Artikel 93. Algemeen Werkloosheidsfonds
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 99 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 100, 101 en 102, in de vorm van een Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
1.
Het UWV stelt voor een sector als bedoeld in artikel 95, met uitzondering van de sectoren waartoe alleen overheidswerkgevers behoren, een sectorfonds in.
2.
Het UWV beheert de middelen, bedoeld in artikel 103, en de uitgaven, bedoeld in artikel 104, eerste lid, gezamenlijk en administreert deze middelen en uitgaven met betrekking tot elk sectorfonds afzonderlijk.
1.
Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën en nadat hij het UWV in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen, wordt het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren, waarbij elke sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat en kan een sector worden onderverdeeld in sectoronderdelen, waarbij elk sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers omvat.
2.
Indien een sector in sectoronderdelen is ingedeeld, stelt de inspecteur ten aanzien van elke bij de betrokken sector aangesloten werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vast bij welk sectoronderdeel de werkgever behoort of bij welk sectoronderdeel de werkzaamheden die hij doet verrichten, behoren.
3.
De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het tweede lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de indeling van een werkgever bij een sectoronderdeel onjuist is en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
1.
Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.
2.
Indien een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren, is hij van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
3.
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen met betrekking tot de aansluiting van een of meer categorieën werkgevers bij een sector regels worden gesteld, waarbij voor deze aansluiting andere criteria bepalend kunnen zijn dan genoemd in het eerste en tweede lid.
1.
De werkgever die op grond van artikel 96 bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen twee weken schriftelijk melding bij de inspecteur.
2.
De inspecteur deelt een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking mee, bij welke sector en vanaf welke datum hij op grond van artikel 96 is aangesloten.
3.
In afwijking van artikel 96, tweede lid, beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag dat een werkgever met ingang van een door de inspecteur aan te geven datum voor door de inspecteur aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij een andere sector dan de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij overigens doet verrichten.
4.
De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het tweede en derde lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de aansluiting bij een sector onjuist is en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
1.
Indien één of meer werkgevers van een sector overgaan naar een andere sector, kan het UWV besluiten dat tevens een deel van het vermogen van dit instituut, dat betrekking heeft op het door dit instituut voor die sector afzonderlijk beheerde en geadministreerde sectorfonds, overgaat naar het vermogen dat betrekking heeft op een door dit instituut voor een andere sector afzonderlijk beheerd en geadministreerd sectorfonds.
2.
Met betrekking tot het eerste lid stelt het UWV regels omtrent:
a. de gevallen waarin vermogen overgaat;
b. de wijze van berekening van vermogensbestanddelen;
c. de termijnen waarin en de wijze waarop vermogen overgaat.
3.
De door het UWV op grond van het tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 99. Middelen Algemeen Werkloosheidsfonds
Ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de premies op grond van de artikelen 27 en 28, derde lid en de premie op grond van artikel 74, voorzover deze niet ten gunste komt van een sectorfonds;
b. de bedragen, die het UWV ontvangt door de toepassing van artikel 36 van de Werkloosheidswet, voorzover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen, die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
c. de bedragen die het UWV ontvangt door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 66 van de Werkloosheidswet;
d. de bedragen die het UWV ontvangt door toepassing van artikel 45a van de Ziektewet, voorzover deze verband houden met te betalen uitkeringen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet;
e. de bedragen die het UWV ontvangt van de werkgever in het kader van de toepassing van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.
Artikel 100. Uitgaven Algemeen Werkloosheidsfonds
Ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen, met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel 104, eerste lid;
b. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet te betalen uitkeringen;
c. de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b bedoelde uitkeringen;
d. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
e. de bedragen, die op grond van artikel 104, vierde lid, door het UWV ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds zijn gebracht;
f. [vervallen;]
g. de bedragen van de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, voorzover die worden toegepast op de premies berekend op grond van artikel 27;
h. [vervallen;]
i. [vervallen;]
j. [vervallen;]
k. de kosten in verband met de uitvoering van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van personen, die een uitkering ontvangen als bedoeld in de onderdelen a en b en de kosten van de re-integratiemaatregelen, bedoeld in hoofdstuk VI van de Werkloosheidswet en hoofdstuk IIA van de Ziektewet ten aanzien van deze personen;
l. vergoedingen aan gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover betrekking hebbend op personen, die een uitkering ontvangen als bedoeld in de onderdelen a en b;
m. middelen voor uitgaven van de Sociaal-Economische Raad als bedoeld in artikel 54 van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
1.
Het UWV vergoedt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, aan het Rijk bijdragen, die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers, die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.
2.
De in het eerste lid bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet zouden hebben kunnen ontvangen indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst of een ander land waren vertrokken.
3.
Bij ministeriële regeling, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, worden regels gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
1.
Ten gunste van een sectorfonds komen:
a. de premies op grond van artikel 28, met uitzondering van de premies die op grond van het derde lid van dat artikel ten gunste komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds, en de premie op grond van artikel 74, voorzover deze de premie op grond van artikel 28, tweede lid, niet overschrijdt;
b. de bedragen, die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 27a en 36 van de Werkloosheidswet, voorzover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dit fonds zijn gebracht;
c. de bedragen, die het UWV op grond van artikel 100, onderdeel d, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds brengt.
2.
Bij ministeriële regeling wordt een jaarlijkse bijdrage vastgesteld die in een kalenderjaar ten gunste komt van het sectorfonds waarin werkgevers op grond van artikel 95 zijn ingedeeld, die zich in het kader van de uitoefening van hun bedrijf of beroep bezighouden met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder leiding en toezicht van de derde, waarbij die werknemers werkzaam zijn op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarin tevens een beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen.
1.
Ten laste van een sectorfonds komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet over de eerste zes maanden vanaf de eerste werkloosheidsdag te betalen uitkering aan de werknemer, die in de kalenderweek onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies in de sector werkzaam is geweest waarvoor het sectorfonds is ingesteld, waarbij, voor de bepaling van de periode van zes maanden, perioden waarin de werknemer geen recht op uitkering heeft, buiten beschouwing worden gelaten;
b. de op grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen;
c. [vervallen;]
d. [vervallen;]
e. de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b bedoelde uitkeringen;
f. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
g. [vervallen;]
h. [vervallen;]
i. de bedragen van de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op de sectorpremie.
2.
Het UWV is bevoegd in bijzondere gevallen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, werkzaamheden in de ene sector gelijk te stellen met werkzaamheden in een andere sector.
3.
Artikel 21 van de Werkloosheidswet is met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode waarover de uitkering ten laste van een sectorfonds komt, van overeenkomstige toepassing.
4.
Het UWV brengt hetgeen ten laste van het sectorfonds komt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds voor zoveel dit meer bedraagt dan het voor het sectorfonds op grond van artikel 105, eerste lid, vastgestelde maximum.
5.
Ten laste van het sectorfonds kunnen voorts komen, indien dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald:
a. de door het UWV te betalen WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel h;
b. uitkeringen op grond van de Ziektewet als bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel g;
c. uitkeringen als bedoeld in artikel 122f;
d. de uitvoeringskosten, die betrekking hebben op deze uitkeringen op grond van de Ziektewet en op deze WGA-uitkeringen.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld voor de uitkeringen, die op grond van het vijfde lid, ten laste van het sectorfonds komen.
7.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, komen de uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet die worden betaald gedurende de eerste dertien weken van ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, niet ten laste van een sectorfonds. Perioden van ongeschiktheid worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
8.
Voor de bepaling van de periode van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden perioden waarin de werknemer uitkering ontvangt als bedoeld in het zevende lid, buiten aanmerking gelaten.
1.
Het UWV stelt elk jaar voor elk sectorfonds afzonderlijk een maximum vast dat in een kalenderjaar op grond van artikel 104 ten laste van dat sectorfonds komt.
2.
Bij de vaststelling van het maximum, bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing de bedragen die ten laste van een sectorfonds komen op grond van artikel 104, eerste lid, onderdeel i.
3.
Het door het UWV vastgestelde maximum, bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt aan het door het UWV vastgestelde maximum, stelt hij dat zelf vast.
Artikel 106. Uitvoeringsfonds voor de overheid
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 107 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 108, 109 en 110 in de vorm van een Uitvoeringsfonds voor de overheid dat deel uitmaakt van het UWV.
Artikel 107. Middelen Uitvoeringsfonds voor de overheid
Ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de bedragen die het UWV ontvangt door de toepassing van artikel 79 van de Werkloosheidswet;
b. de premies op grond van artikel 31;
c. de premies geheven over uitkeringen en toeslagen van personen als bedoeld in artikel 24, tweede lid;
d. de bedragen die het UWV ontvangt door de toepassing van de artikelen 27a en 36 van de Werkloosheidswet, voorzover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen, die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
e. de bedragen die het UWV ontvangt door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 66 van de Werkloosheidswet indien de in dat artikel bedoelde werkgever een overheidswerkgever is.
1.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
b. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
c. [vervallen;]
d. [vervallen;]
e. de uitvoeringskosten, voorzover deze betrekking hebben op de in de onderdeel a en b bedoelde uitkeringen;
f. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
g. [vervallen;]
h. [vervallen;]
i. [vervallen;]
j. de op diens aanvraag aan de werkgever door het UWV te verlenen vergoeding van de schade, die de werkgever lijdt door toepassing van artikel 23, eerste lid, van de Werkloosheidswet en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
k. de uitvoeringskosten verbonden aan werkzaamheden gericht op het ontvangen van bedragen, premies en bijdragen als bedoeld in artikel 107;
l. [vervallen;]
m. [vervallen;]
n. de bedragen premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op de premies, berekend op grond van artikel 31;
o. de uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitvoering van artikel 32, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
p. vergoedingen aan gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel 30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover dat artikel wordt toegepast ten aanzien van personen als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet.
2.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen voorts de kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een betrokkene, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het UWV deze uitkering met toepassing van artikel 79 van de Werkloosheidswet niet kan verhalen op de overheidswerkgever.
3.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid kunnen tevens komen, indien dit bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:
a. de door het UWV te betalen WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel h, aan de personen, bedoeld in artikel 24;
b. uitkeringen op grond van de Ziektewet als bedoeld in artikel 117b, derde lid, onderdeel g, te betalen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
c. uitkeringen als bedoeld in artikel 122f, te betalen aan de personen, bedoeld in artikel 24;
d. de uitvoeringskosten, die betrekking hebben op deze uitkeringen op grond van de Ziektewet en op deze WGA-uitkeringen.
1.
Het UWV vergoedt, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, aan het Rijk bijdragen die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers, die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen.
2.
De in het eerste lid bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen, die de in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet zouden hebben kunnen ontvangen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst of een ander land waren vertrokken.
3.
Bij ministeriële regeling, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, worden regels gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 111. Verdeling premie over uitkeringen overheidswerknemers over fondsen
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan een bedrag worden vastgesteld dat op grond van artikel 24 met toepassing van de artikelen 27 en 28, tweede en derde lid, op uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aan overheidswerknemers, volgens een bij die regeling te bepalen verdeling wordt afgedragen aan het Uitvoeringsfonds voor de overheid dan wel de sectorfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen
+ Hoofdstuk 3. De financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
+ Hoofdstuk 4. De heffing en invordering van premies
+ Hoofdstuk 5. Gemoedsbezwaarden
+ Hoofdstuk 6. De financiering van de vrijwillige sociale verzekeringen
- Hoofdstuk 7. De fondsen
+ Hoofdstuk 7a. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 8. Slot- en strafbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht