van de zeebodem en ondergrond daarvan;
zuiveringtechnisch werk: werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk afvalwater.
2.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onttrekkingsinrichtingen die een samenhangend geheel vormen, als één onttrekkingsinrichting aangemerkt.
3.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen ten aanzien van de zee wordt onder oppervlaktewaterlichaam mede begrepen de ondergrond van de zeebodem.
Inhoudsopgave
- Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen
+ Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer
+ Hoofdstuk 4. Plannen
+ Hoofdstuk 4a. Deltaprogramma
+ Hoofdstuk 5. Aanleg en beheer van waterstaatswerken
+ Hoofdstuk 6. Handelingen in watersystemen
+ Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
+ Hoofdstuk 8. Handhaving
+ Hoofdstuk 9
+ Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht