Wet van 31 oktober 1995, houdende bepalingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de totstandkoming van een landelijke kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs, de gewenste verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, de gewenste verbetering van de afstemming tussen beroepsonderwijs en educatie, en voor een samenhangende besluitvorming op het gebied van de educatie, wenselijk is de toedeling van bevoegdheden aan de rijksoverheid, aan de gemeenten, aan de landelijke organen en aan de instellingen te herzien;
dat het daarvoor wenselijk is de regelingen met betrekking tot de educatie en het beroepsonderwijs in de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, alsmede de regelingen met betrekking tot het middelbaar beroepsonderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de Wet op het voortgezet onderwijs, in een samenhangend wettelijk kader neer te leggen met ingang van de expiratiedatum van deze regelingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;
b. instelling:
1º. een regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1,
2º. een vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a, of
3º. een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3;
tenzij anders blijkt;
b1. Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 1.5.1, eerste lid;
c. openbare instelling: een instelling in stand gehouden door een gemeente dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen , waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid;
d. bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 van het Burgerlijk Wetboek;
e. exameninstelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.6.1;
f. onderwijs: educatie en beroepsonderwijs;
g. educatie: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid;
g1. eindtermen: de eindtermen, bedoeld in artikel 7.3.3;
h. beroepsonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid;
i. beroepsopleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid;
j. beroepspraktijkvorming: het onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid;
k. leerweg: een leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, tenzij anders bepaald;
l. beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid;
m. beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid;
n. opleiding educatie: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid;
n1. opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a;
o. examinering: het nemen van beslissingen over inhoud en niveau van examens van een beroepsopleiding, procedures en voorwaarden waaronder examens worden afgenomen, alsmede het vaststellen van de uitslag van examens. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op examens van de afzonderlijke leerwegen van een opleiding indien Onze Minister ingevolge artikel 7.2.4, tweede lid, heeft besloten dat een opleiding zowel in de beroepsopleidende als in de beroepsbegeleidende leerweg kan worden verzorgd, alsmede op een opleiding educatie;
p. [vervallen;]
q. volwassene: een in Nederland woonachtige van 18 jaren of ouder;
r. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar;
s. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht ;
t. kwalificatie: de kwalificatie, bedoeld in artikel 7.1.3, eerste lid;
t1. kwalificatiedossier: een document waarin een of meer kwalificaties zijn beschreven;
t2. opleidingsdomein: een samenhangend geheel van kwalificatiedossiers die zijn gericht op en van belang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken;
t3. keuzedeel: het keuzedeel, bedoeld in artikel 7.1.3, tweede lid;
u. Centraal register: het Centraal register beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 6.4.1, eerste lid;
v. [vervallen;]
v1. college van bestuur van een bijzondere instelling: het orgaan van de instelling dat als zodanig in de statuten is aangewezen;
w. bevoegd gezag:
1. wat een openbare instelling betreft: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
2. wat een bijzondere instelling betreft: het college van bestuur, of indien artikel 9.1.8 is toegepast, het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat;
3. wat een instelling als bedoeld in de artikelen 1.4.1 dan wel 1.4a.1 betreft: het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat, dan wel de natuurlijke persoon die de instelling in stand houdt;
4. wat een exameninstelling als bedoeld in artikel 1.6.1 betreft: het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat;
x. waarborgfonds: het fonds, bedoeld in artikel 2.8.1;
y. persoonsgebonden nummer: het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 8.1.1a, vierde lid;
z. personeel:
1. de benoemde docenten, en overig personeel dat is benoemd aan de instelling;
2. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan de instelling, tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 3.1.2, 3.2.1, 3.3.1, 4.1.1, 4.1.2 en 4.1.3, en de toepassing van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;
aa. [vervallen;]
bb. [vervallen;]
cc. meldingsregister relatief verzuim: meldingsregister relatief verzuim als bedoeld in artikel 24h van de Wet op het onderwijstoezicht;
dd. basisregister onderwijs: basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;
ee. ondernemingsraad: een ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden .
1.
De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.7, 1.3.8, 1.3.9, 1.7.1, 2.8.1 tot en met 2.8.3, 3.2.1, 4.1.1 tot en met 4.1.4, 4.2.1 tot en met 4.2.5, 6.1.2 tot en met 6.1.3a, 6.4.1 tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.4.7 en met uitzondering van titel 6, de artikelen 8.1.1 tot en met 8.1.1d, 8.1.2, tweede lid, 8.1.3, eerste tot en met derde lid, 8.1.4 tot en met 8.2.1, 8.4.1, 8.4.2, 8.5.1, 8.5.2 en 9.1.2, alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen, zijn regels voor openbare instellingen voor educatie en beroepsonderwijs.
2.
De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.6, 1.3.8, 1.3.9, 1.7.1, 2.1.9, 2.8.1 tot en met 2.8.3, 3.2.1, 4.1.1, 4.1.2, 4.1.4, 4.2.1 tot en met 4.2.5, 6.1.2 tot en met 6.1.3a, 6.4.1 tot en met 6.4.4, hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.4.7 en met uitzondering van titel 6, de artikelen 8.1.1 tot en met 8.1.1d, 8.1.2, eerste lid, 8.1.3 tot en met 8.2.1, 8.4.1, 8.4.2, 8.5.1, 8.5.2, 9.1.1, 9.1.3, eerste lid, 9.1.4, 9.1.7 en 9.1.8, alsmede de bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 8a voor zover zij de instellingen betreffen, zijn voorwaarden voor bekostiging voor bijzondere instellingen voor educatie en beroepsonderwijs.
1.
Educatie is gericht op bevordering van de zelfredzaamheid van volwassenen en sluit waar mogelijk aan op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs. Educatie omvat activiteiten op het niveau van het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs zijn gericht op het behalen van een diploma van onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
Beroepsonderwijs is gericht op de theoretische en praktische voorbereiding voor de uitoefening van beroepen, waarvoor een beroepskwalificerende opleiding is vereist of dienstig kan zijn. Het beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de deelnemers en draagt bij tot het maatschappelijk functioneren. Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs en het algemeen voortgezet onderwijs. Beroepsonderwijs omvat niet het hoger onderwijs.
1.
Aan regionale opleidingencentra worden verzorgd:
a. opleidingen beroepsonderwijs en
b. indien de desbetreffende instelling op 1 augustus 2012 een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde: een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.
2.
Aan regionale opleidingencentra kunnen een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs worden verzorgd, indien de desbetreffende instelling op 1 augustus 2012 geen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde.
3.
Het regionaal opleidingencentrum dat daarvoor op grond van artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, in aanmerking komt, heeft aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas voor
a. het verzorgen van beroepsopleidingen die op de voet van artikel 2.1.1 voor bekostiging in aanmerking komen en
b. het verzorgen van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die op de voet van artikel 2.1.2 voor bekostiging in aanmerking komen.
4.
Aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van opleidingen als bedoeld in het derde lid is een bewijsstuk als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, 7.4.11, vijfde lid, verbonden.
1.
Aan vakinstellingen worden beroepsopleidingen verzorgd die naar hun aard en onderlinge samenhang aantoonbaar gericht zijn op en van belang zijn voor een specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken.
2.
Artikel 1.3.1, derde lid, onder a, en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Agrarische opleidingscentra zijn instellingen waarin beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel en voorbereidend beroepsonderwijs in de afdeling landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, worden verzorgd. Voor zover dat bij wet is bepaald, kan aan een agrarisch opleidingscentrum tevens ander voortgezet onderwijs worden verzorgd.
2.
Artikel 1.3.1, derde lid, onder a, en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.3.5. Taken instellingen
Bij de uitvoering van hun taak dragen de instellingen, onverminderd het bij of krachtens deze wet bepaalde, mede zorg voor:
a. de toegankelijkheid van het onderwijs, in het bijzonder voor kansarme groepen,
b. het aanbieden van doelmatige leerwegen, in het bijzonder door het zorgdragen voor een zorgvuldige afstemming tussen opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en beroepsopleidingen, en
c. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding.
1.
Het bevoegd gezag richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat, zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. De beoordeling bij de instellingen geschiedt mede aan de hand van het oordeel van deelnemers over de kwaliteit van het onderwijs aan de instelling. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.
2.
Het bevoegd gezag maakt regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, een verslag openbaar omtrent:
a. de beoordeling, bedoeld in het eerste lid,
b. de uitkomsten van die beoordeling, en
c. het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten.
Artikel 1.3.6a. Kwaliteit onderwijspersoneel
Het bevoegd gezag draagt zorg voor het personeelsbeleid, voor zover het betreft de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel.
1.
Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de deelnemers met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.
2.
Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.
1.
Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige deelnemer van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.
2.
Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige deelnemer van de instelling, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken deelnemer, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3.
Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige deelnemer van de instelling, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
1.
Het bevoegd gezag stelt voor het personeel van zijn instelling een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.
2.
Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
3.
Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
4.
Het bevoegd gezag bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.
1.
Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling of van een instelling dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg of van een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, verzorgd door die instelling, een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden, indien de desbetreffende instelling voor die opleiding in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:
a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6,
a1. de informatie aan aspirant-deelnemers, bedoeld in artikel 6.1.3a,
b. het onderwijs, met uitzondering van de artikelen 7.1.1 en 7.2.4a, derde lid, mits het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal uren beroepspraktijkvorming op grond van de studieduur, naar evenredigheid ten minste gelijk is aan het aantal uren, bedoeld in artikel 7.2.7, tweede tot en met vierde lid, en de examens,
c. de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5,
d. de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, eerste tot en met derde lid,
e. de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 8.2.1, en
f. de opneming in het Centraal register.
Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval een beschrijving van de regeling voor het onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in artikel 7.4.8, voor de beroepsopleiding waarop de aanvraag betrekking heeft.
1a.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in andere dan in het eerste lid genoemde leerwegen, met dien verstande dat voor die opleiding artikel 7.2.2, tweede lid, niet van toepassing is en ten aanzien van het onderwijs artikel 7.2.7, eerste lid, niet in acht behoeft te worden genomen voor wat betreft de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming en artikel 7.2.7, tweede tot en met achtste lid, niet in acht behoeft te worden genomen. Het tweede tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
1b.
Een beroepsopleiding als bedoeld in lid 1 of lid 1a van een andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling bevat geen keuzedelen die niet zijn gekoppeld aan een kwalificatie, behorend bij een beroepsopleiding waarvoor de instelling een diploma-erkenning heeft op grond van lid 1 of lid 1a.
2.
Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
3.
Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bevoegd gezag doet Onze Minister jaarlijks voor 1 maart een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op beroepsopleidingen.
4.
Voor zover ten aanzien van een instelling toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt die instelling voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling.
5.
De artikelen 1.3.8 en 1.3.9 zijn van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid.
6.
Voor een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, bedoelde instelling of een instelling zijn voor zover het betreft een beroepsopleiding ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid van overeenkomstige toepassing:
a. de artikelen 2.5.5a, eerste, tweede, vijfde tot en met zevende, en negende tot en met twaalfde lid, met dien verstande dat van de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, uitsluitend worden verstrekt de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, h tot en met j, l en o tot en met s, van dat lid;
c. artikel 2.5.5c, eerste en derde lid, met dien verstande dat artikel 2.5.5c, eerste lid, onderdeel a, wordt gelezen als: Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de beleidsvoorbereiding;
7.
Voor een beroepsopleiding als bedoeld in de aanhef van het zesde lid kan bij ministeriële regeling een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, voor zover dat lid van overeenkomstige toepassing is verklaard in het zesde lid, onderdeel a, en worden bepaald welke van die gegevens niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van die gegevens. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van artikel 2.5.5c, eerste en derde lid, voor zover die leden van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in het zesde lid, onderdeel c, in ieder geval omtrent de inhoud en de samenstelling van die gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het basisregister onderwijs worden verstrekt, de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt, en de perioden waarop de gegevens betrekking hebben.
1.
Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een in het tweede lid bedoelde instelling, dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een opleiding educatie, verzorgd door die instelling, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I en II, een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.11, vijfde lid, is verbonden, indien die instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet voor die opleiding is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, en ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.1.1, titel 2 en titel 4, voor zover het betreft de artikelen 7.4.3, 7.4.4 en 7.4.7, en eveneens in acht neemt hetgeen is bepaald in artikel 8.1.1d, en in artikel 1.4a.2.
2.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan voor een andere dan een in artikel 1.1.1, onder b, bedoelde instelling of voor een instelling. Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval het ontwerp van een beschrijving van de regeling voor het onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in artikel 7.4.8, voor de opleiding educatie waarop de aanvraag betrekking heeft.
3.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op een opleiding educatie waarvoor de instelling een rijksbijdrage als bedoeld in artikel 2.2a.1 ontvangt of op een opleiding educatie die daarmee overeenkomt.
4.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft uitsluitend betrekking op opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, alsmede op andere in dat lid bedoelde opleidingen, voor zover daarvoor bij ministeriële regeling eindtermen zijn vastgesteld.
5.
Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Een begunstigende beschikking is voor het eerst van kracht ten aanzien van een opleiding educatie die aanvangt nadat die beschikking is bekend gemaakt.
6.
Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 15 oktober een opgave van de opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, die de instelling verzorgt in het lopende studiejaar, alsmede van de opleidingen educatie die de instelling heeft verzorgd in het daaraan voorafgaande studiejaar.
7.
Voor zover ten aanzien van een instelling die een opleiding educatie verzorgt, toepassing is gegeven aan het eerste lid, wordt die instelling voor de toepassing van deze wet wat deze opleiding betreft, aangemerkt als een andere instelling dan bedoeld in artikel 1.1.1, onder b.
8.
Voor een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, bedoelde instelling of een instelling zijn voor zover het betreft een opleiding educatie ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan het eerste lid van overeenkomstige toepassing:
a. artikel 2.3.6a, eerste, tweede, vierde, vijfde, en zevende tot en met negende lid, met dien verstande dat van de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, uitsluitend worden verstrekt de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, e tot en met i, en k tot en met m, waarbij onderdeel g wordt gelezen als: het uitstroomniveau of het behaalde diploma en de datum waarop het diploma is behaald;
c. artikel 2.3.6c, eerste en tweede lid, met dien verstande dat artikel 2.3.6c, eerste lid, onderdeel a, wordt gelezen als: Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de beleidsvoorbereiding;
9.
Voor een opleiding educatie als bedoeld in de aanhef van het achtste lid kan bij ministeriële regeling een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, voor zover dat lid van overeenkomstige toepassing is verklaard in het achtste lid, onderdeel a, en worden bepaald welke van die gegevens niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van die gegevens. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van artikel 2.3.6c, eerste en tweede lid, voor zover die leden van overeenkomstige toepassing zijn verklaard in het achtste lid, onderdeel c, in ieder geval omtrent de inhoud en de samenstelling van die gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het basisregister onderwijs worden verstrekt, de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt, en de perioden waarop de gegevens betrekking hebben.
10.
Artikel 1.3.9 is van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid.
1.
Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1, tweede lid, waarvoor wat betreft een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, kan, ten aanzien van genoemde opleiding, in afwijking van artikel 8.1.1d, eerste volzin, in gevallen als geregeld in en met inachtneming van de voorschriften gegeven bij of krachtens artikel 58a van de Wet op het voortgezet onderwijs tot onderwijs- en examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als deelnemer of examendeelnemer aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een ingevolge artikel 56 van de Wet op het voorgezet onderwijs aangewezen school.
2.
Indien het bevoegd gezag van een ingevolge artikel 56 van de Wet op het voorgezet onderwijs aangewezen school ter uitvoering van artikel 58a, eerste en tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs leerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven, onderwijs wil kunnen laten volgen dat een instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1, tweede lid, van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in artikel 58a, derde lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
Bij ministeriële regeling wordt een rechtspersoon aangewezen die is belast met de volgende taken:
a. het ontwikkelen en onderhouden van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen het aanbod van beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarkt voor afgestudeerden, en mede gelet op van belang zijnde ontwikkelingen in internationaal verband, onder meer door het doen van voorstellen aan Onze Minister voor de kwalificatiedossiers, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede lid,
b. het bijdragen aan een doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen door het ontwikkelen van voorstellen, welke beroepsopleidingen voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking komen,
c. het bevorderen van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming,
d. het ontwikkelen en vaststellen van kwaliteitscriteria voor beroepspraktijkvormingsplaatsen en het ten minste een maal per vier jaar beoordelen van bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen aan de hand van deze criteria en het openbaar maken van een overzicht van bedrijven en organisaties die voldoen aan deze criteria,
e. het zoveel mogelijk zorg dragen voor de beschikbaarheid van een toereikend aantal bedrijven en organisaties van voldoende kwaliteit die de beroepspraktijkvorming verzorgen,
f. het uitvoeren van onderzoek ter ondersteuning van de taken, genoemd in dit artikel, en
g. het uitvoeren van aanvullende activiteiten ter bevordering van de aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt.
2.
De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.
3.
Onze Minister verstrekt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met f.
4.
Onze Minister kan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van taken als bedoeld in het eerste lid, onder g.
5.
Het is de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven niet toegestaan andere activiteiten uit te voeren dan de aan haar door de wet opgedragen taken.
1.
Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een exameninstelling, dat de exameninstelling het recht heeft tot examinering van een beroepsopleiding in opdracht van een instelling, indien die exameninstelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over:
a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, voorzover het betreft de examinering,
b. de examens, en
c. de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5.
2.
Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
1.
Aan een instelling kunnen contractactiviteiten worden verricht, bestaande uit werkzaamheden voor eigen rekening ten behoeve van derden. Deze activiteiten kunnen worden verricht indien zij verband houden met werkzaamheden waarvoor de instelling uit de openbare kas bekostigd wordt en voor zover de uitvoering van die werkzaamheden hierdoor niet wordt geschaad.
2.
Het bevoegd gezag van een instelling draagt er zorg voor dat artikel 2 van de Wet privatisering ABP van toepassing blijft op het personeel.
3.
De vereisten voor benoembaarheid, bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, zijn niet van toepassing op een docent voor zover deze is belast met het verrichten van contractactiviteiten.
4.
Het bevoegd gezag voorziet in een regeling voor het verrichten van contractactiviteiten door het personeel van de instelling met het oog op het voorkomen van vermenging van belangen.
Artikel 2.1.1. Bekostiging landelijk aanbod beroepsonderwijs
Onverminderd de artikelen 1.3.2a en 1.3.3 komt een beroepsopleiding bij een instelling voor bekostiging in aanmerking indien zij is gericht op een kwalificatie of kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, tweede lid, onder b3°, alsmede op een keuzedeel of keuzedelen en de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding niet zijn ontnomen op grond van artikel 6.1.4.
1.
Een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b1°, komt voor bekostiging in aanmerking indien
a. de instelling op 1 augustus 2012 een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgde op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3.4 zoals luidend op die datum, of
b. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op aanvraag van de instelling heeft bepaald dat opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs van de instelling voor bekostiging in aanmerking komen.
2.
Onze Minister beoordeelt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de hand van de maatschappelijke behoefte aan een of meer opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, in het licht van het onderwijsaanbod verzorgd door andere, al dan niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen.
1.
Instellingen worden bij wet voor bekostiging in aanmerking gebracht. Artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de bekostiging van instellingen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. instellingen die op grond van artikel 12.3.1 zoals dat luidde door de Wet van 11 april 2001, Stb. 207, of artikel 12.3.3 zoals dat luidde ingevolge de Wet educatie en beroepsonderwijs (Stb. 1995, 501) door Onze Minister voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, en
b. instellingen die zijn voortgekomen
1°. uit een samenvoeging of splitsing van bekostigde instellingen,
2°. uit een samenvoeging van een agrarisch opleidingscentrum met een school voor voorbereidend beroepsonderwijs in de sector landbouw, als bedoeld in artikel 10c, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
3°. uit een omzetting van een bijzondere instelling in een openbare of omgekeerd.
3.
Indien aan een agrarisch opleidingscentrum gedurende twee achtereenvolgende jaren minder dan 1200 deelnemers zijn ingeschreven voor beroepsopleidingen of voor het voorbereidend beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 1.3.3, kan Onze Minister besluiten dat aan die instelling de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, ontnomen worden, onverminderd het overigens met betrekking tot ontneming van rechten in deze wet bepaalde.
4.
Onze Minister besluit binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag op grond van het tweede lid, onder b. Op het besluit bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot het tweede lid, onder b.
5.
Bij een beschikking op grond van het derde lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop aan die instelling de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, ontnomen worden zodanig dat de ingeschreven deelnemers de opleiding waarvoor zij zijn ingeschreven, aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
Artikel 2.1.8. Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. fusie: een bestuurlijke of institutionele fusie,
b. institutionele fusie: een fusie waarbij een instelling ontstaat door samenvoeging van twee of meer instellingen,
c. bestuurlijke fusie: een fusie waarbij een of meer rechtspersonen de instandhouding van een instelling, een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs , dan wel een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek overdragen.
Artikel 2.1.9. Goedkeuring
Fusies worden niet tot stand gebracht dan nadat daarvoor goedkeuring is verleend door Onze Minister.
1.
De rechtspersoon dient dan wel de rechtspersonen gezamenlijk dienen een aanvraag in bij Onze Minister voor het verkrijgen van de goedkeuring bedoeld in artikel 2.1.9. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een door de rechtspersoon dan wel rechtspersonen opgestelde fusie-effectrapportage, en
b. een schriftelijk advies over, of voor zover van toepassing de schriftelijke instemming met de fusie door de betrokken medezeggenschapsraden die is voorafgegaan door de kennisname van de fusie-effectrapportage door de medezeggenschapsraden.
2.
De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, is eveneens een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1.3, vierde lid.
3.
De fusie-effectrapportage bevat ten minste een weergave van:
a. de motieven van de fusie,
b. de alternatieven voor de fusie,
c. het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd,
d. de te bereiken doelen,
e. de effecten van de fusie op de keuzevrijheid, in het bijzonder de effecten van de fusie op de spreiding en omvang van de betrokken rechtspersonen in de regio, de onderwijskundige en bestuurlijke diversiteit van het onderwijsaanbod in de regio,
f. de kosten en baten van de fusie,
g. de personele en financiële gevolgen van de fusie, waaronder begrepen de gevolgen voor de dienstverlening aan deelnemers en de eventuele gevolgen voor andere belanghebbende partijen,
h. de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd, en
i. de wijze waarop de fusie wordt geëvalueerd.
4.
Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld.
1.
Onze Minister kan goedkeuring onthouden indien als gevolg van de fusie de daadwerkelijke variatie van het onderwijsaanbod, in het opzicht van de diversiteit van onderwijsaanbieders in het middelbaar beroepsonderwijs, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het onderwijs op significante wijze wordt belemmerd.
2.
Onze Minister laat zich ten aanzien van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, adviseren door een onafhankelijke adviescommissie, tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer er geen sprake is van de noodzaak bedoeld in de eerste volzin.
3.
Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
1.
Onze Minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1.9.
2.
De termijn bedoeld in het eerste lid kan ten hoogste met 13 weken worden verlengd. Van deze verlenging wordt, binnen de 13 weken bedoeld in het eerste lid, mededeling gedaan aan de aanvrager.
3.
Op het besluit bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
1.
De rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs waarop de in artikel 1.3.1 bedoelde aanspraak betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze. Wat huisvestingskosten betreft wordt de rijksbijdrage berekend hetzij op grond van die berekeningswijze hetzij op grond van een andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze.
2.
De rijksbijdrage bestaat uit bijdragen ten behoeve van exploitatiekosten en huisvestingskosten.
3.
De bijdrage in de exploitatiekosten heeft betrekking op:
a. personeel,
b. onderhoud en vervanging van inventaris,
c. onderhoud van gebouwen en terreinen,
d. energie,
e. administratie, beheer en bestuur,
f. schoonmaken,
g. heffingen,
h. inkoop van diensten,
i. kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet , waaronder mede begrepen gewezen personeel dat was belast met werkzaamheden op het gebied van de educatie, met inbegrip van educatieve programma's als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, zoals luidend op 31 december 2008,
j. loopbaanoriëntatie en -begeleiding,
k. gehandicapte deelnemers, en
l. ten behoeve van het voorbereidend beroepsonderwijs verzorgd in een agrarisch opleidingscentrum: lesmateriaal als bedoeld in artikel 6e van de Wet op het voortgezet onderwijs.
4.
De bijdrage in de huisvestingskosten heeft betrekking op:
a. huur van gebouwen en terreinen,
b. investeringen in gebouwen en terreinen, en
c. eerste inrichting.
5.
Op de rijksbijdrage wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een bedrag in mindering gebracht in verband met cursusgelden zoals bedoeld in de Les- en cursusgeldwet .
6.
Een in het eerste lid en in het vijfde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
1.
De in artikel 2.2.1 bedoelde berekeningswijze bevat voor elke instelling en elke opleiding gelijkelijk geldende maatstaven.
2.
De maatstaven voorzien in bekostiging aan de hand van:
a. het aantal ingeschreven deelnemers, en
b. het aantal deelnemers dat een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 heeft behaald, waaronder mede begrepen het aantal examendeelnemers dat een dergelijk diploma bij een instelling heeft behaald binnen twee kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarin de inschrijving als deelnemer bij een instelling voor een beroepsopleiding waarvoor de instelling bekostiging heeft of zal ontvangen, zonder het behalen van een dergelijk diploma is geëindigd.
3.
Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder a, geldt inschrijving van een deelnemer voor twee of meer beroepsopleidingen in enig studiejaar als inschrijving voor één beroepsopleiding.
4.
Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt dat indien in enig kalenderjaar door een deelnemer of examendeelnemer een diploma wordt behaald van een beroepsopleiding die niet van een hoger niveau als bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, is dan de beroepsopleiding waarvan die deelnemer al eerder in dat kalenderjaar een diploma heeft behaald, uitsluitend het eerstbehaalde van die diploma’s wordt meegeteld.
5.
Bij de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder b, blijven de deelnemers aan de entreeopleiding buiten beschouwing.
6.
In de maatstaven, bedoeld in het tweede lid, kan onderscheid gemaakt worden naar groepen van deelnemers, naar opleidingen, naar verblijfsduur van een deelnemer in één of meer opleidingen, naar soorten van instellingen en naar behaalde diploma’s.
7.
Deelnemers die niet zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegegevens , tellen alleen mee, indien:
a. zij onderwijs, daaronder begrepen de beroepspraktijkvorming, in Nederland volgen, en
b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland wonen.
1.
Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften aan de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.2.2, een bedrag toevoegen in verband met een onevenredig grote toename van het aantal deelnemers ten opzichte van het voorafgaande jaar.
2.
Onze Minister kan, al dan niet onder door hem op te leggen verplichtingen, volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften ten behoeve van de ontwikkeling van het bestel van het beroepsonderwijs een bedrag toevoegen aan de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.2.2.
3.
Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
1.
Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor gehandicapte deelnemers alsmede het bedrag voor de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a.
2.
De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
3.
Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de deelnemers.
5.
De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2.2, gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.
Artikel 2.2.4a. Rijksbijdrage en private activiteiten
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van het onderwijs.
Artikel 2.2.4b. Beleggen en belenen
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.
Wet op het voortgezet onderwijs van Wet educatie en beroepsonderwijs">
Artikel 2.2.5. Vermindering bekostiging bij uitputting bekostiging samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs
De artikelen 85c, 85c1, 89b en 89b1 van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een agrarisch opleidingscentrum voor zover het betreft het in die instelling verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs.
1.
De rijksbijdrage voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs waarop de in artikel 1.3.1 bedoelde aanspraak betrekking heeft wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.
2.
Artikel 2.2.1, derde lid, onder a tot en met k, en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in onderdeel i onder gewezen personeel mede wordt begrepen personeel dat was belast met werkzaamheden op het gebied van het beroepsonderwijs.
1.
De in artikel 2.2a.1 bedoelde berekeningswijze bevat voor elke instelling en elke opleiding gelijkelijk geldende maatstaven.
2.
De maatstaven voorzien in bekostiging aan de hand van:
a. het aantal ingeschreven deelnemers,
b. het aantal deelnemers dat bij de instelling een diploma van onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs heeft behaald en
c. het aantal deelnemers dat bij de instelling een eindexamen of deeleindexamen heeft afgelegd in onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3.
Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder a, blijven deelnemers die niet bij een instelling staan ingeschreven op een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld tijdstip buiten beschouwing en kan onderscheid worden gemaakt naar het aantal vakken waarvoor een deelnemer is ingeschreven.
4.
Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, onder c, kan onderscheid worden gemaakt naar het aantal vakken waarin de deelnemer met goed gevolg examen heeft afgelegd.
5.
Deelnemers die niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen tellen alleen mee voor de toepassing van dit artikel, indien:
a. zij onderwijs in Nederland volgen, en
b. zij in Nederland, België of een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen en Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland wonen.
6.
Examendeelnemers tellen niet mee voor de toepassing van dit artikel.
1.
Onze Minister kan, al dan niet onder door hem op te leggen verplichtingen, volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften ten behoeve van de ontwikkeling van het bestel van het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs een bedrag toevoegen aan de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.2a.2.
2.
Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
1.
Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor gehandicapte deelnemers.
2.
De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
3.
Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze titel. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de deelnemers.
5.
De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2a.2 , gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.
1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor een aanbod van opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b tot en met f, met voldoende aandacht voor alle doelgroepen.
2.
Voor de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taak werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij ministeriële regeling vastgestelde regio’s. Bij ministeriële regeling wordt voor elke regio een contactgemeente aangewezen.
3.
Het college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente vervult coördinerende taken met het oog op het aanbod van opleidingen educatie als bedoeld in het eerste lid. In dat verband
a. draagt het college in overleg met de colleges van burgemeester en wethouders in de overige gemeenten in de regio zorg voor de totstandkoming van een regionaal programma van educatievoorzieningen,
b. maakt het college afspraken met aanbieders van opleidingen educatie, overeenkomstig het regionaal programma, bedoeld onder a, en
c. coördineert het college de overige werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van het regionaal programma.
4.
Het overleg, bedoeld in het derde lid, onder a, heeft in elk geval betrekking op de behoefte aan educatievoorzieningen in de gemeenten in de regio en de wijze waarop in deze behoefte zal worden voorzien.
1.
Onze Minister verstrekt ten behoeve van de taak van de colleges van burgemeester en wethouders in de betreffende regio aan de contactgemeenten een uitkering. De uitkering wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, berekend aan de hand van voor elke gemeente gelijkelijk geldende maatstaven.
2.
De contactgemeente draagt er zorg voor dat de doelgroepen in alle gemeenten in de betreffende regio overeenkomstig het regionaal programma, bedoeld in het artikel 2.3.1, derde lid, onder a, gebruik kunnen maken van de educatievoorzieningen die met behulp van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, tot stand zijn gekomen.
3.
De uitkering wordt vastgesteld in september voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de berekeningswijze en de betaalbaarstelling van de uitkering.
1.
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente biedt aan personen uit de doelgroep opleidingen educatie aan overeenkomstig het regionaal programma. Daarbij geldt dat opleidingen educatie alleen kunnen worden aangeboden aan personen van achttien jaar of ouder die ingezetene zijn van een gemeente in de desbetreffende regio.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorwaarden worden gesteld waaronder de kosten van opleidingen educatie, niet zijnde uitvoeringskosten, ten laste van de uitkering, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, kunnen worden gebracht.
1.
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente legt verantwoording af aan Onze Minister over de uitvoering van deze wet, op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
2.
Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, niet volledig of onrechtmatig is besteed, wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door Onze Minister teruggevorderd. Onze Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente.
3.
Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, niet volledig door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen binnen dertien maanden na het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft, wordt de uitkering teruggevorderd. Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, stelt Onze Minister de terugvordering op een lager bedrag vast. Onze Minister doet binnen drie maanden na afloop van de dertien maanden, bedoeld in de eerste volzin, mededeling van terugvordering aan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de terugvordering, bedoeld in het tweede en derde lid, alsmede over de verdeling van de teruggevorderde gelden. Daarbij kan worden bepaald dat een gedeelte van het niet bestede deel van de uitkering niet wordt teruggevorderd.
1.
Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens die betrekking hebben op het aanbod bedoeld in artikel 2.3.1, eerste lid, teneinde deze in staat te stellen een zorgvuldig en samenhangend beleid met betrekking tot educatie te voeren en zijn stelselverantwoordelijkheid te waarborgen. De gegevens worden kosteloos verstrekt.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens en
b. de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, indien het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente de in het eerste lid bedoelde gegevens niet of niet tijdig verstrekt dan wel de kwaliteit van die gegevens te kort schiet.
1.
De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld over de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3.
Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld.
1.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs gebruiken in het verkeer met de deelnemer op wie het nummer betrekking heeft.
2.
Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer van iedere deelnemer aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs aan Onze Minister, tezamen de volgende gegevens van de deelnemer:
a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats;
b. de datum van inschrijving of einde inschrijving;
c. de opleiding;
d. de hoogste vooropleiding;
e. het programma voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vakken);
f. de behaalde certificaten en de data waarop de certificaten zijn behaald, alsmede de vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het schoolexamen en het centraal examen, de eindcijfers en de uitslag van het eindexamen of het deeleindexamen;
g. het uitstroomniveau of het behaalde diploma en de datum waarop het diploma is behaald alsmede, voor zover het Nederlands als tweede taal (NT2) betreft, het startniveau;
h. het registratienummer van de instelling;
i. indien van toepassing het volgen van de opleiding in voltijd of deeltijd;
j. indien van toepassing het zijn van examendeelnemer;
k. het aantal uren per week dat onderwijs wordt gevolgd aan de instelling;
l. indien van toepassing de reden van het uitstromen; en
m. de locatie waar het onderwijs wordt gevolgd.
3.
Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid.
4.
Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 8.1.8, eerste lid, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene.
5.
Indien de gegevens over de nationaliteit van de deelnemer niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen worden deze gegevens door het bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister.
6.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.
7.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in het contact met een andere instelling of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die deelnemer. Onder dit contact wordt mede begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd. Het bevoegd gezag bewaart in de administratie van de instelling een verklaring van instemming van de deelnemer met de uitwisseling van de gegevens.
8.
Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.
9.
De in het zevende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
1.
Onze Minister neemt de door het bevoegd gezag verstrekte persoonsgebonden nummers en andere gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede en zesde lid, op in het basisregister onderwijs, nadat zij deze gegevens heeft getoetst op juistheid en volledigheid. Onze Minister verstrekt de gegevens, inclusief de gegevens, bedoeld in artikel 24c, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het onderwijstoezicht, zoals zij voornemens is die gegevens in het basisregister onderwijs op te nemen, aan het bevoegd gezag. Onze Minister kan de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens uitsluitend met instemming van het bevoegd gezag wijzigen.
2.
Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister alle inlichtingen die zij nodig acht voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid. Het bevoegd gezag werkt eraan mee dat de in het basisregister onderwijs opgenomen gegevens juist en volledig zijn.
1.
Gegevens inzake voortgezet algemeen volwassenenonderwijs uit het basisregister onderwijs kunnen worden gebruikt door:
a. Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de begrotings- en beleidsvoorbereiding en voor zover het betreft opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, de bekostiging van instellingen;
b. de inspectie voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van het toezicht op het onderwijs.
2.
Voor zover de door het bevoegd gezag op grond van artikel 2.3.6a verstrekte gegevens naar het oordeel van Onze Minister onjuist of onvolledig zijn, kan Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs van deze gegevens afwijken, in welk geval de door Onze Minister vastgestelde gewijzigde gegevens worden opgenomen in het basisregister onderwijs, nadat het desbetreffende besluit tot vaststelling van de bekostiging onherroepelijk is geworden.
3.
Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, ziet uitsluitend op gegevens die niet herleid of herleidbaar zijn tot individuele deelnemers aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.
4.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van het eerste en derde lid, in ieder geval omtrent de inhoud en de samenstelling van de desbetreffende gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het basisregister onderwijs worden verstrekt, de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt en de perioden waarop de gegevens betrekking hebben.
5.
In afwijking van het derde lid kan Onze Minister, voor zover het betreft opleidingen voortgezet algemeen volwassenen onderwijs, in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.
Artikel 2.3.6d. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 8.3.1 uitsluitend ten behoeve van:
a. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid, eerste volzin;
b. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid, tweede en derde volzin;
c. verwerking van de gegevens, bedoeld in 24f, derde en vierde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht en in artikel 8.1.8a, vierde lid, bij de registraties, bedoeld in onderdeel a, en het systeem van doorverwijzing, bedoeld in onderdeel b.
Artikel 2.4.1. Subsidieverlening per boekjaar
De subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 1.5.1, eerste lid, onder a tot en met f, wordt per boekjaar verstrekt.
1.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:
a. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover,
b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald,
c. de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt,
d. de voorwaarden waaronder subsidie wordt verleend,
e. de verplichtingen van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven,
f. de vaststelling van de subsidie,
g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling,
h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten,
i. het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht, of
j. andere criteria voor de verstrekking van subsidie.
2.
Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt voor zover nodig onderscheid gemaakt tussen subsidie voor:
b. de taken, bedoeld in artikel 1.5.1, eerste lid, onder g.
Artikel 2.4.3. Subsidieplafond
Onze Minister kan jaarlijks het bedrag vaststellen dat ten hoogste beschikbaar is voor de activiteiten, genoemd in artikel 1.5.1, eerste lid, onder g.
1.
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarrekening vast over het afgelopen jaar.
2.
In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financiële beheer van de instelling voor zover het betreft de ingevolge deze wet uit ’s Rijks kas ontvangen middelen. Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de rijksbijdrage. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake voorzover bedragen daaruit worden aangewend voor het op enigerlei wijze compenseren van de deelnemers of examendeelnemers voor les- en cursusgeld respectievelijk examengeld. Bij ministeriële regeling kunnen met het oog op de verantwoording van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de aanwending van de rijksbijdrage nadere voorschriften worden gegeven voor de inrichting van de jaarrekening.
3.
Het resultaat van het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.
4.
Het bevoegd gezag dient de jaarrekening voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar bij Onze Minister in. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
5.
Het bevoegd gezag maakt de jaarrekening, vergezeld van de verklaring, bedoeld in het vierde lid, openbaar.
6.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over een overzichtelijke informatieverzameling van de financiële gegevens die op enigerlei wijze van belang zijn voor de berekeningswijze, bedoeld in de artikelen 2.2.2 en 2.2.12.
7.
Het bevoegd gezag houdt per begrotingsjaar nauwkeurig boek van baten en lasten en draagt er zorg voor dat de baten en lasten nauwkeurig en herkenbaar zijn verwerkt in de in het zesde lid bedoelde informatieverzameling.
8.
Het bevoegd gezag bewaart de informatieverzameling en de desbetreffende boeken en bescheiden, bedoeld in het zesde en zevende lid, gedurende een periode van zeven jaren.
9.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens en de wijze van ordening daarvan.
1.
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een bestuursverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het bestuursverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, voorzover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de examens. Ook legt het bevoegd gezag in het bestuursverslag verantwoording af over de omgang met een branchecode voor goed bestuur. Bij ministeriële regeling kan een branchecode worden aangewezen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting van het bestuursverslag.
1.
De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs en verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3.
Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld.
1.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding gebruiken in het verkeer met de deelnemer op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de deelnemer minderjarig is, met de ouders, voogden of verzorgers van deze deelnemer.
2.
Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer van iedere deelnemer aan een beroepsopleiding aan Onze Minister, tezamen met de volgende gegevens van de deelnemer:
a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats;
b. de datum van inschrijving of van de wijziging of beëindiging daarvan;
c. de code, bedoeld in artikel 6.4.1, tweede lid, onder a, van het opleidingsdomein, het kwalificatiedossier of de kwalificatie waarvoor de deelnemer is ingeschreven en bij inschrijving voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, van de beroepsopleiding;
d. de leerweg;
e. het al dan niet hebben van een handicap of chronische ziekte die extra ondersteuning vraagt van de instelling;
f. de hoogste vooropleiding;
g. [vervallen;]
h. het uitstroomniveau of het behaalde diploma of certificaat, de datum waarop het diploma of certificaat is behaald en de cijfers of het eindcijfer van bij ministeriële regeling aan te wijzen examenonderdelen;
i. de omvang van beroepspraktijkvorming, de datum van begin en einde daarvan, de afsluitdatum van de beroepspraktijkvormingsovereenkomst, het betrokken bedrijf dat of de betrokken organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt en het opleidingsdomein, het kwalificatiedossier, de kwalificatie of het keuzedeel waarop de beroepspraktijkvorming is gebaseerd;
j. het registratienummer van de instelling;
k. [vervallen;]
l. het volgen van de opleiding in voltijd of deeltijd;
m. indien van toepassing het zijn van examendeelnemer;
n. het al dan niet voor bekostiging in aanmerking komen van de deelnemer of het diploma;
o. indien van toepassing de reden van het uitstromen;
p. de locatie waar het onderwijs wordt gevolgd;
q. de keuzedelen waarin examen is afgelegd en die met goed gevolg zijn afgesloten alsmede de datum waarop de keuzedelen met goed gevolg zijn afgesloten;
r. de keuzedelen waarin examen is afgelegd en die niet met goed gevolg zijn afgesloten, alsmede de datum van de beëindiging van de inschrijving; en
s. de onderdelen van een kwalificatie en de keuzedelen waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 7.2.3, eerste lid, en die met goed gevolg zijn afgesloten.
3.
Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid.
4.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de instelling.
5.
Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet 1969, gebruiken het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding in contacten met een gemeente in het kader van de Leerplichtwet 1969 , tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door de gemeente.
6.
Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 8.1.8, eerste lid, het persoonsgebonden nummer van de betrokkene.
7.
Indien de gegevens over de nationaliteit van de deelnemer niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen worden deze gegevens door het bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister.
8.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.
9.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding in het contact met een andere instelling of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die deelnemer. Onder dit contact wordt mede begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd. Het bevoegd gezag bewaart in de administratie van de instelling een verklaring van instemming van de deelnemer met de uitwisseling van de gegevens.
10.
Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan ter nakoming van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.
11.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een deelnemer in contacten met een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra in het kader van de ondersteuning die deze school biedt op grond van artikel 8a, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 2.2.5, tweede lid.
12.
De in het negende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
1.
Onze Minister neemt de door het bevoegd gezag verstrekte persoonsgebonden nummers en andere gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, op in het basisregister onderwijs, nadat hij deze gegevens heeft getoetst op juistheid en volledigheid. Onze Minister verstrekt de gegevens, inclusief de gegevens, bedoeld in artikel 24c, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het onderwijstoezicht, zoals hij voornemens is die gegevens in het basisregister onderwijs op te nemen, aan het bevoegd gezag. Onverminderd artikel 2.5.5c, tweede lid, kan Onze Minister de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens uitsluitend met instemming van het bevoegd gezag wijzigen.
2.
Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister alle inlichtingen die hij nodig acht voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid. Het bevoegd gezag werkt eraan mee dat de in het basisregister onderwijs opgenomen gegevens juist en volledig zijn.
3.
Indien Onze Minister naar aanleiding van de toetsing, bedoeld in het eerste lid, redenen heeft om aan te nemen dat een bevoegd gezag in strijd handelt of heeft gehandeld met het bepaalde bij of krachtens deze wet en een onderzoek daarnaar door de inspectie nodig acht, verstrekt Onze Minister ten behoeve van dit onderzoek de persoonsgebonden nummers en andere gegevens van deelnemers aan een beroepsopleiding aan de inspectie. De inspectie meldt de uitkomst van het onderzoek aan Onze Minister.
4.
Onze Minister en de inspectie verstrekken ter uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen gegevens die zij op grond van het derde lid hebben ontvangen, tenzij deze gegevens noodzakelijk zijn voor nakoming van verplichtingen als referent in de zin van die wet dan wel voor het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten in de zin van die wet.
1.
Gegevens inzake beroepsonderwijs uit het basisregister onderwijs kunnen worden gebruikt door:
a. Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de bekostiging van instellingen en de begrotings- en beleidsvoorbereiding;
b. de inspectie voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van het toezicht op het onderwijs.
2.
Voor zover de door het bevoegd gezag op grond van artikel 2.5.5a verstrekte gegevens naar het oordeel van Onze Minister onjuist of onvolledig zijn, kan Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van deze gegevens afwijken, in welk geval de door Onze Minister vastgestelde gewijzigde gegevens worden opgenomen in het basisregister onderwijs, nadat het desbetreffende besluit tot vaststelling van de bekostiging onherroepelijk is geworden.
3.
Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, ziet uitsluitend op gegevens die niet herleid of herleidbaar zijn tot individuele deelnemers aan een beroepsopleiding, onverminderd artikel 2.5.5b, derde lid.
4.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van het eerste en derde lid, in ieder geval omtrent de inhoud en de samenstelling van de desbetreffende gegevens, de wijze waarop de gegevens uit het basisregister onderwijs worden verstrekt, de tijdstippen waarop de gegevens worden verstrekt en de perioden waarop de gegevens betrekking hebben.
5.
In afwijking van het derde lid kan Onze Minister in het verkeer met het bevoegd gezag ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging het persoonsgebonden nummer gebruiken. In afwijking van het vierde lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald welke overige gegevens uit het basisregister onderwijs tezamen met het persoonsgebonden nummer hiervoor kunnen worden gebruikt.
Artikel 2.5.5e. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een deelnemer aan een beroepsopleiding of een voortijdige schoolverlater als bedoeld in artikel 8.3.1 uitsluitend ten behoeve van:
a. een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969 ;
b. de registratie van gegevens van voortijdige schoolverlaters, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid, eerste volzin;
c. het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid, tweede en derde volzin;
d. verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 24f, derde en vierde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht en in artikel 8.1.8a, vierde lid, bij de registraties, bedoeld in de onderdelen a en b, en het systeem van doorverwijzing, bedoeld in onderdeel c.
Artikel 2.5.6. Onderzoek vanwege minister
Onze Minister kan naast het accountantsonderzoek, bedoeld in artikel 2.5.3, vierde lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarrekening en naar de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling.
Artikel 2.5.7a. Accountantsprotocol
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de boekhouding, de jaarrekening en de administratie van de instellingen.
1.
Indien de vaststelling van de rijksbegroting daartoe noopt, kan Onze Minister tot acht weken na die vaststelling correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister maakt het bevoegd gezag binnen acht weken na de vaststelling van de rijksbegroting een correctie als bedoeld in de eerste volzin bekend. Onze Minister verrekent de correctie met de rijksbijdrage voor het desbetreffende jaar of betaalt uit in dat jaar.
2.
Indien uit de jaarrekening, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 2.5.3, vierde lid, of uit de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5.6, blijkt dat de rijksbijdrage op onjuiste gronden is vastgesteld dan wel de besteding daarvan niet rechtmatig of niet doelmatig was, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister verrekent een correctie met de rijksbijdrage voor het eerstvolgende jaar na het besluit tot correctie, of betaalt uit in dat jaar.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid is Onze Minister bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag van een instelling met vorderingen krachtens een andere wet.
Artikel 2.5.9a. Verslaglegging, onderzoek minister, accountantsprotocol en correctie rijksbijdrage
De artikelen 2.5.3, 2.5.4, 2.5.6, 2.5.7a en 2.5.9 zijn van overeenkomstige toepassing op de rijksbijdrage voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.
1.
Een scholengemeenschap omvat:
a. een regionaal opleidingencentrum en een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs , of
b. een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1a.
Ten aanzien van een school voor voortgezet onderwijs die deel uitmaakt van een scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak op rijksbijdrage ten aanzien van de huisvesting, waarvoor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een berekeningswijze wordt vastgesteld. Hoofdstuk 2, titel 8, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een scholengemeenschap als bedoeld in het eerste lid.
2.
In afwijking van de Wet medezeggenschap op scholen zijn de bepalingen inzake de medezeggenschap bij of krachtens de Wet op de ondernemingsraden en deze wet van toepassing op scholengemeenschappen als bedoeld in het eerste lid.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van deze wet voorschriften worden gegeven ten aanzien van scholengemeenschappen als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald welke voorschriften van deze wet geheel of gedeeltelijk van toepassing of overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 2.6a. Voorschriften t.a.v. vbo in AOC
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van het voorbereidend beroepsonderwijs, verzorgd in agrarische opleidingscentra, worden vastgesteld dat het bepaalde bij of krachtens deze wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.
1.
Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 8.1.1, in gevallen als geregeld in en met inachtneming van artikel 25a van de Wet op het voortgezet onderwijs ook tot onderwijs- en examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als deelnemer of examendeelnemer aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een school voor voortgezet onderwijs.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld over de verantwoording van de bedragen die het bevoegd gezag met toepassing van artikel 99, achtste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs heeft ontvangen.
3.
Indien het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs ter uitvoering van artikel 25a, eerste en tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs leerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven, ook onderwijs wil kunnen laten volgen dat een instelling van datzelfde bevoegd gezag verzorgt, regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen van het derde lid, aanhef en onder a tot en met e, van dat artikel.
Artikel 2.6b. Examinering VSO-leerlingen
Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 8.1.1, in gevallen als geregeld in en met inachtneming van artikel 14b van de Wet op de expertisecentra, ook tot examenvoorzieningen van de instelling toelaten zij die niet als examendeelnemer aan de instelling worden ingeschreven maar zijn ingeschreven als leerling aan een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd.
Artikel 2.7. Bijdrage voor derden
Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften aan andere rechtspersonen dan die waarvan de instellingen uitgaan, een bijdrage toekennen ter bevordering van de verwezenlijking van de in artikel 1.2.1 bedoelde doelstellingen van de educatie en het beroepsonderwijs dan wel ten behoeve van de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Voor zover toepassing van de eerste volzin het verstrekken van subsidie betreft, zijn de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
1.
Elke instelling is aangesloten bij de door de bevoegde gezagsorganen gezamenlijk opgerichte rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zonder winstoogmerk, die zich ten doel stelt zich borg te stellen voor de nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, voortvloeiend uit de door het bevoegd gezag van de instelling aangegane leningen, door instandhouding van een onafhankelijk functionerend fonds met een onafhankelijk van de instellingen functionerend bestuur.
2.
Elke instelling draagt aan het fonds op zodanige wijze bij, dat door de gezamenlijke bijdragen het functioneren van het fonds is gewaarborgd.
3.
De gezamenlijke instellingen dragen er zorg voor dat in de statuten van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in elk geval is opgenomen:
a. dat ingeval van door de rechtspersoon te stellen algemene voorwaarden aan het verlenen van borgstelling, deze uitsluitend van financiële aard zijn en uitsluitend betrekking hebben op de te waarborgen lening,
b. dat ingeval de instelling aan de onder a bedoelde voorwaarden voldoet, borgstelling door de rechtspersoon niet kan worden geweigerd,
c. dat als blijkt dat een instelling niet in staat is tot nakoming van rente- en aflossingsverplichtingen, de instelling verplicht is een saneringsplan aan het waarborgfonds over te leggen, waarin is aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn het evenwicht tussen inkomsten en uitgaven van de instelling hersteld kan worden,
d. dat de door de rechtspersoon te stellen voorwaarden in het kader van door hem te waarborgen leningen niet in strijd komen met de vrijheid van organisatie en inrichting van het onderwijs binnen de instellingen,
e. dat een batig saldo van het fonds kan worden uitgekeerd aan de bevoegde gezagsorganen van de instellingen, onder de voorwaarde dat een uitkering door het bevoegd gezag van een instelling uitsluitend wordt besteed ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling waarvoor de rijksbijdrage wordt verleend, en
f. een regeling omtrent de te volgen procedure en te treffen voorzieningen in geval van taakverwaarlozing door het bestuur van het fonds.
4.
Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag van een bijzondere instelling ontheffing verlenen op grond van bedenkingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen voor het waarborgen van het voortbestaan van de instelling.
1.
Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling draagt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel na de beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze Minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van een door de raad van toezicht of het bevoegd gezag aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
Tenzij met Onze Minister een andere regeling wordt getroffen, is het bevoegd gezag aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze Minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het bevoegd gezag uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden.
3.
Indien de in het eerste lid bedoelde opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging zich voordoet, maakt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk aan Onze Minister bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven deelnemers het onderwijs aan een andere instelling kunnen voltooien.
Artikel 2.8.3. Beheer van de middelen
Het bevoegd gezag beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.
Artikel 4.1.1. Formatie
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van het personeel van de instelling. Zoveel mogelijk tegelijk met die vaststelling bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de instelling.
Artikel 4.1.1a. Evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities
Het bevoegd gezag streeft evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities na.
1.
Het bevoegd gezag stelt een regeling vast voor de rechtspositie van het personeel.
2.
Over de regelingen die gaan over aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de rechtspositie van het personeel van de instelling, wordt door of namens het bevoegd gezag overlegd met de vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel die daarvoor in aanmerking komen.
3.
De bepalingen over ontslag verschaffen het personeel van de openbare instellingen niet minder rechten dan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voortvloeien uit de bepalingen van dwingend recht van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven over de maximale beloning van de leden van het college van bestuur.
5.
In geval van een onherroepelijk vonnis tot faillietverklaring van een instelling, voorzien de bevoegde gezagsorganen van de overige instellingen er gezamenlijk in dat aan de aanspraken, bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Werkloosheidswet, van het personeel en gewezen personeel, wordt voldaan, evenals aan de aanspraken die in het overleg, bedoeld in het tweede lid, zijn overeengekomen en als aanvulling gelden op de wettelijke aanspraken.
Artikel 4.1.3. Professioneel statuut
Met het oog op de voortdurende verbetering van de professionaliteit van het personeel, wordt door of namens de bevoegde gezagsorganen in overeenstemming met vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel een professioneel statuut vastgesteld.
1.
Docenten worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming.
2.
Tot docent aan een instelling kan slechts worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens , die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en
b. voldoet aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 4.2.3, eerste lid, blijkend uit het bezit van:
1°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een aan een hogeschool verbonden opleiding gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs,
2°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 175 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs van een met goed gevolg afgelegd staatsexamen, voor zover overeenkomend met een getuigschrift als bedoeld onder 1°,
3°. een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een universitaire lerarenopleiding,
4°. een getuigschrift of diploma van een opleiding die vóór 1 augustus 1991 was gericht op het beroep van leraar in het voortgezet onderwijs,
5°. een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties,
6°. een gelijkwaardig buitenlands getuigschrift of diploma, behaald in een land dat niet behoort tot de Lid-Staten van de EU, dan wel een gelijkwaardig Nederlands-Antilliaans of Arubaans getuigschrift of diploma, of
c. in het bezit is van een door het bevoegd gezag afgegeven geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4, en
d. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het geven van onderwijs.
3.
In geval van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4 vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming voor zover betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten studiejaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.
4.
Het tweede lid is niet van toepassing voor zover een docent is belast met contractactiviteiten.
5.
Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een docent voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b en c. Het bevoegd gezag kan de in de eerste volzin bedoelde termijn verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk oordeelt vanwege de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs aan de school. In dat geval verklaren het bevoegd gezag en de betrokkene in ieder geval schriftelijk dat betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen de verlengingsperiode alsnog te voldoen aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder b. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.
6.
Het bevoegd gezag kan afwijken van het tweede lid, onder b en c, ten aanzien van degene die gelet op specifieke kennis en bekwaamheden, samenhangend met ervaringen en werkzaamheden in andere sectoren van de samenleving en het bedrijfsleven, naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende bekwaam is om onder verantwoordelijkheid van een daartoe door het bevoegd gezag aan te wijzen docent voor een beperkte betrekkingsomvang te worden belast met het uitsluitend verzorgen van onderwijsonderdelen waar die specifieke kennis en bekwaamheden in het bijzonder betrekking op hebben. De betrekkingsomvang is voor het totaal van de in de eerste volzin bedoelde te verzorgen onderwijsonderdelen ten hoogste een aantal van gemiddeld 4 klokuren per week op jaarbasis.
1.
Onderwijsondersteunende werkzaamheden waarvoor op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, mogen slechts worden verricht door degene die:
a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven ingevolge de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens , die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden, en
b. in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in artikel 4.2.3, tweede lid, bedoelde bekwaamheidseisen, voor zover vastgesteld, of
c. in het bezit is van een ten aanzien van de door hem te verrichten werkzaamheden, al dan niet bedoeld in artikel 4.2.3, tweede lid, verleende erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, of
d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van die werkzaamheden.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een onderwijsondersteunende functionaris voor zover deze is belast met werkzaamheden in verband met contractactiviteiten.
3.
Ten aanzien van studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van artikel 4.2.3, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b tot en met d.
4.
Het bevoegd gezag kan voor een periode van ten hoogste twee jaar afwijken van de eisen, bedoeld in het eerste lid, onder b tot en met d. Het bevoegd gezag kan deze periode met ten hoogste de helft verlengen indien bijzondere omstandigheden daartoe naar zijn oordeel aanleiding geven. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor de uitoefening van het docentschap.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces.
3.
De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval eisen ten aanzien van:
a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en
b. vakbekwaamheid.
4.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
5.
Onze Minister stelt een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel als bedoeld in deze wet, in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de in het eerste en tweede lid bedoelde bekwaamheidseisen. Onze Minister stelt deze organisatie vervolgens in elk geval eenmaal in de zes jaar in de gelegenheid, hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of wijziging van de bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een voorstel als bedoeld in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in hoeverre dat voorstel mede steun geniet van een vertegenwoordiging van bevoegde gezagsorganen, van ouders en van deelnemers.
Artikel 4.2.3a. Bekwaamheidsdossier
Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.
1.
Aan degene die niet in het bezit is van een in artikel 4.2.1, tweede lid, onder b, genoemd getuigschrift of diploma respectievelijk genoemde erkenning van beroepskwalificaties wordt door het bevoegd gezag dat voornemens is betrokkene te benoemen een geschiktheidsverklaring afgegeven, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag:
a. vakinhoudelijk bekwaam is en geschikt is voor het beroep van docent, en
b. voldoet aan de in artikel 4.2.3, derde lid, onder a genoemde eisen, blijkend uit het bezit van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
c. in staat is verantwoord les te geven en binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming tot docent te voldoen aan de in artikel 4.2.3, derde lid, onder a, genoemde eisen.
2.
Het bevoegd gezag geeft de in het eerste lid bedoelde verklaring slechts af, indien:
a. betrokkene in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs of in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, niet zijnde een getuigschrift als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b 1° tot en met 4°,
b. betrokkene in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties,
c. betrokkene in het bezit is van een buitenlands getuigschrift of diploma dat gelijkwaardig is aan een onder a bedoeld getuigschrift of een onder b bedoelde erkenning van beroepskwalificaties, of
d. betrokkene ten minste drie jaren ervaring heeft in de praktijk van het beroep waarop het desbetreffende onderwijs is gericht en naar het oordeel van het bevoegd gezag door een combinatie van opleiding en ervaring geacht wordt te beschikken over een kwalificatieniveau dat vergelijkbaar is met het onder a tot en met c bedoelde kwalificatieniveau, en
e. de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring van betrokkene, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van het bevoegd gezag van voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde werkzaamheden aan de instelling.
3.
Indien betrokkene niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, stelt het bevoegd gezag vast, welke scholing en begeleiding voor betrokkene noodzakelijk zijn om binnen twee jaar na benoeming of tewerkstelling zonder benoeming te kunnen voldoen aan de in artikel 4.2.3, derde lid onder a, genoemde bekwaamheidseisen ten aanzien van pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden.
Artikel 4.2.5. Uitvoering pedagogisch-didactische scholing
De op grond van artikel 4.2.4, derde lid, noodzakelijk geoordeelde scholing wordt uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die een lerarenopleiding verzorgt. Het bevoegd gezag stelt in overeenstemming met het bestuur van die instelling het voor betrokkene noodzakelijke scholingstraject vast.
Artikel 4.2a.1. Vereiste benoembaarheid overig personeel
Tot lid van het personeel, anders dan bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2, kan slechts worden benoemd degene die in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens , die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden.
Artikel 4.3.1. Formatie
Het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven. Zoveel mogelijk tegelijk met deze vaststelling bepaalt het bestuur functies en taken van het personeel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.
Artikel 4.3.2. Rechtspositie personeel Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven
Artikel 4.1.2, met uitzondering van het vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de rechtspositie van het personeel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, met dien verstande dat het gaat om de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven en het bestuur daarvan in plaats van om instellingen en de bevoegde gezagsorganen daarvan.
Artikel 6.1.1. Onderwijsaanbod instellingen
Het bevoegd gezag bepaalt welke beroepsopleidingen de instelling verzorgt. Ten aanzien van die opleidingen geldt de aanspraak op bekostiging uitsluitend indien de opleidingen krachtens artikel 2.1.1 voor bekostiging in aanmerking komen.
1.
Het bevoegd gezag van een instelling meldt aan Onze Minister het voornemen tot het starten of beëindigen van een beroepsopleiding op enige locatie voor 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het studiejaar waarin wordt beoogd de beroepsopleiding te starten of te beëindigen.
2.
Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop de melding wordt gedaan.
3.
Onze Minister maakt de melding openbaar.
1.
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling voldoende keuzedelen verzorgt waar deelnemers uit kunnen kiezen in het kader van hun beroepsopleiding.
2.
Het bevoegd gezag kan één of meer onderdelen van een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met d, aanbieden die niet behoren tot de kwalificaties of de keuzedelen, mits deze onderdelen betrekking hebben op persoonlijke, culturele of levensbeschouwelijke vorming, aantoonbaar van voldoende kwaliteit zijn en niet samenvallen met onderdelen van de desbetreffende kwalificatie. Bij toepassing van de eerste volzin legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4, dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid.
1.
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen door de instelling wordt aangeboden als er na beëindiging van de opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief is voor de deelnemers. Onder arbeidsmarktperspectief wordt in ieder geval verstaan het perspectief voor gediplomeerde schoolverlaters op het binnen een redelijke termijn vinden van werk op het niveau van de gevolgde opleiding.
2.
Onverminderd het eerste lid kan het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 1.3.2a of 1.3.3 een beroepsopleiding aanbieden als de soort instelling in de regeling, bedoeld in artikel 7.2.4, is vermeld bij de kwalificatie waarop de opleiding is gericht of als de opleiding aantoonbaar gericht is op en van belang is voor de specifieke bedrijfstak of groep van bedrijfstakken waarvoor de instelling opleidingen verzorgt.
3.
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat een beroepsopleiding alleen door de instelling wordt aangeboden als de verzorging van die opleiding, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het beroepsonderwijs, doelmatig is.
4.
Het bevoegd gezag legt over wijzigingen van het opleidingenaanbod van een instelling met betrekking tot het arbeidsmarktperspectief en de doelmatige verzorging van een opleiding verantwoording af in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4.
1.
Het bevoegd gezag verstrekt zodanige informatie aan aspirant-deelnemers van beroepsopleidingen over:
a. de instelling,
b. het aanbod van beroepsopleidingen,
c. het arbeidsmarktperspectief na beëindiging van de desbetreffende beroepsopleiding,
d. de inhoud en de inrichting van het te volgen onderwijs,
e. de examinering,
f. de vooropleidingseisen voor de verschillende beroepsopleidingen, en
g. de kwaliteit van de verschillende beroepsopleidingen waaronder het oordeel van de inspectie ter zake,
dat de aspirant-deelnemers in staat zijn de opleidingsmogelijkheden te vergelijken en een passende opleiding te kiezen, alsmede zich een goed oordeel te vormen over de inhoud en de inrichting van het te volgen onderwijs en de examens en zich goed voor te bereiden op de gestelde eisen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere specificaties worden gegeven over de vorm en inhoud van de informatie die nodig is voor het vergelijken van opleidingen en het kiezen van een passende opleiding.
1.
Onze Minister kan besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding die de instelling verzorgt, de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, gedurende twee jaar worden ontnomen indien:
a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding langer dan één jaar onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, het onderwijs of de examens, dan wel
c. niet of niet meer wordt voldaan aan een of meer zorgplichten, bedoeld in artikel 6.1.3.
2.
Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs:
a. de aanspraak op bekostiging, bedoeld in artikel 1.3.1, voor zover van toepassing, vervalt,
b. aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 meer is verbonden, en
c. in het Centraal register wordt geregistreerd dat de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, van de instelling met betrekking tot de opleiding zijn ontnomen en de ingangsdatum en de einddatum daarvan.
3.
Bij een beschikking tot ontneming van rechten bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop die beschikking van kracht wordt zodanig, dat de voor de opleiding ingeschreven deelnemers de opleiding aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
4.
Onze Minister neemt een beschikking als bedoeld in het eerste lid voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het studiejaar waarin het in het derde lid bedoelde tijdstip valt.
5.
Onze Minister maakt de ontneming van rechten, bedoeld in dit artikel, openbaar.
1.
Onze Minister stelt beleidsregels vast omtrent de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 6.1.4, eerste lid, onder c.
2.
Onze Minister kan zich bij de toepassing van de beleidsregels laten adviseren door een onafhankelijke adviescommissie.
1.
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding. Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, nadat
a. na de waarschuwing ten minste een jaar verstreken is, en
b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
2.
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
2a.
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder c, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de naleving van een of meer zorgplichten, bedoeld in artikel 6.1.3, waarbij wordt bepaald aan welke maatregelen het bevoegd gezag gevolg dient te geven. Aan de waarschuwing kan een termijn van ten minste drie maanden worden verbonden waarbinnen aan de maatregelen gevolg moet worden gegeven.
3.
Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar.
1.
In de gevallen, bedoeld in artikel 6.1.4, eerste lid, onder a en b, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
2.
Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
3.
Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.
1.
Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een beroepsopleiding ontnemen, indien de kwaliteit van de examens van die opleiding niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4. Bij de ontneming van het recht wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. De ontneming wordt in het Centraal register bekendgemaakt.
2.
Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Artikel 6.1.5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na de ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht opnieuw verkrijgen. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.
1.
De aanvraag om toepassing van artikel 1.4.1 geldt mede als aanmelding voor registratie in het Centraal register. In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 6.4.1, tweede lid, en derde lid, onderdelen a en b, verschaft het bevoegd gezag van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling bij de aanmelding de gegevens waaruit blijkt dat het onderwijs van voldoende kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid.
2.
Indien Onze Minister de aanvraag om toepassing van artikel 1.4.1 inwilligt, registreert hij bij de eerstvolgende gelegenheid daartoe, de naam van de instelling bij de kwalificatie waarop de opleiding is gericht in het Centraal register.
1.
Onze Minister kan ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, verzorgd door een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, ontnemen indien
a. gebleken is dat de kwaliteit van de opleiding langer dan één jaar onvoldoende is geweest,
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, of aan artikel 1.4.1, zesde lid, onderdelen a tot en met e, of
2.
Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden en dat de registratie in het Centraal register wordt beëindigd.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in een andere leerweg als bedoeld in artikel 1.4.1, lid 1a.
1.
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding.
Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, nadat
a. na de waarschuwing ten minste een jaar verstreken is, en
b. Onze Minister aan de hand van een hernieuwd onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
2.
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
3.
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder c, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn van ten minste tien dagen waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.
4.
Onze Minister maakt de waarschuwingen, bedoeld in dit artikel, openbaar.
Artikel 6.2.3a. Maatregelen
In de gevallen, bedoeld in artikel 6.2.2, eerste lid, onder a en b, is artikel 6.1.5a van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister kan aan een niet uit 's Rijks kas bekostigde instelling het recht op examinering van een beroepsopleiding ontnemen, indien de kwaliteit van de examens van die opleiding niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4. Bij de ontneming van het recht wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. De ontneming wordt in het Centraal register bekendgemaakt.
2.
Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Onze Minister maakt de waarschuwing openbaar.
3.
Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na de ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht opnieuw verkrijgen. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.
1.
De aanvraag om toepassing van artikel 1.6.1 geldt mede als aanmelding voor registratie in het Centraal register. Het bevoegd gezag van een exameninstelling verschaft bij de aanmelding de gegevens waaruit blijkt dat de examinering van voldoende kwaliteit is of zal zijn, en dat wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.6.1, tweede lid.
2.
Indien Onze Minister de aanvraag om toepassing van artikel 1.6.1 inwilligt, registreert hij bij de eerstvolgende gelegenheid daartoe, de exameninstelling bij de desbetreffende opleiding in het Centraal register.
1.
In het geval, bedoeld in artikel 6.3.2, eerste lid, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
2.
Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een externe deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
3.
Onze Minister stelt regels omtrent de toekenning van en verantwoording over maatregelen, voor zover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.
1.
Het Centraal register beroepsonderwijs is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers, kwalificaties, keuzedelen en onderdelen van kwalificaties waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 7.2.3, eerste lid, in het beroepsonderwijs, de instellingen en de exameninstellingen. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register. De bekendmaking en het verstrekken van informatie kunnen digitaal plaatsvinden.
2.
Het Centraal register bevat de volgende gegevens:
a. de naam en de code van de opleidingsdomeinen, de kwalificatiedossiers en de bijbehorende kwalificaties, de keuzedelen en de onderdelen van kwalificaties waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 7.2.3, eerste lid,
b. of in een kwalificatiedossier ten behoeve van een kwalificatie vereisten zijn opgenomen die bij of krachtens wet zijn vastgesteld voor het beroep waarop de kwalificatie is gericht en
c. een overzicht van de keuzedelen en onderdelen van kwalificaties waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 7.2.3, eerste lid, en
d. of ten aanzien van een keuzedeel of een onderdeel van een kwalificatie waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 7.2.3, eerste lid, vereisten zijn opgenomen als bedoeld in artikel 7.2.6.
3.
Het Centraal register bevat voorts per kwalificatie de volgende gegevens, voor zover van toepassing:
a. de namen van de uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
die blijkens de opgave van het aantal deelnemers daadwerkelijk de desbetreffende beroepsopleiding verzorgen,
waaraan de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding zijn ontnomen en de ingangs- en einddatum daarvan,
waaraan het recht op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan,
b. de namen van de niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen
waaraan het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding is toegekend en die niet te kennen hebben gegeven dat zij deze beroepsopleiding niet langer zullen verzorgen,
waaraan het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, met betrekking tot de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan,
waaraan het recht op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding is ontnomen en de ingangsdatum daarvan,
c. de namen van de exameninstellingen
die het recht hebben op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding en die niet te kennen hebben gegeven dat zij die examinering niet langer zullen verzorgen en
waaraan het recht is ontnomen op examinering van de desbetreffende beroepsopleiding, en de ingangsdatum daarvan.
1.
Onverminderd artikel 6.2.2 beëindigt Onze Minister de registratie bij een kwalificatie van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, indien het bevoegd gezag te kennen geeft dat de instelling de desbetreffende beroepsopleiding niet langer zal verzorgen. Onverminderd artikel 6.3.2 beëindigt Onze Minister de registratie bij een kwalificatie van de examinering door een exameninstelling, indien het bevoegd gezag te kennen geeft dat de exameninstelling de examinering van de desbetreffende beroepsopleiding niet langer zal verzorgen.
2.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de opleiding niet meer openstaat.
3.
Onze Minister beëindigt de registratie ambtshalve wanneer de instelling de opleiding niet langer verzorgt en het bevoegd gezag de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, niet of niet tijdig doet.
4.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de registratie van de examinering door exameninstellingen.
artikel 1.4a.1 van Wet educatie en beroepsonderwijs">
Artikel 6a.1.1. Registratie van andere instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1
1.
Onze Minister maakt jaarlijks voor de aanvang van het studiejaar bekend welke instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid, voor welke opleidingen rechten hebben als bedoeld in dat lid. Deze bekendmaking vermeldt:
a. de naam van de instelling en van de opleiding die de instelling verzorgt,
b. in voorkomende gevallen, een waarschuwing als bedoeld in artikel 6a.1.3, en
c. in voorkomende gevallen, de bepaling dat de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop.
2.
Als peildatum voor de gegevens, bedoeld in het eerste lid, hanteert Onze Minister 1 juni voorafgaand aan de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid.
artikel 1.4a.1 van Wet educatie en beroepsonderwijs">
Artikel 6a.1.2. Beëindiging diploma-erkenning ten aanzien van opleidingen educatie, verzorgd door instellingen als bedoeld in artikel 1.4a.1
1.
Onze Minister kan ten aanzien van een opleiding educatie, verzorgd door een instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1, het recht, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, ontnemen indien:
a. gebleken is dat de kwaliteit van een of meer examens of een of meer onderdelen van een examen van die opleiding onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid, of aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4a.1, zesde lid, of aan artikel 1.4a.1, achtste lid, onderdelen a tot en met e.
2.
Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden.
1.
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6a.1.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van een of meer examens of een of meer onderdelen van een examen van die opleiding. Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6a.1.2, eerste lid, onder a, nadat
a. na de waarschuwing ten minste een jaar is verstreken, en
b. Onze Minister aan de hand van een hernieuwd onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
2.
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6a.1.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
artikel 1.4a.1 van Wet educatie en beroepsonderwijs">
Artikel 6a.1.4. Beëindiging diploma-erkenning van rechtswege van opleidingen educatie van instellingen, bedoeld in artikel 1.4a.1
Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1, langer dan een studiejaar een opleiding educatie niet heeft verzorgd, vervalt van rechtswege het recht om voor de desbetreffende opleiding een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid, uit te reiken.
1.
Onze Minister kan aan een instelling het recht op examinering van een opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, ontnemen, indien
a. de kwaliteit van de examens van die opleiding langer dan één jaar onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de examens.
2.
Bij de ontneming van het recht, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald met ingang van welk tijdstip dit geschiedt. Het besluit tot ontneming van het recht op examinering wordt openbaar gemaakt.
3.
Voordat Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen over de kwaliteit van de examinering, onder bepaling van de termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. Artikel 6.1.5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na het besluit tot ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht op examinering opnieuw verkrijgen. Artikel 1.4a.1 is van overeenkomstige toepassing.
5.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.4a.1.
Artikel 7.1.1. Taal
Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. Een andere taal kan worden gebezigd:
a. wanneer het onderwijs met betrekking tot die taal betreft, of
b. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de deelnemers daartoe noodzaakt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde gedragscode.
1.
De instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van beroepsopleidingen of opleidingen educatie. Een beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van de kwalificatie waarop zij is gericht of voorzover het gaat om deelnemers die ingeschreven zijn of zullen worden voor een opleidingsdomein of kwalificatiedossier, de naam van dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier. Het keuzedeel dat deel uitmaakt van de beroepsopleiding wordt door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam van dat keuzedeel.
2.
Een beroepsopleiding is een onderwijstraject dat voor een deelnemer is ingericht overeenkomstig de eisen van hoofdstuk 7, titel 2, onverminderd artikel 1.4.1, lid 1a, en dat is gericht op het behalen van een kwalificatie in het beroepsonderwijs alsmede een of meer daarbij behorende keuzedelen, ten bewijze waarvan een diploma wordt uitgereikt.
3.
Een opleiding educatie is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen of het behalen van een diploma, gelijkwaardig aan een diploma van scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of onderdelen van een dergelijk diploma.
4.
Beroepsopleidingen worden afgesloten met een examen. Opleidingen educatie kunnen worden afgesloten met een examen.
1.
Een kwalificatie is het geheel van bekwaamheden die een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeren voor het functioneren in een beroep of een groep van samenhangende beroepen, in het vervolgonderwijs en als burger en dat is beschreven binnen een kwalificatiedossier.
2.
Het keuzedeel is onderdeel van een beroepsopleiding en is gericht op verbreding of verdieping van de kwalificatie waar deze bij behoort, dan wel gericht op doorstroom naar een vervolgopleiding.
1.
Bij het geven van onderwijs aan een deelnemer van een beroepsopleiding die bij de aanvang van die opleiding leerplichtig was en die is opgenomen in een ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijft, kan het bevoegd gezag van een instelling die de beroepsopleiding verzorgt, worden ondersteund.
2.
De ondersteuning bedoeld in het eerste lid wordt verzorgd door:
a. een educatieve voorziening als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek indien de deelnemer is opgenomen in een academisch ziekenhuis of
b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 180 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 166 van de Wet op de expertisecentra indien de deelnemer is opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis dan wel indien de deelnemer in verband met ziekte thuis verblijft.
3.
De ondersteuning bedoeld in het eerste lid kan in overeenstemming tussen de educatieve voorziening dan wel de schoolbegeleidingsdienst en de instelling waarbij de deelnemer is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de deelnemer betreffen.
4.
Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bekostiging voor activiteiten die worden verricht met betrekking tot de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de bekostiging, bedoeld in de vorige volzin.
5.
Schoolbegeleidingsdiensten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn de schoolbegeleidingsdiensten die voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen, in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 subsidie ontvingen van een gemeente op grond van artikel IX van de Wet van 10 december 1998 (Stb. 733), tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek inzake de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen.
Artikel 7.2.1. Reikwijdte
Deze titel is van toepassing op beroepsopleidingen.
1.
De volgende soorten beroepsopleidingen worden onderscheiden:
a. de entreeopleiding,
b. de basisberoepsopleiding,
c. de vakopleiding,
d. de middenkaderopleiding, en
e. de specialistenopleiding.
2.
De in het eerste lid bedoelde opleidingen kunnen worden verzorgd in de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg.
3.
De entreeopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het eerste niveau van beroepsuitoefening of voor de entree op de arbeidsmarkt. De basisberoepsopleidingen richten zich op de kwalificatie voor het tweede, de vakopleidingen op de kwalificatie voor het derde en de middenkader- en specialistenopleidingen op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan onderdelen van een kwalificatie of kwalificaties dan wel aan een keuzedeel of keuzedelen een certificaat is verbonden.
2.
Artikel 7.4.6, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op certificaten.
1.
Met het oog op het functioneren van een landelijke kwalificatiestructuur, gericht op de aansluiting tussen het aanbod van het beroepsonderwijs en de maatschappelijke behoeften daaraan, mede in het licht van de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden, draagt Onze Minister zorg voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers, de bijbehorende kwalificaties alsmede de keuzedelen die voor de desbetreffende bedrijfstakken of beroepencategorieën van belang zijn.
2.
Daartoe worden op voorstel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, behoudens het achtste lid, bij ministeriële regeling vastgesteld:
a. de kwalificatiedossiers,
b. van elk kwalificatiedossier:
het opleidingsdomein waartoe het kwalificatiedossier behoort, tenzij het een kwalificatiedossier betreft dat uitsluitend is gericht op de kwalificatie voor de entree op de arbeidsmarkt,
de kwalificatie of kwalificaties die het kwalificatiedossier bevat, en
de kwalificatie of kwalificaties op grond waarvan een beroepsopleiding kan worden ingericht die voor bekostiging in aanmerking komt,
c. van elke kwalificatie:
de soort beroepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, waarop de kwalificatie is gericht,
2°. de leerweg of leerwegen, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, waarin die beroepsopleiding kan worden verzorgd,
het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, van die beroepsopleiding,
of toepassing is gegeven aan artikel 7.2.6, eerste lid en
in voorkomend geval, door welke soorten instellingen als bedoeld in de artikelen 1.3.2a en 1.3.3, een beroepsopleiding mag worden verzorgd die is gericht op de kwalificatie,
d. de keuzedelen, waarbij van elk keuzedeel wordt aangegeven bij welke kwalificatie of kwalificaties het behoort.
3.
De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven neemt bij het voorstel voor een kwalificatiedossier het bepaalde in het tweede, vierde, vijfde en zesde lid in acht. Uit het voorstel blijkt dat voldoende acht is geslagen op de aansluiting tussen de opleidingen voorbereidend beroepsonderwijs, de opleidingen middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, de beroepsopleidingen en de opleidingen hoger beroepsonderwijs, in elk geval door raadpleging van vertegenwoordigers van die onderwijsvelden. Indien ook andere instanties nauw bij het voorstel voor het kwalificatiedossier zijn betrokken, maakt de Samenwerkingsorganisatie in haar voorstel melding van de wijze waarop het oordeel van die instanties is betrokken in het voorstel.
4.
Bij de vaststelling van een kwalificatiedossier worden de referentieniveaus Nederlandse taal en de referentieniveaus rekenen in acht genomen die op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen zijn vastgesteld voor de soorten opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a tot en met e.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de inhoud van een kwalificatiedossier.
6.
Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de termijnen bij de totstandkoming, vaststelling en geldigheidsduur van kwalificatiedossiers, keuzedelen en de koppeling van keuzedelen aan kwalificaties. Tevens worden bij ministeriële regeling een model voor een kwalificatiedossier, een model voor een keuzedeel en een toetsingskader voor de kwalificatiestructuur vastgesteld.
7.
Deelnemers worden behoudens de tweede volzin opgeleid overeenkomstig het kwalificatiedossier dat voor de desbetreffende beroepsopleiding is vastgesteld voor de aanvang van het studiejaar waarin zij met het eerste jaar van die opleiding starten. Nadat de geldigheidsduur van een kwalificatiedossier, een keuzedeel, keuzedelen en de koppeling van keuzedelen aan kwalificaties is verstreken, kan een diploma op basis van dat kwalificatiedossier nog worden uitgereikt dan wel het behalen van een keuzedeel op het diploma worden vermeld, gedurende een periode die overeenkomt met de studieduur van de desbetreffende beroepsopleiding, vermeerderd met 2 jaren.
8.
Onze Minister kan in bijzondere gevallen een kwalificatiedossier vaststellen zonder voorstel van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven. Onze Minister gaat hiertoe niet over dan nadat de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn een voorstel voor een kwalificatiedossier te doen dat aansluit bij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en is afgestemd met het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.
1.
Het bevoegd gezag stelt de studieduur van de opleiding vast met inachtneming van de bij of krachtens het tweede en derde lid gestelde regels.
2.
De studieduur van de opleiding wordt uitgedrukt in volledige studiejaren of gedeelten daarvan. Eén volledig studiejaar heeft een studielast van ten minste 1600 klokuren.
3.
De studieduur bedraagt:
a. één volledig studiejaar voor de entreeopleiding;
b. ten minste één en ten hoogste twee volledige studiejaren voor de basisberoepsopleiding;
c. ten minste twee en ten hoogste drie volledige studiejaren voor de vakopleiding;
d. drie volledige studiejaren voor de middenkaderopleiding;
e. één volledig studiejaar voor de specialistenopleiding.
4.
Indien dit in verband met de aard van de opleiding noodzakelijk is, kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat voor de middenkaderopleiding een langere studieduur kan worden vastgesteld. Onze Minister geeft daarbij de betreffende opleiding aan en het aantal volledige studiejaren of gedeelten daarvan die de studieduur van die opleiding ten hoogste mag bedragen.
Artikel 7.2.5a. Vaststelling opleidingsdomeinen
Bij ministeriële regeling worden op voorstel van de instellingen in overleg met de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven de opleidingsdomeinen vastgesteld.
1.
Indien voor een beroep bij of krachtens een wet, verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, vereisten zijn vastgesteld over de kwaliteiten onder meer op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden of beroepshoudingen waarover degenen die een opleiding gericht op dat beroep voltooien, moeten beschikken, of over de examinering bij de desbetreffende beroepsopleiding:
a. draagt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven ervoor zorg dat deze vereisten verwerkt zijn bij het doen van het voorstel, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede en derde lid,
b. voegt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven een verklaring van Onze Minister die het aangaat dat deze vereisten correct zijn verwerkt in het voorstel, bedoeld in artikel 7.2.4, tweede en derde lid, en
c. neemt Onze Minister deze vereisten in acht bij de vaststelling van de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4.
2.
De instelling draagt er bij het aanbieden van een beroepsopleiding zorg voor dat degenen die deze opleiding volgen, ten minste in de gelegenheid zijn aan de in het eerste lid bedoelde vereisten te voldoen en dat bij de examinering, zo nodig in afwijking van titel 4 van dit hoofdstuk, aan die vereisten wordt voldaan.
1.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat deelnemers, ongeacht of zij eerst worden ingeschreven voor een opleidingsdomein of voor een kwalificatiedossier, de kwalificatie en daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken en dat het onderwijsprogramma evenwichtig is ingedeeld, alsmede voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming omvat.
2.
Beroepsopleidingen in de beroepsopleidende leerweg en in de beroepsbegeleidende leerweg zijn voltijds ingericht en hebben per volledig studiejaar een studielast van ten minste 1600 klokuren.
3.
Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsopleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de deelnemer een onderwijsprogramma verzorgt dat:
a. voor de entreeopleiding ten minste 1000 klokuren omvat waarvan ten minste 600 begeleide onderwijsuren;
b. voor een eenjarige basisberoepsopleiding en voor de specialistenopleiding ten minste 1000 klokuren omvat, waarvan ten minste 700 begeleide onderwijsuren en ten minste 250 klokuren beroepspraktijkvorming;
c. voor een tweejarige basisberoepsopleiding en voor een tweejarige vakopleiding ten minste 2000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1250 begeleide onderwijsuren en ten minste 450 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd;
d. voor een driejarige vakopleiding en de middenkaderopleiding ten minste 3000 klokuren omvat, waarvan ten minste 1800 begeleide onderwijsuren en ten minste 900 klokuren beroepspraktijkvorming, met dien verstande dat in het eerste studiejaar ten minste 700 begeleide onderwijsuren worden verzorgd.
Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de onder a tot en met d genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid.
4.
Het onderwijsprogramma voor een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg voldoet aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming, bedoeld in het eerste lid, indien het bevoegd gezag voor de deelnemer een onderwijsprogramma verzorgt dat elk studiejaar ten minste 850 klokuren omvat, waarvan ten minste 200 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren beroepspraktijkvorming. Het bevoegd gezag kan een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de genoemde aantallen mits de opleiding aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag hierover verantwoording af in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid.
5.
Het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde en vierde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de deelnemer wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag en bestaat uitsluitend uit begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvorming.
6.
De begeleide onderwijsuren, bedoeld in het eerste, derde, vierde en vijfde lid, zijn klokuren waarin onderwijs wordt gegeven onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel als bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2, niet zijnde uren die deel uit maken van de beroepspraktijkvorming.
7.
Indien in het laatste studiejaar van de basisberoepsopleiding of de vakopleiding de studieduur van de opleiding gerekend vanaf 1 september en naar boven afgerond op hele maanden minder is dan 10 maanden, worden het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming, genoemd in het derde lid, onder b, c en d en het vierde lid, in dat studiejaar evenredig verlaagd. De laatste twee volzinnen van het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
8.
Voor opleidingen waarvan op grond van artikel 7.2.4a, vierde lid, een studieduur is vastgesteld van meer dan drie volledige studiejaren wordt het onderwijsprogramma, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, naar evenredigheid verhoogd met begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming. De laatste twee volzinnen van het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
9.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het aanbod van keuzedelen aan deelnemers alsmede de omvang van het keuzedeel of de keuzedelen die onderdeel uitmaken van de beroepsopleiding en de omvang van de onderdelen, bedoeld in artikel 6.1.2a, tweede lid.
10.
Het bevoegd gezag kan op verzoek van de deelnemer bij het aanbod van keuzedelen bij een opleiding afwijken van de koppeling van keuzedelen aan de kwalificatie van de opleiding zoals opgenomen in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.2.4, zesde lid, eerste volzin. De keuzedelen die bij een opleiding worden aangeboden, vallen niet samen met een of meer onderdelen van de kwalificatie van de opleiding. Het bevoegd gezag legt verantwoording af over de toepassing van de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid in het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4, dan wel, bij toepassing van artikel 1.4.1, eerste lid, in het verslag, bedoeld in artikel 1.4.1, derde lid.
1.
Van elke beroepsopleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit. De beroepspraktijkvorming kan voor een deel plaatsvinden in de periode waarin de deelnemer is ingeschreven voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier of tijdens het onderwijsprogramma op basis van een of meer keuzedelen.
2.
De beroepspraktijkvorming wordt verzorgd op grondslag van een overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 genoemde partijen. De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen en omvat met inachtneming van het dienaangaande bij of krachtens deze wet bepaalde, ten minste bepalingen over:
a. de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het totale aantal te volgen praktijkuren en de verdeling daarvan over de studiejaren,
b. de begeleiding van de deelnemer,
c. het deel van de kwalificatie dan wel het keuzedeel, de keuzedelen of het deel daarvan dat de beroepspraktijkvorming omvat alsmede de wijze van beoordeling van de beroepspraktijkvorming, en
d. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.
3.
Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de deelnemers binnen het bedrijf. Het bevoegd gezag beoordeelt of de deelnemer de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft voltooid. Het bevoegd gezag betrekt bij die beoordeling het oordeel van het bedrijf onderscheidenlijk de organisatie, met inachtneming van de desbetreffende in de onderwijs- en examenregeling op te nemen regels.
1.
Het bevoegd gezag van de instelling draagt zorg voor de beschikbaarheid van de praktijkplaats en de totstandkoming van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst. De overeenkomst wordt gesloten door de instelling, de deelnemer en het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt.
2.
Indien het bevoegd gezag en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven na het sluiten van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst vaststellen dat de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, het bedrijf of de organisatie niet langer beschikt over een gunstige beoordeling als bedoeld in artikel 7.2.10, of sprake is van andere omstandigheden die maken dat de beroepspraktijkvorming niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, bevordert het bevoegd gezag, na overleg met het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld.
1.
Het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven zorgt ervoor dat bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen eenmaal in de vier jaar worden beoordeeld aan de hand van door de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven vast te stellen criteria. Indien daartoe door bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat kan controle frequenter plaats vinden.
2.
Het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven erkent een bedrijf of organisatie als leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming of handhaaft de erkenning bij een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid. Het bestuur weigert de erkenning of trekt de erkenning in, indien de in de eerste volzin bedoelde beoordeling ongunstig is.
3.
Het bestuur vraagt geen vergoeding voor de kosten van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, en de beschikkingen, bedoeld in het tweede lid.
4.
De erkenning vervalt van rechtswege als het leerbedrijf gedurende een aaneengesloten periode van vier jaar geen beroepspraktijkvorming heeft verzorgd.
5.
De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven maakt de in het eerste lid bedoelde criteria bekend. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
6.
De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven draagt zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties met een erkenning op grond van het tweede lid, eerste volzin.
7.
Tot het verzorgen van beroepspraktijkvorming voor een opleiding of groep van opleidingen zijn uitsluitend bevoegd de bedrijven en organisaties met een erkenning op grond van het tweede lid, eerste volzin.
Artikel 7.2.11. Diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan de deelnemers gelegenheid wordt gegeven diagnostische toetsen Nederlandse taal en rekenen af te leggen. Indien toepassing wordt gegeven aan de vorige volzin, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent deze toetsen vastgesteld. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op het moment of de momenten waarop de toetsen kunnen worden afgelegd.
1.
De volgende opleidingen educatie worden onderscheiden:
a. opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, gericht op het behalen van een diploma van onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. opleidingen Nederlandse taal en rekenen, gericht op alfabetisering en op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs,
c. de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II die opleiden voor het diploma Nederlands als tweede taal, bedoeld in het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal,
d. de opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op beheersing van een basisniveau Nederlandse taal,
e. de opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering, en
f. bij ministeriële regeling aan te wijzen andere opleidingen.
2.
De opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, zijn afgestemd op het maatschappelijk functioneren van de deelnemers.
3.
Bij de opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en d, kunnen verschillende niveaus worden onderscheiden.
4.
De opleidingen, bedoeld in het eerste lid, onder c tot en met e, zijn gericht op volwassenen die niet inburgeringsplichtig zijn in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet inburgering.
1.
De opleiding Nederlands als tweede taal I is gericht op de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het volgen van opleidingen of de uitoefening van functies op het niveau van een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en die ten minste het niveau van het primair onderwijs hebben bereikt.
2.
De opleiding Nederlands als tweede taal II is gericht op de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het volgen van opleidingen in het hoger onderwijs en de uitoefening van hogere functies door hen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en die wat betreft vooropleiding of werkervaring functioneren op ten minste het niveau van het middenkader.
1.
Bij ministeriële regeling worden eindtermen vastgesteld voor de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder c, en kunnen eindtermen worden vastgesteld voor de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, d, e en f.
2.
Het bevoegd gezag stelt eindtermen vast voor de opleidingen, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, d, e en f, indien daarvoor geen eindtermen zijn vastgesteld bij ministeriële regeling.
1.
Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de voor het behalen van elk der in het eerste lid genoemde diploma’s noodzakelijke vakken en andere programma-onderdelen, en omtrent de cursusduur.
3.
Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens dit artikel. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 7.4.1. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op beroepsopleidingen en opleidingen educatie, met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als tweede taal I en II.
1.
Het bevoegd gezag van een instelling geeft de deelnemers de gelegenheid een examen af te leggen.
2.
Het examen omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht, de vaardigheden en, in voorkomende gevallen, de beroepshoudingen die de examinandus zich bij voltooiing van de opleiding moet hebben eigen gemaakt, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek aan de hand van de eindtermen of aan de hand van de kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier en de eisen van het keuzedeel of de keuzedelen.
Artikel 7.4.3. Examens beroepsopleidingen
Het examen van een beroepsopleiding strekt zich uit over de kwalificatie en een of meer keuzedelen.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de examens van beroepsopleidingen.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onderdelen van een beroepsopleiding worden aangewezen waarbij geheel of gedeeltelijk centrale examinering plaatsvindt. Voor onderdelen waarbij gedeeltelijk centrale examinering plaatsvindt, wordt bij ministeriële regeling bepaald over welk gedeelte het centraal examen zich uitstrekt.
Artikel 7.4.4. Kwaliteitsstandaarden
Bij ministeriële regeling worden landelijke standaarden voor de kwaliteit van de examens van de beroepsopleidingen vastgesteld die betrekking hebben op:
a. de inhoud en het niveau van de examens, in relatie tot de kwalificatie-eisen in het kwalificatiedossier alsmede de eisen van de keuzedelen, bedoeld in artikel 7.2.4;
b. de procedures rond de examens en de voorwaarden waaronder examens worden afgenomen.
1.
Het bevoegd gezag kan de examinering van een beroepsopleiding overdragen aan een andere instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, of  1.4.1 of aan een exameninstelling, voor zover deze het recht op examinering van die beroepsopleiding hebben.
2.
Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan artikel 6.1.5b, eerste lid, 6.2.3b, eerste lid, dan wel 6.3.2, eerste lid, is het bevoegd gezag voor die beroepsopleiding gehouden toepassing te geven aan het eerste lid.
3.
Het bevoegd gezag kan de examinering van examendeelnemers die op grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 8.4.2 een entreeopleiding volgen, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs.
1.
Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een examencommissie in ten behoeve van de organisatie en het afnemen van de examens voor elke door de instelling verzorgde opleiding of voor groepen van opleidingen.
2.
Het bevoegd gezag benoemt de leden van de examencommissie.
1.
Ten bewijze dat een opleiding met goed gevolg is afgesloten, reikt de examencommissie een diploma uit.
2.
De opleiding is eerst dan met goed gevolg afgesloten wanneer met goed gevolg examen is afgelegd in de kwalificatie, examen is afgelegd in het keuzedeel of de keuzedelen en de beroepspraktijkvorming voor zover betrekking hebbend op de kwalificatie met een positieve beoordeling is voltooid.
3.
Bij ministeriële regeling worden modellen en technische veiligheidseisen voor het diploma en de resultatenlijst van een beroepsopleiding vastgesteld.
1.
Onze Minister kan een rechtspersoon aanwijzen die tot taak heeft het desgevraagd, aan belanghebbenden of aan de op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties bevoegde autoriteiten, verstrekken van op vergelijking van opleidingen berustende waarderingen of vergelijkingen:
a. van buitenlandse diploma’s of certificaten als bedoeld in die wet alsmede van andere buitenlandse diploma's, met
b. de getuigschriften van overeenkomstige Nederlandse beroepsopleidingen.
2.
Bij de vergelijkingen en waarderingen wordt zo mogelijk aangegeven tot welke soort in artikel 7.2.2, eerste lid, bedoelde beroepsopleiding de desbetreffende opleiding kan worden gerekend en met welke in het Centraal register vermelde beroepsopleiding die opleiding vergelijkbaar is of kan worden gelijkgesteld.
3.
De vergelijking of waardering wordt slechts verstrekt:
a. op verzoek van de op grond van de in het eerste lid genoemde wet bevoegde autoriteiten, ten behoeve van aanvragen tot het verlenen van erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van die wet,
b. indien deze noodzakelijk is voor deelneming van personen met een buitenlandse beroepskwalificatie aan een Nederlandse beroepsopleiding, of
c. indien deze noodzakelijk is voor deelneming van personen met een buitenlandse beroepskwalificatie aan de Nederlandse arbeidsmarkt op een niveau dat overeenkomt met een in artikel 7.2.2 bedoeld niveau van beroepsuitoefening.
4.
Onze minister kan beleidsregels stellen met het oog op een doelmatige vervulling van de in het eerste lid genoemde taken door de rechtspersoon.
5.
De rechtspersoon verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor de uitoefening van diens taak redelijkerwijs benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
6.
Indien naar het oordeel van Onze Minister de rechtspersoon zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de rechtspersoon in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren. Onze Minister stelt de beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in de eerste volzin.
7.
Onze minister verstrekt, onder door hem op te leggen verplichtingen, aan de rechtspersoon jaarlijks uit 's Rijks kas middelen ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid genoemde taken.
1.
Het bevoegd gezag zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.
2.
Het bevoegd gezag legt de beschrijving van het onderwijsprogramma, met vermelding van het aantal begeleide onderwijsuren als bedoeld in artikel 7.2.7 per programmaonderdeel per studiejaar en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming per studiejaar, en de regels met betrekking tot het examen tijdig voor aanvang van de opleiding vast in de onderwijs- en examenregeling van de instelling en zorgt ervoor dat deelnemers volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma, examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte deelnemers die extra ondersteuning behoeven.
3.
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat beroepsopleidingen aantoonbaar voldoen aan de eisen van artikel 7.2.7, derde, vierde, zesde, zevende, achtste en negende lid.
4.
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een deelnemersstatuut waarin de rechten en plichten van de deelnemers zijn opgenomen. In het deelnemersstatuut zijn in elk geval de nadere regels, bedoeld in artikel 8.1.7a, vierde lid, opgenomen.
5.
De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens het afnemen van de toetsen, het examen of de examenonderdelen.
6.
Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.4.4a, dan treedt de examenregeling van de instelling of exameninstelling die de examinering verzorgt in de plaats van de examenregeling van de instelling die het onderwijs verzorgt.
1.
Het bevoegd gezag van een exameninstelling zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van de examinering.
2.
Het bevoegd gezag van een exameninstelling zorgt ervoor dat de deelnemers die in dat jaar examen willen afleggen volledig en tijdig geïnformeerd worden over de inhoud en inrichting van de examens.
Artikel 7.4.10. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II.
1.
Aan de deelnemers wordt gelegenheid gegeven een examen af te leggen.
2.
Artikel 7.4.5 is van overeenkomstige toepassing.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de examens van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als tweede taal I en II, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a en c. Bij deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens voorschriften worden gegeven omtrent de examenprogramma’s en de verdeling daarvan in onderdelen. De examens van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs omvatten een rekentoets. Bij de vaststelling van de opgaven van de rekentoets worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoorten zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften omtrent deze toets vastgesteld.
4.
Ten behoeve van de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een instelling kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens het tweede en derde lid. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
5.
Artikel 7.4.6, eerste en derde lid, is van toepassing, met dien verstande dat degene die een onderdeel van een examen van de opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I of II met goed gevolg heeft afgelegd een certificaat ontvangt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke voorwaarden het bezit van certificaten aanspraak geeft op een diploma.
6.
Artikel 7.4.8, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen of exameninstellingen een commissie van beroep voor de examens in, dan wel sluit zich bij een dergelijke commissie aan. Beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren kunnen worden onderworpen aan het oordeel van een commissie van beroep voor de examens.
2.
De commissie van beroep voor de examens bestaat uit een even aantal gewone leden en evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en een plaatsvervangend voorzitter.
3.
De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden en plaatsvervangende leden worden door het bevoegd gezag benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. De leden en de plaatsvervangende leden maken geen deel uit van het bevoegd gezag, van de inspectie of van een in artikel 7.4.5 bedoelde examencommissie of examinator tegen de beslissing waarvan onderscheidenlijk van wie beroep kan worden ingesteld bij de commissie van beroep, noch zijn zij belast met de in artikel 7.2.8, tweede lid, onder c, bedoelde beoordeling.
4.
Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep voor de examens ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich ter zake te doen horen.
1.
De commissie van beroep voor de examens oordeelt over beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren.
2.
De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, twee weken.
3.
De commissie beslist binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de commissie deze termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken.
4.
De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen.
5.
De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan het bevoegd gezag, aan het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, en aan de inspectie.
6.
Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. De commissie is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Zij kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het examen of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door de commissie te stellen voorwaarden. De examencommissie of de examinator van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie van beroep voor de examens. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.
1.
In zaken waarin het belang van de appellant een onverwijlde voorziening bij voorraad vordert, kan deze bij met redenen omkleed verzoekschrift, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, aan de voorzitter van de commissie van beroep voor de examens een voorlopige voorziening vragen. De voorzitter beslist op dat verzoek na de desbetreffende examencommissie dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.
2.
Herziening van een uitspraak van de commissie kan op verzoek van elk van beide partijen plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten of omstandigheden die indien deze eerder bekend waren geweest tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Artikel 7.5.4. Inlichtingen
De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken aan de commissie van beroep voor de examens de inlichtingen die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.
1.
Het bevoegd gezag van een instelling is verplicht, studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding voor het beroep van leraar waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, of die anderszins studeren voor een bewijs van voldoende pedagogische bekwaamheid, en die in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs, gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de instelling te verkrijgen.
2.
De in het eerste lid bedoelde verplichting omvat 5% van het in het desbetreffende studiejaar door de instelling in totaal te verzorgen beroepsonderwijs en educatie. Het bevoegd gezag kan een hoger percentage vaststellen mits dat in overeenstemming is met de goede gang van zaken binnen de instelling.
3.
Het bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de instelling ontzeggen, indien deze in de instelling in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de instelling. Van een besluit tot ontzegging van de toegang tot de instelling wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken staatsexamencommissie, en aan de inspectie. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school een student de toegang weigert, maakt het dit besluit, schriftelijk en met redenen omkleed, bekend door toezending of uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in de vorige volzin.
4.
Het bevoegd gezag van de instelling regelt de werkzaamheden in verband met de begeleiding door de leraren van de studenten in de instelling in overeenstemming met de leraren, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft studenten die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen ter verkrijging van een bewijs van bekwaamheid of een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, in overeenstemming met de betrokken staatsexamencommissie.
5.
Onze Minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de in het eerste lid bedoelde verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een studiejaar.
6.
De instellingen waarbij studenten als bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie, belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen, voor de directieleden en de door deze aan te wijzen docenten van die opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden van de betrokken staatsexamencommissies, een en ander voor zover dat voor de uitoefening van het toezicht op de praktische vorming onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in de instelling aanwezige studenten noodzakelijk is.
1.
Een ieder die gebruik wenst te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen en examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als deelnemer te laten inschrijven. Een ieder die uitsluitend wenst te worden toegelaten tot examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als examendeelnemer te laten inschrijven. Voor de inschrijving als examendeelnemer is aan het bevoegd gezag een door dat gezag te bepalen vergoeding verschuldigd. Indien het een meerderjarige examendeelnemer betreft die het examengeld niet zelf voldoet, wordt niet overgegaan tot inschrijving dan nadat de deelnemer schriftelijk heeft verklaard dat hij ermee instemt dat een in die verklaring vermelde derde namens hem het examengeld voldoet. De inschrijving voor een opleiding of een onderdeel van een opleiding staat uitsluitend open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:
a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,
b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst,
c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijft houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, of
d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding of het onderdeel van de opleiding van een instelling, welke opleiding of welk onderdeel van de opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.
1a.
Indien na de inschrijving voor de opleiding of een onderdeel van de opleiding blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met de vijfde volzin van het eerste lid heeft plaatsgevonden, wordt de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, met onmiddellijke ingang ontbonden.
1b.
Voor de student die zich heeft ingeschreven voor een Ad-programma als bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek geldt niet de verplichting, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, om gebruik te kunnen maken van de onderwijsvoorzieningen.
2.
De inschrijving geschiedt voor een opleiding educatie of een onderdeel daarvan of voor een beroepsopleiding. In geval van een beroepsopleiding geschiedt de inschrijving voor een opleidingsdomein, een kwalificatiedossier of een kwalificatie. Bij de inschrijving worden alle gegevens vermeld die het bevoegd gezag nodig heeft om te kunnen voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, of ingeval van een beroepsopleiding, artikel 2.5.5a, tweede lid.
3.
De toelating tot beroepsopleidingen staat voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, uitsluitend open voor degenen voor wie de volledige leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969, is geëindigd.
4.
Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel beëindigd indien de betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel beëindigd indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel indien is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel beëindiging van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden beëindigd op grond van de tweede volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen.
5.
De inschrijving voor een opleidingsdomein kan uitsluitend geschieden voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg op het tweede, derde of vierde niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid.
6.
Bij ministeriële regeling kan een maximum worden vastgesteld voor het percentage van de deelnemers in het beroepsonderwijs dat in een jaar kan worden ingeschreven voor een opleidingsdomein.
1.
De inschrijving bij een instelling, bedoeld in artikel 8.1.1, vindt slechts plaats nadat door de deelnemer of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden nummer van de deelnemer zijn overgelegd. Indien door de deelnemer of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de deelnemer kan worden overgelegd, vindt de inschrijving plaats met inachtneming van het derde lid.
2.
De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs verstrekt bewijs van uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.
3.
Indien door de deelnemer of, indien deze minderjarig is, door de ouders, voogden of verzorgers aannemelijk wordt gemaakt dat geen persoonsgebonden nummer van de leerling kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot inschrijving aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de deelnemer, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats en, indien aanwezig, het leerlingadministratienummer.
4.
Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag het burgerservicenummer van de deelnemer, dan wel, indien is gebleken dat hem niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt, het onderwijsnummer van de deelnemer. Het onderwijsnummer is een door Onze Minister uitgegeven en aan de deelnemer toegekend persoonsgebonden nummer.
5.
Het bevoegd gezag neemt de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens op in de administratie van de instelling.
6.
Indien aan een deelnemer een onderwijsnummer is toegekend en het bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, neemt het bevoegd gezag dit burgerservicenummer terstond als persoonsgebonden nummer op in de administratie van de instelling in de plaats van het onderwijsnummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave van het burgerservicenummer en het onderwijsnummer van de deelnemer.
1.
De toelating tot de entreeopleiding staat uitsluitend open voor degenen die niet ten minste voldoen aan de vooropleidingseisen van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 8.2.1, vierde lid, en op wie paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is, met uitzondering van degenen ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan artikel 3b van de Leerplichtwet 1969.
2.
Het bevoegd gezag kan de toelating tot de entreeopleiding slechts weigeren indien diegene die om toelating verzoekt in de afgelopen twee studiejaren bij een instelling was ingeschreven voor een entreeopleiding.
Artikel 8.1.1c. Toelating basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding
Het bevoegd gezag beslist over de toelating tot de basisberoepsopleiding, de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding. Het bevoegd gezag kan bepalen dat de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid onder zijn verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend door een door het bevoegd gezag in te stellen toelatingscommissie. Het bevoegd gezag regelt de omvang, werkzaamheden en bevoegdheden van de toelatingscommissie.
Artikel 8.1.1d. Toelating opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
De toelating tot opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs staat uitsluitend open voor volwassenen.
1.
Indien binnen redelijke afstand van de woning van de deelnemer niet de gelegenheid bestaat tot het volgen van het onderwijs aan een openbare instelling, mag aan deze deelnemer de toelating tot een bijzondere instelling niet worden geweigerd op grond van godsdienst of levensbeschouwing.
2.
Openbare instellingen zijn toegankelijk voor deelnemers zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing.
1.
Aan de inschrijving ligt een overeenkomst tussen het bevoegd gezag en de deelnemer ten grondslag.
2.
De overeenkomst wordt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgesteld model, schriftelijk aangegaan. De overeenkomst wordt gesloten voor de duur van de beroepsopleiding of een deel daarvan, dan wel de opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of een deel daarvan waarop de inschrijving betrekking heeft.
3.
De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen, daaronder begrepen die, welke voortvloeien uit de wet, en omvat ten minste bepalingen over:
a. de inhoud en inrichting van een opleiding, waaronder voor een beroepsopleiding begrepen de leerweg, de examenvoorzieningen en de kwalificatie, of, bij inschrijving voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier, dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier, het beoogde niveau van de te behalen kwalificatie en het keuzedeel, de keuzedelen en het onderdeel of de onderdelen, bedoeld in artikel 6.1.2a, tweede lid, die deel uitmaken van de beroepsopleiding,
b. de tijdvakken waarbinnen en, voor zover mogelijk, de lokaties waarop het onderwijs verzorgd wordt,
c. de wijze waarop partijen uit de overeenkomst voortkomende prestaties gestalte zullen geven,
d. in voorkomend geval, terugbetaling van voorschotten, verstrekt door het bevoegd gezag, ter voldoening van een bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage als bedoeld in artikel 8.1.4,
e. de terugbetaling van cursusgeld in andere gevallen dan bedoeld in artikel 14, tweede lid onder a tot en met d, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000,
f. het verzuimbeleid van het bevoegd gezag,
g. indien sprake is van een gehandicapte deelnemer, de extra ondersteuning die voortvloeit uit zijn handicap, en
h. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.
4.
Indien tot een bijzondere instelling andere deelnemers worden toegelaten dan voor wie de instelling in verband met de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting wordt in stand gehouden, kunnen deze deelnemers niet worden verplicht tot het volgen van onderwijs dat in verband met die richting door de instelling wordt verzorgd.
5.
Definitieve verwijdering van een deelnemer waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere instelling, een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is de deelnemer toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht naar een zodanige instelling of school waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de eerste volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.
6.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op examendeelnemers als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid.
Artikel 8.1.4. Onderwijsbijdragen
De inschrijving wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan een bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage.
1.
Het bevoegd gezag stelt van iedere aan de instelling ingeschreven deelnemer die valt onder de werking van de Wet studiefinanciering 2000 of van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten , vast, of deze deelnemer gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. In afwijking van de vorige volzin kan Onze Minister bepalen dat voor soorten van onderwijs als bedoeld in deze wet, de in die volzin bedoelde vaststelling wordt gedaan indien een ingeschreven deelnemer in een of meer vakken niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Onder afwezigheid met geldige reden wordt verstaan afwezigheid wegens ziekte van de deelnemer, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts, en afwezigheid wegens bijzondere familie-omstandigheden.
2.
Het bevoegd gezag meldt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van vier weken aan de deelnemer dat daarvan in de administratie van de instelling aantekening is gemaakt en verzoekt de deelnemer om opgaaf van de reden van de afwezigheid. Het bevoegd gezag doet daarbij mededeling van de opgave van de gegevens van de deelnemer, bedoeld in artikel 8.1.8a, eerste lid.
3.
Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bevoegd gezag vast:
a. of de reden die de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is, of
b. dat de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.
4.
Het bevoegd gezag stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de deelnemer voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.
5.
Het bevoegd gezag meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan Onze Minister de deelnemer die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt het indien die deelnemer voor het einde van de periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen de datum ervan.
6.
De periode van 5 weken en de periode van 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd. Zij wordt geacht niet te zijn onderbroken door deze vakantieweken.
7.
Het bevoegd gezag stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vijfde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokken deelnemer aan Onze Minister zijn verstrekt aan deze betrokkene. Het bevoegd gezag geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in het eerste lid, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of voor de tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten van betrokkene op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten , alsmede welke beroepsgang voor betrokkene tegen de mededeling, bedoeld in het vijfde lid, open staat.
8.
Indien het bevoegd gezag van een bijzondere instelling aan Onze Minister de in het vijfde lid bedoelde mededeling heeft gedaan, kan de deelnemer binnen 6 weken na ontvangst van de gegevens, bedoeld in het zevende lid, bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten tegen die mededeling.
9.
Onder «deelnemer» als bedoeld in het vijfde en zevende lid wordt verstaan de deelnemer die
a. een entreeopleiding of een basisberoepsopleiding volgt als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b, of
b. voor 1 augustus 2005 studiefinanciering in de zin van de Wet studiefinanciering 2000 ontving.
1.
Het bevoegd gezag brengt aan iedere deelnemer die is ingeschreven in een entreeopleiding uiterlijk binnen vier kalendermaanden na aanvang van de opleiding advies uit over de voortzetting van zijn opleiding.
2.
Aan een advies als bedoeld in het eerste lid kan het bevoegd gezag een besluit tot ontbinding van de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, verbinden. De ontbinding is slechts gerechtvaardigd indien de deelnemer naar het oordeel van het bevoegd gezag, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, onvoldoende vordering heeft gemaakt in de opleiding. Het bevoegd gezag kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken indien het gezorgd heeft voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede voortgang van de opleiding zijn gewaarborgd.
3.
Van de deelnemer waarvan de onderwijsovereenkomst op grond van het tweede lid is ontbonden, wordt de inschrijving voor de desbetreffende entreeopleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De deelnemer kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven.
4.
Het bevoegd gezag stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de te behalen studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid.
5.
Tegen het advies, bedoeld in het eerste lid, staat binnen twee weken na het uitbrengen van het advies, beroep open bij de Commissie van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 7.5.1. De artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.4 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft van de gegevens van degene
a. op wie de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is en die de leeftijd van 23 jaren nog niet heeft bereikt,
b. die niet in het bezit is van een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, dan wel een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
c. die bij de instelling wordt verwijderd.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het eerste lid.
1.
Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan Onze Minister van de gegevens van degene die voldoet aan artikel 8.1.8, eerste lid, onderdelen a en b, en die het onderwijs of het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs aan de instelling gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt.
2.
Onze Minister neemt de op grond van dit artikel door het bevoegd gezag verstrekte gegevens op in het meldingsregister relatief verzuim.
3.
Onze Minister bericht burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft onverwijld na ontvangst van de opgave, bedoeld in het eerste lid, dat een zodanige opgave heeft plaatsgevonden.
4.
Onze Minister verstrekt uit het meldingsregister relatief verzuim aan het betrokken bevoegd gezag en aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft de ter zake van die betrokkene geregistreerde gegevens.
5.
Burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft melden aan Onze Minister telkens de status van de behandeling van de ter zake van de betrokkene gedane opgave, bedoeld in het eerste lid.
6.
Onze Minister neemt de op grond van dit artikel door burgemeester en wethouders verstrekte gegevens op in het meldingsregister relatief verzuim.
7.
Het betrokken bevoegd gezag en burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft, zijn bevoegd het meldingsregister relatief verzuim te raadplegen voor zover het betreft de ter zake van die betrokkene geregistreerde gegevens.
8.
Het bevoegd gezag kan de gegevens, bedoeld in het eerste lid, verstrekken aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft.
9.
Bij de verwerking van gegevens, bedoeld in dit artikel, wordt het persoonsgebonden nummer van de betrokkene gebruikt.
10.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van de verstrekking van gegevens op grond van het eerste en vijfde lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de gegevens die op grond van het eerste en vijfde lid worden verstrekt.
11.
De gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid kunnen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens omvatten, met uitzondering van gegevens over ras, politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een vakvereniging, voor zover deze persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim.
12.
Op verzoek van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft, komen hun rechten en verplichtingen als bedoeld in dit artikel toe aan burgemeester en wethouders van de contactgemeente, bedoeld in artikel 8.3.2, derde lid.
1.
Vereiste voor toelating tot een middenkaderopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:
a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg,
b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk,
f. een diploma basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, of
g. een diploma vakopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c.
2.
Vereiste voor inschrijving voor een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is het bezit van een diploma vakopleiding voor eenzelfde beroep of beroepencategorie.
3.
Vereiste voor toelating tot een vakopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:
a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte leerweg,
b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of
f. een diploma basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b.
4.
Vereiste voor toelating tot een basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, is met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2 het bezit van:
a. een diploma lager beroepsonderwijs, een diploma voorbereidend beroepsonderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg,
b. een diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de theoretische leerweg,
c. een diploma mavo-vbo, of een diploma voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs voor zover het betreft de gemengde leerweg,
d. een bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs met gunstig gevolg zijn doorlopen,
e. een ander bij ministeriële regeling aangewezen diploma of bewijsstuk, of
f. een diploma entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a.
5.
Voor de toelating tot een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs gelden geen vooropleidingseisen.
6.
Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen personen die niet voldoen aan de vooropleidingseis voor een basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding, vrijstellen van die vooropleidingseis, indien zij bij een onderzoek hebben blijk gegeven van geschiktheid voor het desbetreffende onderwijs.
7.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op examendeelnemers als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid.
1.
Op voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs, vertegenwoordigers van de instellingen en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven worden bij ministeriële regeling aangewezen de sectoren, bedoeld in de artikelen 10, 10b en 10d van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarop het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, het diploma voorbereidend beroepsonderwijs, het diploma mavo-vbo en de diploma's voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs betrekking moeten hebben, alsmede vakken en andere programma-onderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een van deze diploma's, om te kunnen worden toegelaten tot een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de diploma’s van beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, ingeval van doorstroom van een lager naar een hoger niveau als bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, met dien verstande dat er geen sprake is van een voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs.
2.
In de ministeriële regeling kan onderscheid worden gemaakt naar groepen van deelnemers, dan wel kan worden bepaald dat de regeling niet van toepassing is op groepen van deelnemers.
1.
Onder een voortijdige schoolverlater in de zin van deze titel wordt verstaan degene op wie artikel 8.1.8, eerste lid onder a en b, van toepassing is en
a. die het onderwijs of het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs aan de instelling waaraan hij is ingeschreven gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt, of
b. die niet meer aan een instelling is ingeschreven en evenmin is ingeschreven aan een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel aan een school of instelling als bedoeld in de Wet op de expertisecentra .
2.
Voor zover nodig in afwijking van het eerste lid wordt onder een voortijdig schoolverlater niet verstaan degene die in het bezit is van een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onderdeel a, een getuigschrift van het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of het uitstroomprofiel dagbesteding als bedoeld in artikel 14d respectievelijk artikel 14g van de Wet op de expertisecentra dan wel een getuigschrift van het praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs en werkzaam is op grond van een aanstelling of arbeidsovereenkomst.
1.
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor registratie van de gegevens die het bevoegd gezag ingevolge artikel 8.1.8 heeft gemeld of waarover zij op grond van artikel 8.1.8a of op grond van artikel 24f, derde en vierde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht beschikken. Burgemeester en wethouders dragen bovendien zorg voor een systeem van doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt van de in artikel 8.3.1 bedoelde voortijdige schoolverlaters en voor het onderhoud van dit systeem. Het systeem heeft mede betrekking op de gegevens waarover de gemeente beschikt in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet 1969 . Voor de uitvoering van de eerste en tweede volzin kunnen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden vastgesteld.
2.
Voor de vervulling van hun in het eerste lid bedoelde taken werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regio's. Zij maken tevens afspraken met instellingen, scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs , scholen en instellingen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en organisaties die zijn betrokken bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
3.
De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen uit hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt onverwijld gemeld aan Onze Minister. Burgemeester en wethouders van de contactgemeente vervullen coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In dat verband:
a. maken zij afspraken met de in het tweede lid bedoelde scholen, instellingen en organisaties over de inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten;
b. dragen zij zorg voor de totstandkoming van een regionaal netwerk van die scholen, instellingen en organisaties;
c. organiseren en coördineren zij de in het eerste lid bedoelde melding, registratie en doorverwijzing.
4.
Indien colleges van burgemeester en wethouders in een regio een andere contactgemeente aanwijzen, dragen burgemeester en wethouders van de vorige contactgemeente alle bescheiden die betrekking hebben op de uitvoering van dit artikel over aan burgemeester en wethouders van de opvolgende contactgemeente. De wijziging van de aanwijzing wordt onverwijld gemeld aan Onze Minister.
5.
Ter tegemoetkoming in de kosten van uitvoering van het eerste tot en met derde lid kent Onze Minister binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen jaarlijks uiterlijk in september ten behoeve van de activiteiten van de colleges van burgemeester en wethouders in de regio aan de contactgemeente een specifieke uitkering toe. Deze uitkering heeft betrekking op het daarop volgende kalenderjaar. De contactgemeente draagt er zorg voor dat de colleges van burgemeester en wethouders in de regio gebruik kunnen maken van de instrumenten die met behulp van deze uitkering zijn verwezenlijkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven voor de berekening en betaling van de uitkering. De berekening geschiedt in elk geval aan de hand van het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, waarbij rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau en met de etnische achtergrond van die inwoners. Bij de berekening van een deel van de uitkering kunnen de volwassen inwoners van gemeenten die op grond van een andere regeling reeds een vergoeding voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten ontvangen, buiten beschouwing worden gelaten. Onze Minister hanteert het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio dat blijkt uit de gegevens die het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister daarover verstrekt.
6.
Het bevoegd gezag geeft aan de door burgemeester en wethouders aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt de gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
7.
De gemeenteraden in een regio stellen streefcijfers vast voor de in die regio te behalen resultaten. Burgemeester en wethouders van de contactgemeente stellen mede namens de andere gemeenten in de regio jaarlijks een effectrapportage vast waarin zowel de streefcijfers als de bereikte resultaten zijn aangegeven en waarin afwijkingen worden toegelicht.
8.
Indien burgemeester en wethouders van de contactgemeente het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met zevende lid niet nakomen, kan Onze Minister de uitkering geheel of gedeeltelijk inhouden of opschorten. Onze Minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke inhouding dan na overleg met burgemeester en wethouders van de contactgemeente. Onze Minister kan de uitkering wederom toekennen indien de reden voor inhouding of opschorting is vervallen.
9.
Onze Minister kan de in het vijfde lid bedoelde uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de informatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met dit artikel.
1.
Burgemeester en wethouders van de contactgemeente zenden de in artikel 8.3.2, zevende lid, bedoelde effectrapportage aan Onze Minister.
2.
Burgemeester en wethouders zijn gehouden aan de door Onze Minister aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage te geven en de gevraagde inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het voortijdig schoolverlaten door niet-leerplichtigen.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het tijdstip van indiening en de inrichting van de effectrapportage en inzake de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid.
1.
Leer-werktrajecten als bedoeld in artikel 10b1 van de Wet op het voortgezet onderwijs worden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs en het bevoegd gezag van een instelling.
2.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 10b7 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
De entreeopleiding, bedoeld in artikel 10b8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs .
2.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 10b9 van de Wet op het voorgezet onderwijs.
1.
Leer-werktrajecten, ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, dan wel ingevolge artikel 59a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, worden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd en het bevoegd gezag van een instelling.
2.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 10b7 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
De entreeopleiding, ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, dan wel ingevolge artikel 59a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, wordt verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school waar voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd.
2.
Een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan artikel 10b9, eerste en tweede lid, van de Wet op de voortgezet onderwijs.
Artikel 8a.1.1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. deelnemersraad: de deelnemersraad, bedoeld in artikel 8a.1.2, eerste lid;
b. reglement: het reglement voor de raad, bedoeld in artikel 8a.3.1, eerste lid;
c. commissie: de landelijke geschillencommissie medezeggenschap, bedoeld in artikel 8a.4.1, eerste lid.
1.
Aan elke instelling is een deelnemersraad verbonden. De deelnemersraad behartigt de belangen van de deelnemers in de instelling.
2.
De deelnemersraad bestaat uit een oneven aantal leden die uit en door de deelnemers worden gekozen.
3.
De verkiezing van de leden van de deelnemersraad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming.
4.
Alle deelnemers die bij de instelling zijn ingeschreven, zijn kiesgerechtigd voor de deelnemersraad en kunnen zich daarvoor verkiesbaar stellen.
5.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de leden, voormalige leden en kandidaat-leden van de deelnemersraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap of vroegere lidmaatschap daarvan, dan wel hun kandidatuur voor dat lidmaatschap, worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de instelling.
6.
De deelnemersraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de deelnemersraad in rechte.
1.
Indien ten minste 25 ouders van deelnemers van een regionaal opleidingencentrum daarom verzoeken, stelt het bevoegd gezag een ouderraad in. Indien van de eerste volzin gebruik wordt gemaakt, legt het bevoegd gezag de bevoegdheden van de ouderraad vast in het medezeggenschapsstatuut, na overleg met de ouders die het verzoek hebben ingediend. Op een ouderraad als bedoeld in de eerste volzin, is artikel 8a.1.2, met uitzondering van het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
2.
Aan een agrarisch opleidingscentrum en aan een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, is een ouderraad verbonden. Een ouderraad als bedoeld in de eerste volzin, behartigt in het bijzonder de belangen van de deelnemers in de leeftijd tot 18 jaar.
3.
Indien een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs zich met een regionaal opleidingencentrum verenigt tot een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, vormt het in de Wet medezeggenschap op scholen bedoelde, uit en door de ouders gekozen deel van de medezeggenschapsraad van die school voor voortgezet onderwijs de eerste ouderraad van de scholengemeenschap. Indien een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs zich met een agrarisch opleidingscentrum verenigt tot een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, vormen de ouderraad van het agrarisch opleidingscentrum, bedoeld in het tweede lid, en het in de Wet medezeggenschap op scholen bedoelde, uit en door de ouders gekozen deel van de medezeggenschapsraad van die school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs gezamenlijk de eerste ouderraad van de scholengemeenschap.
4.
Het bevoegd gezag legt de bevoegdheden van een ouderraad vast in het medezeggenschapsstatuut. Voor de vaststelling is artikel 8a.2.2, derde lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige toepassing op een ouderraad. Op een ouderraad zijn artikel 8a.2.1, vierde lid, en titel 4 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat binnen de instelling een volwaardige, goed functionerende en effectieve medezeggenschap van deelnemers en, in voorkomende gevallen, ouders plaats kan vinden waarbij ten minste wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. de verkiezingen zijn zodanig geregeld dat deze kunnen leiden tot een deelnemersraad of, in voorkomende gevallen, een ouderraad die een representatieve vertegenwoordiging van deelnemers of ouders vormt;
b. de medezeggenschapsstructuren sluiten zo veel mogelijk aan bij de organisatiestructuur, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheidsverdelingen binnen de instelling.
2.
Het bevoegd gezag legt de inrichting van de medezeggenschap telkens voor een periode van ten hoogste vier jaren vast in een medezeggenschapsstatuut. Voor de vaststelling is artikel 8a.2.2, derde lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige toepassing op de ondernemingsraad.
1.
Het bevoegd gezag stelt de deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid gezamenlijk de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.
2.
Het bevoegd gezag, de deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad komen voorts met elkaar bijeen indien daarom onder opgave van redenen door één of meer der raden wordt verzocht.
3.
In geval van een voornemen tot een fusie als bedoeld in artikel 2.1.8 komen het bevoegd gezag, de deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad bijeen om dat voornemen te bespreken. De bespreking is gericht op het bereiken van overeenstemming. Indien overeenstemming wordt bereikt, wordt dit aangemerkt als instemming met het voornemen tot fusie. Bij het ontbreken van overeenstemming wordt dit aangemerkt als het onthouden van instemming. In het laatste geval kan elk van de deelnemers aan de bespreking het geschil voorleggen aan de geschillencommissie, bedoeld in artikel 8a.4.1, eerste lid.
4.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt, hebben de deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad elk afzonderlijk adviesrecht ten aanzien van het voornemen tot fusie, onverminderd het recht het geschil voor te leggen aan de in het vorige lid bedoelde geschillencommissie.
5.
Het bevoegd gezag stelt de deelnemersraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad in de gelegenheid om tijdig voorafgaand aan de gezamenlijke bijeenkomst, bedoeld in het derde lid, kennis te nemen van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in artikel 2.1.10, derde lid.
1.
Het bevoegd gezag stelt de deelnemersraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken. Het bevoegd gezag en de deelnemersraad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het bevoegd gezag of de deelnemersraad. De besprekingen worden namens het bevoegd gezag gevoerd door een lid van het college van bestuur.
2.
De deelnemersraad is bevoegd tot bespreking van alle aangelegenheden, de instelling betreffende. Hij is bevoegd over deze aangelegenheden aan het bevoegd gezag voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken, alsmede het bevoegd gezag te verplichten daarover een standpunt in te nemen en bekend te maken.
3.
Het bevoegd gezag verstrekt de deelnemersraad desgevraagd tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
4.
Het bevoegd gezag draagt zorg voor de voorzieningen die de deelnemersraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
5.
De deelnemersraad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de instelling betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen.
1.
De deelnemersraad heeft de volgende bijzondere bevoegdheden:
a. het verlenen van instemming aan een door het bevoegd gezag voorgenomen besluit als bedoeld in het derde lid;
b. het uitbrengen van advies over een door het bevoegd gezag voorgenomen besluit als bedoeld in het vierde lid.
2.
De bijzondere bevoegdheden zijn niet van toepassing, voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de instelling reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens wet gegeven voorschrift.
3.
De deelnemersraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag ten aanzien van:
a. het medezeggenschapsstatuut;
b. het deelnemersstatuut en de huisregels voor deelnemers;
c. de beroeps- en klachtenregelingen voor deelnemers;
d. de hoogte en de besteding van de vrijwillige ouder- of deelnemerbijdrage, alsmede de wijze waarop deze bijdrage tussen deelnemer en bevoegd gezag wordt overeengekomen;
e. de wijze waarop informatie wordt gegeven over de inhoud, planning en organisatie van het onderwijs en de examens;
f. de besteding van stagefondsen;
g. de model-onderwijsovereenkomst;
h. de model-praktijkovereenkomst;
i. het beleid met betrekking tot toelating, schorsing en verwijdering van deelnemers;
j. de wijze van vastleggen van studievorderingen van deelnemers en in dat verband het beleid met betrekking tot bescherming van de privacy van deelnemers;
k. de regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn voor zover deze de deelnemers betreffen;
l. het reglement voor de deelnemersraad, met inachtneming van artikel 8a.3.1, derde lid;
m. het onderwijsprogramma indien dit minder uren als bedoeld in artikel 7.2.7, derde of vierde lid, omvat.
4.
De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag ten aanzien van:
a. besluiten van het bevoegd gezag over inkrimping, uitbreiding, fusie en overdracht van de instelling, beëindiging van opleidingen en samenwerking met andere instellingen bij de uitvoering van opleidingen;
b. verandering van de grondslag van de instelling;
c. werkomstandigheden en voorzieningen voor deelnemers binnen de instelling;
d. het beleid met betrekking tot intake- en assessmentprocedures;
e. de rol van deelnemers bij de interne kwaliteitszorg en zelfevaluatie;
f. de te verstrekken informatie aan aspirant-deelnemers van beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.1.3a.
5.
In het reglement kunnen andere, nader te omschrijven onderwerpen worden opgenomen ten aanzien waarvan een van de bijzondere bevoegdheden aan de deelnemersraad wordt toegekend.
6.
De deelnemersraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot een voorgenomen besluit van de raad van toezicht ten aanzien van de profielen, bedoeld in artikel 9.1.4, vijfde lid.
7.
Alvorens de raad van toezicht tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur overgaat, wordt de deelnemersraad vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag. Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
Artikel 8a.2.3. Fusie-effectrapportage
De deelnemersraad neemt voorafgaand aan de uitoefening van de adviesbevoegdheid, bedoeld in artikel 8a.2.2, vierde lid, onder a, voor zover het betreft fusie en overdracht van de instelling, kennis van de opgestelde fusie-effectrapportage, bedoeld in artikel 2.1.10, derde lid.
1.
Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften in dit hoofdstuk, voor een periode van telkens vijf jaar een reglement voor de deelnemersraad vast. Het reglement kan tussentijds worden gewijzigd.
2.
In het reglement worden in ieder geval regels gesteld omtrent:
a. het aantal leden van de deelnemersraad;
b. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de deelnemersraad;
c. de zittingsduur van de leden van de deelnemersraad;
d. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de leden van de deelnemersraad hun uit het lidmaatschap van de deelnemersraad voortvloeiende verplichtingen nakomen;
e. de voorstellen van de deelnemersraad, bedoeld in artikel 8a.2.1, tweede lid, waarover het bevoegd gezag een standpunt inneemt, en de termijnen daarvoor;
f. het verschaffen van informatie door het bevoegd gezag aan de deelnemersraad;
g. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming moet worden besloten, en de termijnen binnen welke advies moet worden uitgebracht;
h. het toekennen van eventuele andere bevoegdheden aan de deelnemersraad.
3.
Het bevoegd gezag legt het reglement, alsmede elke wijziging ervan, als voorstel aan de deelnemersraad voor en stelt het slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de deelnemersraad heeft verworven.
1.
Er is een landelijke geschillencommissie medezeggenschap, waarbij elke instelling is aangesloten. De commissie bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter, en drie plaatsvervangende leden.
2.
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, benoemt de leden en plaatsvervangende leden voor vier jaar. Zij zijn een keer herbenoembaar.
3.
Een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de gezamenlijke bevoegde gezagsorganen van de instellingen en een lid en een plaatsvervangend lid op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de deelnemersraden van de instellingen. Deze twee leden doen een bindende voordracht voor het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.
4.
Indien sprake is van een geschil als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, voor zover het betreft het ontbreken van de vereiste instemming van de ondernemingsraad met het medezeggenschapsstatuut, wordt voor de duur van behandeling van dat geschil een lid benoemd op bindende voordracht van vertegenwoordigers van de ondernemingsraden van de instellingen.
5.
De leden en de plaatsvervangende leden mogen geen deel uitmaken van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad van een instelling.
Artikel 8a.4.2. Competentie commissie
De commissie neemt kennis van de volgende geschillen:
a. op verzoek van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag ten aanzien van een voorgenomen besluit als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid, niet de vereiste instemming heeft verworven;
b. op verzoek van het bevoegd gezag of van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag en de raad van mening verschillen over de interpretatie van hoofdstuk 8a dan wel het reglement;
c. op verzoek van de deelnemersraad, indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen waarover ingevolge artikel 8a.2.2, vierde lid, of artikel 8a.5.1 juncto artikel 8a.2.2 advies door de deelnemersraad is uitgebracht, het bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel heeft gevolgd en de deelnemersraad van oordeel is dat daardoor de belangen van de deelnemers, van de deelnemersraad of van de instelling ernstig worden geschaad.
1.
Voor zover aan een voorgenomen besluit van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid, de vereiste instemming is onthouden, deelt het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel de deelnemersraad aan het bevoegd gezag binnen drie maanden mede of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel. Het voorstel vervalt eveneens, indien door het bevoegd gezag aan de deelnemersraad dan wel door de deelnemersraad aan het bevoegd gezag is meegedeeld dat het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie en het voorstel niet binnen zes weken na het doen van deze mededeling daadwerkelijk wordt voorgelegd aan de commissie.
2.
Indien het bevoegd gezag een verzoek doet als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, geschiedt dit onder overlegging van de door het bevoegd gezag gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het bevoegd gezag aan de orde zijn, en stelt de commissie de deelnemersraad in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen. Indien de deelnemersraad een verzoek doet als bedoeld in artikel 8a.4.2, onderdeel a, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.
3.
De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de deelnemersraad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag of de deelnemersraad te kennen geeft daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van zowel het bevoegd gezag als de deelnemersraad, stelt zij vast, indien het betreft een geschil als bedoeld in:
a. artikel 8a.4.2, onderdeel a: of de deelnemersraad in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen of dat sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen;
b. artikel 8a.4.2, onderdeel b: welke interpretatie aan dit hoofdstuk of het reglement moet worden gegeven;
c. artikel 8a.4.2, onderdeel c: of het bevoegd gezag bij afweging van betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en of het besluit al dan niet in stand kan blijven.
4.
Voor zover de commissie van oordeel is dat het voorstel van het bevoegd gezag niet in redelijkheid tot stand is gekomen, geeft zij aan hoe het voorstel moet worden gewijzigd.
5.
Onverminderd artikel 8a.4.4 is een vaststelling van de commissie als bedoeld in het derde lid, voor het bevoegd gezag en de deelnemersraad bindend. Zo nodig neemt het bevoegd gezag met inachtneming van de vaststelling van de commissie een nieuw besluit.
6.
Indien de ondernemingsraad ten aanzien van een voorstel tot vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsstatuut zijn instemming heeft onthouden, zijn de artikelen 27, vierde tot en met zesde lid, en 36 van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bevoegdheden van de bedrijfscommissie, bedoeld in het genoemde artikel 36, worden uitgeoefend door de commissie.
1.
De deelnemersraad kan in rechte optreden indien de vordering strekt tot naleving door het bevoegd gezag van de verplichtingen jegens de deelnemersraad, voortvloeiend uit hoofdstuk 8a. Tegen een uitspraak van de commissie op grond van artikel 8a.4.3 staat beroep open.
2.
Een vordering of beroep als bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
3.
Het beroep wordt ingediend bij beroepschrift binnen een maand nadat het bevoegd gezag of de deelnemersraad van de uitspraak op de hoogte is gesteld. De wederpartij wordt van het beroep in kennis gesteld.
4.
Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld op de grond dat de commissie een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wet.
5.
Tegen een uitspraak van de ondernemingskamer kan geen beroep in cassatie worden ingesteld.
6.
In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de deelnemersraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
7.
In dit artikel wordt onder «uitspraak» verstaan: een vaststelling of oordeel van de commissie als bedoeld in artikel 8a.4.3.
Artikel 8a.4.5. Geschillenregeling adviesbevoegdheid profielen raad van toezicht
Deze titel is van overeenkomstige toepassing op het advies, bedoeld in artikel 8a.2.2, zesde lid.
1.
Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de instelling ten grondslag ligt, kan het bevoegd gezag in het reglement een aan de deelnemersraad toekomend instemmingsrecht omzetten in een adviesrecht. In afwijking van artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel l, juncto artikel 8a.3.1 stelt het bevoegd gezag het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, slechts vast nadat het hierover advies heeft ontvangen van de deelnemersraad. Het bevoegd gezag kan slechts toepassing geven aan de eerste volzin indien een meerderheid van twee derden van de deelnemers dat ondersteunt.
2.
De mogelijkheid tot afwijking, bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen indien de gronden waarop zij berustte niet langer aanwezig zijn dan wel indien zij niet langer worden ondersteund door een meerderheid van twee derden van de deelnemers.
3.
Het bevoegd gezag toetst elke vijf jaar de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de afwijking en de ondersteuning ervan.
Artikel 9.1.1. Bevoegd gezag bijzondere instellingen
Bijzondere instellingen worden in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 van het Burgerlijk Wetboek, die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs in de zin van deze wet ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.
1.
Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan de instandhouding van die instelling overdragen aan een ander orgaan dat tot de instandhouding van een openbare instelling bevoegd is.
2.
De overdracht geschiedt bij notariële akte. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 3:89 van het Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt tevens bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen het personeel in gelijke betrekkingen aan de instelling aanstelt met ingang van de datum van overdracht.
3.
Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de instelling, onverminderd hetgeen verder voor de overgang naar burgerlijk recht is vereist.
4.
Van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken kan Onze Minister in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
1.
De rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, kan de instandhouding van die instelling overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 9.1.1, eerste lid.
2.
Op deze overdracht is artikel 9.1.2, tweede tot en met vierde lid, van toepassing.
3.
Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de instelling in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de instelling overgaat. In het laatste geval is artikel 9.1.2, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
Een bijzondere instelling heeft een college van bestuur en een raad van toezicht.
2.
Een lid van een raad van toezicht heeft geen directe belangen bij de instelling. Een lid van het college van bestuur kan niet tevens lid zijn van het college van bestuur van een andere instelling.
3.
De raad van toezicht houdt, met het oog op de taken van de desbetreffende instelling, genoemd in artikel 1.3.5, toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is in elk geval belast met:
a. het benoemen, schorsen, ontslaan en vaststellen van de beloning van de leden van het college van bestuur;
b. het goedkeuren van het bestuursreglement;
c. het goedkeuren van de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag en, indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan van de instelling;
d. het toezien op de naleving van wettelijke verplichtingen en de omgang met de branchecode, bedoeld in artikel 2.5.4, eerste lid, door het college van bestuur;
e. het toezien op de rechtmatige verwerving en op de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de instelling verkregen op grond van de artikelen 2.2.1, 2.2.3 en 2.3.4;
f. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad, en
g. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met f, in het bestuursverslag van de instelling.
4.
Het college van bestuur voorziet de raad van toezicht van onafhankelijke administratieve ondersteuning.
5.
De samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad van toezicht zijn zodanig dat de raad een deugdelijk en onafhankelijk toezicht kan uitoefenen. De leden van de raad van toezicht hebben daarin zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen.
6.
De statuten van de rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, voorzien in een regeling die waarborgt dat de ondernemingsraad invloed kan uitoefenen op de samenstelling van de raad van toezicht van de desbetreffende instelling. De bedoelde regeling houdt ten minste in dat de ondernemingsraad in de gelegenheid wordt gesteld om
a. aan de raad van toezicht advies uit te brengen over de profielen, bedoeld in het vijfde lid, en
b. een bindende voordracht te doen voor één lid van de raad van toezicht.
Artikel 8a.4.3, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De tweede en derde volzin zijn niet van toepassing voor zover de ondernemingsraad schriftelijk aan de raad van toezicht te kennen heeft gegeven van de mogelijkheid een voordracht te doen geen gebruik te willen maken.
7.
De statuten van de rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, voorzien in een regeling die waarborgt dat de raad van toezicht de ondernemingsraad vertrouwelijk hoort over een voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag van een lid van het college van bestuur, niet zijnde bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden . Het horen geschiedt op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming.
1.
Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze Minister de raad van toezicht een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
2.
Onder wanbeheer wordt verstaan:
a. financieel wanbeleid;
b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met de artikelen 1.3.6 en 1.3.6a, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de instelling en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van beroepsonderwijs en educatie in gevaar komt;.
c. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;
d. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde, en
e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.
3.
In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
4.
Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de raad van toezicht aan de aanwijzing moet voldoen.
5.
Voordat Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:
a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;
b. heeft de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en
c. stelt Onze Minister de raad van toezicht vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.
Artikel 9.1.5. Overdracht taken en bevoegdheden
Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een alsdan in te stellen college van bestuur. Artikel 9.1.4, eerste, tweede en vijfde lid, en artikel 9.1.7, eerste en tweede lid, zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.
1.
Het college van bestuur stelt een bestuursreglement vast. In het bestuursreglement worden ten minste vastgelegd:
a. de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het college van bestuur en de raad van toezicht en de wijze waarop conflicten tussen beide organen worden geregeld;
b. de wijze waarop het college van bestuur zijn taken en bevoegdheden uitoefent, en
c. indien de instelling een of meer organisatorische eenheden omvat:
1°. de organisatorische eenheden die de instelling omvat,
2°. de taken en bevoegdheden die zijn op- of overgedragen aan het bestuur van de desbetreffende eenheid,
3°. de verhouding van het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het college van bestuur en
4°. de samenstelling, de wijze van benoeming en de werkwijze van het bestuur van de desbetreffende eenheid.
2.
Het college van bestuur zendt het bestuursreglement, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk aan Onze minister.
3.
Indien de statuten van een bijzondere instelling de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onder a en c regelen, is regeling daarvan in het bestuursreglement niet noodzakelijk.
Artikel 9.1.8. Functionele scheiding bestuur en toezicht
In afwijking van artikel 9.1.4, eerste lid, kan een functionele scheiding tussen bestuur en toezicht worden aangebracht binnen het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat. De artikelen 9.1.4, tweede tot en met vijfde lid, 9.1.4a en 9.1.7 zijn van overeenkomstige toepassing. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een deugdelijke scheiding tussen bestuur en toezicht, vermeldt in de statuten of het bestuursreglement de wijze waarop deze wordt gewaarborgd en vermeldt jaarlijks in het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.5.4, de redenen voor de afwijking.
1.
De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
In het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven en de organen, ingesteld ter uitwerking van het vierde lid, eerste volzin, participeren vertegenwoordigers van het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.
3.
De voorzitter van het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven en diens plaatsvervanger worden op voordracht van vertegenwoordigers van het beroepsonderwijs en van het bedrijfsleven benoemd door Onze Minister, voor een periode van ten hoogste vier jaar. Zij kunnen ten hoogste eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar.
4.
De statuten van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven bevatten een regeling voor de betrokkenheid van het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven bij de totstandkoming van voorstellen voor kwalificatiedossiers en de criteria, bedoeld in artikel 7.2.10, eerste lid, en bij de uitvoering van de overige taken van de organisatie. De regeling kan nader worden uitgewerkt in een bestuursreglement.
5.
De statuten en het bestuursreglement alsmede wijzigingen daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 10.2. Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep
Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 2 van de bij de Algemene wet bestuursrecht behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak strekt tot onderscheidenlijk het toekennen van de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, diploma-erkenning als bedoeld in de artikelen 1.4.1 of  1.4a.1, examinering als bedoeld in artikel 1.6.1, of registratie in het Centraal register, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt in het jaar waarin de uitspraak is gedaan.
1.
Indien het bevoegd gezag van een instelling in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel indien de raad van toezicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.1.4a niet opvolgt, kan Onze Minister bepalen dat de rijksbijdrage, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een instelling in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.
Onze Minister kan de rijksbijdrage wederom toekennen, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
4.
Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing indien het bevoegd gezag van een agrarisch opleidingscentrum ten aanzien van het voorbereidend beroepsonderwijs dat in de instelling wordt verzorgd, in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs .
1.
Het is anderen dan de instellingen die daartoe ingevolge deze wet gerechtigd zijn, verboden onderwijs aan te bieden of te verzorgen, dan wel examinering te verzorgen, onder de naam van een in het Centraal register opgenomen beroepsopleiding.
2.
Degene die in strijd handelt met het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
3.
Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een overtreding.
1.
Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het beroepsonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:
2.
In geval van toepassing van het eerste lid worden bij algemene maatregel van bestuur in ieder geval bepaald:
a. het doel van het experiment,
b. op welke wijze van welke artikelen van de in het eerste lid genoemde hoofdstukken, titels of paragrafen wordt afgeweken,
c. de duur van het experiment, en
d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.
4.
Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien, voordat een experiment is afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.
5.
Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.
6.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kan bij wijze van experiment tevens worden afgeweken van:
7.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband tussen een instelling en een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek . Bij samenwerking met een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs kan voor die school worden afgeweken van titel II, afdeling I, hoofdstuk I en van titel III, afdeling II, van die wet. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs onderscheidenlijk de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.
1.
Het experiment leergang vm2, dat is onderverdeeld in zes leergangen van vier jaar die per opvolgend leerjaar zijn of worden gestart, wordt voor de toepassing van artikel 11a.1, vierde lid, geacht te zijn gestart op 1 augustus 2008.
2.
Artikel 11a.1, vierde lid, wordt ten aanzien van de duur van het experiment leergang vm2 zodanig toegepast dat een leerling die deelneemt aan een leergang die binnen de termijn van zes jaar is gestart, de leergang van vier jaar kan doorlopen.
Artikel 12.2.1. Diploma’s en certificaten
Diploma’s en certificaten ingevolge de Wet op het voortgezet onderwijs , de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 of het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal , verkregen op grond van een examen verbonden aan opleidingen basiseducatie, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, deeltijds middelbaar beroepsonderwijs of leerlingwezen dan wel op grond van een staatsexamen Nederlands als tweede taal, gelden als de overeenkomstige diploma’s en certificaten, verkregen op grond van artikel 7.4.6.
Artikel 12.2.2. Handhaving voorschriften personeel
De op 31 december 1995 geldende voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 37a, 38, 39, 40 en 40a van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 2.42, 2.45, 2.46, 2.51, 2.75 en 2.76 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en artikel 9 van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, berusten ten aanzien van het personeel aan instellingen in de zin van deze wet met ingang van 1 januari 1996 op onderscheidenlijk de artikelen 4.1.1, 4.1.2, 3.1.2 en 3.2.1.
Artikel 12.2.5. Handhaving inrichtings- en examenvoorschriften v.a.v.o.
De op 31 december 1995 geldende voorschriften met betrekking tot het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die berusten op de artikelen 23b, tweede lid, en 29, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, berusten ten aanzien van de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, bedoeld in artikel 7.3.4, met ingang van 1 januari 1996 op artikel 7.3.4, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 7.4.11, derde en zevende lid.
Artikel 12.2.7. Garantieregeling onderwijsbevoegdheden
Onverminderd artikel 4.2.1 kan tot docent aan een instelling worden benoemd:
a. degene die in het studiejaar 1995-1996 bevoegd onderwijs heeft gegeven aan een school voor beroepsbegeleidend onderwijs, een school voor middelbaar beroepsonderwijs, dan wel wat deeltijds middelbaar beroepsonderwijs betreft aan een andere school, aan een vormingsinstituut voor jeugdigen of aan een instelling voor basiseducatie,
b. degene die in de periode van 1 augustus 1990 tot en met 31 juli 1995 gedurende ten minste 40 weken bevoegd onderwijs als bedoeld in onderdeel a heeft gegeven, en
c. degene die
1°. voor 1 september 1997 een getuigschrift heeft behaald van een afsluitend examen van de opleiding cultureel werk of de opleiding culturele en maatschappelijke vorming behorend tot het onderdeel gedrag en maatschappij van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, met de differentiatie basiseducatie, dat op grond van de artikelen 4 en 5 van het Uitvoeringsbesluit KVE 1991 zoals dat luidde op 31 juli 1995 zou hebben geleid tot een bevoegdheid voor het verzorgen van activiteiten basiseducatie, dan wel
2°. voor 1 september 1997 een getuigschrift heeft behaald van een afsluitend examen binnen het hoger pedagogisch onderwijs met de differentiatie basiseducatie, en
3°. uiterlijk aan het begin van het studiejaar 1994-1995 is gestart met de differentiatie basiseducatie.
Artikel 12.2.9. Gevolgen invoering voor personeel
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de gevolgen voor het personeel van de invoering van deze wet.
1.
Het Christelijk Instituut voor Doven "Effatha" en het Instituut voor Doven "Sint-Michielsgestel" behouden in afwijking van artikel 12.3.2 ten behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen die de voortzetting zijn van beroepsbegeleidend onderwijs dat deze instituten op 31 december 1995 verzorgden, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas.
2.
Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de toepassing van deze wet ten aanzien van de in het eerste lid genoemde instituten.
1.
Ten aanzien van de beroepsopleidingen die een voortzetting vormen van de opleidingen voor deeltijds middelbaar beroepsonderwijs in de sector dienstverlening en gezondheidszorg, op 31 december 1995 op grond van artikel 3.11 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs verbonden aan de Hogeschool Haarlem en aan de Hogeschool Tilburg, behouden deze hogescholen aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas.
2.
Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de toepassing van deze wet ten aanzien van de in het eerste lid genoemde beroepsopleidingen.
Artikel 12.3.49. Afschaffing adviesverplichtingen
[Bevat wijzigingen in deze regelgeving.]
1.
Onze Minister voegt voor een bij ministeriële regeling te bepalen periode aan de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs, berekend op grond van artikel 2.2.2, al dan niet onder door hem op te leggen verplichtingen, een bedrag toe in verband met de invoering van passend onderwijs.
2.
Het bedrag wordt voor een periode van een jaar berekend door het voor leerlinggebonden financiering voor alle instellingen gezamenlijk vastgestelde budget voor het studiejaar dat start op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel over de instellingen te verdelen naar rato van het gemiddelde bedrag dat een instelling voor de drie studiejaren daaraan voorafgaand ontving voor leerlinggebonden financiering. Voor zover het betreft de leerlinggebonden financiering voor cluster 2, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra, wordt op het budget, bedoeld in de eerste volzin, het deel van het leerlinggebonden budget als bedoeld in artikel 2.2.7 zoals luidend voor inwerkingtreding van dit artikel in mindering gebracht. Op het budget, bedoeld in de eerste volzin, wordt tevens in mindering gebracht de bedragen die op grond van artikel 2.7.2, eerste lid, tabel B, van het Uitvoeringsbesluit WEB, zoals dat luidde op 31 juli 2014, zijn toegekend aan het bevoegd gezag van de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs «De Waterlelie» te Cruquius en het bevoegd gezag van de school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs «De Berkenschutse» te Heeze op peildatum 1 oktober 2011.
Artikel 12.4a.1. Beëindiging inschrijvingen beroepsopleidingen oude stijl
De deelnemer die in het studiejaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel stond ingeschreven voor een beroepsopleiding wordt door het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld deze opleiding te voltooien uiterlijk in het studiejaar volgend op het studiejaar waarin de voor hem geldende studieduur is verstreken. Hierop zijn de artikelen 7.2.2, eerste tot en met derde lid, 7.2.4, achtste en negende lid, 7.2.7 en 12.4a.2 van toepassing zoals die artikelen luidden vóór dat tijdstip.
Artikel 12.5.1. Evaluatie
Onze Minister brengt voor 1 januari 2002 verslag uit over de werking van deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
Artikel 12.5.2. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1996, met uitzondering van:
a. artikel 7.4.11, wat de examens van de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II betreft, welk artikel ten aanzien van die examens in werking treedt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip;
b. artikel 12.3.1, artikel 12.3.10, artikel 12.3.11 en artikel 12.3.19, tweede lid, die in werking treden met ingang van 1 november 1995;
c. de artikelen 12.4.1, 12.4.2, onderdelen C, onder 7, I en J, en 12.4.10, onderdeel A, die in werking treden met ingang van 1 januari 1997;
d. de artikelen 12.4.2, met uitzondering van de onderdelen C, onder 7, I en J, 12.4.9 en 12.4.10, met uitzondering van onderdeel A, die in werking treden met ingang van 1 augustus 1997.
Artikel 12.5.3. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet educatie en beroepsonderwijs.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 31 oktober 1995
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de tweede november 1995
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemeen
+ Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging
+ Hoofdstuk 3
+ Hoofdstuk 4. Personeel
+ Hoofdstuk 5
+ Hoofdstuk 6. Het onderwijsaanbod beroepsopleidingen
+ Hoofdstuk 6a. Het onderwijsaanbod educatie
+ Hoofdstuk 7. Het onderwijs
+ Hoofdstuk 8. Inschrijving, toelating, bindend studieadvies, vooropleidingseisen, voortijdig schoolverlaten, samenwerking
+ Hoofdstuk 8a. Medezeggenschap van deelnemers en ouders; landelijke geschillencommissie medezeggenschap
+ Hoofdstuk 9. Het bestuur
+ Hoofdstuk 10. Beroep bij de bestuursrechter
+ Hoofdstuk 11. Sancties
+ Hoofdstuk 11a. Experimenten
+ Hoofdstuk 12. Overgangs-, invoerings- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht