Artikel 81. Premie-afdracht en -toerekening
Bij regeling van Onze Minister en Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen alsmede van de daarmee verband houdende bestuurlijke boeten en renten door de rijksbelastingdienst aan de fondsen en de wijze van toerekening van die premies, boeten en renten aan de fondsen.
1.
De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 83, tweede lid, in de vorm van een Ouderdomsfonds.
2.
De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 85, tweede lid, in de vorm van een Nabestaandenfonds.
3.
Het Ouderdomsfonds en het Nabestaandenfonds maken deel uit van de SVB.
1.
Ten gunste van het Ouderdomsfonds komen:
a. de premies voor de algemene ouderdomsverzekering en voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. rijksbijdragen als bedoeld in artikel 14;
c. de opslag, bedoeld in artikel 61, derde lid;
d. de bestuurlijke boeten, bedoeld in artikel 17c van de Algemene Ouderdomswet;
e. de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15.
2.
Uit het Ouderdomsfonds worden betaald:
a. de lasten van de algemene ouderdomsverzekering en van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. de lasten van de regeling, vervat in hoofdstuk VIII van de Algemene Ouderdomswet;
c. de lasten van de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
d. de bijdrage, bedoeld in artikel 87a.
Artikel 84. Prognose benodigde middelen
Onze Minister stelt een keer per jaar een prognose op van de benodigde middelen tot dekking van de lasten van de algemene ouderdomsverzekering voor de eerstkomende tien jaren, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de opbrengst van de premies voor de algemene ouderdomsverzekering en de rijksbijdragen bedoeld in artikel 14.
1.
Ten gunste van het Nabestaandenfonds komen:
a. de premies voor de nabestaandenverzekering en voor de vrijwillige nabestaandenverzekering alsmede de te ontvangen bijdragen op grond van artikel 66a van de Algemene nabestaandenwet en de daarop berustende bepalingen;
b. de bestuurlijke boeten, bedoeld in artikel 39 van de Algemene nabestaandenwet;
c. de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15;
d. rijksbijdragen als bedoeld in artikel 14, eerste lid.
2.
Uit het Nabestaandenfonds worden betaald:
a. de lasten van de nabestaandenverzekering en van de vrijwillige nabestaandenverzekering;
b. de lasten voortvloeiend uit hoofdstuk 8 van de Algemene nabestaandenwet en de daarop berustende bepalingen;
c. de lasten van de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.
1.
Periodiek wordt door de SVB een bijdrage ten laste gebracht van het Ouderdomsfonds die ten gunste komt van het Zorgverzekeringsfonds, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
2.
De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, vormt het verschil tussen het in het kalenderjaar geldende percentage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, dat wordt toegepast voor het loon, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet en het in het kalenderjaar geldende percentage, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, dat wordt toegepast voor het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, vermenigvuldigd met de lasten van de algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering.
3.
De SVB stelt regels omtrent de termijnen waarin en de wijze waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, betaalbaar wordt gesteld.
4.
De door de SVB op grond van het derde lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister, na overleg met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 89. Fonds langdurige zorg
Het Zorginstituut beheert en administreert afzonderlijk een Fonds langdurige zorg.
1.
Ten gunste van het Fonds langdurige zorg komen:
a. de premie voor de verzekering ingevolge de Wet langdurige zorg ;
b. de inkomsten die in verband met de Wet langdurige zorg voortvloeien uit internationale overeenkomsten;
c. de bijdragen in de kosten van zorg die op grond van artikel 3.2.5 of 11.1.4 van de Wet langdurige zorg worden betaald door of namens de verzekerde, dan wel, in voorkomend geval, door het krachtens een wettelijke regeling tot betaling van zodanige bijdragen bevoegde orgaan dat uitkeringen of pensioenen uit hoofde van die regeling aan die verzekerde betaalbaar stelt;
d. de bijdragen in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15;
e. een rijksbijdrage als bedoeld in artikel 14, tweede lid;
f. door zorgaanbieders ingevolge een regel van de zorgautoriteit op grond van artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet marktordening gezondheidszorg dan wel op aanwijzing van de zorgautoriteit op grond van artikel 76, tweede lid, van die wet afgedragen bedragen en door de zorgautoriteit van zorgaanbieders op grond van artikel 81, eerste lid, onder c, van die wet ingevorderde bedragen, voor zover die bedragen niet worden afgedragen aan het Zorgverzekeringsfonds of aan derden.
2.
Uit het Fonds langdurige zorg worden betaald:
a. de kosten van de zorg en van de overige prestaties die op grond van de Wet langdurige zorg worden verstrekt, alsmede de met de uitvoering van die wet gepaard gaande kosten;
b. de uitgaven voor de verzekering ingevolge de Wet langdurige zorg die voortvloeien uit overeenkomsten, waaronder internationale overeenkomsten;
c. de uitgaven die in verband met de verzekering ingevolge de Wet langdurige zorg voorvloeien uit enige andere wettelijke regeling dan laatstgenoemde wet;
f. de kosten die de Sociale verzekeringsbank maakt voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.3.3, zevende lid, van de Wet langdurige zorg;
h. de door het College zorgverzekeringen op grond van een ministeriële regeling vastgestelde verdeelbedragen, zijnde aan de relevante zorgverzekeraars toegekende delen van de bedragen bedoeld in onderdeel f van het eerste lid.
1.
Het Zorginstituut doet jaarlijks uitkeringen uit het Fonds langdurige zorg ter dekking van de noodzakelijke uitgaven, gedaan voor de uitvoering van de in de Wet langdurige zorg geregelde verzekering, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Bij of krachtens deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld over de vorming en aanwending van reserves door Wlz-uitvoerders als bedoeld in de Wet langdurige zorg.
2.
De zorgautoriteit is bevoegd vast te stellen dat uitgaven niet verantwoord waren voor zover deze door hem niet noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering van de verzekering op grond van de Wet langdurige zorg . Met de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, evenals met de daarmee verkregen opbrengsten worden geen uitgaven gedekt waarvan de zorgautoriteit heeft vastgesteld dat zij niet verantwoord waren, tenzij de zorgautoriteit anders besluit.
3.
Op de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschotten worden verleend overeenkomstig door het Zorginstituut te stellen regels,
4.
Op rechten of verplichtingen die voortvloeien uit hetgeen op grond van dit artikel is geregeld, is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 93. Algemeen Werkloosheidsfonds
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 99 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 100, 101 en 102, in de vorm van een Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
1.
Het UWV stelt voor een sector als bedoeld in artikel 95, met uitzondering van de sectoren waartoe alleen overheidswerkgevers behoren, een sectorfonds in.
2.
Het UWV beheert de middelen, bedoeld in artikel 103, en de uitgaven, bedoeld in artikel 104, eerste lid, gezamenlijk en administreert deze middelen en uitgaven met betrekking tot elk sectorfonds afzonderlijk.
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën en nadat hij het UWV in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen, wordt het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren, waarbij elke sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat en kan een sector worden onderverdeeld in sectoronderdelen, waarbij elk sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers omvat.
2.
Indien een sector in sectoronderdelen is ingedeeld, stelt de inspecteur ten aanzien van elke bij de betrokken sector aangesloten werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vast bij welk sectoronderdeel de werkgever behoort of bij welk sectoronderdeel de werkzaamheden die hij doet verrichten, behoren.
3.
De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het tweede lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de indeling van een werkgever bij een sectoronderdeel onjuist is en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
1.
Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.
2.
Indien een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren, is hij van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
3.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen met betrekking tot de aansluiting van een of meer categorieën werkgevers bij een sector regels worden gesteld, waarbij voor deze aansluiting andere criteria bepalend kunnen zijn dan genoemd in het eerste en tweede lid.
1.
De werkgever die op grond van artikel 96 bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen twee weken schriftelijk melding bij de inspecteur.
2.
De inspecteur deelt een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking mee, bij welke sector en vanaf welke datum hij op grond van artikel 96 is aangesloten.
3.
In afwijking van artikel 96, tweede lid, beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag dat een werkgever met ingang van een door de inspecteur aan te geven datum voor door de inspecteur aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij een andere sector dan de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij overigens doet verrichten.
4.
De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het tweede en derde lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de aansluiting bij een sector onjuist is en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
1.
Indien één of meer werkgevers van een sector overgaan naar een andere sector, kan het UWV besluiten dat tevens een deel van het vermogen van dit instituut, dat betrekking heeft op het door dit instituut voor die sector afzonderlijk beheerde en geadministreerde sectorfonds, overgaat naar het vermogen dat betrekking heeft op een door dit instituut voor een andere sector afzonderlijk beheerd en geadministreerd sectorfonds.
2.
Met betrekking tot het eerste lid stelt het UWV regels omtrent:
a. de gevallen waarin vermogen overgaat;
b. de wijze van berekening van vermogensbestanddelen;
c. de termijnen waarin en de wijze waarop vermogen overgaat.
3.
De door het UWV op grond van het tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 99. Middelen Algemeen Werkloosheidsfonds
Ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de premies op grond van de artikelen 27 en 28, derde lid en de premie op grond van artikel 74, voorzover deze niet ten gunste komt van een sectorfonds;
b. de bedragen, die het UWV ontvangt door de toepassing van artikel 36 van de Werkloosheidswet, voorzover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen, die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
c. de bedragen die het UWV ontvangt door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 66 van de Werkloosheidswet;
d. de bedragen die het UWV ontvangt door toepassing van artikel 45a van de Ziektewet, voorzover deze verband houden met te betalen uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet;
e. de bedragen die het UWV ontvangt van de werkgever in het kader van de toepassing van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.
Artikel 100. Uitgaven Algemeen Werkloosheidsfonds
Ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen, met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel 104, eerste lid;
b. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet te betalen uitkeringen;
c. de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b bedoelde uitkeringen;
d. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
e. de bedragen, die op grond van artikel 104, vierde lid, door het UWV ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds zijn gebracht;
f. [vervallen;]
g. de bedragen van de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, voorzover die worden toegepast op de premies berekend op grond van artikel 27;
h. [vervallen;]
i. [vervallen;]
j. [vervallen;]
k. de kosten in verband met de uitvoering van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van personen, die een uitkering ontvangen als bedoeld in de onderdelen a en b en de kosten van de re-integratiemaatregelen, bedoeld in hoofdstuk VI van de Werkloosheidswet en hoofdstuk IIA van de Ziektewet ten aanzien van deze personen;
l. vergoedingen aan gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover betrekking hebbend op personen, die een uitkering ontvangen als bedoeld in de onderdelen a en b;
m. middelen voor uitgaven van de Sociaal-Economische Raad als bedoeld in artikel 54 van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
1.
Het UWV vergoedt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, aan het Rijk bijdragen, die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers, die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.
2.
De in het eerste lid bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet zouden hebben kunnen ontvangen indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst of een ander land waren vertrokken.
3.
Bij ministeriële regeling, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, worden regels gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
1.
Ten gunste van een sectorfonds komen:
a. de premies op grond van artikel 28, met uitzondering van de premies die op grond van het derde lid van dat artikel ten gunste komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds, en de premie op grond van artikel 74, voorzover deze de premie op grond van artikel 28, tweede lid, niet overschrijdt;
b. de bedragen, die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 27a en 36 van de Werkloosheidswet, voorzover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dit fonds zijn gebracht;
c. de bedragen, die het UWV op grond van artikel 100, onderdeel d, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds brengt.
2.
Bij ministeriële regeling wordt een jaarlijkse bijdrage vastgesteld die in een kalenderjaar ten gunste komt van het sectorfonds waarin werkgevers op grond van artikel 95 zijn ingedeeld, die zich in het kader van de uitoefening van hun bedrijf of beroep bezighouden met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder leiding en toezicht van de derde, waarbij die werknemers werkzaam zijn op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarin tevens een beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen.
1.
Ten laste van een sectorfonds komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet over de eerste zes maanden vanaf de eerste werkloosheidsdag te betalen uitkering aan de werknemer, die in de kalenderweek onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies in de sector werkzaam is geweest waarvoor het sectorfonds is ingesteld, waarbij, voor de bepaling van de periode van zes maanden, perioden waarin de werknemer geen recht op uitkering heeft, buiten beschouwing worden gelaten;
b. de op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen;
c. [vervallen;]
d. [vervallen;]
e. de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b bedoelde uitkeringen;
f. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
g. [vervallen;]
h. [vervallen;]
i. de bedragen van de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op de sectorpremie.
2.
Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, werkzaamheden in de ene sector gelijk te stellen met werkzaamheden in een andere sector.
3.
Artikel 21 van de Werkloosheidswet is met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode waarover de uitkering ten laste van een sectorfonds komt, van overeenkomstige toepassing.
4.
Het UWV brengt hetgeen ten laste van het sectorfonds komt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds voor zoveel dit meer bedraagt dan het voor het sectorfonds op grond van artikel 105, eerste lid, vastgestelde maximum.
5.
Ten laste van het sectorfonds kunnen voorts komen, indien dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald:
a. de door het UWV te betalen WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel h;
b. uitkeringen op grond van de Ziektewet als bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel g;
c. uitkeringen als bedoeld in artikel 122f;
d. de uitvoeringskosten, die betrekking hebben op deze uitkeringen op grond van de Ziektewet en op deze WGA-uitkeringen.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld voor de uitkeringen, die op grond van het vijfde lid, ten laste van het sectorfonds komen.
7.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, komen de uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet die worden betaald gedurende de eerste dertien weken van ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, niet ten laste van een sectorfonds. Perioden van ongeschiktheid worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
8.
Voor de bepaling van de periode van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden perioden waarin de werknemer uitkering ontvangt als bedoeld in het zevende lid, buiten aanmerking gelaten.
1.
Het UWV stelt elk jaar voor elk sectorfonds afzonderlijk een maximum vast dat in een kalenderjaar op grond van artikel 104 ten laste van dat sectorfonds komt.
2.
Bij de vaststelling van het maximum, bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing de bedragen die ten laste van een sectorfonds komen op grond van artikel 104, eerste lid, onderdeel i.
3.
Het door het UWV vastgestelde maximum, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt aan het door het UWV vastgestelde maximum, stelt hij dat zelf vast.
Artikel 106. Uitvoeringsfonds voor de overheid
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 107 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 108, 109 en 110 in de vorm van een Uitvoeringsfonds voor de overheid dat deel uitmaakt van het UWV.
Artikel 107. Middelen Uitvoeringsfonds voor de overheid
Ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de bedragen die het UWV ontvangt door de toepassing van artikel 79 van de Werkloosheidswet;
b. de premies op grond van artikel 31;
c. de premies geheven over uitkeringen en toeslagen van personen als bedoeld in artikel 24, tweede lid;
d. de bedragen die het UWV ontvangt door de toepassing van de artikelen 27a en 36 van de Werkloosheidswet, voorzover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen, die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
e. de bedragen die het UWV ontvangt door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 66 van de Werkloosheidswet indien de in dat artikel bedoelde werkgever een overheidswerkgever is.
1.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
b. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
c. [vervallen;]
d. [vervallen;]
e. de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben op de in de onderdeel a en b bedoelde uitkeringen;
f. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
g. [vervallen;]
h. [vervallen;]
i. [vervallen;]
j. de op diens aanvraag aan de werkgever door het UWV te verlenen vergoeding van de schade, die de werkgever lijdt door toepassing van artikel 23, eerste lid, van de Werkloosheidswet en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
k. de uitvoeringskosten verbonden aan werkzaamheden gericht op het ontvangen van bedragen, premies en bijdragen als bedoeld in artikel 107;
l. [vervallen;]
m. [vervallen;]
n. de bedragen premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op de premies, berekend op grond van artikel 31;
o. de uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitvoering van artikel 32, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
p. vergoedingen aan gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover dat artikel wordt toegepast ten aanzien van personen als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet.
2.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen voorts de kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een betrokkene, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het UWV deze uitkering met toepassing van artikel 79 van de Werkloosheidswet niet kan verhalen op de overheidswerkgever.
3.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid kunnen tevens komen, indien dit bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
a. de door het UWV te betalen WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel h, aan de personen, bedoeld in artikel 24;
b. uitkeringen op grond van de Ziektewet als bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel g, te betalen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
c. uitkeringen als bedoeld in artikel 122f, te betalen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
d. de uitvoeringskosten, die betrekking hebben op deze uitkeringen op grond van de Ziektewet en op deze WGA-uitkeringen.
1.
Het UWV vergoedt, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, aan het Rijk bijdragen die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers, die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.
2.
De in het eerste lid bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen, die de in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet zouden hebben kunnen ontvangen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst of een ander land waren vertrokken.
3.
Bij ministeriële regeling, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, worden regels gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 111. Verdeling premie over uitkeringen overheidswerknemers over fondsen
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan een bedrag worden vastgesteld dat op grond van artikel 24 met toepassing van de artikelen 27 en 28, tweede en derde lid, op uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aan overheidswerknemers, volgens een bij die regeling te bepalen verdeling wordt afgedragen aan het Uitvoeringsfonds voor de overheid dan wel de sectorfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Artikel 112. Arbeidsongeschiktheidsfonds
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 33, eerste lid, bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
Artikel 113a. Werkhervattingskas
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 33, tweede lid, bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven in de vorm van een Werkhervattingskas die deel uitmaakt van het UWV.
Artikel 114. Middelen Arbeidsongeschiktheidsfonds
Ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:
a. de premies op grond van de artikelen 36, 75 en 76 en de premie op grond van artikel 76a voor zover deze niet ten gunste komt van de Werkhervatttingskas;
b. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 29a en 91i van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 57 en 90 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 115, eerste lid, onderdeel a;
d. de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h;
e. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ;
f. een rijksbijdrage ter hoogte van het door Onze Minister geraamde bedrag aan lasten als bedoeld in artikel 115, eerste lid, onderdeel c en onderdeel e voor zover de uitvoeringskosten, bedoeld in dat laatste onderdeel betrekking hebben op de op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, en de op grond van artikel 3:30 van de Wet arbeid en zorg te betalen uitkeringen;
g. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 86 en 91 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
h. de gelden die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 76 en 99 van de van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
i. de bijdragen van de werkgever of de eigenrisicodrager of de werknemer in de kosten van het onderzoek, bedoeld in artikel 32, eerste, tweede, derde en vierde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
1.
Ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen, met inachtneming van de artikelen 56, 100, 104, 108 en 117b en artikel 5:3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten:
a. de door het UWV op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering te betalen uitkeringen;
b. de door het UWV op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen te betalen uitkeringen;
c. de op grond van artikel 3:1a en hoofdstuk 3, afdeling 2 van de Wet arbeid en zorg te betalen vergoedingen en uitkeringen;
d. de door het UWV op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen te betalen uitkeringen;
e. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f en g, en artikel 70 van de Ziektewet te betalen uitkeringen en de uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, toegekend aan een werknemer direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, bestond en de op grond van de Ziektewet te betalen uitkeringen aan de verzekerde die de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt;
f. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
g. de gelden die door toepassing van artikel 118, onderdeel a, worden overgeheveld naar de Werkhervattingskas;
h. de gelden die door toepassing van artikel 118, onderdeel b, worden overgeheveld naar het Rijk;
i. [vervallen;]
k. de bedragen van de kortingen oudere werknemer en arbeidsgehandicapte werknemer en van de premievrijstelling, bedoeld in artikel 122c, en de bedragen van de premievrijstelling, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, voor zover deze premievrijstelling wordt toegepast op de basispremie, bedoeld in artikel 36;
l. de bedragen van de kortingen jongere werknemer, bedoeld in artikel 48b, eerste lid;
m. de kosten die verband houden met de uitvoering van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
o. hetgeen op grond van artikel 83, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op het UWV wordt verhaald;
p. [vervallen;]
q. vergoedingen aan gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover betrekking hebbend op de uitvoering van een wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering;
r. de uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a tot en met e en de uitkeringen, bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdelen a en b;
s. de kosten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 63a, vierde, vijfde en zesde lid, van de Ziektewet alsmede de schade, bedoeld in het zevende lid van dat artikel, die wordt vergoed aan een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
u. de uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b, en c, van de Ziektewet, die op grond van artikel 63a, derde lid, van die wet door het UWV worden betaald en niet kunnen worden verhaald op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
v. de bijdrage, bedoeld in artikel 103, tweede lid;
2.
Het UWV bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds dan met toestemming van Onze Minister.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat tevens ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:
a. de uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de Ziektewet toegekend aan werknemers, die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in dienstbetrekking stonden van eigenrisicodragers als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, voor zover de eigenrisicodrager op grond van artikel 63b, eerste lid, van de Ziektewet niet het risico draagt voor de betaling van die uitkering;
b. uitkeringen als bedoeld in artikel 122f.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld voor de uitkeringen, die op grond van het derde lid, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfond komen.
Artikel 117a. Middelen Werkhervattingskas
Ten gunste van de Werkhervattingskas komen:
a. de gedifferentieerde premie op grond van de artikelen 38, tweede lid, en 38a, eerste lid, en de premie op grond van artikel 76a voor zover deze de gedifferentieerde premie op grond van artikel 38, tweede lid, niet overschrijdt;
b. de gelden die het UWV ontvangt met toepassing van de artikelen 76, 83, derde lid, 84, tweede en vierde lid, en 99 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid;
c. de gelden die door toepassing van artikel 118 worden overgeheveld uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
1.
Ten laste van de Werkhervattingskas komen de door het UWV te betalen:
a. WGA-uitkeringen en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen gedurende de periode die op grond van artikel 82, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geldt op de dag waarop het recht van uitkering op grond van die wet is ontstaan te rekenen vanaf die dag;
b. ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of c, en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet;
c. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet.
2.
Indien een WGA uitkering wordt toegekend direct aansluitend op een op grond van artikel 24 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen verlengd tijdvak waarin de verzekerde recht heeft op loon, wordt de duur van de verlenging van dat tijdvak in mindering gebracht op de periode, bedoeld in het eerste lid.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. het een WGA uitkering betreft die op grond van artikel 72, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en op grond van het derde lid van dat artikel niet op een eigenrisicodrager wordt verhaald;
b. het een WGA uitkering betreft die op grond van artikel 83, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en niet kan worden verhaald op een bank of verzekeraar als bedoeld in artikel 40;
c. het een WGA-uitkering betreft, toegekend aan een werknemer die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht had op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel d, e, f of g, van de Ziektewet of op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, dat aan een werknemer is toegekend direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, bestond;
d. het een WGA uitkering betreft, toegekend aan een werknemer, wiens WGA uitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekende uitkering, danwel het op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekende recht op arbeidsondersteuning;
e. het een vervolguitkering als bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft, die door het UWV wordt betaald voorzover die uitkering meer bedraagt dan hetgeen berekend op grond van het eerste en tweede lid van dat artikel;
f. het een loonaanvullingsuitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft, die door het UWV wordt betaald voorzover die uitkering meer bedraagt dan een bedrag overeenkomende met het bedrag van de vervolguitkering, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van die wet waar de verzekerde, zonder toepassing van artikel 62, derde lid, recht op zou hebben indien hij geen recht zou hebben gehad op de loonaanvullingsuitkering, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met de premies die op grond van enige wet daarover verschuldigd zouden zijn en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, en die daarop niet in mindering kunnen worden gebracht;
g. het uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft toegekend aan werknemers, die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in dienstbetrekking stonden van eigenrisicodragers als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, voor de betaling van die uitkering de eigenrisicodrager op grond van artikel 63b, eerste lid, van de Ziektewet niet het risico draagt;
h. het uitkeringen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die op grond van artikel 84, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen niet ten laste komen van de eigenrisicodragers;
i. het ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a,b of c, betreft dat op grond van artikel 63a, derde lid, van de Ziektewet door het UWV wordt betaald en niet kan worden verhaald op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a;
j. het een WGA-uitkering betreft, toegekend aan een werknemer, die naar de dienstbetrekking waaruit de WGA uitkering is ontstaan, is toegeleid door het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet en waarbij bij ziekte van die werknemer de mogelijkheid tot vergoeding als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van die wet van toepassing is of het ziekengeld betreft als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b, en c, dat aan die werknemer is toegekend direct aansluitend op die dienstbetrekking;
k. het ziekengeld betreft als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet toegekend aan een werknemer direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, van de Ziektewet bestond.
4.
Het UWV bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van de Werkhervattingskas niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van de Werkhervattingskas dan met toestemming van Onze Minister.
5.
Ten laste van de Werkhervattingskas komen voorts:
a. de bedragen van de kortingen oudere werknemer en arbeidsgehandicapte werknemer en de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 38; en
b. de loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 37a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zoals dat luidde op 31 december 2011, indien de uitkeringsgerechtigde, met wie de werkgever aan wie de loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas;
c. de kosten die verband houden met de uitvoering van artikel 30a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een uitkeringsgerechtigde, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel, recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de Werkhervattingskas.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar het Rijk ten behoeve van de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheids-voorziening jonggehandicapten , en de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Participatiewet .
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat de colleges van burgemeester en wethouders uitkeringen aan werknemers, die voorafgaande aan de dienstbetrekking, door die colleges van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet zijn ondersteund bij de arbeidsinschakeling vergoeden aan het UWV, indien de dienstbetrekking een bij die maatregel te bepalen tijd heeft geduurd.
2.
Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval geregeld:
a. welke uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen dit betreft;
b. de doelgroep van de werknemers;
c. de hoogte van de vergoeding;
d. de wijze van vergoeding;
e. ten gunste van welk fonds, bedoeld in deze afdeling, de vergoedingen komen.
3.
Een voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4.
Een op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt slechts in werking, nadat gebleken is dat aan werknemers als bedoeld in het eerste lid bovenmatig uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen worden verstrekt.
1.
Het Zorginstituut, het UWV en de SVB beheren en administreren elk fonds, met uitzondering van het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de sectorfondsen, afzonderlijk.
2.
Het UWV beheert het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de sectorfondsen gezamenlijk en administreert het Uitvoeringsfonds voor de overheid en elk sectorfonds afzonderlijk.
3.
Indien met betrekking tot een fonds de lasten de baten blijken te overtreffen, wordt het tekort niet gedekt uit een ander fonds.
4.
Het Zorginstituut, het UWV en de SVB houden, elk afzonderlijk, de financiële middelen die deel uitmaken van hun fondsen aan in een of meer rekeningen-courant bij Onze Minister van Financiën.
5.
In afwijking van het vierde lid kunnen het Zorginstituut, het UWV en de SVB een deel van de in het vierde lid bedoelde financiële middelen buiten de in het vierde lid bedoelde rekeningen-courant houden.
6.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, na overleg met het Zorginstituut, de SVB en het UWV, regels gesteld betreffende de omvang van het in het vijfde lid bedoelde deel van de financiële middelen.
7.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, nadere regels worden gesteld omtrent het vierde lid.
1.
Het Zorginstituut, het UWV en de SVB kunnen, voor de uitvoering van hun wettelijke taken, beschikken over de financiële middelen die zij in rekening-courant bij Onze Minister van Financiën aanhouden.
2.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met het Zorginstituut, het UWV en de SVB, regels gesteld omtrent de rente die over de saldi van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt gebracht.
3.
Onze Minister van Financiën brengt voor het beheer van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant geen kosten in rekening.
4.
Bij een tekort aan financiële middelen maken het Zorginstituut, het UWV en de SVB uitsluitend gebruik van de kredietfaciliteiten die door Onze Minister van Financiën worden verleend of lenen het UWV en de SVB uit een door hen beheerd fonds.
5.
Onze Minister van Financiën informeert dagelijks het Zorginstituut, het UWV en de SVB ten aanzien van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot:
a. de slotstanden per dag;
b. alle dagelijks geboekte mutaties of transacties in de desbetreffende rekening-courant.
6.
Het Zorginstituut, het UWV en de SVB informeren Onze Minister van Financiën ten aanzien van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot de prognoses van de saldi van de desbetreffende rekening-courant.
7.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met het Zorginstituut, het UWV en de SVB, nadere regels worden gesteld omtrent het vierde, vijfde en zesde lid.
8.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de door het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB beheerde fondsen betreffende de onderscheiding van het vermogen van het fonds in verschillende bestanddelen en de normen tot vaststelling van de omvang van deze bestanddelen.
1.
Jaarlijks vóór bij regeling van Onze Minister vast te stellen tijdstippen zenden het UWV en de SVB aan Onze Minister met betrekking tot elk fonds afzonderlijk:
a. een rapportage van de ontwikkelingen die zich tot op dat moment hebben voorgedaan met betrekking tot de financiële middelen en de gerealiseerde uitgaven;
b. een begroting van de te verwachten uitgaven uit elk afzonderlijk fonds in het eerstvolgend kalenderjaar.
2.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en inrichting van de in het eerste lid bedoelde rapportage en de begroting van uitgaven.
Artikel 121a. Financieringsregeling rijksbijdragen
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de aan het UWV en de SVB toegekende rijksbijdragen worden afgedragen en vastgesteld.
Artikel 122. Afdracht gelden door het Rijk
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, en na overleg met het Zorginstituut, regels worden gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan de fondsen die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen
+ Hoofdstuk 3. De financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
+ Hoofdstuk 4. De heffing en invordering van premies
+ Hoofdstuk 5. Gemoedsbezwaarden
+ Hoofdstuk 6. De financiering van de vrijwillige sociale verzekeringen
- Hoofdstuk 7. De fondsen
+ Hoofdstuk 7a. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 8. Slot- en strafbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht