Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet financiering volksverzekeringen

Uitgebreide informatie
Wet van 27 april 1989, houdende financiering van de volksverzekeringen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bepalingen betreffende de financiering ingevolge de volksverzekeringen te herzien naar aanleiding van het rapport van de commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting en deze bepalingen in een afzonderlijke wet onder te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, wordt verstaan onder:
a. volksverzekeringen: de verzekeringen, bedoeld in de onderdelen b tot en met e ;
b. algemene ouderdomsverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet;
c. nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 13 van de Algemene nabestaandenwet;
d. algemene verzekering bijzondere Ziektekosten: de verzekering, bedoeld in artikel 5 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 4 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , zoals deze verzekering gold tot de dag van de inwerkingtreding van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen ;
f. Algemene Arbeidsongeschiktheidswet : de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de daarop berustende bepalingen, zoals die wet en die bepalingen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen ;
g. Spaarfonds AOW: het Spaarfonds AOW, bedoeld in artikel 31.
Artikel 2
Voor de toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, wordt verstaan onder:
a. vrijwillige verzekeringen: de verzekeringen, bedoeld in de onderdelen b tot en met e ;
b. vrijwillige algemene ouderdomsverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk IV van de Algemene Ouderdomswet;
c. vrijwillige nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene nabestaandenwet;
d. vrijwillige algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 59a van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , zoals deze verzekering gold tot de dag van de inwerkingtreding van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen ;
e. vrijwillige verzekering bijzondere ziektekosten: de verzekering, bedoeld in artikel 32a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Artikel 2a
Voor de toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, wordt onder de premie voor de volksverzekeringen niet begrepen de nominale premie die de verzekerde ingevolge artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aan het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan verschuldigd is.
Artikel 3
Voor de toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, wordt verstaan onder verzekerde degene die in de zin van de volksverzekeringen verplicht verzekerd is.
Artikel 4
Voor de toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, wordt onder "Onze Minister" verstaan: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 5
Overeenkomstig hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, worden de lasten van de volksverzekeringen en de vrijwillige verzekeringen gefinancierd met premie en met rijksbijdragen.
Artikel 6
Premieplichtig voor de volksverzekeringen is de verzekerde.
Artikel 7
De maatstaf voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen is het premie-inkomen van de premieplichtige.
Artikel 8
Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van de premieplichtige en zijn partner geschiedt overeenkomstig artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In het geval de premieplichtige en zijn partner beiden belastingplichtig zijn, geldt de gemaakte keuze, bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, van die wet, zowel voor de heffing van de inkomstenbelasting als voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen.
Artikel 9
Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 met uitzondering van eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen f en g, van die wet
1.
De premie voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op een percentage van het premie-inkomen. Het in de eerste zin bedoelde percentage is het totaal van het percentage, genoemd in artikel 10a, tweede lid, en de percentages die op grond van artikel 11 worden vastgesteld.
2.
In afwijking van het eerste lid is geen premie voor de algemene ouderdomsverzekering verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar zal bereiken.
3.
De verschuldigde premie voor de volksverzekeringen is de premie voor de volksverzekeringen verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen.
4.
De heffingskorting voor de volksverzekeringen is de som van:
a. indien betrokkene premieplichtig is voor de algemene ouderdomsverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering;
b. indien betrokkene premieplichtig is voor de nabestaandenverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de nabestaandenverzekering;
c. indien betrokkene premieplichtig is voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten.
5.
Indien de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt geheven, worden voor de toepassing van het vierde lid de heffingskortingen, genoemd in artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, die geen deel uitmaken van de standaardloonheffingskorting, bedoeld in artikel 21c van de Wet op de loonbelasting 1964, geacht geen deel uit te maken van de standaardheffingskorting, bedoeld in artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
6.
Het premie-inkomen wordt tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
7.
In geval artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing is, wordt de in dat artikel bedoelde werknemer geacht premieplichtig te zijn. Ten aanzien van deze werknemer wordt het in het eerste lid bedoelde percentage toegepast op het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 .
1.
De premie voor de algemene ouderdomsverzekering bedraagt ten hoogste 18,25 procent.
2.
Onze Minister stelt het premiepercentage vast voor de algemene ouderdomsverzekering.
1.
Onze Minister kan bedragen vaststellen die als rijksbijdrage ten gunste komen van het Ouderdomsfonds.
2.
Onze Minister besluit jaarlijks of in het desbetreffende jaar een rijksbijdrage ten gunste van het Ouderdomsfonds komt.
3.
De omvang van een ten gunste van het Ouderdomsfonds komende rijksbijdrage wordt door Onze Minister bepaald.
1.
Bij ministeriële regeling wordt het premiepercentage voor de Algemene nabestaandenwet vastgesteld.
2.
Bij ministeriële regeling wordt door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met Onze Minister het percentage voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten vastgesteld.
Artikel 12
Indien een wijziging van een premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan met ingang van 1 januari, wordt bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en indien het de premie voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten betreft mede in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een gemiddeld premiepercentage vastgesteld voor door Onze Minister aan te wijzen gevallen en tijdvakken.
Artikel 13
De rijksbelastingdienst heft de premie voor de volksverzekeringen.
Artikel 14
De premie voor de volksverzekeringen wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 15 en onder verrekening van krachtens dat artikel geheven premie, bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 3 154 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
1.
Voor zoveel de premieplichtige aan de loonbelasting is onderworpen, wordt de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.
2.
Voor zoveel de premieplichtige aan de loonbelasting is onderworpen ingevolge artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964, is het eerste lid niet van toepassing.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voor daarbij aan te wijzen gevallen berekeningsvoorschriften worden vastgesteld aan de hand waarvan uit de in het tweede lid, van artikel 25 van de Wet op de loonbelasting 1964, bedoelde tabellen het bedrag van de premie voor de volksverzekeringen wordt afgeleid.
1.
De rijksbelastingdienst vordert de premie voor de volksverzekeringen in.
2.
Ten aanzien van de invordering van de ingevolge deze wet verschuldigde premie zijn, naar gelang artikel 14 dan wel artikel 15 van toepassing is, de regels geldende voor de invordering van de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de loonbelasting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen in de paragrafen 1 tot en met 5 is bepaald.
1.
Indien een premieplichtige nalatig is gebleven over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, houdt de Sociale verzekeringsbank daarvan aantekening indien zij beslist dat van een schuldig nalaten sprake is.
2.
Een premieplichtige is schuldig nalatig indien hij nalaat de door hem op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen. Voor zover de premieplichtige kan aantonen dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden, wordt afgezien van het schuldig nalatig stellen van de premieplichtige.
3.
In afwijking van het tweede lid, wordt van het schuldig nalatig stellen niet afgezien indien:
a. de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen;
b. de premie voor de volksverzekeringen niet of niet geheel kan worden ingevorderd omdat is nagelaten te voldoen aan de krachtens de artikelen 65, eerste tot en met derde en vijfde tot en met zevende lid, 66 en 68 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldende verplichtingen; of
c. de premieplichtige de bekendmaking van de beschikking met betrekking tot het stellen van een aantekening als bedoeld in het eerste lid bemoeilijkt of onmogelijk maakt omdat is nagelaten te voldoen aan de krachtens de artikelen 65, eerste tot en met derde en vijfde tot en met zevende lid, 66 en 68 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldende verplichtingen.
4.
Indien in het geval, waarin een aantekening is gesteld, de verzekerde binnen vijf jaren na de kennisgeving van die aantekening de op de in het eerste lid bedoelde aanslag verschuldigd gebleven premie voor de volksverzekeringen geheel of gedeeltelijk betaalt, wordt die betaling achtereenvolgens toegerekend aan:
a. de kosten verbonden aan de invordering;
b. de invorderingsrente;
c. de verschuldigd gebleven inkomstenbelasting en de premie, verschuldigd gebleven voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten en de nabestaandenverzekering;
d. een opslag van 5% op de premie, verschuldigd gebleven voor de algemene ouderdomsverzekering;
e. de premie, verschuldigd gebleven voor de algemene ouderdomsverzekering.
5.
In het geval, bedoeld in het vierde lid, wordt voor zover de voor de algemene ouderdomsverzekering verschuldigd gebleven premie alsnog is betaald, de aantekening doorgehaald. De premieplichtige wordt geacht over het betrokken tijdvak in zoverre niet schuldig nalatig te zijn geweest.
6.
Aan de belanghebbende wordt bij brief met ontvangstbevestiging kennis gegeven van een beslissing met betrekking tot het stellen van een aantekening als bedoeld in het eerste lid dan wel tot het doorhalen van een zodanige aantekening. De Sociale verzekeringsbank bewaart de bewijsstukken van de verzending van het besluit.
7.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere regels worden gesteld.
Artikel 18a
Het beroep kan niet zijn gegrond op het verweer dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het beroep kan slechts dan zijn gegrond op het verweer dat de aanslag niet is ontvangen, indien belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij de aanslag nimmer ontvangen heeft en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het niet ontvangen van de aanslag hem kan worden toegerekend.
1.
Van verplichtingen welke bij of krachtens dit hoofdstuk zijn opgelegd, wordt op zijn verzoek ontheven:
a. degene, die gemoedsbezwaren heeft tegen één of meer volksverzekeringen;
b. de rechtspersoon, waarbij natuurlijke personen zijn betrokken die bezwaren hebben als bedoeld in onderdeel a.
2.
Een ontheffing wordt verleend door de Sociale verzekeringsbank.
Artikel 20
Indien een ontheffing is verleend in het kader van één of meer volksverzekeringen, wordt voor geen van de volksverzekeringen premie geheven, doch vindt voor al die verzekeringen heffing van premievervangende inkomstenbelasting of premievervangende loonbelasting plaats, aldus dat:
a. van degene, van wie anders premie voor de volksverzekeringen zou worden geheven bij wege van aanslag, inkomstenbelasting wordt geheven tot het bedrag van die premies;
b. van degene, van wie anders premie voor de volksverzekeringen zou zijn geheven bij wijze van inhouding, loonbelasting wordt ingehouden tot het bedrag van die premie.
1.
De belasting die op grond van artikel 20 wordt geheven in plaats van de premie voor de volksverzekeringen wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk en voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 , de Wet op de loonbelasting 1964 en de Invorderingswet 1990 beschouwd als premie voor die verzekeringen.
2.
Voor de persoon van wie als gevolg van een ontheffing als bedoeld in artikel 19 premievervangende belasting wordt geheven of ingehouden wordt een heffingskorting toegepast die wordt vastgesteld overeenkomstig de op grond van artikel 10, vierde lid, voor een premieplichtige voor de volksverzekeringen toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen.
Artikel 22
Wanneer de Sociale verzekeringsbank een ontheffing verleent of intrekt, doet zij daarvan mededeling aan de inspecteur, onder wie de betrokkene krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting.
Artikel 23
Ten laste van het Rijk komt de premie voor de volksverzekeringen, voor zover die ingevolge een ontheffing als bedoeld in artikel 19 niet wordt geheven.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden met betrekking tot het bepaalde in deze paragraaf.
2.
Deze regels betreffen:
a. de voorwaarden, waaronder een ontheffing wordt verleend;
b. de verdere gevolgen, die voor de toepassing van deze wet aan een ontheffing zijn verbonden;
c. de gevallen, waarin een ontheffing wordt ingetrokken; en
d. de gevolgen, die voor de toepassing van deze wet aan een intrekking van een ontheffing zijn verbonden.
1.
Degene, die is toegelaten tot de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering, de vrijwillige nabestaandenverzekering, of de vrijwillige verzekering bijzondere ziektekosten, is voor die verzekeringen een premie verschuldigd volgens het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tarief.
2.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
De verschuldigde premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering, of de vrijwillige nabestaandenverzekering, of de vrijwillige verzekering bijzondere ziektekosten wordt in rekening gebracht en geïnd door de Sociale verzekeringsbank.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van de in rekening te brengen premie en de inning.
1.
De premie wordt betaald aan het orgaan, dat de in rekening te brengen premie vaststelt, op de wijze en het tijdstip, door dat orgaan aangegeven.
2.
Een schuld aan premie voor een vrijwillige verzekering valt buiten de nalatenschap van degene, die tot die verzekering was toegelaten. De schuld moet worden betaald door degene, die krachtens de betrokken vrijwillige verzekering prestaties ontvangt.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de betaling van de premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering, de vrijwillige nabestaandenverzekering, of de vrijwillige verzekering bijzondere ziektekosten.
1.
De Sociale verzekeringsbank beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 29, tweede lid, in de vorm van een Ouderdomsfonds dat deel uitmaakt van de Sociale verzekeringsbank.
2.
De Sociale verzekeringsbank beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 30, tweede lid in de vorm van een Nabestaandenfonds dat deel uitmaakt van de Sociale verzekeringsbank.
1.
Ten gunste van het Ouderdomsfonds komen:
a. de premies voor de algemene ouderdomsverzekering en voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. rijksbijdragen als bedoeld in artikel 10b;
c. de opslag, bedoeld in artikel 18, derde lid, onderdeel b;
e. de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 44a.
2.
Uit het Ouderdomsfonds worden betaald:
a. de lasten van de algemene ouderdomsverzekering en van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. de lasten van de regeling, vervat in hoofdstuk VIII van de Algemene Ouderdomswet.
Artikel 29a
Onze Minister stelt een keer per jaar een prognose op van de benodigde middelen tot dekking van de lasten van de algemene ouderdomsverzekering voor de eerstkomende tien jaren, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de opbrengst van de premies voor de algemene ouderdomsverzekering, de rijksbijdragen, bedoeld in artikel 10b, en de ontvangsten en uitgaven van het Spaarfonds AOW, bedoeld in artikel 31.
1.
Ten gunste van het Nabestaandenfonds komen:
a. de premies voor de nabestaandenverzekering en voor de vrijwillige nabestaandenverzekering alsmede de te ontvangen bijdragen op grond van artikel 66a van de Algemene nabestaandenwet en de daarop berustende bepalingen;
c. de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 44a.
2.
Uit het Nabestaandenfonds worden betaald:
a. de lasten van de nabestaandenverzekering en van de vrijwillige nabestaandenverzekering;
b. de lasten voortvloeiend uit hoofdstuk 8 van de Algemene nabestaandenwet en de daarop berustende bepalingen.
1.
Er is een Spaarfonds AOW.
2.
Het Spaarfonds AOW is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001.
3.
De ontvangsten van het Spaarfonds AOW worden gevormd door bijdragen ten laste van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en door renten op het saldo van het fonds.
4.
De uitgaven van het Spaarfonds AOW strekken ter bekostiging van lasten van de algemene ouderdomsverzekering.
5.
Onze Minister beheert de begroting van het Spaarfonds AOW.
6.
In afwijking van de artikelen 2, derde lid, en 52, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001 worden de begroting en de financiële verantwoording van het fonds uitsluitend op kasbasis gepresenteerd.
7.
Het gerealiseerde batig saldo van het Spaarfonds AOW van enig jaar wordt ten gunste gebracht van de begroting van het Spaarfonds AOW van het daaropvolgende jaar.
1.
Jaarlijks komt een bijdrage als bedoeld in artikel 31, derde lid, ten gunste van het Spaarfonds AOW.
2.
De omvang van elke ten gunste van het Spaarfonds AOW komende bijdrage wordt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bepaald.
3.
In het jaar 1999 komt een bijdrage ten gunste van het Spaarfonds AOW die ten minste f 250 miljoen hoger is dan de als bijdragen voor de jaren 1997 en 1998 vastgestelde bedragen.
4.
In elk volgend jaar wordt een bijdrage ten gunste van het Spaarfonds AOW gebracht die ten minste € 113 445 054 hoger is dan het bedrag dat in het jaar, voorafgaande aan het desbetreffende jaar, ten minste ten gunste van het Spaarfonds AOW diende te worden gebracht.
5.
Het in het Spaarfonds aanwezige saldo wordt rentedragend in 's Rijks schatkist aangehouden.
6.
Onze Minister van Financiën stelt jaarlijks de rente vast die over het saldo van het Spaarfonds AOW wordt vergoed.
Artikel 33
Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën besluiten vanaf het jaar 2020 uit het Spaarfonds AOW lasten van de algemene ouderdomsverzekering te betalen.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 35, tweede lid, in de vorm van een Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds dat deel uitmaakt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2.
Het beheer en de administratie in de vorm van een Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in het eerste lid, eindigen met ingang van de dag, gelegen vier jaar na de dag van inwerkingtreding van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen .
1.
Ten gunste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:
a. de premies voor de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering en voor de vrijwillige algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. de boeten, bedoeld in artikel 20 a van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ;
c. de bedragen, verhaald op grond van artikel 57, zesde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ;
d. [vervallen;]
e. de geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet arbeid gehandicapte werknemers ( Stb. 1986, 300).
2.
[Vervallen.]
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat andere bedragen dan als bedoeld in het tweede lid uit het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds worden betaald, voor zover deze andere bedragen betrekking hebben op lasten uit hoofde van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet .
Artikel 38
Het College voor zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet , verder te noemen: het College zorgverzekeringen beheert en administreert afzonderlijk een Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
1.
Ten gunste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten komen:
a. de premie voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten en voor de vrijwillige verzekering bijzondere ziektekosten;
b. de inkomsten, die in verband met de algemene verzekering bijzondere ziektekosten voortvloeien uit internationale overeenkomsten;
c. de bijdragen in de kosten van verstrekkingen welke op grond van artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, dan wel in voorkomend geval op grond van artikel 6, vierde lid, in verbinding met het derde lid, van die wet worden betaald door of namens de verzekerde, dan wel, in voorkomend geval, door het ingevolge een wettelijke regeling tot betaling van zodanige bijdragen bevoegde orgaan dat uitkeringen of pensioenen uit hoofde van die regeling aan die verzekerde betaalbaar stelt;
d. de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 44a.
2.
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan jaarlijks een bijdrage verlenen aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten tot het bedrag dat daarvoor in de wet tot vaststelling van de begroting voor zijn ministerie voor dat jaar is toegestaan. De bijdrage wordt betaald in gelijke maandelijkse delen. Artikel 14a, derde lid, van de Ziekenfondswet is van overeenkomstige toepassing.
3.
Uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten worden betaald:
a. de gehele of gedeeltelijke kosten van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten en van de vrijwillige verzekering bijzondere ziektekosten;
b. de uitgaven voor deze verzekering, voortvloeiende uit overeenkomsten, waaronder begrepen internationale overeenkomsten;
c. de uitgaven die in verband met die verzekering voortvloeien uit enige andere wettelijke regeling dan de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ;
d. bijdragen aan onze Minister van Justitie in verband met diens financiële verantwoordelijkheid bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. bijdragen aan Onze Minister van Defensie ingevolge artikel 7, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
f. uitgaven ten behoeve van subsidies, verstrekt ingevolge artikel 1p van de Ziekenfondswet, voor zover zulks ingevolge dat artikel is bepaald;
4.
Uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten kunnen middelen worden gebruikt voor het vormen en in stand houden van een reserve. Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister met betrekking tot de vorige volzin nadere regels worden gesteld.
5.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid wordt jaarlijks aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verleend voor de uitvoering van de Regeling Ziekenfondsraad Abortusklinieken 1992 dan wel de regeling die ingevolge artikel 1p van de Ziekenfondswet ter vervanging van die regeling is vastgesteld. Op de bijdrage worden voorschotten verleend. De bijdrage voor enig jaar is gelijk aan het saldo van de uitgaven en ontvangsten in het desbetreffende jaar met betrekking tot de uitvoering van de bedoelde regeling, voor zover door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aanvaard. Het College zorgverzekeringen neemt een specificatie van de ontvangsten en uitgaven op in het financieel verslag, bedoeld in artikel 1s van de Ziekenfondswet. Onze Minister voornoemd stelt de bijdrage uiterlijk drie maanden na ontvangst van het financieel verslag vast.
1.
Het College zorgverzekeringen doet jaarlijks uitkeringen uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten ter dekking van de noodzakelijke uitgaven, gedaan voor de uitvoering van de in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde verzekering, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
2.
Het College van toezicht op de zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet , verder te noemen: het College toezicht, is bevoegd vast te stellen dat uitgaven niet verantwoord waren voorzover deze door hem niet noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering van de verzekering ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten . Met de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, evenals met de daarmee verkregen opbrengsten worden geen uitgaven gedekt waarvan het College toezicht heeft vastgesteld dat zij niet verantwoord waren, tenzij het College toezicht anders besluit.
3.
Op de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschotten worden verleend overeenkomstig door het College zorgverzekeringen te stellen regels.
1.
Het College zorgverzekeringen houdt de financiële middelen die deel uitmaken van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, in rekening-courant bij Onze Minister van Financiën.
2.
Het College zorgverzekeringen kan, voor de uitvoering van zijn wettelijke taken, beschikken over de financiële middelen die hij in rekening-courant bij Onze Minister van Financiën houdt.
3.
In afwijking van het eerste lid kan het College zorgverzekeringen een deel van de in het eerste lid bedoelde financiële middelen buiten de in het eerste lid bedoelde rekening-courant houden.
4.
Onze Minister van Financiën stelt in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, na overleg met het College zorgverzekeringen, de omvang van het in het derde lid bedoelde deel van de financiële middelen vast.
5.
Bij een tekort aan financiële middelen maakt het College zorgverzekeringen gebruik van de kredietfaciliteiten die door Onze Minister van Financiën worden verleend.
6.
Onze Minister van Financiën informeert dagelijks het College zorgverzekeringen ten aanzien van de rekening-courant in elk geval met betrekking tot:
a. de slotstanden per dag;
b. alle dagelijks geboekte mutaties of transacties in de rekening-courant.
7.
Het College zorgverzekeringen informeert Onze Minister van Financiën ten aanzien van de rekening-courant, in elk geval met betrekking tot de prognoses van de saldi van de rekening-courant.
8.
Onze Minister van Financiën brengt voor het beheer van de rekening-courant geen kosten in rekening.
9.
Onze Minister van Financiën stelt in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, na overleg met het College zorgverzekeringen, regels omtrent de rente die over de saldi van de in het eerste lid bedoelde rekening-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt gebracht.
10.
Onze Minister van Financiën kan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, na overleg met het College zorgverzekeringen, regels stellen omtrent het eerste, zesde en zevende lid.
Artikel 43
De invorderingsrente en de heffingsrente op grond van de Invorderingswet 1990 onderscheidenlijk op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen ( Stb. 1959, 301) komen ten laste en ten gunste van de fondsen, waarin de premie moet worden gestort.
Artikel 44
Door Onze Minister, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Financiën kunnen bij ministeriële regeling regels gesteld worden met betrekking tot de afdracht van de premie voor de volksverzekeringen door de rijksbelastingdienst aan de betrokken fondsen.
1.
Ten gunste van het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten wordt jaarlijks ten laste van het Rijk een bijdrage in de kosten van de heffingskortingen toegekend.
2.
De bijdrage in de kosten van de heffingskortingen per fonds wordt bij ministeriële regeling jaarlijks vastgesteld volgens de formule:
BIKK t = (BIKK t-1 + A*K t-1 )*K t /K t-1
waarbij: BIKK t = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het fonds in een bepaald jaar;
BIKK t-1 = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het fonds in het voorafgaande jaar;
A = het aandeel van de premie ten gunste van het fonds in het gecombineerde heffingspercentage, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, in het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend, verminderd met het aandeel in het daaraan voorafgaande jaar;
K t = de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij ministeriële regeling bekendgemaakte geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend;
K t-1 = de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij ministeriële regeling bekendgemaakte geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend.
Artikel 46
Degene, die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering, bedoeld in hoofdstuk III van deze wet, is verplicht aan de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed zijn op de hoogte van de verschuldigde premie.
Artikel 47
De Sociale verzekeringsbank, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het College zorgverzekeringen, het College toezicht, de organen, betrokken bij de uitvoering van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten, de belastingdienst, het Centraal Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn verplicht desgevraagd aan elkaar, aan het College zorgverzekeringen, aan het College toezicht en aan Onze Minister, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kosteloos de opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 48
In afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de belanghebbende in een bezwaarschriftprocedure ten aanzien van een besluit inzake de verschuldigde premie te betalen voor een vrijwillige verzekering gehoord op zijn verzoek.
Artikel 49
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen respectievelijk de Sociale verzekeringsbank binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Artikel 51
Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen besluiten van het College zorgverzekeringen, genomen krachtens artikel 40, eerste of derde lid, alsmede tegen besluiten van het College toezicht, genomen krachtens artikel 40, tweede lid.
1.
Hij die niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 46, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.
2.
Het in het eerste lid bedoelde strafbare feit wordt als een overtreding beschouwd.
Artikel 53
Artikel 30, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurend zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb. 274) blijft van toepassing voor de duur van de periode waarin op grond van artikel IXa van die wet recht bestaat op een financiële tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.
Artikel 54
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 55
Deze wet treedt in werking op dezelfde dag waarop het bij koninklijke boodschap ingediende voorstel van wet vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting in werking treedt.
Artikel 56
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Wet financiering volksverzekeringen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 april 1989
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
De Staatssecretaris van Financiën,
Uitgegeven de tiende mei 1989
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk II. De financiering van de verplichte volksverzekeringen
+ Hoofdstuk III. De financiering van de vrijwillige verzekeringen
+ Hoofdstuk IV. De fondsen
+ Hoofdstuk V. Voorschriften van procedurele aard, bezwaar en strafbepalingen
+ Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht