1.
De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt op aanvraag inkomensondersteuning met ingang van de dag waarop de aanvraag werd ingediend, doch niet voor de dag waarop recht op arbeidsondersteuning ontstaat.
2.
In afwijking van het eerste lid ontvangt de jonggehandicapte de inkomensondersteuning, bedoeld in het eerste lid, niet eerder dan de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de voorwaarden, bedoeld in het derde en vierde lid, voldoet.
3.
De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt inkomensondersteuning als bedoeld in het eerste lid indien en zolang hij:
a. meewerkt aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn inschakeling in de arbeid, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid.
b. meewerkt aan aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoonsgebonden voorzieningen die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid en zo nodig tracht die aanpassing en die voorzieningen te verkrijgen;
c. meewerkt aan het opstellen van het participatieplan;
d. voldoet aan verplichtingen die zijn opgenomen in het participatieplan;
e. algemeen geaccepteerde arbeid verricht wanneer hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld;
f. in voldoende mate tracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
g. geen eisen stelt in verband met door hem te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren.
4.
De jonggehandicapte die niet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, ontvangt geen inkomensondersteuning zolang hij geen algemeen geaccepteerde arbeid verricht.
5.
Onder de in het derde lid, onderdeel e, f en g, bedoelde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
6.
De voorwaarden, bedoeld in het derde en vierde lid, zijn niet van toepassing op de persoon die een dienstbetrekking heeft als bedoeld in hoofdstuk 2 of  3 van de Wet sociale werkvoorziening of die naar het oordeel van het UWV niet in staat is tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel a, wordt niet als inschakeling in de arbeid beschouwd inschakeling in arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening.
7.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan jonggehandicapten die recht hebben op arbeidsondersteuning in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, f of g.
1.
De inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:39, eerste lid, bedraagt per dag:
a. bij een inkomen per dag van minder dan 20% van het minimumloon: 0,5 * G;
b. bij een inkomen per dag van ten minste 20% van het minimumloon maar minder dan 80% van het minimumloon: 0,5 * G - 0,5 * (I - 0,2 * G); en
c. bij een inkomen per dag van ten minste 80% van het minimumloon: G – I,
waarbij G staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
2.
Indien de jonggehandicapte aantoont dat hem niet kan worden verweten dat hij een inkomen per dag verwerft van minder dan 20% van het minimumloon, dan bedraagt, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de inkomensondersteuning per dag: 0,7 * G - I, waarbij G staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
1.
In afwijking van artikel 2:40, eerste lid, bedraagt de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:39, eerste lid, van de jonggehandicapte die op grond van artikel 2:37 opnieuw is beoordeeld, per dag:
a. indien de jonggehandicapte een resterende verdiencapaciteit heeft van minder dan 30% van de grondslag:
0,7 * G, als het inkomen per dag lager is dan de resterende verdiencapaciteit; en
G – I, als het inkomen per dag ten minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit; en
b. indien de jonggehandicapte een resterende verdiencapaciteit heeft die ten minste gelijk is aan 30% van de grondslag:
waarbij G staat voor de grondslag, I voor het inkomen per dag en R voor de resterende verdiencapaciteit.
0,7 * G + 0,3 * G * I/R – I, als het inkomen per dag lager is dan de resterende verdiencapaciteit, en
G – I, als het inkomen per dag ten minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit,
2.
In het eerste lid, onderdeel b, is I/R ten hoogste gelijk aan 1.
1.
De inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:39, eerste lid, van de jonggehandicapte, die op grond van artikel 2:37 opnieuw is beoordeeld, ten aanzien van wie loondispensatie als bedoeld in artikel 2:20, is verkregen en die noodzakelijke persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2:22, tweede lid, onderdeel d, geniet, of zou hebben genoten wanneer de jonggehandicapte niet reeds op grond van een andere regeling deze ondersteuning zou genieten, bedraagt in afwijking van artikel 2:41, per dag:
a. bij een resterende verdiencapaciteit van minder dan 50% van de grondslag:
M – I, maar ten hoogste 0,7 * G, als het inkomen per dag lager is dan de resterende verdiencapaciteit; en
G – I, als het inkomen per dag ten minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit; en
b. bij een resterende verdiencapaciteit die ten minste gelijk is aan 50% van de grondslag:
waarbij G staat voor de grondslag, I voor het inkomen per dag, R voor de resterende verdiencapaciteit, L voor het bij de arbeid die de jonggehandicapte verricht rechtens geldende loon per maand gedeeld door G en M voor het bij de arbeid die de jonggehandicapte verricht rechtens geldende loon gedeeld door 21,75, waarbij M ten hoogste 1,2 * G is.
0,7 * G + (L - 0,7) * G * I/R – I, als het inkomen per dag lager is dan de resterende verdiencapaciteit; en
M – I, als het inkomen per dag ten minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit,
2.
In het eerste lid, onderdeel b, is L ten minste gelijk aan 1 en ten hoogste aan 1,2, en is I/R ten hoogste 1.
3.
Het eerste lid is eveneens van toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte die:
a. geen begeleiding meer op zijn werkplek heeft als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Wet sociale werkvoorziening, maar ten aanzien van wie wel loondispensatie als bedoeld in artikel 2:20, is verkregen, zolang hij werkzaam blijft in de dienstbetrekking waarvoor die begeleiding was verkregen; of
b. geen noodzakelijke persoonlijke ondersteuning meer geniet als bedoeld in het eerste lid, maar ten aanzien van wie wel loondispensatie als bedoeld in artikel 2:20, is verkregen, zolang hij werkzaam blijft in de dienstbetrekking waarvoor die persoonlijke ondersteuning was verkregen.
1.
In afwijking van de artikelen 2:40, 2:41 en 2:42 ontvangt de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning, inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 2:44:
a. indien hij aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ;
b. indien hij aanspraak heeft op een financiële voorziening als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. indien hij aanspraak heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; of
d. indien de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet voor hem aanspraak heeft op kinderbijslag op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, van die wet.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de jonggehandicapte door zijn handelen of nalaten geen aanspraak heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, dan wel door handelen of nalaten van de jonggehandicapte of verzekerde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, deze verzekerde geen aanspraak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, heeft.
3.
De artikelen 2:31, eerste lid, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, 2:32 en 2:39, tweede, derde en vierde lid, zijn tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip niet van toepassing op de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:44. Hoogte inkomensondersteuning tijdens studie of scholing
De inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:43 bedraagt per dag:
a. bij een inkomen per dag van ten hoogste 25% van het minimumloon: 25% van de grondslag; en
b. bij een inkomen per dag van meer dan 25% van het minimumloon: (0,25 * G) – (I-0,25 G) waarbij G staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
1.
De jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning en volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is ontvangt een uitkering, tenzij hij aanspraak heeft op inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 2:43.
2.
Artikel 2:39 is niet van toepassing op de jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
1.
De uitkering, bedoeld in artikel 2:45, bedraagt per dag:
a. bij een inkomen per dag van minder dan 20% van het minimumloon: 0,75 * G – I;
b. bij een inkomen per dag van ten minste 20% van het minimumloon maar minder dan 70% van het minimumloon: 0,55 * G – 0,5 * (I – 0,2 * G); en
c. bij een inkomen per dag van ten minste 70% van het minimumloon: G – I,
waarbij G staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
2.
Indien de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte gedurende een aaneengesloten termijn van twaalf kalendermaanden per dag een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan 20% van het maatmaninkomen, roept het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de jonggehandicapte op voor een onderzoek naar het voortbestaan van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op bij ministeriële regeling te bepalen groepen volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1a. Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten
- Hoofdstuk 2. Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten ingestroomd van 2010 tot en met 2014
+ Hoofdstuk 3. Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten ingestroomd voor 2010
+ Hoofdstuk 3A. Tegemoetkoming arbeidsongeschikten
+ Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
+ Hoofdstuk 5. Financiering
+ Hoofdstuk 6. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
+ Hoofdstuk 7. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht