Wet van 24 juni 1939, houdende regelen teneinde te waarborgen, dat Nederland, in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, in voldoende mate de beschikking blijft behouden over scheepsruimte
Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen, teneinde te waarborgen, dat Nederland, in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, in voldoende mate de beschikking blijft behouden over scheepsruimte;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
b. «binnenschepen»: binnenschepen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
c. «binnenschepen, die in Nederland thuisbehoren»: binnenschepen in de zin van artikel 3, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek die voldoen aan tenminste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 784, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek.
1.
Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 2, 3, 4 en 8 in werking worden gesteld.
2.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3.
Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.
Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5.
Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.
6.
Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad .
1.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan verbieden op enigerlei wijze te bewerken of ertoe mede te werken, dat een binnenschip, dat in Nederland thuisbehoort, zonder door of namens hem verleende vergunning:
a. zijn hoedanigheid van binnenschip, dat in Nederland thuisbehoort, verliest;
b. in eigendom, in gebruik of ter beschikking wordt overgedragen;
c. een vaart, een reis of een reeks van reizen aanvangt, welke niet geheel binnen Nederland valt;
d. een vaart, een reis of een reeks van reizen vervolgt, welke niet geheel binnen Nederland valt, indien deze vaart, reis of reeks van reizen was aangevangen vóór het in werking treden van het verbod.
2.
De in het eerste lid omschreven bevoegdheden komen insgelijks toe aan Onze Minister van Defensie; hij maakt hiervan evenwel slechts gebruik na overleg met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 3
Een verbod, als bedoeld in artikel 2, kan ook uitsluitend bepaalde schepen of groepen van schepen betreffen.
1.
Bij het aanvragen van een vergunning betreffende een vaart, een reis of een reeks van reizen, moeten deze nauwkeurig worden omschreven.
2.
Aan de in artikel 2 bedoelde vergunningen kunnen voorschriften worden verbonden. Beschikbaarstelling van scheepsruimte zal niet als voorschrift gesteld worden.
3.
Het verleenen van een vergunning laat onverkort iedere wettelijke bevoegdheid tot het vorderen van schepen of scheepsruimte.
4.
Onze in artikel 2 genoemde Ministers gedragen zich bij het verleenen en onthouden van vergunningen tot handelingen, als omschreven in lid 1, onder a en b , van dat artikel, naar regelen bij algemeenen maatregel van bestuur gesteld.
1.
Hij die door handelen of nalaten een verbod, als bedoeld in artikel 2, opzettelijk overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste € 4 500.
2.
Hij aan wiens schuld te wijten is, dat een verbod, als bedoeld in artikel 2, wordt overtreden, hetzij door hemzelf, hetzij door een ander, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste € 2 250.
3.
De bij dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven.
4.
Dit artikel is ook van toepassing op feiten, buiten Nederland gepleegd.
5.
Niet strafbaar is de overtreding van een verbod, als bedoeld in artikel 2, voorzoover betreft het aanvangen of vervolgen van een vaart, een reis of een reeks van reizen in het buitenland, indien kan worden aannemelijk gemaakt, dat gedurende vijf dagen onmiddellijk hieraan voorafgaande, geenerlei berichtgeving tusschen het schip en Nederland mogelijk is geweest.
1.
Hij die een voorwaarde, als bedoeld in artikel 4, lid 2, opzettelijk niet nakomt, dan wel door handelen of nalaten opzettelijk bewerkt of opzettelijk medebewerkt, dat een zoodanige voorwaarde niet wordt nagekomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste € 4 500.
2.
Hij aan wiens schuld te wijten is, dat een voorwaarde, als bedoeld in artikel 4, lid 2, niet wordt nagekomen, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste € 2 250.
3.
De bij dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven.
4.
Dit artikel is ook van toepassing op feiten, buiten Nederland gepleegd.
1.
Met de opsporing van de bij of krachtens deze rijkswet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast:
a. de officieren der Koninklijke Marine, behoorende tot het Korps zeeofficieren, en, voorzoover zij in werkelijken dienst zijn, de tot dit Korps behoorende officieren der Koninklijke Marine Reserve;
b. de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie en de daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat en van Rijkswaterstaat;
c. de ambtenaren der Invoerrechten en Accijnzen;
d. de Nederlandsche consulaire ambtenaren.
2.
Processen-verbaal opgemaakt door een ambtenaar als bedoeld in onderdeel d, gelden als wettig bewijsmiddel, mits zij bevestigd worden door zijn daarin opgenomen schriftelijken eed (belofte).
Artikel 8
De artikelen 5:13, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde ambtenaren in Nederland.
Artikel 10
Deze wet kan worden aangehaald onder den titel "Wet behoud scheepsruimte 1939".
1.
De tijdstippen van inwerkingtreding dezer wet worden telkens door Ons bij besluit bepaald.
2.
Het besluit wordt in het Staatsblad en in de Nederlandsche Staatscourant geplaatst. Het treedt in werking met ingang van den dag der afkondiging in het Staatsblad , tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald.
3.
Na de afkondiging van een besluit bepalende een tijdstip van inwerkingtreding dezer wet wordt binnen veertien dagen een voorstel aan de Staten-Generaal gedaan om het besluit bij de wet te bekrachtigen. Het voorstel vermeldt tevens den tijdsduur, waarvoor de wet ten hoogste in werking zal zijn. Indien het voorstel wordt ingetrokken of door een van beide Kamers der Staten-Generaal verworpen, wordt het besluit terstond ingetrokken.
4.
Wij behouden Ons de bevoegdheid voor ten allen tijde de buitenwerkingtreding der wet bij besluit te bepalen. Het bepaalde in het tweede lid is hierop van toepassing.
5.
In afwijking van het in lid 1 omtrent de inwerkingtreding bepaalde, treedt deze wet voor de eerste maal in werking met ingang van den dag volgende op dien harer afkondiging voor den tijd van ten hoogste een jaar.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, den 24sten Juni 1939
De Minister van Economische Zaken,
De Minister van Waterstaat,
De Minister van Defensie,
Uitgegeven den dertigsten Juni 1939.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 1a
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht