1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt vast of recht op arbeidsondersteuning op grond van artikel 2:15 ontstaat.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die door de jonggehandicapte bij de aanvraag worden verstrekt.
Artikel 2:48. Aanvraag inkomensondersteuning
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt vast of aanspraak op inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 2:39, eerste lid, bestaat.
1.
De inkomensvoorziening wordt betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt in tijdvakken van een maand.
2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van de inkomensvoorziening op of schorst de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. aanspraak op inkomensvoorziening niet of niet meer bestaat;
b. aanspraak op een lagere inkomensvoorziening bestaat;
c. de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in de artikelen 2:7, 2:8, 2:31 of 2:32 niet of niet behoorlijk is nagekomen;
d. een instelling als bedoeld in artikel 2:55 een verplichting als bedoeld in artikel 2:7, niet of niet behoorlijk is nagekomen.
3.
Indien de inkomensvoorziening, bedoeld in het eerste lid, in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
4.
Indien de jonggehandicapte, aan wie een inkomensvoorziening is toegekend, een ander machtigt om de inkomensvoorziening in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstijdvak, aanvangende na de dag waarop de machtiging door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ontvangen, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk de mededeling.
1.
Een herziening van een inkomensvoorziening als gevolg van een herziening van de grondslag van het minimumloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene inkomensvoorziening, bedoeld in het eerste lid, bij de eerstvolgende betaling nadat de grondslag van het minimumloon is herzien.
Artikel 2:51. Verhoging bij hulpbehoevendheid
Indien de jonggehandicapte, die een inkomensvoorziening op grond van dit hoofdstuk ontvangt en die slechts in staat is om met arbeid minder dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen, verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, wordt de inkomensvoorziening voor de duur van die hulpbehoevendheid verhoogd door vermenigvuldiging met ten hoogste de factor 100/75. De eerste zin vindt geen toepassing, indien de jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen.
1.
De jonggehandicapte die behoort tot een bij ministeriële regeling te bepalen categorie heeft recht op een tegemoetkoming.
2.
De tegemoetkoming wordt verstrekt in aanvulling op de inkomensvoorziening.
3.
Bij ministeriële regeling worden in ieder geval regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de tegemoetkoming en de betaling van de tegemoetkoming.
4.
De tegemoetkoming wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
5.
De betaling van de tegemoetkoming vindt plaats binnen een maand nadat het recht op de tegemoetkoming is vastgesteld en geschiedt vervolgens in dezelfde termijnen als die waarin de betaling van de inkomensvoorziening plaatsvindt.
1.
De jonggehandicapte die over een maand recht heeft op inkomensvoorziening, heeft over die maand recht op vakantiebijslag.
2.
De vakantiebijslag bedraagt acht procent van het bedrag aan inkomensvoorziening waarop recht bestond. De betaling van de vakantiebijslag vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei, of, indien het recht op arbeidsondersteuning eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand.
3.
Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het in het tweede lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de inkomensvoorziening waarop recht bestaat over het tijdvak aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat.
4.
De vakantiebijslag wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.
6.
Het eerste tot en met het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 2:56.
1.
Indien de jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Wet langdurige zorg en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de inkomensondersteuning tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de jonggehandicapte zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
2.
Indien de jonggehandicapte, aan wie een inkomensvoorziening is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de inkomensvoorziening aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden inwilligen.
3.
Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de inkomensvoorziening, dat niet aan het Zorginstituut Nederland wordt betaald.
4.
Een herziening van de betaling van de inkomensvoorziening op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
1.
Is van de aanvrager of ontvanger van een inkomensvoorziening bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een adres in Nederland bekend, terwijl in de basisregistratie personen ambtshalve is opgenomen dat hij is vertrokken naar een onbekend land van verblijf, dan verzoekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem de afwijkende registratie in de basisregistratie personen binnen een redelijke termijn ongedaan te laten maken.
2.
Wanneer na afloop van deze termijn, de afwijkende registratie niet is beëindigd of als uit de basisregistratie personen niet blijkt dat het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de gegevens over het adres in onderzoek heeft genomen, schort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de betaling van de inkomensvoorziening aan de persoon, aan wie de inkomensvoorziening is toegekend, op.
3.
De opschorting wordt beëindigd zodra is vastgesteld dat de persoon, bedoeld in het tweede lid, in het buitenland woont of verblijft of dat een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen.
4.
Indien het onderzoek van het college van burgemeester en wethouders is afgerond en de persoon, bedoeld in het tweede lid, in de basisregistratie personen ambtshalve opgenomen blijft met gegevens over het vertrek uit Nederland, schort uit Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de betaling van de inkomensvoorziening op tot verblijf in het buitenland kan worden vastgesteld of een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen.
1.
Na het overlijden van de jonggehandicapte, aan wie een inkomensvoorziening is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden, de inkomensvoorziening in de vorm van een overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde.
2.
De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de inkomensvoorziening over één maand, doch niet over de zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die inkomensvoorziening op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden van de jonggehandicapte.
3.
In verband met het overlijden van de jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is toegekend, is artikel 2:11, eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing.
4.
De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in het eerste lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaald.
5.
De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens betaald.
6.
Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan inkomensvoorziening dat over na het overlijden gelegen dagen reeds is betaald.
Artikel 2:57. Verjaringstermijn
Inkomensvoorzieningen op grond van dit hoofdstuk die niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag van betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen herziet beschikkingen op grond van dit hoofdstuk of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet nakomen van de artikelen 2:7, 2:8, 2:31 en 2:32 en de daarop berustende bepalingen het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of een inkomensvoorziening ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 2:22, 2:23, 2:25 of 2:26 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins het recht op arbeidsondersteuning ten onrechte of een inkomensvoorziening tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
2.
Indien een voorziening als bedoeld in artikel 2:23 in de vorm van een subsidie wordt verstrekt, wijzigt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de beschikking tot vaststelling van de subsidie of trekt het die beschikking in, indien sprake is van een omstandigheid als bedoel in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel a, b, of c, van de Algemene wet bestuursrecht.
3.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
1.
Een inkomensvoorziening die op grond van dit hoofdstuk onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 2:58 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
2.
In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
3.
De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid.
4.
De in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van degene van wie wordt teruggevorderd in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid.
5.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
6.
Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
7.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
2.
Artikel 3:43 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de persoon gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
3.
Artikel 3:44 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2:61. Nadere regels
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
1.
In afwijking van artikel 2:59 kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op verzoek van degene van wie wordt teruggevorderd, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien bij medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat degene van wie wordt teruggevorderd niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd betaalde inkomensvoorziening ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet; en
e. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door degene van wie wordt teruggevorderd van de verplichting, bedoeld in artikel 2:7, en hiervoor een boete is opgelegd als bedoeld in artikel 2:69, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht .
3.
Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van degene van wie wordt teruggevorderd gewijzigd indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. degene van wie wordt teruggevorderd zijn schuld aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
Artikel 2:63. Preferentie
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 2:59 en 2:62 is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
1.
Een inkomensvoorziening op grond van dit hoofdstuk en een voorziening als bedoeld in de artikelen 2:22, 2:23, 2:25 of 2:26 zijn onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
2.
Volmacht tot ontvangst van een inkomensvoorziening op grond van dit hoofdstuk onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
3.
Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.
Artikel 2:65. Niet voor beslag vatbare verstrekkingen
De voorzieningen, bedoeld in de artikelen 2:22, 2:23, 2:25 en 2:26, de verhoging, bedoeld in artikel 2:51, alsmede de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 2:56, zijn niet vatbaar voor beslag.
1.
Een boete, opgelegd op grond van de Algemene Kinderbijslagwet , de Algemene nabestaandenwet , de Algemene Ouderdomswet , de Toeslagenwet , de Werkloosheidswet , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Ziektewet , die verrekend kan worden met een uitkering op grond van deze wet, kan tevens verrekend worden met een inkomensvoorziening.
2.
Onverminderd het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 1a. Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten
- Hoofdstuk 2. Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten ingestroomd van 2010 tot en met 2014
+ Hoofdstuk 3. Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten ingestroomd voor 2010
+ Hoofdstuk 3A. Tegemoetkoming arbeidsongeschikten
+ Hoofdstuk 4. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
+ Hoofdstuk 5. Financiering
+ Hoofdstuk 6. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
+ Hoofdstuk 7. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht