Let op. Deze wet is vervallen op 1 december 2015. U leest nu de tekst die gold op 30 november 2015.

Wet aanleg locaalspoor- en tramwegen

Uitgebreide informatie
Wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk
Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is voorschriften te geven omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. spoorwegen alle spoorwegen, ten aanzien waarvan eene door Ons of met Onze machtiging verleende concessie tot aanleg van en uitoefening van den dienst op den spoorweg van kracht is, en waarop ingevolge die concessie uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd;
b. wegen alle openbare wegen met al hetgeen daartoe behoort, met uitzondering van de wegen onder beheer van het Rijk;
c. concessionaris hij, die voorzien is van eene concessie, als bedoeld bij letter a .
1.
Gedeputeerde Staten beschikken op verzoeken om vergunning tot aanleg en instandhouding of tot instandhouding van een spoorweg op wegen in hunne provincie.
2.
Op de voorbereiding van de beschikking is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3.
De kosten, voor de provincie uit toepassing van dit artikel voortvloeiende, worden haar door den concessionaris vergoed.
1.
De vergunning mag niet in strijd zijn met de concessie, bedoeld bij artikel 1, letter a.
2.
Voor zooveel zoodanige strijd door wijziging van de concessie mocht ontstaan, dragen Gedeputeerde Staten zorg voor wijziging van de vergunning.
Artikel 6
Vordert de uitvoering van de vergunning eenige bemoeiing van gedeputeerde staten, van colleges van burgemeesters en wethouders onderscheidenlijk gemeenteraden of van besturen van waterschappen, dan wordt door deze besturen het daartoe noodige verricht.
1.
Een ieder is verplicht te gedoogen, dat spoorwegen op wegen met inachtneming van een vergunning als bedoeld in artikel 2, worden aangelegd en in stand gehouden.
2.
De schade, welke daaruit voor de beheerders der wegen of voor andere daarop recht hebbenden mocht voortvloeien, wordt hun door den concessionaris vergoed.
3.
De vordering daartoe moet worden ingesteld voor den rechter van het kanton, of, ter keuze van den eischer, van een der kantons, waarin de weg is gelegen.
4.
Van de uitspraak van den kantonrechter is hooger beroep toegelaten.
5.
De bepalingen, voor burgerlijke twistgedingen geldende, zijn op de twistgedingen, bij dit artikel bedoeld, van toepassing, voor zooveel daarvan bij het derde en vierde lid niet is afgeweken.
1.
Met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij, die een spoorweg op een weg aanlegt of in stand houdt zonder vergunning of anders dan met inachtneming van een vergunning als bedoeld in artikel 2.
2.
Met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij, die in strijd handelt met de verplichting in het eerste lid van artikel 7 omschreven.
3.
[Vervallen.]
4.
De bij dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtreding.
Artikel 9
Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de hoofdingenieurs, ingenieurs, adjunct-ingenieurs, hoofdopzichters en opzichters van de provinciale waterstaat. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
Artikel 10
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van deze wet.
Artikel 11
Artikel 8 is niet van toepassing:
a. voor zooveel Gedeputeerde Staten tijdens de behandeling van een verzoek om vergunning toestaan, dat voorloopig met aanleg van een spoorweg wordt aangevangen of een spoorweg in stand wordt gehouden. Op hetgeen wordt toegestaan is artikel 7 van toepassing;
b. ten aanzien van spoorwegen, welke bij het in werking treden dezer wet in aanleg zijn of in stand worden gehouden met goedvinden van hen, die tot dat tijdstip bevoegd waren daaromtrent te beschikken. De te dier zake bestaande regelingen blijven van kracht, totdat zij worden vervangen door vergunningen, als bedoeld in artikel 2.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, den 15den December 1917
De Minister van Waterstaat,
Uitgegeven den achtsten Januari 1918.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken