Wet van 24 mei 2012, houdende regels met betrekking tot de financiering van het toezicht op de financiële markten (Wet bekostiging financieel toezicht)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is om de bekostiging van het financieel toezicht helder en in samenhang met andere bepalingen omtrent het financieel beheer van dit toezicht, overzichtelijk in één wet vast te leggen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
a. Autoriteit Financiële Markten: Stichting Autoriteit Financiële Markten;
b. de Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
c. de toezichthouder: Autoriteit Financiële Markten of de Nederlandsche Bank, ieder voor zover betrokken bij de uitvoering van taken ingevolge:
de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet ;
de Pensioenwet ;
de Pensioenwet BES ;
de Sanctiewet 1977 ;
de Wet bekostiging financieel toezicht;
de Wet financiële markten BES ;
de Wet giraal effectenverkeer ;
de Wet handhaving consumentenbescherming ;
de Wet inzake de geldtransactiekantoren ;
10° de Wet op het financieel toezicht ;
11° de Wet op het notarisambt ;
12° de Wet privatisering ABP ;
13° de Wet privatisering FVP ;
14° de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme ;
15° de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES ;
16° de Wet toezicht accountantsorganisaties ;
17° de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ;
18° de Wet toezicht financiële verslaggeving ;
19° de Wet toezicht trustkantoren ;
20° de Wet verplichte beroepspensioenregeling ;
21° de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 ;
22° EU-rechtshandelingen;
d. eenmalige toezichthandeling: een in bijlage I genoemde handeling van de toezichthouder, welke handeling plaatsvindt krachtens een van de wetten en besluiten, bedoeld in onderdeel c, uitgezonderd de onder 6° en 15° bedoelde wetten;
e. Onze Ministers: Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
f. overige kosten: het totaalbedrag aan kosten van de toezichthouder verminderd met:
de opbrengsten ter dekking van de kosten van eenmalige toezichthandelingen;
de kosten verband houdend met de betrokkenheid van de toezichthouder bij de wetten, bedoeld in onderdeel c, onder 6° en 15°;
de kosten verband houdend met de betrokkenheid van de toezichthouder bij de beoordeling, bedoeld in artikel 33, vierde lid, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287);
g. personen: natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen, waaronder personenvennootschappen, of daarmee vergelijkbare lichamen of samenwerkingsverbanden;
h. toezicht: de betrokkenheid van de toezichthouder bij de wetten en bindende besluiten, bedoeld in onderdeel c, alsmede de betrokkenheid van de toezichthouder bij de totstandkoming van nieuwe wetten en bindende besluiten die verband houden met de uitvoering van taken als toezichthouder.
Artikel 1a
Tot de betrokkenheid van de Nederlandsche Bank bij de uitvoering van taken ingevolge de in artikel 1, onderdeel c, genoemde wetten en de in dat onderdeel bedoelde EU-rechtshandelingen, wordt voor de toepassing van deze wet niet gerekend:
a. het toezicht door de Nederlandsche Bank ten aanzien van afwikkelondernemingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;
b. de uitvoering en handhaving, bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht, van regels gesteld bij of krachtens:
verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PbEU 2012 L 94);
de titels III, IV en V van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PbEU 2012, L 201).
1.
De toezichthouder zendt de begroting, bedoeld in artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, jaarlijks voor 1 december aan Onze Ministers.
2.
In de begroting neemt de toezichthouder een overzicht op waaruit de berekeningswijze van de overige kosten blijkt.
3.
In het overzicht, bedoeld in het tweede lid, maakt de Nederlandsche Bank onderscheid tussen:
a. de overige kosten voor het toezicht op personen die behoren tot de in bijlage II , onderdeel «Toezichthouder: De Nederlandsche Bank», opgenomen toezichtcategorieën, met uitzondering van de kosten, bedoeld in onderdeel c;
b. de overige kosten voor het toezicht op personen die behoren tot de in bijlage III , onderdeel «Toezichthouder: De Nederlandsche Bank», opgenomen toezichtcategorie, met uitzondering van de kosten, bedoeld in onderdeel c;
c. de overige kosten die verband houden met het voorbereiden van de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de zin van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 betreffende de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (PbEU 2014, L 225) en het Deel Bijzondere maatregelen financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezicht .
4.
De hoogte van de begroting, bedoeld in het eerste lid, is niet hoger dan de totale kosten van het toezicht zoals die blijken uit de laatst goedgekeurde begroting van de toezichthouder exclusief de kosten die verband houden met de betrokkenheid van de toezichthouder bij de uitvoering van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287) met daarbij opgeteld:
a. de kosten die verband houden met de betrokkenheid van de toezichthouder bij de uitvoering van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287);
b. loon- of prijsmutatie; en
c. de naar kosten herleide mutaties in het takenpakket.
Onze Ministers kunnen in bijzondere omstandigheden afwijken van hetgeen in dit artikel is bepaald en informeren de beide kamers der Staten-Generaal hier tijdig over.
5.
Voor de toepassing van artikel 27, vierde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt met betrekking tot de begroting van de Nederlandsche Bank voor «laatst goedgekeurde jaarrekening» gelezen: laatst goedgekeurde verantwoording als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht.
6.
De begroting van de Nederlandsche Bank heeft slechts betrekking op het toezicht.
1.
Goedkeuring als bedoeld in artikel 29 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt niet onthouden dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is gesteld de begroting aan te passen, binnen een door Onze Ministers gezamenlijk te stellen redelijke termijn.
2.
De toezichthouder doet na goedkeuring van de begroting onverwijld mededeling van de begroting in de Staatscourant en houdt de begroting gedurende ten minste twee jaar na goedkeuring op elektronische wijze ter inzage.
3.
Indien de begroting niet voor 1 januari van het begrotingsjaar waarop zij betrekking heeft, is goedgekeurd, kan de toezichthouder, zolang de begroting niet is goedgekeurd, voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die bij de overeenkomstige onderdelen van de begroting van het voorafgaande jaar waren toegestaan.
Artikel 4
Bij ministeriële regeling van Onze Ministers gezamenlijk kunnen regels worden gesteld voor de inrichting van de begroting.
1.
De Autoriteit Financiële Markten stelt de jaarrekening, bedoeld in artikel 34 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, jaarlijks voor 15 maart op.
2.
De Nederlandsche Bank stelt jaarlijks voor 15 maart een verantwoording op, waarin met betrekking tot het toezicht rekening en verantwoording wordt afgelegd van het financieel beheer en van de geleverde prestaties over het verstreken boekjaar. De artikelen 34, tweede en derde lid, en 35, tweede tot en met vierde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
In afwijking van artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen gaat de jaarrekening van de Autoriteit Financiële Markten vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de Autoriteit Financiële Markten aangewezen registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep, die niet werkzaam is bij of verbonden is aan een accountantsorganisatie.
4.
De toezichthouder zendt de jaarrekening of verantwoording na goedkeuring door de Raad van toezicht, onderscheidenlijk de Raad van commissarissen, onverwijld aan Onze Ministers.
1.
Goedkeuring als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt niet onthouden dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is gesteld de jaarrekening of verantwoording aan te passen, binnen een door Onze Ministers gezamenlijk te stellen redelijke termijn.
2.
De toezichthouder doet na goedkeuring van de jaarrekening, onderscheidenlijk de verantwoording, onverwijld mededeling van die jaarrekening of verantwoording in de Staatscourant en houdt de jaarrekening of verantwoording gedurende ten minste vijf jaar na goedkeuring op elektronische wijze ter inzage.
1.
De jaarrekening, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en de verantwoording, bedoeld in artikel 5, tweede lid, bevatten een opgave van het over het desbetreffende jaar gerealiseerde exploitatiesaldo, welk saldo overeenkomt met het verschil tussen de gerealiseerde baten en lasten.
2.
Tot de in een jaar gerealiseerde baten worden mede gerekend de in dat jaar verkregen opbrengsten uit verbeurde dwangsommen of opgelegde bestuurlijke boetes, met dien verstande dat, indien de beschikking waarbij de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd nog niet onherroepelijk is, de uit een verbeurde dwangsom of opgelegde bestuurlijke boete verkregen opbrengsten worden gerekend tot de gerealiseerde baten in het jaar waarin die beschikking onherroepelijk wordt.
3.
Voor zover de tot de gerealiseerde baten in een jaar te rekenen opbrengsten uit dwangsommen of bestuurlijke boetes het bedrag van € 2.500.000 te boven gaan, komen die opbrengsten toe aan de Staat. De toezichthouder draagt het aan de Staat verschuldigde bedrag af, zodra het besluit tot vaststelling van de desbetreffende jaarrekening overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is goedgekeurd.
4.
De door de toezichthouder verkregen opbrengsten uit dwangsommen of bestuurlijke boetes worden, voor zover zij ingevolge het tweede lid tot de in het desbetreffende jaar gerealiseerde baten worden gerekend en na aftrek van de ingevolge het derde lid aan de Staat toekomende opbrengsten, aan de in bijlage II , III en IV opgenomen toezichtcategorieën van die toezichthouder toegerekend waarbij de toerekening aan de toezichtcategorieën van de Nederlandsche Bank geschiedt naar rato van de voor dat jaar naar die bijlagen te herleiden verkregen opbrengsten uit dwangsommen of bestuurlijke boetes.
5.
In de opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgelegd:
a. het deel van het exploitatiesaldo dat is voortgekomen uit de betrokkenheid van de toezichthouder bij het toezicht ingevolge de wetten bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° en 15°, en
b. het deel van de opbrengsten verkregen uit dwangsommen of opgelegde bestuurlijke boetes, bedoeld in het derde lid, dat het bedrag van € 2.500.000 te boven gaat.
6.
De Nederlandsche Bank legt in de opgave, bedoeld in het eerste lid, tevens vast:
a. het deel van het exploitatiesaldo dat is voortgekomen uit het toezicht op de personen die behoren tot de in bijlage II , onderdeel «Toezichthouder: De Nederlandsche Bank», opgenomen toezichtcategorieën met uitzondering van het exploitatiesaldo, bedoeld in de onderdelen c en d;
b. het deel van het exploitatiesaldo dat is voortgekomen uit het toezicht op de personen die behoren tot de in bijlage III , onderdeel «Toezichthouder: De Nederlandsche Bank», opgenomen toezichtcategorie met uitzondering van het exploitatiesaldo, bedoeld in de onderdelen c en d;
c. het deel van het exploitatiesaldo dat is voortgekomen uit het voorbereiden van de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de zin van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 betreffende de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (PbEU 2014, L 225) en het Deel Bijzondere maatregelen financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezicht ;
d. het deel van het exploitatiesaldo dat verband houdt met het afwikkelen van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de zin van de verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 betreffende de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (PbEU 2014, L 225) en het Deel Bijzondere maatregelen financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezicht .
1.
Het door de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen op te stellen jaarverslag maakt deel uit van de verantwoording, bedoeld in artikel 5, tweede lid.
2.
De toezichthouder houdt het jaarverslag dan wel de verantwoording gedurende ten minste vijf jaren op elektronische wijze ter inzage.
3.
Bij ministeriële regeling van Onze Ministers gezamenlijk kunnen nadere regels worden gesteld voor de inrichting van het jaarverslag dan wel de verantwoording.
1.
De toezichthouder organiseert tweemaal per jaar overleg met een daarvoor in aanmerking komende representatieve vertegenwoordiging van de onder zijn toezicht staande personen. De toezichthouder kan tevens daarvoor in aanmerking komende cliëntenorganisaties toelaten tot het overleg. Ambtenaren kunnen namens Onze Ministers het overleg bijwonen.
2.
De toezichthouder maakt het verslag van het overleg binnen een redelijke termijn na het overleg openbaar.
1.
De toezichthouder brengt de kosten van het toezicht, uitgezonderd de kosten van zijn betrokkenheid bij de in artikel 1, onderdeel c, onder 6° en 15° bedoelde wetten en de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, subonderdeel 3°, in rekening bij:
a. personen die bij hem een aanvraag of melding hebben gedaan als gevolg waarvan de toezichthouder overgaat tot het verrichten van een eenmalige toezichthandeling zoals vastgelegd in bijlage I ;
b. personen die behoren tot een van de toezichtcategorieën, genoemd in bijlage II , III of IV .
2.
Tot de in rekening te brengen kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren mede de kosten die de toezichthouder maakt ter voorbereiding op een taak voordat deze aan hem werd opgedragen en de kosten die aan de toezichthouder zijn doorberekend.
1.
De door de toezichthouder te hanteren tarieven voor eenmalige toezichthandelingen zijn vastgelegd in bijlage I .
2.
De toezichthouder brengt het tarief, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk direct na ontvangst van de aanvraag of melding in rekening.
3.
De toezichthouder kan het tweede lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een reële en rechtvaardige kostendoorberekening, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het tweede en derde lid.
1.
Voor de toepassing van bijlage I wordt verstaan onder mkb-onderneming:
a. een onderneming die op grond van de laatste vastgestelde jaarrekening op het moment van de aanvraag of melding van de eenmalige toezichthandeling aan ten minste twee van de volgende drie criteria voldoet:
1°. een gemiddeld aantal werknemers gedurende het boekjaar van minder dan 250;
2°. een balanstotaal van ten hoogste € 43.000.000;
3°. een jaarlijkse netto-omzet van ten hoogste € 50.000.000.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de toepassing van onderdeel A9 emissies van bijlage I onder een mkb-onderneming verstaan: een uitgevende instelling waarvan op het moment van de aanvraag van de eenmalige toezichthandeling nog geen vastgestelde jaarrekening beschikbaar is, indien de totale tegenwaarde van de onder het prospectus aan te bieden effecten ten hoogste € 25.000.000 bedraagt.
3.
Indien de onderneming deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek, wordt bij de beoordeling of sprake is van een mkb-onderneming uitgegaan van de vastgestelde geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijke moeder.
4.
In afwijking van het eerste lid wordt een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden als bedoeld in verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L176) niet aangemerkt als mkb-onderneming.
1.
De toezichthouder brengt jaarlijks een bedrag in rekening aan de personen die behoren tot de in bijlage II , III en IV opgenomen toezichtcategorieën.
2.
De kosten die aan de in bijlage II , onderdeel «Toezichthouder: Autoriteit Financiële Markten» opgenomen toezichtcategorieën worden doorberekend, zijn gelijk aan de som van:
a. het totaal van de overige kosten zoals opgenomen in de voor het desbetreffende jaar vastgestelde en goedgekeurde begroting van de Autoriteit Financiële Markten, en
b. het exploitatiesaldo, bedoeld in artikel 7, eerste lid, over het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop de in onderdeel a bedoelde begroting betrekking heeft, verminderd met:
1°. het deel van het exploitatiesaldo, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel a;
2°. de aan de Staat toekomende opbrengsten, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, onderdeel b.
3.
De kosten die aan de in bijlage II , onderdeel «Toezichthouder: de Nederlandsche Bank» opgenomen toezichtcategorieën, worden doorberekend, zijn in enig jaar gelijk aan de som van:
a. het totaal van de overige kosten bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel a, zoals opgenomen in de voor het desbetreffende jaar vastgestelde en goedgekeurde begroting van de Nederlandsche Bank, verminderd met
b. het deel van de opbrengsten uit dwangsommen of bestuurlijke boetes dat overeenkomstig artikel 7, vierde lid, is toegerekend aan de in bijlage II opgenomen toezichtcategorie, en verminderd of verhoogd met
c. het deel van het exploitatiesaldo, bedoeld in artikel 7, zesde lid, onderdeel a.
4.
De kosten die aan de in bijlage III , onderdeel «Toezichthouder: de Nederlandsche Bank» opgenomen toezichtcategorieën, worden doorberekend, zijn in enig jaar gelijk aan de som van:
a. het totaal van de overige kosten bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, zoals opgenomen in de voor het desbetreffende jaar vastgestelde en goedgekeurde begroting van de Nederlandsche Bank, verminderd met
b. het deel van de opbrengsten uit dwangsommen of bestuurlijke boetes dat overeenkomstig artikel 7, vierde lid, is toegerekend aan de in bijlage III opgenomen toezichtcategorie, en verminderd of verhoogd met
c. het deel van het exploitatiesaldo, bedoeld in artikel 7, zesde lid, onderdeel b.
5.
De kosten die aan de in bijlage IV , onderdeel «Toezichthouder: de Nederlandsche Bank» opgenomen toezichtcategorieën, worden doorberekend, zijn in enig jaar gelijk aan de som van:
a. het totaal van de overige kosten, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel c, zoals opgenomen in de voor het desbetreffende jaar vastgestelde en goedgekeurde begroting van de Nederlandsche Bank, verminderd met
b. het deel van de opbrengsten uit dwangsommen of bestuurlijke boetes dat overeenkomstig artikel 7, vierde lid, is toegerekend aan de in bijlage IV opgenomen toezichtcategorie, en verminderd of verhoogd met
c. het deel van het exploitatiesaldo, bedoeld in artikel 7, zesde lid, onderdeel c.
6.
Het deel van het exploitatiesaldo, bedoeld in artikel 7, zesde lid, onderdeel d, brengt de toezichthouder in rekening op een of meer van de wijzen die zijn vastgelegd in artikel 22, zesde lid, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 betreffende de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (PbEU 2014, L 225).
7.
De kosten, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, worden aan de hand van de procentuele aandelen, zoals vastgesteld in bijlage II , III en IV , toegerekend aan de toezichtcategorieën, bedoeld in het eerste lid.
8.
De hoogte van een jaarlijks in rekening te brengen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald aan de hand van de maatstaven zoals vastgelegd in bijlage II , III en IV .
9.
Uiterlijk per 1 juni van ieder jaar worden, op voorstel van de toezichthouder, bij ministeriële regeling van Onze Ministers gezamenlijk, voor iedere te onderscheiden toezichtcategorie de bandbreedtes en tarieven vastgesteld. Bij de vaststelling van de bandbreedtes en de tarieven wordt rekening gehouden met het bedrag dat op grond van het tweede tot en met het vijfde en zevende lid is toegerekend aan de desbetreffende categorie.
10.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
1.
Het in artikel 13, eerste lid, bedoelde bedrag is evenredig met de overeenkomstig het tweede tot en met het vijfde lid te bepalen periode dat de betrokkene in het desbetreffende jaar deel uitmaakt van een van de in bijlage II , III of IV opgenomen toezichtcategorieën.
2.
Met uitzondering van de toezichtcategorieën «Effectenuitgevende instellingen: markt» en «Effectenuitgevende instellingen: verslaggeving» is de periode, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan de tijdsduur dat die persoon over een door de toezichthouder afgegeven vergunning of verklaring van ondertoezichtstelling beschikt dan wel dat die persoon op grond van een wettelijke verplichting bij de toezichthouder is geregistreerd.
3.
Voor een persoon die behoort tot de in bijlage II opgenomen toezichtcategorie «Effectenuitgevende instellingen: markt» is de periode, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan de tijdsduur waarin zijn effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, of op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht.
4.
Voor een persoon die op enig moment in een jaar behoort tot de in bijlage II opgenomen toezichtcategorie «Effectenuitgevende instellingen: verslaggeving» is de periode, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan een heel kalenderjaar.
5.
Een persoon behoort in enig kalenderjaar tot de in bijlage II opgenomen toezichtcategorie «Effectenuitgevende instellingen: verslaggeving», indien:
a. in dat jaar zijn jaarrekening is vastgesteld en tevens door hem uitgegeven effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of de handel op een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht; of
b. hij in dat jaar op grond van artikel 5:25m, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, een persbericht heeft uitgebracht over het algemeen verkrijgbaar gesteld zijn van de door hem opgemaakte jaarlijkse financiële verslaggeving, bedoeld in artikel 5:25c van de Wet op het financieel toezicht.
1.
Indien de toezichthouder een ingevolge artikel 13 in rekening te brengen bedrag vanwege een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een persoon niet langer in rekening kan brengen aan die persoon, brengt de toezichthouder het bedrag in rekening bij de persoon die bij die fusie het vermogen van eerstgenoemde persoon heeft verkregen.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een persoon die in het kader van collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 83, 84, of 90 van de Pensioenwet of artikel 91, 92, of 98 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling vermogen heeft overgedragen aan een andere persoon.
3.
Indien een persoon als bedoeld in bijlage IV in afwikkeling wordt geplaatst en in dat kader vermogen overgaat, zal de toezichthouder een ingevolge artikel 13 oorspronkelijk in rekening te brengen dan wel gebracht bedrag bij die persoon naar rato van de omvang van het vermogen dat is overgegaan, en rekening houdend met het tijdstip per wanneer de overgang van het vermogen heeft plaatsgevonden, verrekenen met de persoon die dat vermogen heeft verkregen.
1.
De toezichthouder kan aan de betrokken financiële onderneming een bedrag in rekening brengen ter vergoeding van de kosten die hij maakt voor de toepassing van de artikelen 1:76 en 1:76a van de Wet op het financieel toezicht.
2.
De hoogte van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt per geval vastgesteld door de toezichthouder en wordt op een zodanige wijze gespecificeerd dat daaruit blijkt dat het is gebaseerd op de voor het toezicht op de desbetreffende financiële onderneming werkelijk gemaakte kosten.
1.
De Nederlandsche Bank brengt de kosten verband houdend met haar betrokkenheid bij de beoordeling, bedoeld in artikel 33, vierde lid, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287), in rekening bij de banken die onderwerp zijn van de in dat artikel bedoelde beoordeling.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de doorberekening van de in het eerste lid bedoelde kosten.
Artikel 18
[Wijzigt Wet inzake de geldtransactiekantoren.]
Artikel 19
[Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.]
Artikel 20
[Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties.]
Artikel 21
[Wijzigt de Wet toezicht effectenverkeer 1995.]
Artikel 22
[Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving.]
Artikel 23
[Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren.]
Artikel 24
[Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling.]
Artikel 25
[Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet.]
Artikel 26
[Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.]
Artikel 27
[Wijzigt de Wet privatisering FVP.]
Artikel 29
[Wijzigt deze wet.]
1.
Van een op het moment van inwerkingtreding van deze wet nog niet verrekend exploitatiesaldo van de toezichthouder, wordt:
a. het op grond van het voormalige bekostigingssysteem aan de Staat der Nederlanden toe te rekenen deel van het exploitatiesaldo alsnog met de Staat der Nederlanden verrekend;
b. het op grond van het voormalige bekostigingssysteem aan personen toe te rekenen deel van het exploitatiesaldo alsnog met deze personen verrekend.
2.
Onze Minister van Financiën kan beslissen om het eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing te verklaren op een door hem nader aan te duiden deel van het exploitatiesaldo dat op grond van het voormalige bekostigingssysteem voor toerekening aan personen in aanmerking zou komen, in welk geval dat nader aangeduide deel wordt verrekend met de Staat der Nederlanden.
3.
De toezichthouder brengt de kosten van eenmalige toezichthandelingen waarvoor de aanvraag dan wel de melding is ontvangen voor het moment van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het voormalige bekostigingssysteem in rekening.
4.
De toezichthouder brengt zijn kosten, niet zijnde de kosten, bedoeld in het derde lid, die betrekking hebben op een periode die voorafgaat aan het jaar waarin deze wet in werking treedt, overeenkomstig het voormalige bekostigingssysteem in rekening.
5.
De bedragen die de toezichthouder op grond van gemaakte afspraken gespreid over meerdere jaren met onder toezicht staande ondernemingen verrekent, worden voor zover zij bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet zijn verrekend, verrekend op een wijze zoals oorspronkelijk is afgesproken.
6.
Ingeval een gerechtelijke uitspraak leidt tot een onherroepelijke neerwaartse bijstelling van een door de toezichthouder opgelegde heffing, zal de toezichthouder het als gevolg van die uitspraak te restitueren bedrag verrekenen met de Staat der Nederlanden ingeval de heffing betrekking heeft op een periode die gelegen is voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.
Artikel 31
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 32
Deze wet wordt aangehaald als: Wet bekostiging financieel toezicht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 24 mei 2012
De Minister van Financiën,
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de veertiende juni 2012
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 1a
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 12a
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Artikel 29
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht