Wet van 16 december 2004, houdende regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter vermindering van administratieve en uitvoeringslasten en vereenvoudiging van regelgeving de heffing en invordering van de premies voor de werknemersverzekeringen te laten plaatsvinden door de rijksbelastingdienst tezamen met en op zoveel mogelijk gelijke wijze als die van de loonbelasting en de regeling daarvan en van hetgeen overigens de financiering van de werknemersverzekeringen betreft tezamen met de regeling van de financiering van de volksverzekeringen – onder intrekking van onder andere de Wet financiering volksverzekeringen – onder te brengen in één wet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Algemene begrippen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. SVB: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. Zorginstituut: het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;
e. zorgautoriteit: de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg ;
f. Ouderdomsfonds: het Ouderdomsfonds, genoemd in artikel 82, eerste lid;
g. Nabestaandenfonds: het Nabestaandenfonds, genoemd in artikel 82, tweede lid;
h. [vervallen;]
i. Fonds langdurige zorg: het Fonds langdurige zorg, genoemd in artikel 89;
j. Algemeen Werkloosheidsfonds: het Algemeen Werkloosheidsfonds, genoemd in artikel 93;
k. sectorfonds: een sectorfonds als bedoeld in artikel 94;
l. Uitvoeringsfonds voor de overheid: het Uitvoeringsfonds voor de overheid, genoemd in artikel 106;
m. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in artikel 112;
n. [vervallen;]
o. werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ;
p. overheidswerknemer: de werknemer bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Werkloosheidswet;
q. werkgever: de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ;
r. overheidswerkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet;
sa. [vervallen;]
t. inspecteur of ontvanger: de functionaris van de rijksbelastingdienst die als zodanig bij regeling van Onze Minister van Financiën is aangewezen;
v. [vervallen;]
w. Werkhervattingskas: de Werkhervattingskas, genoemd in artikel 113a;
x. WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in artikel 54 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Artikel 2. Sociale verzekeringen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. volksverzekeringen: de verplichte verzekeringen op grond van de Algemene Ouderdomswet , de Algemene nabestaandenwet en de Wet langdurige zorg ;
b. vrijwillige volksverzekeringen: de vrijwillige verzekeringen op grond van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet ;
c. werknemersverzekeringen: de verplichte verzekeringen op grond van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ;
d. vrijwillige werknemersverzekeringen: de vrijwillige verzekeringen op grond van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering .
Artikel 3. Premieheffing en rijksbijdragen
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de fondsen voor de volksverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie en door bijdragen van het Rijk.
Artikel 4. Algemene begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en afdeling 2 van hoofdstuk 7 wordt verstaan onder:
a. algemene ouderdomsverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk II van de Algemene Ouderdomswet;
b. nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Algemene nabestaandenwet;
c. verzekering langdurige zorg: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet langdurige zorg.
1.
Premieplichtig voor de volksverzekeringen is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen.
2.
Ingeval artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing vindt, wordt de in dat artikel bedoelde werknemer geacht premieplichtig te zijn. Ten aanzien van deze werknemer worden de in artikel 10, eerste lid, bedoelde percentages toegepast op het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 .
Artikel 7. Maatstaf
De maatstaf voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen is het premie-inkomen van de premieplichtige.
1.
Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van de premieplichtige en zijn partner geschiedt overeenkomstig artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In het geval de premieplichtige en zijn partner beiden belastingplichtig zijn, geldt de gemaakte keuze, bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, van die wet, zowel voor de heffing van de inkomstenbelasting als voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen.
2.
Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 met uitzondering van de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen d tot en met g, van die wet.
3.
Het premie-inkomen wordt tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. In afwijking van de eerste volzin wordt het premie-inkomen van een premieplichtige die is geboren vóór 1 januari 1946 tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 9. Verschuldigde premie
De verschuldigde premie voor de volksverzekeringen is de premie voor de volksverzekeringen verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen.
1.
De premie voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op de som van de percentages bedoeld in artikel 11 van het premie-inkomen.
2.
Tot de premie, bedoeld in het eerste lid, behoort met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zal bereiken niet de premie voor de algemene ouderdomsverzekering.
1.
Het premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld. Het bedraagt ten hoogste 18,25.
2.
Het premiepercentage voor de nabestaandenverzekering wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld.
3.
Het premiepercentage voor de verzekering langdurige zorg wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met Onze Minister.
4.
Indien een wijziging van een premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en kunnen daarbij regels worden gesteld omtrent de wijze van berekening van de premie over het gehele kalenderjaar.
1.
De heffingskorting voor de volksverzekeringen is de som van:
a. indien betrokkene premieplichtig is voor de algemene ouderdomsverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering;
b. indien betrokkene premieplichtig is voor de nabestaandenverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de nabestaandenverzekering;
c. indien betrokkene premieplichtig is voor de verzekering langdurige zorg: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg.
2.
Indien de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt geheven, worden voor de toepassing van het eerste lid de heffingskortingen, genoemd in artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, die geen deel uitmaken van de standaardloonheffingskorting, bedoeld in artikel 21c van de Wet op de loonbelasting 1964, geacht geen deel uit te maken van de standaardheffingskorting, bedoeld in artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
3.
De heffingskorting, bedoeld in het eerste lid, geldt ten aanzien van degene die het gehele kalenderjaar premieplichtig is. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bepaling van de heffingskorting ten aanzien van degene die een gedeelte van het jaar premieplichtig is.
Artikel 13. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen bedragen worden vastgesteld die als rijksbijdrage ten gunste komen van het Nabestaandenfonds en het Ouderdomsfonds.
2.
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan jaarlijks bedragen vaststellen die als rijksbijdrage ten gunste komen van het Fonds langdurige zorg.
Artikel 15. Rijksbijdrage in kosten heffingskortingen
Ten gunste van het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds en het Fonds langdurige zorg wordt jaarlijks een rijksbijdrage in de kosten van de heffingskortingen voor de volksverzekeringen toegekend. Deze bijdrage wordt door Onze Minister vastgesteld volgens de formule: BIKKt = (BIKKt-1 + A*Kt-1)*Kt/Kt-1 waarbij:
BIKKt = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het fonds in een bepaald jaar;
BIKKt-1 = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het fonds in het voorafgaande jaar;
A = het aandeel van de premie ten gunste van het fonds in het gecombineerde heffingspercentage, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, in het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend, verminderd met het aandeel in het daaraan voorafgaande jaar;
Kt = de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend;
Kt-1 = de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend.
1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964 .
2.
Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op grond van de Toeslagenwet ;
c. een tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
1.
Het loon, waarnaar de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven, wordt bij dezelfde werkgever tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, met betrekking tot het kalenderjaar vastgestelde bedrag. Voorts bedraagt het dagloon dat aan de uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen of vrijwillige werknemersverzekeringen ten grondslag ligt of wordt gelegd ten hoogste het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, waarbij het kalenderjaar wordt gesteld op 261 dagen.
2.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, wordt herleid en vastgesteld voor loontijdvakken waarin loon als bedoeld in artikel 16 wordt genoten waarvoor Onze Minister dit, in overeenstemming met Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, nodig acht. Voor de herleiding van het loontijdvak van een jaar naar een ander loontijdvak is artikel 25, eerste en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de toepassing voor het dagloon, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin. Het dagloon wordt herleid en vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht.
3.
De premies die op grond van dit hoofdstuk worden geheven worden per loontijdvak berekend over het verschil tussen het loon dat de werknemer in het kalenderjaar heeft genoten tot en met dat loontijdvak en het loon dat de werknemer in dat kalenderjaar heeft genoten tot en met het aan dat loontijdvak voorafgaande loontijdvak, met dien verstande dat van het bij eenzelfde werkgever genoten loon buiten aanmerking blijft het gedeelte dat meer bedraagt dan het met toepassing van het tweede lid vastgestelde bedrag per loontijdvak, vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken van het kalenderjaar.
4.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden gesteld voor de vaststelling van het voor premieberekening in aanmerking komende loon bij samenloop van loon dat gelijktijdig wordt genoten uit een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 en uit een vroegere dienstbetrekking in de zin van die wet. In de te stellen regels wordt uitgegaan van een totaal loonbedrag in een kalenderjaar, dat niet hoger is dan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, waarbij niet meer dan één keer rekening wordt gehouden met dat bedrag en waarbij het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing zijn.
5.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels worden gesteld in ieder geval voor de omstandigheid dat bij één of meerdere werkgevers naast loon uit dienstbetrekking ook een uitkering op grond van een werknemersverzekering of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen.
1.
Het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien.
2.
De dag, bedoeld in het eerste lid, en het overeenkomstig het eerste lid herziene bedrag worden door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.
3.
Het overeenkomstig het eerste lid herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
4.
Uitsluitend voor de berekening van het loon waarnaar de premies worden geheven, blijft het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, zoals dat geldt per 1 januari van een kalenderjaar gedurende dat hele kalenderjaar van kracht.
Artikel 20. Verbod verhaal op werknemer
De werkgever mag de door hem verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer. Elk beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.
Artikel 21. Uitzondering premieplicht AOW-gerechtigden
Geen premies voor de werknemersverzekeringen zijn verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, zal bereiken.
WIA tijdens levensloopverlof van Wet financiering sociale verzekeringen">
Artikel 21a. Premieplicht WIA tijdens levensloopverlof
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt in afwijking in zoverre van artikel 8, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen mede als werknemer in de zin van de Wet werk en inkomen beschouwd degene die levensloopverlof geniet in het kader van de toepassing van de levensloopregeling, bedoeld in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964.
1.
Indien een wijziging van een premiepercentage bij ministeriële regeling op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.
2.
Indien een wijziging door het UWV van een premiepercentage op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, is goedkeuring vereist van Onze Minister en Onze Minister van Financiën. Indien Onze Minister en Onze Minister van Financiën hun goedkeuring onthouden stellen zij het percentage zelf vast.
3.
Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen in een geval als bedoeld in dit artikel regels stellen omtrent de wijze van berekening van de premie over het gehele kalenderjaar.
1.
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds en de sectorfondsen worden verkregen door het heffen van premie.
2.
De premie wordt onderscheiden in een deel dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds en een deel dat ten gunste komt van het sectorfonds dat het UWV voor de betrokken sector afzonderlijk administreert.
1.
Deze afdeling is niet van toepassing op overheidswerknemers en op overheidswerkgevers voorzover zij werkgever zijn van overheidswerknemers.
2.
In afwijking van het eerste lid is deze afdeling van toepassing ten aanzien van degenen die uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , of hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, dan wel een toeslag op grond van de Toeslagenwet , indien zij die uitkering of toeslag uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer ontvangen.
Artikel 25. Premieverschuldigdheid werkgever
De premie is verschuldigd door de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet .
Artikel 26. Maatstaf
De maatstaf voor de heffing van de premie is het loon.
Artikel 27. Premiepercentage Algemeen Werkloosheidsfonds
Het deel van de premie dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds wordt bij ministeriële regeling vastgesteld op een percentage van het loon dat voor categorieën van werkgevers en werknemers kan verschillen en mede kan worden bepaald door de mate waarin door werkgevers maatregelen zijn getroffen gericht op bevordering van de duurzame arbeidsparticipatie van de werknemers. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld.
1.
Het deel van de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds wordt door het UWV vastgesteld op een percentage van het loon dat voor categorieën van werkgevers en werknemers die behoren tot verschillende sectoren en sectoronderdelen als bedoeld in artikel 95 kan verschillen, en mede kan worden bepaald door de mate waarin door die werkgevers maatregelen zijn getroffen gericht op bevordering van de duurzame arbeidsparticipatie van de werknemers. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld, waaronder het stellen van voorwaarden ter afbakening van de verschillende categorieën van werkgevers en werknemers.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling over een uitkering op grond van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, over een toeslag op grond van de Toeslagenwet en over loon op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening voor het deel van de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds een gemiddeld premiepercentage vastgesteld. Dit wordt bepaald op een gemiddelde van de percentages die zijn vastgesteld op grond van het eerste lid.
3.
Het deel van de premie dat met toepassing van het tweede lid ten gunste komt van het sectorfonds, bedraagt ten hoogste de premie die op grond van het eerste lid is vastgesteld. Het resterende deel van deze premie komt ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
4.
Het tweede lid wordt niet toegepast ingeval het UWV de uitkering, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 9, 10 of 12 van de Werkloosheidswet en de Ziektewet , artikel 11 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en in artikel 8, 9 of 11 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever, tenzij die werkgever een werkgever is van degene die loon ontvangt uit een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
5.
Het tweede lid wordt eveneens niet toegepast ingeval een eigenrisicodrager de uitkering, bedoeld in artikel 63a Ziektewet, betaalt of de uitkering, bedoeld in artikel 82 juncto 84 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, betaalt, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die eigenrisicodrager.
6.
Een door het UWV bepaald percentage als bedoeld in het eerste lid behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt stelt hij het percentage zelf vast.
Artikel 29. Premieheffing en verhaal
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid worden verkregen door het in rekening brengen van de uitgaven, bedoeld in artikel 79 van de Werkloosheidswet, bij de overheidswerkgevers en door het heffen van premie.
Artikel 30. Premieverschuldigdheid overheidswerkgever
De premie is verschuldigd door de overheidswerkgever.
Artikel 31. Maatstaf en tarief
De premie wordt bij ministeriële regeling vastgesteld op een percentage van het loon.
1.
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds worden verkregen door het heffen van de basispremie, bedoeld in artikel 36, de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h, en door een bijdrage van het rijk als bedoeld in artikel 114, onderdeel f.
2.
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de Werkhervattingskas worden verkregen door het heffen van de in artikel 38 bedoelde gedifferentieerde premie.
1.
De premie is verschuldigd door werkgevers in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en bestaat uit een basispremie en een gedifferentieerde premie.
2.
In afwijking van artikel 20 kan de werkgever de met betrekking tot een werknemer door hem verschuldigde gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 38, verhalen op de werknemer onder bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden tot een bij die regeling nader te bepalen bedrag, dat ten hoogste de helft van de door de werkgever verschuldigde premie kan bedragen.
3.
De quotumheffing is verschuldigd door werkgevers in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen .
4.
De quotumheffing is niet verschuldigd indien in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven, de werkgever minder dan 25 vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal verloonde uren per werknemer op jaarbasis in Nederland aan verloonde uren als bedoeld in artikel 38b, vierde lid, in de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft verantwoord.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën werknemers worden aangewezen ten aanzien waarvan de verloonde uren bij de toepassing van het vierde lid in mindering worden gebracht op het totaal aantal verloonde uren die de werkgever in de loonaangifte heeft verantwoord.
6.
Indien de quotumheffing op grond van het vierde lid zou zijn verschuldigd maar in het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven blijkt dat de werkgever minder dan 25 vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal verloonde uren per werknemer op jaarbasis in Nederland aan verloonde uren als bedoeld in artikel 38b, vierde lid, in de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft verantwoord, is de quotumheffing niet verschuldigd.
7.
De voor de toepassing van het vierde en zesde lid in aanmerking te nemen verloonde uren worden vastgesteld op grond van de loonaangiften die uiterlijk op 1 mei van het jaar waarover de quotumheffing wordt geheven onderscheidenlijk op 1 mei van het jaar volgend op kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven zijn ingediend alsmede de correcties daarop die uiterlijk op die datum zijn ingediend. Hierbij worden uitsluitend loonaangiften en correcties in aanmerking genomen met betrekking tot het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven onderscheidenlijk het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven.
8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van het vierde en zesde lid die in ieder geval betrekking hebben op:
a. de bepaling van het gemiddeld aantal verloonde uren per werknemer op jaarbasis in Nederland in het desbetreffende kalenderjaar;
b. de herleiding van het totaal aantal verloonde uren door de werkgever indien de werkgever in het desbetreffende kalenderjaar niet gedurende het gehele kalenderjaar de hoedanigheid van werkgever heeft gehad.
1.
De maatstaf voor de heffing van de premie is het loon.
2.
De maatstaf voor de quotumheffing is het aantal verloonde uren, bedoeld in artikel 38b, vierde lid.
Artikel 36. Basispremie
Bij ministeriële regeling wordt voor de berekening van de basispremie een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk percentage vastgesteld.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
categorie werkgevers: werkgevers ten laste van wie, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, loon waarover de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven, is gekomen dat gelijk is aan, meer of minder bedraagt dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen omvang van het gemiddelde van dit loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van dit hoofdstuk, per werknemer in dat kalenderjaar.
2.
Het UWV stelt vast:
a. voor de berekening van de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk rekenpercentage;
b. voor de berekening van het rekenpercentage, bedoeld in onderdeel a, een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage.
3.
Elk jaar wordt met ingang van 1 januari een opslag of korting vastgesteld waarmee het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de opslag of korting naar categorie werkgevers voor de werkgever afzonderlijk of per sector als bedoeld in artikel 95, wordt vastgesteld, waarbij de korting of opslag voor werkgevers per sector of sectoronderdelen kan verschillen of op nihil kan worden vastgesteld. Indien een werkgever met toepassing van de artikelen 96 of 97 is aangesloten bij verschillende sectoren, wordt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de opslag of korting toegepast als was dat bedrijfsonderdeel een afzonderlijke werkgever. Voor de werkgever voor wie de korting of opslag afzonderlijk wordt vastgesteld, stelt de inspecteur de korting of opslag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4.
De inspecteur stelt in geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast voor de werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.
5.
De inspecteur stelt, in geval aan een werkgever toestemming is verleend om zelf het risico te dragen van betaling van ziekengeld of WGA-uitkering en overlijdensuitkeringen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, alsmede in geval het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, is geëindigd of wordt beëindigd, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast met ingang van de datum waarop het zelf dragen van het risico aanvangt dan wel is geëindigd of wordt beëindigd.
6.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de wijze waarop het rekenpercentage, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en het gemiddelde percentage, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden vastgesteld, rekening houdend met de verschillende lasten voor de Werkhervattingskas;
b. de wijze waarop de in het derde en het vierde lid, bedoelde opslag en korting worden berekend;
c. de percentages die op grond van dit artikel ten hoogste voor categorieën van werkgevers, sector of sectoronderdeel mogen gelden en omtrent de percentages die op grond van dit artikel ten minste voor categorieën van werkgevers, sector of sectoronderdeel gelden.
7.
De inspecteur is bevoegd tot herziening van een beschikking op grond van dit artikel indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Een herziening ten nadele van de werkgever is uitsluitend mogelijk indien deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
8.
Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.
1.
In afwijking van artikel 38 is over een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Ziektewet , hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, de Werkloosheidswet , over een toeslag op grond van de Toeslagenwet en over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening , als gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas een vervangende premie verschuldigd. Met een uitkering op grond van de Werkloosheidswet wordt gelijkgesteld een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
2.
Behalve voor degene die loon ontvangt uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening wordt het eerste lid niet toegepast ingeval het UWV de uitkering, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 11 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en in artikel 9, 10 of 12 van de Werkloosheidswet en de Ziektewet , onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
3.
Het eerste lid wordt eveneens niet toegepast ingeval een eigenrisicodrager de uitkering, bedoeld in artikel 63a Ziektewet, betaalt of de uitkering, bedoeld in artikel 82 juncto 84 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, betaalt, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die eigenrisicodrager.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de wijze waarop de vervangende premie, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
1.
In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt onder een arbeidsbeperkte verstaan de persoon, niet zijnde de persoon van wie door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet en:
a. die met ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet naar een dienstbetrekking is of wordt toegeleid, en van wie uitsluitend op verzoek van het college van burgemeester en wethouders door het UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet,
b. die geïndiceerd is als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening of een nog geldende indicatiebeschikking heeft op grond van artikel 11 van die wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2014,
c. die recht op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten heeft, tenzij deze persoon duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 1a:1 van die wet,
d. die voldoet aan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde indicatie, of
e. van wie op eigen verzoek door het UWV is of wordt vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet. Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de persoon, bedoeld in de vorige zin, nadere regels gesteld.
2.
Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt onder een arbeidsbeperkte mede verstaan een persoon die naar het oordeel van het UWV wegens ziekte of gebrek ontstaan voordat de leeftijd van 18 jaren is bereikt of in de tijd dat hij studerende was als bedoeld in artikel 1:4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten een belemmering ondervindt in het verrichten van arbeid in dienstbetrekking, op grond van artikel 10 van de Participatiewet of artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een voorziening ontvangt en zonder die voorziening niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet.
3.
Met betrekking tot de beoordeling door het UWV of een persoon een arbeidsbeperkte is als bedoeld in het tweede lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld.
4.
In deze paragraaf en in artikel 122n en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder verloonde uren: de uren waarover loon is betaald en die zijn opgenomen in de loonaangifte op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en die tevens zijn opgenomen in de polisadministratie op grond van artikel 33, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
5.
In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder de beschikking: de in artikel 38h, eerste lid, bedoelde beschikking alsmede de op grond van artikel 38h, vijfde lid, herziene beschikking.
Artikel 38c. Indeling sectoren
Bij regeling van Onze Minister worden werkgevers voor de toepassing van deze paragraaf en artikel 122n ingedeeld bij de sector overheid of de sector niet-overheid.
1.
Het UWV draagt zorg voor de inrichting en de adequate werking van de registratie van arbeidsbeperkten en is de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens met betrekking tot de verwerking van gegevens, waaronder persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, ten behoeve van deze registratie.
2.
Het UWV verwerkt in de registratie, bedoeld in het eerste lid, de gegevens over arbeidsbeperkten met het oog op het bevorderen van de arbeidsdeelname van deze personen en ten behoeve van de vaststelling van de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h.
3.
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt het UWV uit eigen beweging en verplicht op verzoek kosteloos de gegevens over de arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdelen a, b, d en e, en tweede lid, die noodzakelijk zijn voor de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste lid.
4.
Het UWV verstrekt het college van burgemeester en wethouders en de belastingdienst uit eigen beweging en verplicht op verzoek kosteloos gegevens uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken.
5.
Het UWV is bevoegd gegevens die het verwerkt voor de uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 30d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, te verwerken ten behoeve van de registratie, bedoeld in het eerste lid.
6.
Het UWV en de belastingdienst zijn bevoegd de gegevens, die zij verwerken in de polisadministratie op grond van artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen tevens te verwerken voor zover deze noodzakelijk zijn voor de bevordering van arbeidsdeelname van arbeidsbeperkten en voor de vaststelling van de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h.
7.
Het UWV is bevoegd op verzoek van de werkgever aan deze mee te delen of de door de werkgever aangeduide werknemer of de persoon die in zijn dienst arbeid zou kunnen gaan verrichten, op basis van het burgerservicenummer, is opgenomen in de registratie, bedoeld in het eerste lid.
8.
Het college van burgemeester en wethouders en het UWV informeren de persoon op wie de gegevens betrekking hebben over de verwerking van zijn gegevens op grond van dit artikel voordat de gegevens worden vastgelegd in de registratie, bedoeld in het eerste lid, of worden verstrekt met het oog op die vastlegging, tenzij deze persoon redelijkerwijs hiervan kennis draagt.
9.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld, in ieder geval met betrekking tot:
a. de inrichting, de gegevensset en de wijze van verkrijging van de gegevens ten behoeve van de registratie, bedoeld in het eerste lid,
b. de geldigheidsduur van de registratie van de persoon en het vervallen van de registratie van de persoon, en
c. de vaststelling, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, ten eerste, ten behoeve van de opname van personen in de registratie, bedoeld in het eerste lid.
10.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot ambtshalve verstrekking door het UWV van gegevens uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, aan werkgevers.
1.
De met betrekking tot het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g, verschuldigde heffing wordt geheven indien deze op grond van artikel 122n, eerste lid, voor de werkgever in de desbetreffende sector is geactiveerd.
2.
De quotumheffing wordt geheven over het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld, waarbij het quotumtekort wordt bepaald door het aantal arbeidsplaatsen ingevuld door arbeidsbeperkten, uitgedrukt in verloonde uren, ten opzichte van het totaal aantal arbeidsplaatsen, uitgedrukt in verloonde uren, in dat jaar overeenkomstig de berekeningsformule, bedoeld in artikel 38g, derde lid.
3.
De voor de toepassing van het tweede lid in aanmerking te nemen verloonde uren worden vastgesteld op grond van de loonaangiften die uiterlijk op 1 mei van het jaar volgend op het in het tweede lid bedoelde kalenderjaar zijn ingediend alsmede de correcties daarop die uiterlijk op die datum zijn ingediend. Hierbij worden uitsluitend loonaangiften en correcties in aanmerking genomen met betrekking tot het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld.
1.
Bij regeling van Onze Minister wordt in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g, wordt bepaald, ten behoeve van de bepaling van het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g, voor het desbetreffende kalenderjaar een quotumpercentage voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid vastgesteld overeenkomstig de berekeningsformule, bedoeld in het tweede lid. Bij deze regeling worden de berekeningen op grond van het tweede lid die tot dit percentage hebben geleid, gepubliceerd. Het percentage wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
2.
De quotumpercentages worden berekend overeenkomstig de volgende formule:
waarbij:
A = totaal aantal banen bij werkgevers die op grond van artikel 34, derde en vierde lid, quotumheffing zijn verschuldigd, die worden vervuld door arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, eerste lid op grond van de nulmeting op 1 januari 2013 in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid
B = het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, eerste lid bij werkgevers dat dient te worden gerealiseerd vanaf het kalenderjaar 2015 overeenkomstig het sociaal akkoord voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid
C = het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, eerste lid in de sector overheid en de sector niet-overheid tezamen
D = het totaal aantal banen bij werkgevers in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid die op grond van artikel 34, derde en vierde lid, quotumheffing zijn verschuldigd
E = het gemiddeld aantal verloonde uren van een werknemer bij werkgevers in de sector overheid en de sector niet-overheid tezamen die op grond van artikel 34, derde en vierde lid, quotumheffing zijn verschuldigd
F = het aantal arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38b, tweede lid, in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid
G = het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, tweede lid, in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de variabelen A tot en met E van de formule, bedoeld in het tweede lid. Hierbij kunnen categorieën werknemers worden aangewezen waarvan de banen in mindering worden gebracht op het totaal aantal banen, bedoeld in het tweede lid met betrekking tot variabele D.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de variabelen F en G van de formule, bedoeld in het tweede lid. De voordracht voor een krachtens de vorige volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
5.
Bij regeling van Onze Minister kunnen werknemers in bepaalde soorten dienstbetrekkingen voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 122n, eerste lid, worden gelijkgesteld met arbeidsbeperkten.
6.
Ten aanzien van de werknemers, bedoeld in het vijfde lid, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing.
1.
Ten behoeve van de vaststelling van de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h, wordt het quotumtekort per werkgever bepaald overeenkomstig de berekeningsformule, bedoeld in het derde lid.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als werknemer en niet als arbeidsbeperkte beschouwd de persoon die arbeid verricht in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening, tenzij deze persoon op grond van het vierde lid is aangewezen en aan de werkgever ter beschikking is gesteld.
3.
Het quotumtekort wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:
waarbij:
A = totaal verloonde uren van werknemers bij de werkgever in het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld
B = het quotumpercentage dat op grond van artikel 38f, eerste lid, is vastgesteld voor het kalenderjaar in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid waartoe de werkgever behoort
C = aantal verloonde uren bij de werkgever van arbeidsbeperkten in het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld
D = het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten op jaarbasis in de sector overheid en de sector niet-overheid tezamen.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën arbeidsbeperkten die aan de werkgever ter beschikking zijn gesteld om voor hem onder zijn toezicht en leiding arbeid te verrichten aangewezen, die overeenkomstig bij of krachtens die maatregel te stellen regels worden beschouwd als werknemers en arbeidsbeperkten waarop het derde lid van toepassing is. Deze categorieën arbeidsbeperkten worden voor de toepassing van het derde lid niet geacht in dienstbetrekking te staan tot de werkgever die deze arbeidsbeperkten ter beschikking heeft gesteld. Bij of krachtens deze maatregel worden in verband met dit lid nadere regels gesteld voor de toepassing van het derde lid.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën werknemers worden aangewezen ten aanzien waarvan de verloonde uren in mindering worden gebracht op het totaal aantal verloonde uren, bedoeld in het derde lid, met betrekking tot variabele A.
6.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop een quotumtekort wordt bepaald.
1.
De inspecteur stelt bij voor bezwaar vatbare beschikking de quotumheffing vast voor de werkgever, ten aanzien van wie een quotumtekort als bedoeld in artikel 38g is bepaald.
2.
De beschikking bevat in ieder geval:
a. de vaststelling dat de werkgever quotumheffing is verschuldigd op grond van artikel 34, derde en vierde lid;
b. het kalenderjaar waarover het quotumtekort is vastgesteld waarop de beschikking betrekking heeft;
c. het totale aantal verloonde uren bij de werkgever in het kalenderjaar waarover het quotumtekort is vastgesteld;
d. het aantal van die verloonde uren dat wordt ingevuld door arbeidsbeperkten;
e. de berekening van het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g, derde lid;
f. het bedrag van de quotumheffing.
3.
De vaststelling van de quotumheffing vindt plaats vóór 1 augustus volgend op het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld.
4.
De quotumheffing bedraagt het quotumtekort vermenigvuldigd met € 5.000.
5.
De inspecteur is bevoegd tot herziening van een beschikking op grond van dit artikel indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Een herziening ten nadele van de werkgever is uitsluitend mogelijk indien deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
6.
Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.
7.
Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing. Het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking kan niet zijn gegrond op de grief dat een werknemer niet is opgenomen in de registratie, bedoeld in artikel 38d.
8.
Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing ten aanzien van de beslissing van de inspecteur naar aanleiding van het bezwaar tegen de beschikking, bedoeld in het eerste en vijfde lid.
1.
De inspecteur stelt de beschikking ter invordering van de daaruit blijkende quotumheffing aan de ontvanger ter hand. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschiedt de invordering van de quotumheffing met toepassing van de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als ware die heffing een rijksbelasting.
2.
De beschikking is invorderbaar zes weken na de dagtekening van de beschikking.
Artikel 38j. Belastingdienst
De belastingdienst is belast met de heffing van de quotumheffing en de invordering van deze heffing.
Artikel 39. Rijksbijdrage
Onze Minister kan bedragen vaststellen die jaarlijks of in het desbetreffende jaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel 114, onderdeel f, ten gunste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
1.
De inspecteur verleent overeenkomstig deze afdeling aan een werkgever op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking toestemming om zelf het risico te dragen van betaling van:
a. het ziekengeld aan de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet, die laatstelijk tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en de overlijdensuitkeringen op grond van die wet aan nabestaanden van deze personen; of
b. de WGA-uitkeringen en de overlijdensuitkeringen overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.
De werkgever legt bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een schriftelijke garantie over waaruit blijkt dat een bank of een verzekeraar zich jegens het UWV verplicht, op het eerste verzoek van het UWV waarbij het UWV schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kan een model worden gegeven dat wordt gehanteerd voor de garantie, bedoeld in de eerste zin.
3.
De overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, voorzover deze door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën is aangewezen, is ontheven van de verplichting tot het overleggen van een schriftelijke garantie als bedoeld in het tweede lid.
4.
De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt niet verleend gedurende drie jaren nadat het door de werkgever zelf dragen van het desbetreffende in het eerste lid bedoelde risico is beëindigd.
5.
Onder een bank als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen.
6.
Onder een verzekeraar als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen.
7.
De garantie, bedoeld in het tweede lid, wordt voor onbepaalde tijd gegeven. Deze garantie strekt zich uit tot rechtsopvolgers onder algemene titel van de eigenrisicodrager en tot het risico dat overgaat op de verkrijgende werkgever, bedoeld in artikel 84, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Deze garantie kan door de desbetreffende bank of verzekeraar niet worden beëindigd zonder schriftelijke opzegging bij de inspecteur.
8.
De garantie, bedoeld in het tweede lid, strekt zich niet uit tot een WGA-uitkering ter zake van ongeschiktheid tot werken die is ontstaan door een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:38 van de Wet op het financieel toezicht, door een omstandigheid die het gevolg is van een of meer terroristische handelingen voor zover de totale schade die in een kalenderjaar ten gevolge van dergelijke handelingen bij schade- of levensverzekeraars waarop de Wet op het financieel toezicht van toepassing is, zal worden gedeclareerd, naar verwachting van de Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden N.V. hoger zal zijn dan het door die maatschappij herverzekerde maximumbedrag per kalenderjaar, of door een kernongeval als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheid kernongevallen.
9.
De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt door de inspecteur verleend met ingang van 1 januari of 1 juli van enig jaar, mits de aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend. Aan een startende werkgever wordt op zijn verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip waarop deze aanvangt werkgever te zijn.
10.
Het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in het eerste lid:
a. eindigt met ingang van de dag waarop de schriftelijke garantie, bedoeld in het tweede lid, eindigt, onderscheidenlijk met ingang van de dag waarop de eigenrisicodrager in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard dan wel de dag waarop hij ophoudt werkgever te zijn;
b. wordt door de inspecteur op 1 januari of 1 juli van enig jaar beëindigd bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van de werkgever, mits deze aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend;
c. kan door de inspecteur zonder aanvraag van de werkgever met onmiddellijke ingang bij voor bezwaar vatbare beschikking worden beëindigd indien de rechtbank de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk 3.5 van de Wet op het financieel toezicht heeft uitgesproken over de betrokken verzekeraar onderscheidenlijk bank.
11.
In een geval als bedoeld in het tiende lid, onderdeel a, doet de inspecteur daarvan op verzoek van de werkgever mededeling bij voor bezwaar vatbare beschikking.
12.
De inspecteur is bevoegd tot intrekking van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de intrekking van de beschikking vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot intrekking werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
13.
Indien de periode, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt gewijzigd in die zin dat de wijziging een verlenging van de periode betekent, legt de werkgever die zelf het risico draagt van betaling de van de WGA-uitkering en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn, een schriftelijke garantie over aan de inspecteur waaruit blijkt dat een bank of een verzekeraar zich jegens het UWV verplicht, op het eerste verzoek van het UWV, waarbij het UWV schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen.
14.
Indien niet of niet tijdig wordt voldaan aan het dertiende lid, eindigt het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met ingang van de dag waarop de wijziging van de periode, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in werking treedt.
15.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het dertiende en veertiende lid nadere regels worden gesteld.
16.
Beschikkingen van de inspecteur op grond van deze afdeling worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.
17.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de toestemming, bedoeld in het negende lid, eerste zin, en de beëindiging, bedoeld in het tiende lid, onderdeel b, uitsluitend wordt verleend onderscheidenlijk plaatsvindt met ingang van 1 januari van enig jaar. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kan in bijzondere omstandigheden de termijn van dertien weken, bedoeld in het negende lid, eerste zin, en het tiende lid, onderdeel b, worden ingekort.
1.
De eigenrisicodrager met betrekking tot de WGA-uitkering bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, en de startende werkgever, bedoeld in artikel 40, negende lid, die in afwachting is van de door de inspecteur te nemen beslissing op aanvraag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, kunnen de bij ministeriële regeling genoemde kosten met betrekking tot een werknemer ten behoeve van eigenrisicodragen onder bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden, tot ten hoogste de helft verhalen op de werknemer.
2.
De eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, een verzekering heeft afgesloten mag de door hem ter zake van die verzekering verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer voorzover dit niet voortvloeit uit het eerste lid. Elk beding waarbij wordt afgeweken van de eerste zin is nietig.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38, ingeval van eigenrisicodragen op grond van artikel 40, eerste lid, en ingeval artikel 40, negende lid, voor de startende werkgever van toepassing is.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van Wet financiering sociale verzekeringen">
Artikel 43. Aanvullende bepaling eigenrisicodragen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Aan een gemeente of een bestuur van een openbaar lichaam ingevolge een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet sociale werkvoorziening wordt geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel b, ten aanzien van werknemers die werkzaam zijn in een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening .
Artikel 45
[Door vernummering vervallen.]
1.
De werkgever past een korting toe op het totaal van de door hem op grond van de afdelingen 2, 3 en 4 verschuldigde premies bij een dienstbetrekking met een werknemer:
a. die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen , de Participatiewet , de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers , of op wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, dan wel recht heeft op inkomensondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten ; en
b. die op het moment van in dienst treden bij die werkgever 56 jaar of ouder is.
De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is bij een dienstbetrekking met een werknemer, die behoort tot een nader te bepalen categorie van personen, die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht hebben op een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet .
3.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien de werkgever in verband met de dienstbetrekking met die werknemer een loonkostensubsidie ontvangt als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet.
4.
Alvorens de korting, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast beschikt de werkgever over een verklaring van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank, het college van burgemeester en wethouders of een andere uitkeringsinstantie, dat de werknemer, bedoeld in het eerste of tweede lid, voorafgaande aan de datum van aanvang van de dienstbetrekking recht had op een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of voldoet aan het tweede lid.
5.
De werkgever bewaart de verklaring, bedoeld in het vierde lid of een beschikking van het college van burgemeester en wethouders tot verlening van loonkostensubsidie als bedoeld in het derde lid, bij de loonadministratie.
Artikel 48. Omvang bonus oudere werknemer
De korting, bedoeld in artikel 47, eerste en tweede lid, bedraagt € 7000 per jaar.
1.
De werkgever past een korting toe op het totaal van de door hem op grond van de afdelingen 2, 3 en 4 verschuldigde premies bij een dienstbetrekking met een werknemer die:
a. onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of de Participatiewet ;
b. op of na 1 januari 2014 bij die werkgever in dienst is getreden maar vóór 1 januari 2016;
c. op het moment van in dienst treden bij die werkgever 18 jaar of ouder is maar nog niet de leeftijd heeft bereikt van 27 jaar, en
d. een dienstbetrekking heeft met een overeengekomen duur van minimaal zes maanden en met een arbeidsduur van ten minste 32 uren per week en bij een dienstbetrekking die is aangevangen op of na 1 juli 2015, een arbeidsduur van ten minste 24 uren per week.
2.
De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met de werknemer, bedoeld in het eerste lid, duurt met dien verstande:
a. dat voor dienstbetrekkingen die zijn aangevangen op of na 1 januari 2014 maar vóór 1 juli 2014 de korting kan worden toegepast voor de duur van de dienstbetrekking maar ten hoogste gedurende twee jaar vanaf 1 juli 2014;
b. dat voor dienstbetrekkingen die zijn aangevangen op of na 1 juli 2014 maar vóór 1 januari 2016 de korting kan worden toegepast voor de duur van de diensbetrekking maar ten hoogste gedurende twee jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking;
c. dat de korting niet langer wordt toegepast dan tot en met het aangiftetijdvak dat eindigt op 31 december 2017.
3.
De korting wordt niet meer toegepast zodra niet meer wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel d.
4.
Alvorens de korting, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast beschikt de werkgever over:
a. de schriftelijke arbeidsovereenkomst met of de schriftelijke publiekrechtelijke aanstelling van de werknemer waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel d;
b. een verklaring van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het college van burgemeester en wethouders dat de werknemer, bedoeld in het eerste lid, voorafgaande aan de datum van aanvang van de dienstbetrekking recht had op een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
5.
De werkgever bewaart de arbeidsovereenkomst of de publiekrechtelijke aanstelling en de verklaring, bedoeld in het vierde lid, bij de loonadministratie.
6.
Artikel 50a is van overeenkomstige toepassing.
7.
Dit artikel is niet van toepassing, indien de werkgever in verband met de dienstbetrekking met die werknemer een loonkostensubsidie ontvangt als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet. In dat geval bewaart de werkgever bij de loonadministratie de beschikking van het college van burgemeester en wethouders tot verlening van de loonkostensubsidie.
1.
De korting, bedoeld in artikel 48a, bedraagt € 3.500 per jaar, met dien verstande dat de korting in de periode 1 juli 2014 tot 1 januari 2015 € 1.750 bedraagt.
2.
Artikel 50b, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
De werkgever past een korting toe op het totaal van de door hem op grond van de afdelingen 2, 3 en 4 verschuldigde premies, tenzij de werkgever in verband met de dienstbetrekking met die werknemer een loonkostensubsidie ontvangt als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet, bij een dienstbetrekking met een werknemer, die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking:
a. recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ;
b. recht heeft op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten ;
c. geïndiceerd is als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening of een nog geldende indicatiebeschikking heeft op grond van artikel 11 van die wet, zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel II van de Invoeringswet Participatiewet;
d. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en in verband met ziekte of gebrek een belemmering ondervindt of heeft ondervonden bij het volgen van onderwijs en binnen vijf jaar na afronding van dat onderwijs arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten; of
e. geen werknemer is als bedoeld in onderdeel b, achttien jaar is of ouder en in verband met ziekte of gebrek een belemmering ondervindt of heeft ondervonden bij het volgen van onderwijs en binnen vijf jaar na afronding van dat onderwijs arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten.
De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die zijn eigen arbeid geheel of gedeeltelijk heeft hervat of een andere functie bij dezelfde werkgever is gaan bekleden voor zolang de dienstbetrekking duurt doch ten hoogste gedurende een jaar nadat die werknemer zijn eigen arbeid geheel of gedeeltelijk heeft hervat of een andere functie bij dezelfde werkgever is gaan bekleden.
3.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de werknemer van wie in een arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat hij op de eerste dag na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of van het tijdvak, bedoeld in artikel 24 of 25, negende lid, van die wet:
1°. minder dan 35% arbeidsongeschikt is,
2°. op de eerste dag van elf weken voorafgaand aan die dag geen dienstbetrekking had met een andere dan zijn eigen werkgever, tenzij de dienstbetrekking met die andere werkgever reeds bestond op de eerste dag van de wachttijd,
3°. niet in staat is tot het verrichten van eigen of andere passende arbeid bij de eigen werkgever, en
4°. binnen vijf jaar na die dag in dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij een werkgever.
4.
Het UWV verstrekt op verzoek van de werknemer of de persoon die verwacht een dienstbetrekking met een werkgever te zullen aangaan een verklaring of de aanvrager naar het oordeel van het UWV voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het eerste lid, onderdeel d of e.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de gegevens, die de werkgever bij de loonadministratie bewaart waaruit blijkt dat de werknemer, bedoeld in het eerste lid, voorafgaande aan de datum van aanvang van de dienstbetrekking voldoet aan het eerste lid.
Artikel 50. Omvang bonus arbeidsgehandicapte werknemer
De korting, bedoeld in artikel 49, bedraagt € 7000 per jaar, met dien verstande, dat de korting bij een dienstbetrekking met een werknemer als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, waarbij artikel 2:20 of artikel 3:63 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van toepassing is, € 3 500 per jaar bedraagt.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de werkgever een korting toepast op de door hem op grond van de afdelingen 2, 3 of 4 verschuldigde premies bij een dienstbetrekking met een werknemer, indien die werkgever maatregelen heeft getroffen gericht op bevordering van de duurzame arbeidsparticipatie van die werknemer.
2.
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden de maatregelen aangewezen die geacht worden de duurzame arbeidsparticipatie te bevorderen en wordt de hoogte van de korting afhankelijk gesteld van de mate waarin de werkgever die maatregelen heeft getroffen ten aanzien van de werknemer.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de gegevens die de werkgever bij de loonadministratie bewaart waaruit de mate van inzet van de getroffen maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijkt.
1.
De artikelen 47 en 49 zijn niet van toepassing, indien de werknemer:
a. arbeid verricht in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening, of
b. de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, met ingang van de eerste dag van de maand waarin deze leeftijd is bereikt.
2.
Artikel 47 is niet van toepassing bij een dienstbetrekking met een werknemer, indien de werkgever met betrekking tot een dienstbetrekking met diezelfde werknemer artikel 49 kan toepassen dan wel heeft toegepast.
1.
Het bedrag van de korting, bedoeld in artikel 48, 50 en 50a, tweede lid, wordt naar evenredigheid verminderd, indien de met die werknemer overeengekomen gemiddelde arbeidsduur per week in het tijdvak waarover premie wordt betaald korter is dan de volledige arbeidsduur, die op 36 uur per week wordt gesteld en indien geen vaste arbeidsduur is overeengekomen.
2.
Voor een werknemer zonder vast overeengekomen arbeidsduur wordt de vermindering van het bedrag van de korting, bedoeld in artikel 48, 50 en 50a, tweede lid, bepaald aan de hand van het aantal uren waarover de werkgever loon is verschuldigd in het tijdvak waarover premie wordt betaald herleid naar weken.
3.
Indien de toepassing van artikel 48, 50 en 50a, tweede lid ertoe zou leiden dat een negatieve premie wordt geheven, wordt de premie op nihil gesteld.
1.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, worden met betrekking tot de premiekortingen regels gesteld over de toepassing van die kortingen bij onderbreking van het dienstverband dan wel opeenvolgende en verschillende dienstverbanden bij dezelfde werkgever of bij overgang van ondernemingen en voor het in dienst treden.
2.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden gesteld ten behoeve van een goede uitvoering van paragraaf 1 van deze afdeling, waaronder voor het berekenen van de evenredige vermindering en de samenloop van premiekortingen en premievrijstelling in het tijdvak waarover premie wordt betaald.
1.
Op aanvraag van een werkgever verleent de inspecteur, gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV, bij voor bezwaar vatbare beschikking vrijstelling van alle op grond van dit hoofdstuk verschuldigde premies ter zake van een dienstbetrekking met een uitkeringsgerechtigde indien:
a. de dienstbetrekking ten hoogste zes aaneengesloten weken duurt; en
b. de werkgever in het kalenderjaar niet eerder een dienstbetrekking met die uitkeringsgerechtigde is aangegaan; en
c. voor een dienstbetrekking van die uitkeringsgerechtigde in het kalenderjaar niet eerder vrijstelling is verleend.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid worden dienstbetrekkingen tussen de werkgever en de uitkeringsgerechtigde geacht eenzelfde niet onderbroken dienstbetrekking te zijn, indien die dienstbetrekkingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan eenendertig dagen zijn opgevolgd.
3.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder uitkeringsgerechtigde verstaan: degene wiens inkomen uit en in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde dienstbetrekking uitsluitend bestaat uit een uitkering of inkomensvoorziening op grond van de Participatiewet , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen , de Werkloosheidswet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten , de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen de Toeslagenwet of uit een uitkering op grond van vergelijkbare regelingen dan wel uit een combinatie van deze uitkeringen en die bij het UWV als werkzoekende is geregistreerd.
4.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon die recht op arbeidsondersteuning heeft op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten .
1.
De werkgever vraagt de vrijstelling aan voor de afloop van de dienstbetrekking. De aanvraag wordt mede door de uitkeringsgerechtigde ondertekend.
2.
De aanvraag bevat in ieder geval het burgerservicenummer van de uitkeringsgerechtigde.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen voor de Tabakverwerkende en Agrarische sector categorieën van werknemers worden aangewezen waarvoor de werkgever ter zake van een dienstbetrekking met een onder die categorie vallende werknemer de premievrijstelling, bedoeld in deze paragraaf, kan worden verleend.
2.
Voor aanwijzing komen in aanmerking categorieën van werknemers, die behalve uit de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking, bij aanvang van die dienstbetrekking niet zijn aangewezen op inkomen uit arbeid en geen uitkeringsgerechtigde zijn.
1.
De inspecteur, gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV, verleent voor de Tabakverwerkende en Agrarische sector op aanvraag van een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vrijstelling van de verplichting tot het betalen van premies ter zake van een dienstbetrekking met een werknemer vallend onder een categorie als bedoeld in artikel 53, eerste lid, die voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 51, eerste lid.
2.
De artikelen 51 en 52 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 55. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvragen, bedoeld in deze paragraaf, en ten behoeve van een goede uitvoering van deze paragraaf.
1.
De premies, bedoeld in artikel 34, zijn niet verschuldigd over het loon van personen voorzover zij werknemer zijn op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel i of j, van de Ziektewet.
2.
De uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen uit hoofde van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen i en j, van de Ziektewet, de daaraan verbonden uitvoeringskosten alsmede de op grond van enige wet over die uitkeringen verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, komen ten laste van het Rijk.
3.
Ten laste van het Rijk komen voorts de kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van artikel 30a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een betrokkene, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel, een uitkering als bedoeld in het tweede lid ontvangt ten laste van het Rijk.
Artikel 57. Premieheffing door de rijksbelastingdienst
De rijksbelastingdienst heft de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen.
1.
De premie voor de volksverzekeringen wordt, onverminderd het tweede lid en onder verrekening van de krachtens dat lid geheven premie, bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 3.154 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2.
Voorzover de premieplichtige van een inhoudingsplichtige loon geniet in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 , wordt de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.
3.
Voorzover de premieplichtige aan de loonbelasting is onderworpen op grond van artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964 is het tweede lid niet van toepassing.
1.
De premies voor de werknemersverzekeringen worden geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels. Artikel 32d van de Wet op de loonbelasting 1964 is slechts van overeenkomstige toepassing indien degene aan wie het loon wordt afgestaan, werkgever van de werknemer is.
2.
In de uitnodiging tot het doen van aangifte, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, kan mede opgave worden verlangd van gegevens die noodzakelijk zijn ten behoeve van de vaststelling van de premiepercentages, bedoeld in de artikelen 27, 28, 31, 36 en 38, alsmede ten behoeve van de doelen van de gegevensverwerking in de polisadministratie, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdelen a en e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, waarbij met betrekking tot die verlangde gegevens de regels die gelden voor de heffing van de loonbelasting van overeenkomstige toepassing zijn.
3.
De inspecteur beslist ambtshalve of op verzoek van de werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking over het verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen.
4.
De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het derde lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening van de beschikking vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
5.
Op het beroep van de werkgever tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur op grond van de artikelen 40, 95 of 97 is hoofdstuk V, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
6.
De inspecteur stelt de werkgever zonodig op de hoogte van de door het UWV op aanvraag van de werknemer genomen beschikking over het verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen.
7.
Indien in verband met een gevraagde beschikking informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen de termijn, bedoeld in afdeling 4.1.3 van Algemene wet bestuursrecht, gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
8.
In afwijking van de artikelen 25, 30 en 34, eerste lid, en met overeenkomstige toepassing van artikel 13bis, vijftiende en negentiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, is de premie door de werknemer verschuldigd in de gevallen, bedoeld in artikel 13bis, vijftiende en negentiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
9.
Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het derde lid en op een aanvraag of melding op grond van de artikelen 40, 95 of 97.
1.
De rijksbelastingdienst vordert de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen in.
2.
Bij de invordering van de premie voor de volksverzekeringen zijn, naar gelang artikel 58, eerste lid, dan wel tweede lid van toepassing is, de regels geldende voor de invordering van de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de loonbelasting van overeenkomstige toepassing.
3.
Bij de invordering van de premies voor de werknemersverzekeringen zijn de regels geldende voor de invordering van de loonbelasting, met uitzondering van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990, van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien een premieplichtige heeft nagelaten over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, beslist de SVB dat sprake is van schuldig nalaten als bedoeld in artikel 13 van de Algemene Ouderdomswet, behoudens voorzover de premieplichtige aantoont dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden.
2.
Een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt in elk geval genomen indien:
a. de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen;
b. de premie voor de volksverzekeringen niet of niet geheel kan worden ingevorderd omdat is nagelaten te voldoen aan de krachtens de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 van de Wet basisregistratie personen geldende verplichtingen; of
c. de premieplichtige de bekendmaking van de beslissing op grond van het eerste lid bemoeilijkt of onmogelijk maakt omdat is nagelaten te voldoen aan de krachtens de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 van de Wet basisregistratie personen geldende verplichtingen.
3.
Nadat de betalingen op een belastingaanslag zijn toegerekend overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 en alvorens de SVB beslist dat de premieplichtige schuldig nalatig is als bedoeld in het eerste lid wordt het door de premieplichtige reeds betaalde deel van de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen in een bepaald jaar achtereenvolgens toegerekend aan:
a. de premie, verschuldigd gebleven voor de verzekering langdurige zorg en de nabestaandenverzekering;
b. de premie, verschuldigd gebleven voor de algemene ouderdomsverzekering, waarbij de betaling eerst wordt toegerekend aan het oudste tijdvak.
4.
Indien de premieplichtige ten aanzien van wie een beslissing als bedoeld in het eerste lid is genomen binnen vijf jaren na de dagtekening van de aanslag het op aanslag verschuldigde bedrag alsnog geheel of gedeeltelijk betaalt, is hij een opslag verschuldigd van 5% op de verschuldigd gebleven premie voor de algemene ouderdomsverzekering. Indien een beslissing als bedoeld in het eerste lid meer dan vier jaren en achtenveertig weken na de dagtekening van de aanslag wordt genomen, wordt de termijn van vijf jaren verlengd tot vier weken na de datum van die beslissing.
5.
Ingeval van een gehele of gedeeltelijke betaling van het op aanslag verschuldigde bedrag, bedoeld in het vierde lid, worden, nadat deze betalingen zijn toegerekend overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Invorderingswet 1990, de premies volksverzekeringen toegerekend aan:
a. de premie, verschuldigd gebleven voor de verzekering langdurige zorg en de nabestaandenverzekering;
b. de opslag, bedoeld in het vierde lid;
c. de premie, verschuldigd gebleven voor de algemene ouderdomsverzekering, waarbij de betaling eerst wordt toegerekend aan het oudste tijdvak of de oudste tijdvakken binnen de termijn van vijf jaren, bedoeld in het vierde lid.
6.
In geval van gehele of gedeeltelijke toerekening van een betaling als bedoeld in het vierde lid aan de premie verschuldigd gebleven voor de algemene ouderdomsverzekering, wordt de beslissing op grond van het eerste lid in zoverre gewijzigd of ingetrokken.
7.
De SVB registreert de schuldige nalatigheid van de premieplichtige. Indien bij de SVB ten tijde van de registratie geen actueel adres van de premieplichtige bekend is, gaat de termijn van vier weken, genoemd in het vierde lid, in op de datum van registratie. De premieplichtige ten aanzien van wie de schuldige nalatigheid is geregistreerd is een opslag van 5% als bedoeld in het vierde lid, verschuldigd als hij het op aanslag verschuldigde bedrag alsnog geheel of gedeeltelijk betaalt.
Artikel 62. Beroep
Het beroep tegen een beslissing van de SVB op grond van artikel 61 kan niet zijn gegrond op de stelling dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het beroep kan slechts dan zijn gegrond op de stelling dat de aanslag of de beslissing niet is ontvangen, indien de belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij de aanslag of de beslissing nimmer ontvangen heeft en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het niet ontvangen van de aanslag of de beslissing hem kan worden toegerekend.
Artikel 63. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk.
1.
De SVB kan op verzoek wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen of alle werknemersverzekeringen ontheffen van de verplichtingen opgelegd op grond van de desbetreffende wetten en deze wet:
a. de persoon, die deze gemoedsbezwaren heeft;
b. de rechtspersoon, waarbij natuurlijke personen zijn betrokken die deze gemoedsbezwaren hebben.
2.
De SVB doet de inspecteur mededeling omtrent de ontheffing of intrekking van de ontheffing.
3.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op verzoeken aan de SVB met betrekking tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid.
1.
Indien een ontheffing is verleend in het kader van één of meer volksverzekeringen, wordt voor geen van de volksverzekeringen premie geheven, doch vindt voor al die verzekeringen heffing van premievervangende inkomstenbelasting of premievervangende loonbelasting plaats overeenkomstig artikel 58 tot het bedrag van de verschuldigde premie als bedoeld in artikel 9.
2.
Indien een werkgever ontheffing is verleend in het kader van de werknemersverzekeringen wordt premievervangende loonbelasting geheven overeenkomstig artikel 59 tot het bedrag aan premies dat hij met toepassing van hoofdstuk 3 zou hebben afgedragen, indien hem geen ontheffing zou zijn verleend.
3.
Voor de toepassing van deze wet, de Wet inkomstenbelasting 2001 , de Wet op de loonbelasting 1964 en de Invorderingswet 1990 wordt de premievervangende belasting beschouwd als premie voor de volksverzekeringen dan wel voor de werknemersverzekeringen.
Artikel 66. Premie ten laste van Rijk
Ten laste van het Rijk komen de bedragen aan premie voor de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen die wegens een ontheffing niet zijn geheven overeenkomstig artikel 65.
Artikel 67. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, worden regels gesteld ten aanzien van:
a. de voorwaarden, waaronder een ontheffing wordt verleend;
b. de verdere gevolgen die aan een ontheffing worden verbonden;
c. de gevallen, waarin een ontheffing wordt ingetrokken en de gevolgen die aan die intrekking worden verbonden.
Artikel 68. Premieheffing
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige volksverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie.
Artikel 69. Algemene begrippen
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. vrijwillige algemene ouderdomsverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk IV van de Algemene Ouderdomswet;
b. vrijwillige nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene nabestaandenwet.
1.
De verschuldigde premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering of de vrijwillige nabestaandenverzekering wordt in rekening gebracht en geïnd door de SVB op de wijze en het tijdstip aangegeven door de SVB.
2.
Een schuld aan premie voor een vrijwillige verzekering valt buiten de nalatenschap van degene, die tot die verzekering was toegelaten. De schuld wordt betaald door degene, die krachtens de betrokken vrijwillige verzekering prestaties ontvangt.
1.
Degene die is toegelaten tot de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering of de vrijwillige nabestaandenverzekering, is voor die verzekeringen een premie verschuldigd volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tarief.
2.
De voordracht voor een op grond van het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 72. Premieheffing
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige werknemersverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie.
1.
De premies voor de vrijwillige werknemersverzekeringen worden in rekening gebracht en geïnd door het UWV op de wijze en het tijdstip, aangegeven door dat instituut.
2.
Het UWV kan nadere regels stellen met betrekking tot de premie.
3.
De door het UWV op grond van het tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
1.
De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de Werkloosheidswet wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Werkloosheidswet.
2.
De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan het deel van de premie, bedoeld in artikel 27, dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds, vermeerderd met de premie, bedoeld in artikel 28, tweede lid.
1.
De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2.
De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan de in artikel 36 bedoelde basispremie.
1.
De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Ziektewet.
2.
De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon.
1.
De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.
De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan de in artikel 36 bedoelde basispremie, vermeerderd met een premieopslag die wordt berekend op grond van het in artikel 38, tweede lid, onderdeel a, bedoelde percentage.
Artikel 77. Inlichtingenplicht
Degene die is toegelaten tot een vrijwillige verzekering, is verplicht aan de SVB of het UWV onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed zijn op de hoogte van de verschuldigde premie.
Artikel 79. Beslistermijn bezwaar
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de SVB of het UWV binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Artikel 80. Nadere regels
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling, de inning en de betaling van de premie voor een vrijwillige verzekering.
Artikel 81. Premie-afdracht en -toerekening
Bij regeling van Onze Minister en Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen alsmede van de daarmee verband houdende bestuurlijke boeten en renten door de rijksbelastingdienst aan de fondsen en de wijze van toerekening van die premies, boeten en renten aan de fondsen.
1.
De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 83, tweede lid, in de vorm van een Ouderdomsfonds.
2.
De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 85, tweede lid, in de vorm van een Nabestaandenfonds.
3.
Het Ouderdomsfonds en het Nabestaandenfonds maken deel uit van de SVB.
1.
Ten gunste van het Ouderdomsfonds komen:
a. de premies voor de algemene ouderdomsverzekering en voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. rijksbijdragen als bedoeld in artikel 14;
c. de opslag, bedoeld in artikel 61, derde lid;
d. de bestuurlijke boeten, bedoeld in artikel 17c van de Algemene Ouderdomswet;
e. de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15.
2.
Uit het Ouderdomsfonds worden betaald:
a. de lasten van de algemene ouderdomsverzekering en van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. de lasten van de regeling, vervat in hoofdstuk VIII van de Algemene Ouderdomswet;
c. de lasten van de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
d. de bijdrage, bedoeld in artikel 87a.
Artikel 84. Prognose benodigde middelen
Onze Minister stelt een keer per jaar een prognose op van de benodigde middelen tot dekking van de lasten van de algemene ouderdomsverzekering voor de eerstkomende tien jaren, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de opbrengst van de premies voor de algemene ouderdomsverzekering en de rijksbijdragen bedoeld in artikel 14.
1.
Ten gunste van het Nabestaandenfonds komen:
a. de premies voor de nabestaandenverzekering en voor de vrijwillige nabestaandenverzekering alsmede de te ontvangen bijdragen op grond van artikel 66a van de Algemene nabestaandenwet en de daarop berustende bepalingen;
b. de bestuurlijke boeten, bedoeld in artikel 39 van de Algemene nabestaandenwet;
c. de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15;
d. rijksbijdragen als bedoeld in artikel 14, eerste lid.
2.
Uit het Nabestaandenfonds worden betaald:
a. de lasten van de nabestaandenverzekering en van de vrijwillige nabestaandenverzekering;
b. de lasten voortvloeiend uit hoofdstuk 8 van de Algemene nabestaandenwet en de daarop berustende bepalingen;
c. de lasten van de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.
1.
Periodiek wordt door de SVB een bijdrage ten laste gebracht van het Ouderdomsfonds die ten gunste komt van het Zorgverzekeringsfonds, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
2.
De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, vormt het verschil tussen het in het kalenderjaar geldende percentage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, dat wordt toegepast voor het loon, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet en het in het kalenderjaar geldende percentage, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, dat wordt toegepast voor het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, vermenigvuldigd met de lasten van de algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering.
3.
De SVB stelt regels omtrent de termijnen waarin en de wijze waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, betaalbaar wordt gesteld.
4.
De door de SVB op grond van het derde lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister, na overleg met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 89. Fonds langdurige zorg
Het Zorginstituut beheert en administreert afzonderlijk een Fonds langdurige zorg.
1.
Ten gunste van het Fonds langdurige zorg komen:
a. de premie voor de verzekering ingevolge de Wet langdurige zorg ;
b. de inkomsten die in verband met de Wet langdurige zorg voortvloeien uit internationale overeenkomsten;
c. de bijdragen in de kosten van zorg die op grond van artikel 3.2.5 of 11.1.4 van de Wet langdurige zorg worden betaald door of namens de verzekerde, dan wel, in voorkomend geval, door het krachtens een wettelijke regeling tot betaling van zodanige bijdragen bevoegde orgaan dat uitkeringen of pensioenen uit hoofde van die regeling aan die verzekerde betaalbaar stelt;
d. de bijdragen in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15;
e. een rijksbijdrage als bedoeld in artikel 14, tweede lid;
f. door zorgaanbieders ingevolge een regel van de zorgautoriteit op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet marktordening gezondheidszorg dan wel op aanwijzing van de zorgautoriteit op grond van artikel 76, tweede lid, van die wet afgedragen bedragen en door de zorgautoriteit van zorgaanbieders op grond van artikel 81, eerste lid, onder c, van die wet ingevorderde bedragen, voor zover die bedragen niet worden afgedragen aan het Zorgverzekeringsfonds of aan derden.
2.
Uit het Fonds langdurige zorg worden betaald:
a. de kosten van de zorg en van de overige prestaties die op grond van de Wet langdurige zorg worden verstrekt, alsmede de met de uitvoering van die wet gepaard gaande kosten;
b. de uitgaven voor de verzekering ingevolge de Wet langdurige zorg die voortvloeien uit overeenkomsten, waaronder internationale overeenkomsten;
c. de uitgaven die in verband met de verzekering ingevolge de Wet langdurige zorg voorvloeien uit enige andere wettelijke regeling dan laatstgenoemde wet;
f. de kosten die de Sociale verzekeringsbank maakt voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wet langdurige zorg;
h. de door het College zorgverzekeringen op grond van een ministeriële regeling vastgestelde verdeelbedragen, zijnde aan de relevante zorgverzekeraars toegekende delen van de bedragen bedoeld in onderdeel f van het eerste lid.
1.
Het Zorginstituut doet jaarlijks uitkeringen uit het Fonds langdurige zorg ter dekking van de noodzakelijke uitgaven, gedaan voor de uitvoering van de in de Wet langdurige zorg geregelde verzekering, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Bij of krachtens deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld over de vorming en aanwending van reserves door Wlz-uitvoerders als bedoeld in de Wet langdurige zorg.
2.
De zorgautoriteit is bevoegd vast te stellen dat uitgaven niet verantwoord waren voor zover deze door hem niet noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering van de verzekering op grond van de Wet langdurige zorg . Met de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, evenals met de daarmee verkregen opbrengsten worden geen uitgaven gedekt waarvan de zorgautoriteit heeft vastgesteld dat zij niet verantwoord waren, tenzij de zorgautoriteit anders besluit.
3.
Op de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschotten worden verleend overeenkomstig door het Zorginstituut te stellen regels,
4.
Op rechten of verplichtingen die voortvloeien uit hetgeen op grond van dit artikel is geregeld, is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 93. Algemeen Werkloosheidsfonds
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 99 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 100, 101 en 102, in de vorm van een Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
1.
Het UWV stelt voor een sector als bedoeld in artikel 95, met uitzondering van de sectoren waartoe alleen overheidswerkgevers behoren, een sectorfonds in.
2.
Het UWV beheert de middelen, bedoeld in artikel 103, en de uitgaven, bedoeld in artikel 104, eerste lid, gezamenlijk en administreert deze middelen en uitgaven met betrekking tot elk sectorfonds afzonderlijk.
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën en nadat hij het UWV in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen, wordt het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren, waarbij elke sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat en kan een sector worden onderverdeeld in sectoronderdelen, waarbij elk sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers omvat.
2.
Indien een sector in sectoronderdelen is ingedeeld, stelt de inspecteur ten aanzien van elke bij de betrokken sector aangesloten werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vast bij welk sectoronderdeel de werkgever behoort of bij welk sectoronderdeel de werkzaamheden die hij doet verrichten, behoren.
3.
De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het tweede lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de indeling van een werkgever bij een sectoronderdeel onjuist is en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
1.
Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.
2.
Indien een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren, is hij van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
3.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen met betrekking tot de aansluiting van een of meer categorieën werkgevers bij een sector regels worden gesteld, waarbij voor deze aansluiting andere criteria bepalend kunnen zijn dan genoemd in het eerste en tweede lid.
1.
De werkgever die op grond van artikel 96 bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen twee weken schriftelijk melding bij de inspecteur.
2.
De inspecteur deelt een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking mee, bij welke sector en vanaf welke datum hij op grond van artikel 96 is aangesloten.
3.
In afwijking van artikel 96, tweede lid, beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag dat een werkgever met ingang van een door de inspecteur aan te geven datum voor door de inspecteur aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij een andere sector dan de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij overigens doet verrichten.
4.
De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het tweede en derde lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de aansluiting bij een sector onjuist is en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
1.
Indien één of meer werkgevers van een sector overgaan naar een andere sector, kan het UWV besluiten dat tevens een deel van het vermogen van dit instituut, dat betrekking heeft op het door dit instituut voor die sector afzonderlijk beheerde en geadministreerde sectorfonds, overgaat naar het vermogen dat betrekking heeft op een door dit instituut voor een andere sector afzonderlijk beheerd en geadministreerd sectorfonds.
2.
Met betrekking tot het eerste lid stelt het UWV regels omtrent:
a. de gevallen waarin vermogen overgaat;
b. de wijze van berekening van vermogensbestanddelen;
c. de termijnen waarin en de wijze waarop vermogen overgaat.
3.
De door het UWV op grond van het tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 99. Middelen Algemeen Werkloosheidsfonds
Ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de premies op grond van de artikelen 27 en 28, derde lid en de premie op grond van artikel 74, voorzover deze niet ten gunste komt van een sectorfonds;
b. de bedragen, die het UWV ontvangt door de toepassing van artikel 36 van de Werkloosheidswet, voorzover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen, die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
c. de bedragen die het UWV ontvangt door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 66 van de Werkloosheidswet;
d. de bedragen die het UWV ontvangt door toepassing van artikel 45a van de Ziektewet, voorzover deze verband houden met te betalen uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet;
e. de bedragen die het UWV ontvangt van de werkgever in het kader van de toepassing van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.
Artikel 100. Uitgaven Algemeen Werkloosheidsfonds
Ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen, met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel 104, eerste lid;
b. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet te betalen uitkeringen;
c. de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b bedoelde uitkeringen;
d. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
e. de bedragen, die op grond van artikel 104, vierde lid, door het UWV ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds zijn gebracht;
f. [vervallen;]
g. de bedragen van de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, voorzover die worden toegepast op de premies berekend op grond van artikel 27;
h. [vervallen;]
i. [vervallen;]
j. [vervallen;]
k. de kosten in verband met de uitvoering van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van personen, die een uitkering ontvangen als bedoeld in de onderdelen a en b en de kosten van de re-integratiemaatregelen, bedoeld in hoofdstuk VI van de Werkloosheidswet en hoofdstuk IIA van de Ziektewet ten aanzien van deze personen;
l. vergoedingen aan gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover betrekking hebbend op personen, die een uitkering ontvangen als bedoeld in de onderdelen a en b;
m. middelen voor uitgaven van de Sociaal-Economische Raad als bedoeld in artikel 54 van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
1.
Het UWV vergoedt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, aan het Rijk bijdragen, die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers, die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.
2.
De in het eerste lid bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet zouden hebben kunnen ontvangen indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst of een ander land waren vertrokken.
3.
Bij ministeriële regeling, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, worden regels gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
1.
Ten gunste van een sectorfonds komen:
a. de premies op grond van artikel 28, met uitzondering van de premies die op grond van het derde lid van dat artikel ten gunste komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds, en de premie op grond van artikel 74, voorzover deze de premie op grond van artikel 28, tweede lid, niet overschrijdt;
b. de bedragen, die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 27a en 36 van de Werkloosheidswet, voorzover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dit fonds zijn gebracht;
c. de bedragen, die het UWV op grond van artikel 100, onderdeel d, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds brengt.
2.
Bij ministeriële regeling wordt een jaarlijkse bijdrage vastgesteld die in een kalenderjaar ten gunste komt van het sectorfonds waarin werkgevers op grond van artikel 95 zijn ingedeeld, die zich in het kader van de uitoefening van hun bedrijf of beroep bezighouden met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder leiding en toezicht van de derde, waarbij die werknemers werkzaam zijn op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarin tevens een beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen.
1.
Ten laste van een sectorfonds komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet over de eerste zes maanden vanaf de eerste werkloosheidsdag te betalen uitkering aan de werknemer, die in de kalenderweek onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies in de sector werkzaam is geweest waarvoor het sectorfonds is ingesteld, waarbij, voor de bepaling van de periode van zes maanden, perioden waarin de werknemer geen recht op uitkering heeft, buiten beschouwing worden gelaten;
b. de op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen;
c. [vervallen;]
d. [vervallen;]
e. de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b bedoelde uitkeringen;
f. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
g. [vervallen;]
h. [vervallen;]
i. de bedragen van de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op de sectorpremie.
2.
Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, werkzaamheden in de ene sector gelijk te stellen met werkzaamheden in een andere sector.
3.
Artikel 21 van de Werkloosheidswet is met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode waarover de uitkering ten laste van een sectorfonds komt, van overeenkomstige toepassing.
4.
Het UWV brengt hetgeen ten laste van het sectorfonds komt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds voor zoveel dit meer bedraagt dan het voor het sectorfonds op grond van artikel 105, eerste lid, vastgestelde maximum.
5.
Ten laste van het sectorfonds kunnen voorts komen, indien dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald:
a. de door het UWV te betalen WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel h;
b. uitkeringen op grond van de Ziektewet als bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel g;
c. uitkeringen als bedoeld in artikel 122f;
d. de uitvoeringskosten, die betrekking hebben op deze uitkeringen op grond van de Ziektewet en op deze WGA-uitkeringen.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld voor de uitkeringen, die op grond van het vijfde lid, ten laste van het sectorfonds komen.
7.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, komen de uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet die worden betaald gedurende de eerste dertien weken van ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, niet ten laste van een sectorfonds. Perioden van ongeschiktheid worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
8.
Voor de bepaling van de periode van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden perioden waarin de werknemer uitkering ontvangt als bedoeld in het zevende lid, buiten aanmerking gelaten.
1.
Het UWV stelt elk jaar voor elk sectorfonds afzonderlijk een maximum vast dat in een kalenderjaar op grond van artikel 104 ten laste van dat sectorfonds komt.
2.
Bij de vaststelling van het maximum, bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing de bedragen die ten laste van een sectorfonds komen op grond van artikel 104, eerste lid, onderdeel i.
3.
Het door het UWV vastgestelde maximum, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt aan het door het UWV vastgestelde maximum, stelt hij dat zelf vast.
Artikel 106. Uitvoeringsfonds voor de overheid
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 107 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 108, 109 en 110 in de vorm van een Uitvoeringsfonds voor de overheid dat deel uitmaakt van het UWV.
Artikel 107. Middelen Uitvoeringsfonds voor de overheid
Ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de bedragen die het UWV ontvangt door de toepassing van artikel 79 van de Werkloosheidswet;
b. de premies op grond van artikel 31;
c. de premies geheven over uitkeringen en toeslagen van personen als bedoeld in artikel 24, tweede lid;
d. de bedragen die het UWV ontvangt door de toepassing van de artikelen 27a en 36 van de Werkloosheidswet, voorzover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen, die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
e. de bedragen die het UWV ontvangt door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 66 van de Werkloosheidswet indien de in dat artikel bedoelde werkgever een overheidswerkgever is.
1.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
b. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
c. [vervallen;]
d. [vervallen;]
e. de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben op de in de onderdeel a en b bedoelde uitkeringen;
f. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
g. [vervallen;]
h. [vervallen;]
i. [vervallen;]
j. de op diens aanvraag aan de werkgever door het UWV te verlenen vergoeding van de schade, die de werkgever lijdt door toepassing van artikel 23, eerste lid, van de Werkloosheidswet en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
k. de uitvoeringskosten verbonden aan werkzaamheden gericht op het ontvangen van bedragen, premies en bijdragen als bedoeld in artikel 107;
l. [vervallen;]
m. [vervallen;]
n. de bedragen premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op de premies, berekend op grond van artikel 31;
o. de uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitvoering van artikel 32, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
p. vergoedingen aan gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover dat artikel wordt toegepast ten aanzien van personen als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet.
2.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen voorts de kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een betrokkene, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het UWV deze uitkering met toepassing van artikel 79 van de Werkloosheidswet niet kan verhalen op de overheidswerkgever.
3.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid kunnen tevens komen, indien dit bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
a. de door het UWV te betalen WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel h, aan de personen, bedoeld in artikel 24;
b. uitkeringen op grond van de Ziektewet als bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel g, te betalen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
c. uitkeringen als bedoeld in artikel 122f, te betalen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
d. de uitvoeringskosten, die betrekking hebben op deze uitkeringen op grond van de Ziektewet en op deze WGA-uitkeringen.
1.
Het UWV vergoedt, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, aan het Rijk bijdragen die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers, die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.
2.
De in het eerste lid bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen, die de in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet zouden hebben kunnen ontvangen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst of een ander land waren vertrokken.
3.
Bij ministeriële regeling, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, worden regels gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 111. Verdeling premie over uitkeringen overheidswerknemers over fondsen
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan een bedrag worden vastgesteld dat op grond van artikel 24 met toepassing van de artikelen 27 en 28, tweede en derde lid, op uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aan overheidswerknemers, volgens een bij die regeling te bepalen verdeling wordt afgedragen aan het Uitvoeringsfonds voor de overheid dan wel de sectorfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Artikel 112. Arbeidsongeschiktheidsfonds
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 33, eerste lid, bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
Artikel 113a. Werkhervattingskas
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 33, tweede lid, bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven in de vorm van een Werkhervattingskas die deel uitmaakt van het UWV.
Artikel 114. Middelen Arbeidsongeschiktheidsfonds
Ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:
a. de premies op grond van de artikelen 36, 75 en 76 en de premie op grond van artikel 76a voor zover deze niet ten gunste komt van de Werkhervatttingskas;
b. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 29a en 91i van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 57 en 90 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 115, eerste lid, onderdeel a;
d. de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h;
e. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ;
f. een rijksbijdrage ter hoogte van het door Onze Minister geraamde bedrag aan lasten als bedoeld in artikel 115, eerste lid, onderdeel c en onderdeel e voor zover de uitvoeringskosten, bedoeld in dat laatste onderdeel betrekking hebben op de op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, en de op grond van artikel 3:30 van de Wet arbeid en zorg te betalen uitkeringen;
g. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 86 en 91 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
h. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 76 en 99 van de van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
i. de bijdragen van de werkgever of de eigenrisicodrager of de werknemer in de kosten van het onderzoek, bedoeld in artikel 32, eerste, tweede, derde en vierde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
1.
Ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen, met inachtneming van de artikelen 56, 100, 104, 108 en 117b en artikel 5:3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten:
a. de door het UWV op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering te betalen uitkeringen;
b. de door het UWV op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen te betalen uitkeringen;
c. de op grond van artikel 3:1a en hoofdstuk 3, afdeling 2 van de Wet arbeid en zorg te betalen vergoedingen en uitkeringen;
d. de door het UWV op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen te betalen uitkeringen;
e. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f en g, en artikel 70 van de Ziektewet te betalen uitkeringen en de uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, toegekend aan een werknemer direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, bestond en de op grond van de Ziektewet te betalen uitkeringen aan de verzekerde die de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt;
f. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
g. de gelden die door toepassing van artikel 118, onderdeel a, worden overgeheveld naar de Werkhervattingskas;
h. de gelden die door toepassing van artikel 118, onderdeel b, worden overgeheveld naar het Rijk;
i. [vervallen;]
k. de bedragen van de kortingen oudere werknemer en arbeidsgehandicapte werknemer en van de premievrijstelling, bedoeld in artikel 122c, en de bedragen van de premievrijstelling, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, voor zover deze premievrijstelling wordt toegepast op de basispremie, bedoeld in artikel 36;
l. de bedragen van de kortingen jongere werknemer, bedoeld in artikel 48b, eerste lid;
m. de kosten die verband houden met de uitvoering van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
o. hetgeen op grond van artikel 83, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op het UWV wordt verhaald;
p. [vervallen;]
q. vergoedingen aan gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover betrekking hebbend op de uitvoering van een wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering;
r. de uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e en de uitkeringen, bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdelen a en b;
s. de kosten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 63a, vierde, vijfde en zesde lid, van de Ziektewet alsmede de schade, bedoeld in het zevende lid van dat artikel, die wordt vergoed aan een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
u. de uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b, en c, van de Ziektewet, die op grond van artikel 63a, derde lid, van die wet door het UWV worden betaald en niet kunnen worden verhaald op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
v. de bijdrage, bedoeld in artikel 103, tweede lid;
2.
Het UWV bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds dan met toestemming van Onze Minister.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat tevens ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:
a. de uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de Ziektewet toegekend aan werknemers, die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in dienstbetrekking stonden van eigenrisicodragers als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, voor zover de eigenrisicodrager op grond van artikel 63b, eerste lid, van de Ziektewet niet het risico draagt voor de betaling van die uitkering;
b. uitkeringen als bedoeld in artikel 122f.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld voor de uitkeringen, die op grond van het derde lid, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfond komen.
Artikel 117a. Middelen Werkhervattingskas
Ten gunste van de Werkhervattingskas komen:
a. de gedifferentieerde premie op grond van de artikelen 38, tweede lid, en 38a, eerste lid, en de premie op grond van artikel 76a voor zover deze de gedifferentieerde premie op grond van artikel 38, tweede lid, niet overschrijdt;
b. de gelden die het UWV ontvangt met toepassing van de artikelen 76, 83, derde lid, 84, tweede en vierde lid, en 99 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid;
c. de gelden die door toepassing van artikel 118 worden overgeheveld uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
1.
Ten laste van de Werkhervattingskas komen de door het UWV te betalen:
a. WGA-uitkeringen en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen gedurende de periode die op grond van artikel 82, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geldt op de dag waarop het recht van uitkering op grond van die wet is ontstaan te rekenen vanaf die dag;
b. ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of c, en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet;
c. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet.
2.
Indien een WGA uitkering wordt toegekend direct aansluitend op een op grond van artikel 24 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen verlengd tijdvak waarin de verzekerde recht heeft op loon, wordt de duur van de verlenging van dat tijdvak in mindering gebracht op de periode, bedoeld in het eerste lid.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. het een WGA uitkering betreft die op grond van artikel 72, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en op grond van het derde lid van dat artikel niet op een eigenrisicodrager wordt verhaald;
b. het een WGA uitkering betreft die op grond van artikel 83, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en niet kan worden verhaald op een bank of verzekeraar als bedoeld in artikel 40;
c. het een WGA-uitkering betreft, toegekend aan een werknemer die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht had op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel d, e, f of g, van de Ziektewet of op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, dat aan een werknemer is toegekend direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, bestond;
d. het een WGA uitkering betreft, toegekend aan een werknemer, wiens WGA uitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekende uitkering, danwel het op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekende recht op arbeidsondersteuning;
e. het een vervolguitkering als bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft, die door het UWV wordt betaald voorzover die uitkering meer bedraagt dan hetgeen berekend op grond van het eerste en tweede lid van dat artikel;
f. het een loonaanvullingsuitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft, die door het UWV wordt betaald voorzover die uitkering meer bedraagt dan een bedrag overeenkomende met het bedrag van de vervolguitkering, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van die wet waar de verzekerde, zonder toepassing van artikel 62, derde lid, recht op zou hebben indien hij geen recht zou hebben gehad op de loonaanvullingsuitkering, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met de premies die op grond van enige wet daarover verschuldigd zouden zijn en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, en die daarop niet in mindering kunnen worden gebracht;
g. het uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft toegekend aan werknemers, die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in dienstbetrekking stonden van eigenrisicodragers als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, voor de betaling van die uitkering de eigenrisicodrager op grond van artikel 63b, eerste lid, van de Ziektewet niet het risico draagt;
h. het uitkeringen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die op grond van artikel 84, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen niet ten laste komen van de eigenrisicodragers;
i. het ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a,b of c, betreft dat op grond van artikel 63a, derde lid, van de Ziektewet door het UWV wordt betaald en niet kan worden verhaald op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a;
j. het een WGA-uitkering betreft, toegekend aan een werknemer, die naar de dienstbetrekking waaruit de WGA uitkering is ontstaan, is toegeleid door het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet en waarbij bij ziekte van die werknemer de mogelijkheid tot vergoeding als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van die wet van toepassing is of het ziekengeld betreft als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b, en c, dat aan die werknemer is toegekend direct aansluitend op die dienstbetrekking;
k. het ziekengeld betreft als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet toegekend aan een werknemer direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, van de Ziektewet bestond.
4.
Het UWV bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van de Werkhervattingskas niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van de Werkhervattingskas dan met toestemming van Onze Minister.
5.
Ten laste van de Werkhervattingskas komen voorts:
a. de bedragen van de kortingen oudere werknemer en arbeidsgehandicapte werknemer en de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 38; en
b. de loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 37a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zoals dat luidde op 31 december 2011, indien de uitkeringsgerechtigde, met wie de werkgever aan wie de loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas;
c. de kosten die verband houden met de uitvoering van artikel 30a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een uitkeringsgerechtigde, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel, recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de Werkhervattingskas.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar het Rijk ten behoeve van de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheids-voorziening jonggehandicapten , en de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Participatiewet .
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat de colleges van burgemeester en wethouders uitkeringen aan werknemers, die voorafgaande aan de dienstbetrekking, door die colleges van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet zijn ondersteund bij de arbeidsinschakeling vergoeden aan het UWV, indien de dienstbetrekking een bij die maatregel te bepalen tijd heeft geduurd.
2.
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval geregeld:
a. welke uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen dit betreft;
b. de doelgroep van de werknemers;
c. de hoogte van de vergoeding;
d. de wijze van vergoeding;
e. ten gunste van welk fonds, bedoeld in deze afdeling, de vergoedingen komen.
3.
Een voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4.
Een op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt slechts in werking, nadat gebleken is dat aan werknemers als bedoeld in het eerste lid bovenmatig uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen worden verstrekt.
1.
Het Zorginstituut, het UWV en de SVB beheren en administreren elk fonds, met uitzondering van het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de sectorfondsen, afzonderlijk.
2.
Het UWV beheert het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de sectorfondsen gezamenlijk en administreert het Uitvoeringsfonds voor de overheid en elk sectorfonds afzonderlijk.
3.
Indien met betrekking tot een fonds de lasten de baten blijken te overtreffen, wordt het tekort niet gedekt uit een ander fonds.
4.
Het Zorginstituut, het UWV en de SVB houden, elk afzonderlijk, de financiële middelen die deel uitmaken van hun fondsen aan in een of meer rekeningen-courant bij Onze Minister van Financiën.
5.
In afwijking van het vierde lid kunnen het Zorginstituut, het UWV en de SVB een deel van de in het vierde lid bedoelde financiële middelen buiten de in het vierde lid bedoelde rekeningen-courant houden.
6.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, na overleg met het Zorginstituut, de SVB en het UWV, regels gesteld betreffende de omvang van het in het vijfde lid bedoelde deel van de financiële middelen.
7.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, nadere regels worden gesteld omtrent het vierde lid.
1.
Het Zorginstituut, het UWV en de SVB kunnen, voor de uitvoering van hun wettelijke taken, beschikken over de financiële middelen die zij in rekening-courant bij Onze Minister van Financiën aanhouden.
2.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met het Zorginstituut, het UWV en de SVB, regels gesteld omtrent de rente die over de saldi van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt gebracht.
3.
Onze Minister van Financiën brengt voor het beheer van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant geen kosten in rekening.
4.
Bij een tekort aan financiële middelen maken het Zorginstituut, het UWV en de SVB uitsluitend gebruik van de kredietfaciliteiten die door Onze Minister van Financiën worden verleend of lenen het UWV en de SVB uit een door hen beheerd fonds.
5.
Onze Minister van Financiën informeert dagelijks het Zorginstituut, het UWV en de SVB ten aanzien van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot:
a. de slotstanden per dag;
b. alle dagelijks geboekte mutaties of transacties in de desbetreffende rekening-courant.
6.
Het Zorginstituut, het UWV en de SVB informeren Onze Minister van Financiën ten aanzien van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot de prognoses van de saldi van de desbetreffende rekening-courant.
7.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met het Zorginstituut, het UWV en de SVB, nadere regels worden gesteld omtrent het vierde, vijfde en zesde lid.
8.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de door het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB beheerde fondsen betreffende de onderscheiding van het vermogen van het fonds in verschillende bestanddelen en de normen tot vaststelling van de omvang van deze bestanddelen.
1.
Jaarlijks vóór bij regeling van Onze Minister vast te stellen tijdstippen zenden het UWV en de SVB aan Onze Minister met betrekking tot elk fonds afzonderlijk:
a. een rapportage van de ontwikkelingen die zich tot op dat moment hebben voorgedaan met betrekking tot de financiële middelen en de gerealiseerde uitgaven;
b. een begroting van de te verwachten uitgaven uit elk afzonderlijk fonds in het eerstvolgend kalenderjaar.
2.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en inrichting van de in het eerste lid bedoelde rapportage en de begroting van uitgaven.
Artikel 121a. Financieringsregeling rijksbijdragen
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de aan het UWV en de SVB toegekende rijksbijdragen worden afgedragen en vastgesteld.
Artikel 122. Afdracht gelden door het Rijk
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, en na overleg met het Zorginstituut, regels worden gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan de fondsen die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd.
1.
De werkgever past de korting, bedoeld in artikel 49, eerste lid, overeenkomstig dat lid eveneens toe voor de persoon die voor de inwerkingtreding van artikel 1.5, onderdelen V en W, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, indien die werknemer op de dag van aanvang van de dienstbetrekking arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten dan wel dit zou zijn geweest indien het laatstgenoemde artikel niet zou zijn ingetrokken.
2.
Artikel 49, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de persoon die voor de inwerkingtreding van artikel 1.5, onderdelen V en W van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, arbeidsgehandicapte is geworden als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, voor zolang de dienstbetrekking duurt doch ten hoogste gedurende één jaar nadat die persoon zijn eigen arbeid of een andere functie bij diezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk heeft hervat dan wel gedurende één jaar nadat diens arbeidsplaats is aangepast tot behoud, herstel of ter bevordering van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van die werknemer, indien die persoon op de dag van hervatting respectievelijk op de dag van aanpassing van de arbeidsplaats arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten dan wel dit zou zijn geweest indien het laatstgenoemde artikel niet zou zijn ingetrokken.
3.
Ten aanzien van de werkgever wiens werknemer na de dag van inwerkingtreding van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en voor de dag van inwerkingtreding van artikel 1.5, onderdeel V, van die wet, recht krijgt op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , wordt voor:
a. de zinsnede «vanaf de aanvang van de dienstbetrekking» in artikel 49, eerste lid; en
b. de zinsnede «nadat die werknemer zijn eigen arbeid of een andere functie bij dezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk heeft hervat» in het tweede lid en in artikel 49, tweede lid;
gelezen: vanaf de dag van inwerkingtreding van artikel 1.5, onderdeel V, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
4.
Dit artikel is niet van toepassing indien de werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening.
Artikel 122b. Overgangsrecht wijzigingen premiekortingen
De artikelen 47 en 48a, zoals deze luiden op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel XVII, onderdelen C en D, van de Verzamelwet SZW 2015 blijven van toepassing voor zover de desbetreffende premiekorting op die dag werd toegepast voor het in dienst hebben van een werknemer als bedoeld in artikel 47, eerste en tweede lid, of artikel 48a, eerste lid.
1.
Artikel 47, aanhef en onderdeel b, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere sociale verzekeringswetten in verband met de invoering van een premiekorting voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar en ouder en het in dienst houden van werknemers van 62 jaar en ouder (Stb. 598), blijft van toepassing voor zover de betreffende premievrijstelling op die dag werd toegepast voor het in dienst hebben van werknemers van 54,5 jaar en ouder, tot die werknemers de leeftijd van 62 jaar hebben bereikt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de premie die het UWV betaalt aan de werkgever op grond van artikel 11, tweede lid, van de Werkloosheidswet, artikel 11, derde lid, van de Ziektewet of artikel 10, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met dien verstande dat ten aanzien van de premie die de werkgever in dat geval is verschuldigd, het eerste lid van toepassing blijft.
Artikel 122d. Overgangsbepaling ontwikkeling premie Algemeen Werkloosheidsfonds
De premie die op grond van artikel 27 is vastgesteld wordt met ingang van het jaar 2015 in verband met de ontwikkeling van de lasten voor werkgevers voortvloeiend uit de toepassing van artikel 47 en 122c verlaagd met 0,35% in 2015, 0,45% in 2016, 0,55% in 2017, 0,60% in 2018, 0,70% in 2019 en 0,75% in 2020.
1.
De werkgever, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, onderdeel 2, van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters het risico draagt voor de betaling van de WGA uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, zoals dat artikel luidde voor die datum wordt na die datum geacht het risico te dragen voor betalingen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, met ingang van die datum, indien hij een garantie overlegt als bedoeld in artikel 40, tweede lid, die betrekking heeft op het dragen van dit risico.
2.
De werkgever overlegt de garantie, bedoeld in het eerste lid, ten minste dertien weken voor de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid.
3.
Het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, wordt, onverminderd artikel 40, tiende lid, onderdeel b, door de inspecteur met ingang van de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, beëindigd bij voor bezwaar vatbare beschikking, indien de garantie, bedoeld in het eerste lid, niet ten minste dertien weken voor die datum door de werkgever is overlegd.
Artikel 122f. Overgangsregeling lopende uitkeringen
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor uitkeringen op grond van de Ziektewet aan werknemers die zijn toegekend voor de datum van inwerkingtreding van artikel II van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters en WGA- uitkeringen, die voor die datum zijn toegekend aan werknemers, die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan, recht hadden op een uitkering op grond van de Ziektewet, en uitvoeringskosten en andere kosten in verband met deze uitkeringen, die ten laste komen van bij die maatregel aan te wijzen fondsen.
Artikel 122h. Overgang vermogensbestanddelen Arbeidsongeschiktheidskas
Alle vermogensbestanddelen die door het UWV, genoemd in hoofdstuk 5, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afzonderlijk worden beheerd en geadministreerd in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidskas als bedoeld in artikel 113, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel G, van de Wet Harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, gaan over op het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld artikel 112, overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.
Artikel 122i. Overgangsbepaling eigenrisicodragen WGA gemeente voor schoolpersoneel
Een gemeente die zelf het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, draagt op 1 juli 2011, draagt op die datum tevens zelf dit risico ten aanzien van haar werknemers als bedoeld in artikel 40, elfde lid, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel H, van de Wet Harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving.
Artikel 122j. Overgangsrecht ontheffing wegens gemoedsbezwaren
Artikel 64, zoals dat luidde op dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel K, van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijft van toepassing op ontheffingen die op grond van dat artikel zijn verleend.
Artikel 122l. Overgangsbepaling premiekorting oudere werknemer
Artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel b, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel IXA van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, blijft van toepassing voor zover de desbetreffende premiekorting op die dag werd toegepast voor werknemers, die bij indiensttreding 50 jaar of ouder, maar jonger dan 56 jaar waren.
Artikel 122m. Overgangsbepaling toepassing AWR op beschikkingen eigenrisicodragen
Indien het bij koninklijke boodschap van 24 januari 2014 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 in verband met een technische aanpassing van de berekening van de nabestaandenuitkering voor alleenstaande ouders en een verduidelijking van de Werkloosheidswet (Kamerstukken 33 855) tot wet wordt verheven en artikel IVa, onderdeel C, onderdeel 3, van die wet in werking treedt en uiterlijk op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding beroep is ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur op grond van artikel 40, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op die dag.
1.
De quotumheffing, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 4a, wordt niet uitgevoerd dan nadat bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, tot invoering is besloten indien is gebleken dat het aantal banen voor arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, eerste lid, en het vierde lid, in onvoldoende mate is toegenomen ten opzichte van het aantal van deze banen op 1 januari 2013, waarbij dit apart wordt beoordeeld voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid.
2.
Bij regeling van Onze Minister wordt ten behoeve van de vaststelling van de toename, bedoeld in het eerste lid, het aantal banen bepaald voor arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste lid, uitgedrukt in verloonde uren op 1 januari 2013 voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid en wordt voor de desbetreffende sector voor het desbetreffende kalenderjaar, bepaald:
a. het cumulatief aantal extra te realiseren banen voor deze arbeidsbeperkten uitgedrukt in verloonde uren;
b. het cumulatief aantal gerealiseerde banen voor deze arbeidsbeperkten uitgedrukt in verloonde uren, en
c. de uitkomst van de vergelijking tussen het cumulatief aantal banen, bedoeld in de onderdelen a en b, uitgedrukt in verloonde uren.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt niet als arbeidsbeperkte beschouwd de persoon die arbeid verricht in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening, tenzij deze persoon op grond van het vierde lid is aangewezen en aan de werkgever in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid ter beschikking is gesteld.
4.
Bij regeling van Onze Minister worden categorieën arbeidsbeperkten die aan de werkgever in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid ter beschikking zijn gesteld om voor hem onder zijn toezicht en leiding arbeid te verrichten, aangewezen die overeenkomstig die regeling te stellen regels worden beschouwd als arbeidsbeperkten waarop het tweede lid van toepassing is. Deze categorieën arbeidsbeperkten worden voor de toepassing van het tweede lid niet geacht in dienstbetrekking te staan tot de werkgever in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid die deze arbeidsbeperkten ter beschikking heeft gesteld.
5.
Een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling wordt gelijktijdig aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling treedt niet eerder in werking dan vier weken na de overlegging.
Artikel 122o. Beëindiging uitsluiting dwangsomregeling
Artikel 38h, achtste lid, vervalt met ingang van 1 januari van het vierde kalenderjaar na het kalenderjaar waarin de quotumheffing op grond van artikel 122n, eerste lid, is geactiveerd, tenzij voor die datum een voorstel van wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingediend, dat een vergelijkbare regeling bevat voor de uitsluiting van de dwangsomregeling, bedoeld in artikel 38h, achtste lid.
Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd van Wet financiering sociale verzekeringen">
Artikel 122p. Overgangsrecht in verband met de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd
Artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel a, blijft buiten toepassing op het ziekengeld op grond van de Ziektewet , alsmede de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet, vermeerderd met de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, dat is of wordt betaald aan de verzekerde ten aanzien van wie de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen op of na de dag dat de verzekerde de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en voor de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel D, van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd.
Artikel 123. Samenwerking
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de rijksbelastingdienst, het UWV, de SVB, het Zorginstituut, de zorgautoriteit en de organen die betrokken zijn bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg , samenwerken ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Zorgverzekeringswet en de belastingwetten, voorzover het betreft de financiering van de sociale verzekeringen.
Artikel 124. Onderlinge gegevensuitwisseling
De SVB, het UWV, het Zorginstituut, de zorgautoriteit, de organen die betrokken zijn bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg , de rijksbelastingdienst, het Centraal Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan elkaar en aan Onze Minister, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kosteloos de opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Zorgverzekeringswet en de belastingwetten, voorzover het betreft de financiering van de sociale verzekeringen.
Artikel 124b. Evaluatie registratie arbeidsbeperkten
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel 38d aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit artikel in de praktijk.
1.
Hij die niet voldoet aan de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 77, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.
2.
Hij die door hem op grond van deze wet betaalde of verschuldigde premie inhoudt op het loon van of op enige andere wijze verhaalt op een werknemer of gewezen werknemer, zonder dat dit bij deze wet is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
Artikel 126. Nummering
Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Artikel 127. Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 128. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet financiering sociale verzekeringen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 16 december 2004
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,
De Staatssecretaris van Financiën ,
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,
Uitgegeven de derde februari 2005
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen
+ Hoofdstuk 3. De financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
+ Hoofdstuk 4. De heffing en invordering van premies
+ Hoofdstuk 5. Gemoedsbezwaarden
+ Hoofdstuk 6. De financiering van de vrijwillige sociale verzekeringen
+ Hoofdstuk 7. De fondsen
+ Hoofdstuk 7a. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 8. Slot- en strafbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht