Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling

Uitgebreide informatie
Wet van 29 juni 1972, betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling vast te stellen betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. beroepsgenoot: een natuurlijk persoon, die in een bepaalde tak van beroep het tot die tak van beroep behorende beroep uitoefent;
c. pensioen: ouderdoms-, invaliditeits-, weduwen-, weduwnaars-, partner- en wezenpensioen alsmede pensioen ten behoeve van de achtergebleven geregistreerde partner;
d. beroepspensioenregeling: een regeling van pensioen in de betrokken tak van beroep ten behoeve van beroepsgenoten en gewezen beroepsgenoten;
e. rechtspersoon: de rechtspersoon als in artikel 2, derde lid, bedoeld;
f. beroepspensioenfonds: een in een tak van beroep werkend fonds, dat is opgericht ter uitvoering van een beroepspensioenregeling;
g. deelnemer: ieder, die ingevolge de statuten en enig pensioenreglement, vastgesteld voor een beroepspensioenregeling, in die regeling deelneemt;
h. "Pensioen- & Verzekeringskamer": de Pensioen- & Verzekeringskamer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
2.
Een beroepspensioenregeling kan meer dan één tak van beroep omvatten; ook kan de werking van zodanige regeling zijn beperkt tot een deel van een tak van beroep en een deel van het land.
1.
Onze Minister kan, op verzoek van een of meer naar zijn oordeel voor de betrokken tak van beroep voldoende representatieve organisaties van beroepsgenoten, het deelnemen in een door beroepsgenoten vastgestelde beroepspensioenregeling voor alle of een of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten verplicht stellen. De Sociaal-Economische Raad en de Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekken Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
2.
Een beroepspensioenregeling houdt in:
a. hetzij de oprichting van een beroepspensioenfonds, dat in een zodanige regeling als uitvoeringsorgaan van die regeling is opgenomen;
b. hetzij de verplichting voor de betrokken beroepsgenoten tot het nakomen van de beroepspensioenregeling door middel van overeenkomsten van verzekering naar eigen keuze van de deelnemer te sluiten met onder a bedoelde beroepspensioenfonds, voorzover de beroepspensioenregeling hiertoe de mogelijkheid opent, of met een verzekeraar:
1°. die in het bezit is van de ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft voldaan aan de ingevolge artikel 37 of 38 van die wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland; of
2°. die heeft voldaan aan de vereiste procedure als bedoeld in de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van genoemde wet indien het de aldaar bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft;
c. hetzij voor een deel van de regeling het onder a, voor het overblijvende deel van de regeling het onder b bepaalde.
3.
Alvorens een verzoek, als in het eerste lid bedoeld, wordt ingewilligd, is onderscheidenlijk zijn de organisatie of organisaties van beroepsgenoten verplicht een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid in het leven te roepen, welke blijkens zijn statuten en reglementen:
a. hetzij als beroepspensioenfonds de beroepspensioenregeling zal uitvoeren;
b. hetzij erop zal toezien, dat de betrokken beroepsgenoten de beroepspensioenregeling nakomen op de wijze als in artikel 2, tweede lid, onder b, bedoeld;
c. hetzij een deel van de beroepspensioenregeling als beroepspensioenfonds zal uitvoeren en voor het overblijvende deel van de beroepspensioenregeling erop zal toezien, dat de betrokken beroepsgenoten dit deel nakomen op de wijze als in artikel 2, tweede lid, onder b, bedoeld.
4.
Indien ingevolge het eerste lid het deelnemen in een beroepspensioenregeling is verplicht gesteld, zijn degenen, voor wie deze verplichtstelling geldt, verplicht tot naleving van het bij of krachtens de statuten en reglementen van de rechtspersoon te hunnen aanzien bepaalde.
5.
De in het vierde lid opgelegde verplichting geldt niet ten aanzien van bepalingen van de statuten en reglementen, welke ten doel hebben de beslissing van de rechter omtrent twistgedingen uit te sluiten.
6.
De verplichting tot het deelnemen in een beroepspensioenregeling kan door Onze Minister voor alle of een of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten worden ingetrokken. De Sociaal-Economische Raad en de Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekken Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
7.
De verplichting tot het deelnemen in een beroepspensioenregeling wordt ingetrokken, indien:
a. wijziging wordt gebracht in de financiële opzet van het beroepspensioenfonds en de grondslagen, waarop het rust, zoals deze blijken uit de in artikel 5, eerste lid, onder b, bedoelde actuariële nota;
b. de statuten en reglementen van de rechtspersoon worden gewijzigd,
tenzij Onze Minister heeft verklaard tegen die wijzigingen geen bedenkingen te hebben. De Sociaal-Economische Raad en de Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekken Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
8.
Van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste, zesde en zevende lid, kan mandaat worden verleend.
Artikel 3
Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van:
a. de indiening van een verzoek, als in artikel 2, eerste lid, bedoeld, waarbij tevens de termijn wordt vermeld, waarbinnen zienswijzen schriftelijk bij hem naar voren kunnen worden gebracht;
b. de verplichtstelling van het deelnemen in een beroepspensioenregeling;
c. de verklaring van geen bedenkingen ten aanzien van wijziging van de statuten en reglementen van de rechtspersoon;
d. de intrekking van een verplichtstelling van het deelnemen in een beroepspensioenregeling.
Artikel 4
Indien het verzoek, als in artikel 2, eerste lid, bedoeld, niet is ingediend door een of meer, naar het oordeel van Onze Minister voor de betrokken tak van beroep voldoende representatieve, organisaties van beroepsgenoten, of de in artikel 3, onder a, bedoelde zienswijzen hem daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister de verzoekers in de gelegenheid stellen hem aannemelijk te maken, dat een belangrijke meerderheid van beroepsgenoten het verzoek ondersteunt. Blijkt dit het geval te zijn, dan zijn de verzoekers ontvankelijk. In het laatste geval is het bepaalde in artikel 2, eerste lid, overigens van toepassing.
1.
Een verzoek, als in artikel 2, eerste lid, bedoeld, wordt niet ingewilligd, indien:
a. Onze Minister niet is gebleken, dat de beroepsgenoten door de betrokken organisatie of organisaties van beroepsgenoten tijdig op de hoogte zijn gesteld van het voornemen tot een verzoek als in artikel 2, eerste lid, bedoeld;
b. Onze Minister bedenkingen heeft tegen de financiële opzet van een beroepspensioenfonds en de grondslagen, waarop het rust, zoals deze blijken uit een bij het verzoek te voegen gemotiveerde actuariële nota;
c. in de statuten en reglementen van de rechtspersoon, die geheel of gedeeltelijk als beroepspensioenfonds de beroepspensioenregeling zal uitvoeren, bepalingen ontbreken, welke beantwoorden aan de in de artikelen 2, derde lid, sub a of sub c, 7, 8, eerste en tweede lid, en 15 alsmede de artikelen 5, 9, 10 en 10b van de Pensioen- en spaarfondsenwet gegeven voorschriften, behoudens in gevallen, waarin artikel 26 dan wel artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet toepassing vindt;
d. in de statuten en reglementen van de rechtspersoon, die, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onder b, toezicht op de nakoming van de beroepspensioenregeling zal houden, bepalingen ontbreken, welke beantwoorden aan de in de artikelen 2, derde lid, sub b, 7, 8, eerste lid, en 15, alsmede artikel 5 van de Pensioen en spaarfondsenwet gegeven voorschriften, behoudens in gevallen, waarin artikel 26 dan wel artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet toepassing vindt;
e. Onze Minister van oordeel is, dat de belangen der deelnemers, gewezen deelnemers en andere belanghebbenden niet voldoende zijn gewaarborgd in de statuten en reglementen van de rechtspersoon;
f. Onze Minister bedenkingen heeft tegen een of meer bepalingen van de statuten en reglementen van de rechtspersoon.
2.
Onze Minister kan, met betrekking tot het eerste lid nadere regels vaststellen.
Artikel 6
Met betrekking tot een beroepspensioenregeling, ten aanzien waarvan artikel 2, eerste lid, toepassing heeft gevonden, geldt gedurende de tijd, dat de verplichting tot het deelnemen in de regeling bestaat, het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7 tot en met 31.
Artikel 7
Het bestuur van de rechtspersoon wordt gevormd door daartoe door de deelnemers of door de in artikel 2, eerste lid, bedoelde representatieve organisatie of organisaties van beroepsgenoten aangewezen personen.
1.
In de statuten en reglementen van de rechtspersoon worden bepalingen opgenomen betreffende:
a. de tak van beroep of het deel van de tak van beroep en het deel van het land, waarvoor de beroepspensioenregeling geldt;
b. de doelstelling van de rechtspersoon;
c. het beheer van de rechtspersoon;
d. de wijze, waarop de bestuursleden worden aangewezen;
e. de categorieën van deelnemers en hun aanspraken, rechten en verplichtingen;
f. de aanspraken, rechten en verplichtingen van de deelnemers voor het geval hun verplichting tot het deelnemen ingevolge artikel 2, zesde lid, wordt ingetrokken;
g. de wijze, waarop tegemoet wordt gekomen ten aanzien van personen, die gemoedsbezwaren hebben tegen elke vorm van verzekering;
h. de wijziging van de statuten en reglementen.
2.
In de statuten en reglementen van de rechtspersoon, die als beroepspensioenfonds de beroepspensioenregeling zal uitvoeren, worden bovendien bepalingen opgenomen betreffende:
a. de inkomsten van het fonds;
b. de belegging van de gelden;
c. de liquidatie van het fonds, met name ook wat betreft de verplichtingen van de liquidateurs en de bestemming van de bezittingen van het fonds;
d. de wijziging van de aanspraken, rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers en overige belanghebbenden in gevallen, waarin de financiële toestand van het fonds daartoe aanleiding geeft.
3.
Onze Minister kan met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels vaststellen.
Artikel 14
Het bestuur van de rechtspersoon is verplicht aan Onze Minister mededeling te doen van alle genomen besluiten van algemene strekking.
1.
Het bestuur van de rechtspersoon zorgt, dat de belanghebbenden in het bezit worden gesteld van de geldende statuten en reglementen van de rechtspersoon.
2.
Het bestuur van de rechtspersoon verstrekt op verzoek aan de deelnemer en de gewezen deelnemer binnen drie maanden een opgave van de hoogte van de opgebouwde aanspraken.
Het bestuur van de rechtspersoon kan een vergoeding vragen van de aan de opgave verbonden kosten.
3.
Jaarlijks verstrekt het bestuur van de rechtspersoon de beroepsgenoot een opgave van de aan het desbetreffende of voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen. Het eerste jaar waarover de opgave van de waardeaangroei van de pensioenaanspraken als bedoeld in de eerste volzin wordt verstrekt is 2001.
4.
Het bestuur van de rechtspersoon verstrekt op verzoek van de beroepsgenoot een opgave van de over de jaren 1994 tot en met 2000 toe te rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen.
1.
In de statuten of enig pensioenreglement van de rechtspersoon kan worden bepaald, dat iedere beroepsgenoot verplicht is tot het bijhouden van een zodanige boekhouding, dat daaruit de gegevens blijken welke de rechtspersoon nodig heeft voor de vaststelling van het deelnemerschap en van de aanspraken, rechten en verplichtingen van die beroepsgenoot.
2.
Iedere beroepsgenoot is verplicht de rechtspersoon inzage te verlenen in de in het eerste lid bedoelde boekhouding en in de bescheiden die daaraan ten grondslag liggen, voor zover daaruit de in dat lid bedoelde gegevens zijn af te leiden.
3.
Iedere beroepsgenoot is verplicht desverlangd de inlichtingen te verstrekken welke de rechtspersoon nodig heeft voor de vaststelling van het deelnemerschap en van de aanspraken, rechten en verplichtingen van die beroepsgenoot.
4.
Degene, die de inzage van de boekhouding en bescheiden en de verstrekking van de gegevens, in de voorgaande leden bedoeld, weigert, kan zich niet met vrucht beroepen op enige geheimhoudingsplicht, ook niet al mocht deze hem bij wetsvoorschrift zijn opgelegd.
1.
Ieder van de bestuurders van de rechtspersoon is verplicht te zorgen, dat het bepaalde bij of krachtens deze wet en de Pensioen- en spaarfondsenwet alsmede de bepalingen van de statuten en reglementen van de rechtspersoon worden nageleefd.
2.
Ieder van de bestuurders van een beroepspensioenfonds is verplicht te zorgen, dat het beleid van het fonds wordt gevoerd overeenkomstig de in artikel 9b van de Pensioen- en spaarfondsenwet bedoelde actuariële en bedrijfstechnische nota.
Artikel 18
Ieder van de bestuurders en ieder lid van het personeel van de rechtspersoon is verplicht kosteloos aan de Pensioen- & Verzekeringskamer de inlichtingen te verstrekken welke deze verlangt.
1.
Het toezicht op de uitvoering van deze wet berust bij de Pensioen- & Verzekeringskamer.
2.
Onze Minister kan met betrekking tot de uitvoering van de artikelen 8, 16 en 29 aan de Pensioen- & Verzekeringskamer aanwijzingen van algemene aard geven betreffende de uitoefening van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak.
1.
Onze Minister is bevoegd aan de Pensioen- & Verzekeringskamer de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Pensioen- & Verzekeringskamer deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt, alsmede gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op de uitvoering van de artikelen, genoemd in artikel 18a, tweede lid.
2.
De Pensioen- & Verzekeringskamer is verplicht aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze Minister de Pensioen- & Verzekeringskamer vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke beroepspensioenfondsen zijn verstrekt of zijn verkregen, en die geen betrekking hebben op de uitvoering van de artikelen, genoemd in artikel 18a, tweede lid, is de Pensioen- & Verzekeringskamer niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijk beroepspensioenfonds, rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een beroepspensioenfonds dat in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.
3.
Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.
4.
Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Pensioen- & Verzekeringskamer deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.
5.
Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen.
6.
Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin openbaar maken.
7.
De Wet openbaarheid van bestuur , de Wet Nationale ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende onder zich heeft.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer is, ter bevordering van een goede vervulling van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taken, bevoegd getuigen en deskundigen op te roepen; deze personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen.
2.
De in het vorige lid bedoelde oproeping geschiedt op de wijze, door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen. De termijn van oproeping bedraagt ten minste drie vrije dagen.
3.
Indien de oproeping door middel van dagvaarding plaatsvindt, geschiedt deze door een deurwaarder of een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een andere ambtenaar of functionaris, voor zover die ambtenaar of functionaris door Onze Minister van Justitie daartoe is aangewezen, op de wijze, voorgeschreven bij de artikelen 586 en 587 van het Wetboek van Strafvordering. De termijn van dagvaarding bedraagt ten minste drie vrije dagen.
4.
Indien een getuige of deskundige niet op de dagvaarding verschijnt, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer daarvan proces-verbaal opmaken. Zij kan hem andermaal doen dagvaarden en daarbij een bevel tot medebrenging voegen.
5.
Tot het uitbrengen van een dagvaarding en tot de tenuitvoerlegging van een bevel tot medebrenging verleent het openbaar ministerie desgevorderd zijn tussenkomst.
6.
De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim. De deskundigen zijn verplicht om hun taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten.
7.
De Pensioen- & Verzekeringskamer is bevoegd de getuige de eed af te nemen. Artikel 177 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing.
8.
Tot het afnemen van verhoren van getuigen en deskundigen houdt de Pensioen- & Verzekeringskamer zitting ter plaatse, door haar naar gelang van de omstandigheden te bepalen. Zij kan aan een of meer van de leden van haar bestuur opdragen een getuige of deskundige te gaan horen.
9.
Aan getuigen en deskundigen wordt op hun verlangen door de Pensioen- & Verzekeringskamer vergoeding toegeschat op de voet van het tarief, vastgesteld ingevolge artikel 8:36 van de Algemene wet bestuursrecht.
10.
De kosten van de verrichtingen van deurwaarders worden berekend op de voet van het tarief van gerechtskosten in strafzaken.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer is bevoegd inzage te nemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aangewezen, te doen nemen van de zakelijke gegevens en bescheiden van de rechtspersoon. Gelijke bevoegdheid heeft de Pensioen- & Verzekeringskamer ten aanzien van de zakelijke gegevens en bescheiden van een verzekeraar als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b.
2.
Hij, die de zakelijke gegevens of bescheiden onder zich heeft, is desgevorderd verplicht deze daartoe open te leggen.
3.
Ten aanzien van de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gemachtigde personen zijn de artikelen 5:13 en 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
4.
De rechtspersoon en de verzekeraar zijn verplicht de zakelijke gegevens en bescheiden in Nederland beschikbaar te hebben en deze gedurende ten minste zeven jaren na het boekjaar waarop ze betrekking hebben beschikbaar te houden.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op een verzekeraar met zetel in een andere lidstaat van de Europese Unie.
1.
Indien de Pensioen- & Verzekeringskamer zulks noodzakelijk acht in het belang van de deelnemers, de gewezen deelnemers, of andere belanghebbenden, kan zij aan het bestuur van de rechtspersoon een aanwijzing geven.
2.
Het bestuur volgt een aanwijzing binnen de door de Pensioen- & Verzekeringskamer gestelde termijn op.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 2, vierde lid, 17, eerste en tweede lid, 18, 20, tweede lid, en 21, tweede lid.
3.
Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
1.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 2, vierde lid, 14, 17, eerste en tweede lid, 18, 20, tweede lid, en 21, tweede lid.
2.
De bestuurlijke boete komt toe aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3.
Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
1.
Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 907 560 bedraagt.
2.
De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.
3.
De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.
4.
De Pensioen- & Verzekeringskamer kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog moet worden geacht.
Artikel 21d
De artikelen 23d tot en met 23k van de Pensioen- en spaarfondsenwet zijn van toepassing met dien verstande dat in artikel 23e, tweede lid, van die wet voor «de bijlage, bedoeld in artikel 23c» gelezen wordt «de bijlage, bedoeld in artikel 21c» en dat in artikel 23i, tweede lid, van die wet voor «als bedoeld in artikel 23b» gelezen wordt «als bedoeld in artikel 21b».
Artikel 21e
Indien aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 21 binnen de gestelde termijn niet of onvoldoende gevolg is gegeven is artikel 23l van de Pensioen- en spaarfondsenwet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
Telkenjare brengt de Pensioen- & Verzekeringskamer aan Ons verslag uit omtrent haar bevindingen betreffende de toepassing van deze wet.
Artikel 23
De rechtspersoon is verplicht tot vergoeding van kosten, welke aan de uitvoering van deze wet zijn verbonden. Onze Minister stelt hiervoor nadere regelen vast.
Artikel 25
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen tot uitvoering van deze wet worden gegeven.
Artikel 26
Onze Minister kan in bijzondere, individuele gevallen voorwaardelijk of onvoorwaardelijk en al of niet voor een bepaalde tijd van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, eerste en vierde lid, 7, 8, eerste en tweede lid, 15, 18, 25 en 29 vrijstelling verlenen. De Pensioen- & Verzekeringskamer verstrekt Onze Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.
1.
Hij, die niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2, vierde lid, 16, derde lid, 17, 18 of 20, tweede en vierde lid, 21, tweede lid, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
2.
Hij, die niet voldoet aan het bepaalde in artikel 16, eerste en tweede lid, voor zover in de statuten of reglementen van de rechtspersoon is bepaald, dat iedere beroepsgenoot verplicht is tot het bijhouden van een boekhouding, als in het eerste lid van dat artikel bedoeld, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
3.
Op hem, die onderworpen is aan een in de betrokken tak van beroep op of krachtens de wet gebaseerde tuchtrechtspraak, welke mede betrekking heeft op de in dit artikel met betrekking tot artikel 16 strafbaar gestelde feiten, is het bepaalde in het eerste en tweede lid van artikel 27 niet van toepassing.
4.
Met gelijke straf als in het eerste lid aangeduid wordt gestraft overtreding van voorschriften, krachtens deze wet gegeven, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid.
5.
De bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
Artikel 28
Van burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en uitkering op grond van een beroepspensioenregeling neemt de kantonrechter kennis.
Artikel 28a
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
1.
Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de deelnemer of gewezen deelnemer enig recht op zijn pensioen of op zijn aanspraak op pensioen aan een ander toekent, is slechts geldig indien zij geschiedt met goedkeuring van de rechtspersoon. Aan deze goedkeuring kunnen beperkingen en voorwaarden worden verbonden. Zij is bovendien slechts geldig voor zover beslag op het pensioen geldig zou zijn bij ontbreken van andere inkomsten.
2.
Volmacht tot invordering van het pensioen, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
3.
Elk beding, strijdig met een van de voorgaande leden is nietig.
Artikel 30
Inlichtingen uit de basisadministratie persoonsgegevens en inlichtingen en uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand, welke met het oog op deelneming in een beroepspensioenregeling of uitkering op grond van een beroepspensioenregeling ten aanzien van deelnemers of gewezen deelnemers in een zodanige regeling worden gevraagd, zijn vrij van leges.
1.
[Vervallen.]
2.
Indien na aanneming bij aangetekende brief een met betrekking tot de rechtspersoon ter zake van achterstallige premies ontstane schuld binnen dertig dagen niet wordt voldaan, kan de rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd door zijn voorzitter en secretaris, daarna die schuld invorderen bij dwangbevel.
3.
De in het vorige lid bedoelde aanmaning vermeldt de tekst van het tweede en vijfde tot en met negende lid van dit artikel en van het vierde lid van artikel 2.
4.
Het dwangbevel houdt in:
a. de naam en de zetel van het beroepspensioenfonds;
b. de naam van de voorzitter en van de secretaris van het fonds;
c. de naam, het beroep, de woonplaats en het adres van de schuldenaar;
d. het bedrag van de achterstallige premies en dat van de wettelijke of reglementaire renten of reglementaire boeten, voor zover daarop aanspraak wordt gemaakt, alsmede de gronden waarop de vordering berust;
e. de datum waarop de in het tweede lid van dit artikel bedoelde aanmaning is geschied;
f. de tekst van het zesde en zevende lid van dit artikel.
5.
Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
6.
Het dwangbevel kan niet ten uitvoer worden gelegd voordat acht dagen na de betekening daarvan zijn verstreken. Degene, aan wie het dwangbevel is gericht, kan gedurende dertig dagen na de betekening door middel van dagvaarding in verzet komen bij de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin hij zijn woon- of verblijfplaats heeft.
7.
Het verzet stuit de tenuitvoerlegging van het dwangbevel; een aangevangen tenuitvoerlegging wordt geschorst.
8.
Indien het verzet zich richt of mede richt tegen de hoogte van de gevorderde rente of boete en deze de rechter bovenmatig voorkomt, kan hij die ten aanzien van het hem voorgelegde geval verminderen of opheffen.
9.
Het recht tot invordering bij dwangbevel strekt zich uit tot de kosten van vervolging.
Artikel 38
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 29 juni 1972
De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
De Minister van Justitie,
Uitgegeven de achtste augustus 1972.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 18a
Artikel 18b
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 21a
Artikel 21b
Artikel 21c
Artikel 21d
Artikel 21e
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Artikel 28a
Artikel 29
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
Artikel 33
Artikel 34
Artikel 35
Artikel 36
Artikel 37
Artikel 38
Artikel 39
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht