Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet herstructurering varkenshouderij

Uitgebreide informatie
Wet van 9 april 1998, houdende regels inzake een stelsel van varkensrechten en een heffing ter zake van het houden van varkens (Wet herstructurering varkenshouderij)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is uitvoering te geven aan richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 375), en dat het ook overigens zowel in het belang van het milieu en de ruimtelijke kwaliteit als in het belang van dierenwelzijn en diergezondheid, wenselijk is regels te stellen met het oog op een herstructurering van de varkenshouderij en daarbij een stelsel van varkensrechten en een heffing ter zake van het houden van varkens in te voeren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
b. landbouwgrond: grond waarop enige vorm van akkerbouw, veehouderij – daaronder begrepen intensieve veehouderij – , tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, planten, bloemen en bloembollen – en bosbouw die aan de krachtens artikel 1, onderdeel p, van de Meststoffenwet gestelde regels voldoet, wordt uitgeoefend;
c. bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden, en in ieder geval dat geheel van productie-eenheden dat als één bedrijf is opgegeven op grond van de krachtens artikel 7 van de Meststoffenwet gestelde regels inzake de registratie van de productie van dierlijke meststoffen, dan wel het na deze opgave ontstane geheel van productie-eenheden als gevolg van splitsing of samenvoeging overeenkomstig de bij of krachtens hoofdstuk III, hoofdstuk V van de Meststoffenwet, of de Wet verplaatsing mestproductie gestelde regels;
d. Bureau Heffingen: Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Assen;
e. varken: dier van de diersoort varken, uitgedrukt in varkenseenheden overeenkomstig de in bijlage A bij deze wet voor de dieren van de onderscheiden diercategorieën opgenomen normen;
f. fokzeug: varken behorend tot de diercategorie, bedoeld in onderdeel 1, onder a of b, of 5, van bijlage A bij deze wet ;
g. jaar: kalenderjaar;
h. varkensrecht: gemiddeld aantal varkens dat gedurende een jaar op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde ten hoogste op een bedrijf mag worden gehouden, uitgezonderd het aantal varkens dat ingevolge artikel 32 mag worden gehouden;
i. fokzeugenrecht: deel van het varkensrecht dat overeenkomt met het gemiddelde aantal fokzeugen dat gedurende een jaar op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde ten hoogste op een bedrijf mag worden gehouden, uitgezonderd het aantal fokzeugen dat ingevolge artikel 32 mag worden gehouden;
j. overdracht: eigendomsovergang, het vestigen of overdragen van een zakelijk gebruiksrecht dan wel het tenietgaan van dat recht, of het totstandkomen of eindigen van een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst;
k. mestproductierecht: mestproductierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet ;
l. niet-gebonden mestproductierecht: niet-gebonden mestproductierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel ab, van de Meststoffenwet ;
m. concentratiegebied: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage B bij deze wet ;
n. tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond: in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, daaronder niet begrepen de oppervlakte waarop zich de bedrijfsgebouwen en daarbij behorende voorzieningen bevinden, die tot het bedrijf behoort op grond van eigendom, een zakelijk gebruiksrecht of een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Pachtwet , en die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is;
o. grondgebonden deel van het varkensrecht: deel van het varkensrecht, bepaald overeenkomstig artikel 14a, eerste en derde lid, zoals dit deel in voorkomend geval is gewijzigd door toepassing van de artikelen 16 tot en met 19;
p. grondgebonden deel van het fokzeugenrecht: deel van het fokzeugenrecht, bepaald overeenkomstig artikel 14a, eerste en tweede lid, zoals dit deel in voorkomend geval is gewijzigd door toepassing van de artikelen 16 tot en met 19;
q. groen-labelstal: voor de huisvesting van varkens bestemde stal met een stalsysteem waarvoor een Groen Label als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Convenant Groen Label (Stcrt. 1993, 21) is afgegeven.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze wet:
a. worden het niet-gebonden mestproductierecht en het grondgebonden mestproductierecht telkens in aanmerking genomen zoals deze, al naar gelang het geval, op het desbetreffende tijdstip dan wel met betrekking tot het desbetreffende jaar voor het desbetreffende bedrijf door het Bureau Heffingen zijn geregistreerd;
b. wordt het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen telkens vermenigvuldigd met 10/7, behalve het niet-gebonden mestproductierecht dat geldt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel G, van de wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360).
Artikel 3
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt geen rekening gehouden met handelingen waarvan, op grond van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad of op grond van andere bepaalde feiten of omstandigheden, moet worden aangenomen dat zij achterwege zouden zijn gebleven, indien daarmee niet de toepassing van deze wet voor het vervolg geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt.
Artikel 4
De omvang van het varkensrecht en de omvang van het fokzeugenrecht van een bedrijf op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 worden bepaald overeenkomstig dit hoofdstuk.
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. aangifte overschotheffing: schriftelijke opgave, zoals in voorkomend geval gecorrigeerd, die ter vaststelling van de verschuldigde overschotheffing met betrekking tot het bedrijf is gedaan krachtens de artikelen 8 en 13 van de Meststoffenwet, zoals deze artikelen luidden onmiddellijk vóór inwerkingtreding van de wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet ;
b. aangifte overschotheffing 1995: aangifte overschotheffing die betrekking heeft op het jaar 1995;
c. aangifte overschotheffing 1996: aangifte overschotheffing die betrekking heeft op het jaar 1996;
d. afsluitformulier 1995: Afsluitformulier bijzondere gebruiksnormen 1995 (125-) of Afsluitformulier mestboekhouding 1995 (110–125) als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling vaststelling afsluitformulieren 1995;
e. afsluitformulier 1996: Afsluitformulier bijzondere gebruiksnormen 1996 (125-) of Afsluitformulier mestboekhouding 1996 (110–125) als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling vaststelling afsluitformulieren 1996;
f. vrijstellingsverklaring: formulier als bedoeld in artikel 3 van de Regeling vaststelling mestboekhoudplicht (algemeen);
g. vrijstellingsverklaring 1995: vrijstellingsverklaring die betrekking heeft op 1995;
h. vrijstellingsverklaring 1996: vrijstellingsverklaring die betrekking heeft op 1996;
i. grondgebonden mestproductierecht: deel van het mestproductierecht dat overeenkomt met 125 kilogram fosfaat per jaar per hectare van de gemiddeld in het desbetreffende jaar tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond;
j. belanghebbende: persoon of rechtspersoon die, of samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen dat over het desbetreffende bedrijf beschikt ingevolge eigendom, een zakelijk gebruiksrecht, of een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst;
k. verplaatsing: verplaatsing als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verplaatsing mestproductie;
l. kennisgeving van verplaatsing: kennisgeving als bedoeld in artikel 9 van de Wet verplaatsing mestproductie;
m. registratie van een kennisgeving van verplaatsing: registratie als bedoeld in artikel 9 van de Wet verplaatsing mestproductie.
2.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de gegevens van de aangifte overschotheffing – daaronder begrepen de correcties –, het afsluitformulier 1995, het afsluitformulier 1996 en de vrijstellingsverklaring slechts in aanmerking genomen voor zover deze vóór 10 juli 1997 door het Bureau Heffingen zijn ontvangen.
1.
Het varkensrecht komt overeen met het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, verminderd met 10%.
2.
Het fokzeugenrecht komt overeen met het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal fokzeugen, verminderd met 10%.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde vermindering met 10% is niet van toepassing op het aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, dat groter is dan het aantal dat wordt bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te delen door 7,4 kilogram fosfaat.
4.
Het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, is het in 1996 gemiddeld gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, dat met betrekking tot het desbetreffende bedrijf is opgegeven in de aangifte overschotheffing 1996, bij gebreke daarvan, op het afsluitformulier 1996, dan wel, bij gebreke daarvan, op de vrijstellingsverklaring 1996.
5.
Indien in 1996 overdracht van het bedrijf heeft plaatsgevonden, wordt het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, bepaald door de som van het over het gehele jaar 1996 gemiddelde aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, dat door de vervreemder van het bedrijf is gehouden en het over het gehele jaar 1996 gemiddelde aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, dat door de verkrijger van het bedrijf is gehouden, zoals deze aantallen blijken uit de door de vervreemder en de verkrijger gedane opgaven, bedoeld in het vierde lid.
6.
Het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, is ten hoogste het aantal dat wordt bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te vermeerderen met het grondgebonden mestproductierecht geldend met betrekking tot 1996 en de som te delen door 7,4 kilogram fosfaat.
1.
Het varkensrecht en het fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf komen overeen met het in 1995 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, verminderd met 10%.
2.
Artikel 6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de omvang van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat in plaats van «1996» telkens moet worden gelezen: 1995.
3.
De belanghebbende doet de in het eerste lid bedoelde melding binnen zes weken na inwerkingtreding van deze wet bij het Bureau Heffingen, met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door de belanghebbende is ondertekend.
4.
Indien in 1995 of 1996 registratie van een kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen heeft plaatsgevonden, wordt het overeenkomstig het eerste en tweede lid bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, vergroot voor het bedrijf waarheen is verplaatst en verkleind tot ten minste nihil voor het bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is.
5.
Ingeval de in het vierde lid bedoelde registratie plaatsvond in 1995, komt de in dat lid bedoelde vergroting overeen met het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door overeenkomstige toepassing van artikel 9, tweede en vijfde lid, en komt de in het vierde lid bedoelde verkleining overeen met het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door overeenkomstige toepassing van artikel 9, derde, vierde en vijfde lid, met dien verstande dat in het tweede, derde en vierde lid van dat artikel in plaats van «1996» telkens wordt gelezen: 1995. Ingeval de in het vierde lid bedoelde registratie plaatsvond in 1996, komt de vergroting overeen met het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door overeenkomstige toepassing van artikel 10, tweede en vierde lid, en komt de verkleining overeen met het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door overeenkomstige toepassing van artikel 10, derde en vierde lid.
1.
Bij gebreke van enige opgave als bedoeld in de artikelen 6, vierde lid, en 7, tweede lid, komt het varkensrecht van het bedrijf overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te delen door 7,4 kilogram fosfaat en op de uitkomst 18% in mindering te brengen.
2.
Het fokzeugenrecht van het in het eerste lid bedoelde bedrijf komt overeen met een percentage van het varkensrecht, welk percentage wordt bepaald door het in 1994 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal fokzeugen te delen door het in 1994 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens en de uitkomst te vermenigvuldigen met 100. De in de eerste volzin bedoelde aantallen fokzeugen en varkens zijn de aantallen die met betrekking tot het bedrijf zijn opgegeven in de aangifte overschotheffing die betrekking heeft op het jaar 1994. Bij gebreke van deze opgave is het fokzeugenrecht nihil.
3.
Artikel 7, derde lid, is op de melding, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Bij gebreke van een overeenkomstig artikel 7, derde lid, gedane melding, is het varkensrecht nihil.
4.
In geval in 1996 of 1995 het bedrijf is overgedragen, wordt, indien de belanghebbende overeenkomstig artikel 7, derde lid een melding doet, voor de toepassing van het eerste lid onder het ontbreken van een opgave als bedoeld in artikel 6, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 7, tweede lid, mede verstaan het geval dat met betrekking tot het desbetreffende jaar hetzij door de vervreemder, hetzij door de verkrijger geen opgave is gedaan.
1.
Indien in 1996 registratie van een kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen heeft plaatsgevonden, wordt, in verband met de toepassing van artikel 9, zesde lid, van de Wet verplaatsing mestproductie, het overeenkomstig artikel 6, 8 of 11, tweede lid, bepaalde varkensrecht vergroot voor het bedrijf waarheen is verplaatst en verkleind tot ten minste nihil voor het bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is.
2.
De in het eerste lid bedoelde vergroting betreft het fokzeugenrecht en komt overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen is vergroot, maar die volgens de in de kennisgeving van verplaatsing gedane opgave in 1996 niet meer konden worden benut, te delen door 7,4 kilogram fosfaat.
3.
De in het eerste lid bedoelde verkleining komt overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen van het bedrijf is verkleind, maar die volgens de in de kennisgeving van verplaatsing gedane opgave in 1996 nog op dat bedrijf kon worden benut, te delen door 7,4 kilogram fosfaat. De verkleining komt ten laste van het fokzeugenrecht voor zover het aantal varkenseenheden waarmee de verkleining overeenkomt groter is dan het verschil tussen het varkensrecht en het fokzeugenrecht.
4.
Indien het betreft een verkleining van het overeenkomstig artikel 6 bepaalde varkensrecht, blijft het derde lid buiten toepassing ten aanzien van het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van de in dat lid bedoelde kilogrammen fosfaat. Dit deel komt evenwel ten hoogste overeen met het aantal kilogrammen fosfaat dat wordt bepaald door de mestproductie afkomstig van de in 1996 gehouden dieren van andere diersoorten dan varkens en kippen achtereenvolgens in mindering te brengen op het niet-gebonden mestproductierecht voor die diersoorten geldend met betrekking tot 1996 en op het grondgebonden mestproductierecht geldend met betrekking tot 1996, het aldus vastgestelde saldo van het grondgebonden mestproductierecht, zijnde ten minste nihil, te vermeerderen met het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996, en op deze som de mestproductie afkomstig van varkens in mindering te brengen. De mestproductie afkomstig van de onderscheiden diersoorten wordt overeenkomstig artikel 55, negende lid, van de Meststoffenwet vastgesteld op basis van het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal dieren van de onderscheiden diersoorten en diercategorieën daarbinnen, dat met betrekking tot het bedrijf is opgegeven in de aangifte overschotheffing 1996.
5.
Artikel 7, derde lid, is op de meldingen, bedoeld in het tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Bij gebreke van een overeenkomstig artikel 7, derde lid, gedane melding, is de vergroting van het varkensrecht nihil, onderscheidenlijk worden het varkensrecht en het fokzeugenrecht verkleind met het overeenkomstig het derde lid bepaalde aantal varkenseenheden.
1.
Indien na 1996 registratie heeft plaatsgevonden van een uiterlijk op 9 juli 1997 gedane kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen, wordt het overeenkomstig artikel 6, 7, 8 of 11, derde lid, bepaalde varkensrecht vergroot voor het bedrijf waarheen is verplaatst en verkleind tot ten minste nihil voor het bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is.
2.
De in het eerste lid bedoelde vergroting betreft het fokzeugenrecht en komt overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen van het bedrijf is vergroot te delen door 7,4 kilogram fosfaat.
3.
De in het eerste lid bedoelde verkleining komt overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen van het bedrijf is verkleind te delen door 7,4 kilogram fosfaat. De verkleining komt ten laste van het fokzeugenrecht voor zover het aantal varkenseenheden waarmee de verkleining overeenkomt groter is dan het verschil tussen het varkensrecht en het fokzeugenrecht. Artikel 9, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van dit artikel, indien het varkensrecht overeenkomstig artikel 7 wordt bepaald, in artikel 9, vierde lid, in plaats van «1996» telkens wordt gelezen: 1995.
4.
Artikel 7, derde lid, is op de meldingen, bedoeld in het tweede en derde lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing. Bij gebreke van een overeenkomstig artikel 7, derde lid, gedane melding, is de vergroting van het varkensrecht nihil, onderscheidenlijk worden het varkensrecht en het fokzeugenrecht verkleind met het overeenkomstig het derde lid bepaalde aantal varkenseenheden.
1.
De artikelen 9 en 10 zijn niet van toepassing op een kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot een samenvoeging van bedrijven.
2.
Indien in 1996 registratie heeft plaatsgevonden van een kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot een samenvoeging van bedrijven, worden het varkensrecht en het fokzeugenrecht van het na samenvoeging ontstane bedrijf bepaald door de som van het over het gehele jaar 1996 gemiddelde aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, verminderd met 10%, dat op elk van de oorspronkelijke bedrijven is gehouden te vermeerderen met het over het gehele jaar 1996 gemiddelde aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, verminderd met 10%, dat op het door samenvoeging ontstane bedrijf is gehouden, zoals deze aantallen blijken uit de met betrekking tot de onderscheiden bedrijven gedane opgaven, bedoeld in artikel 6, vierde lid. Artikel 6, derde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien na 1996 registratie heeft plaatsgevonden van een uiterlijk op 9 juli 1997 gedane kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot een samenvoeging van bedrijven, komen het varkensrecht en het fokzeugenrecht van het na samenvoeging ontstane bedrijf overeen met de som van het in 1996 gemiddeld op elk van de oorspronkelijke bedrijven gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, verminderd met 10%. Artikel 6, derde, vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
De artikelen 9, eerste, tweede en derde lid, en 10, eerste, tweede en derde lid, eerste volzin, zijn, indien het tijdstip van registratie van de in die artikelen bedoelde kennisgeving van verplaatsing is gelegen vóór het tijdstip van registratie van de kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot de samenvoeging van de bedrijven, van overeenkomstige toepassing op elk van de samengevoegde bedrijven, met dien verstande dat voor de toepassing van dit lid in deze artikelen in plaats van «varkensrecht» telkens wordt gelezen «90% van het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens» en in plaats van «fokzeugenrecht» telkens wordt gelezen: 90% van het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal fokzeugen.
5.
Met betrekking tot een bedrijf dat in 1995 door samenvoeging van bedrijven is ontstaan worden, indien de belanghebbende daartoe overeenkomstig artikel 7, derde lid, een melding doet, het varkensrecht en het fokzeugenrecht, overeenkomstig het tweede en vierde lid bepaald, met dien verstande dat in die leden in plaats van «1996» telkens wordt gelezen: 1995. Voor de toepassing van het vierde lid wordt in artikel 9, eerste lid, in plaats van «1996» gelezen «1995» en wordt in artikel 10, eerste lid, in plaats van« na 1996» gelezen: in of na 1996.
6.
Ingeval met betrekking tot één van de samengevoegde bedrijven dan wel het door samenvoeging ontstane bedrijf geen opgave als bedoeld in artikel 6, vierde lid, is gedaan, worden, indien de belanghebbende overeenkomstig artikel 7, derde lid, een melding doet, het varkensrecht en het fokzeugenrecht overeenkomstig artikel 8, eerste en tweede lid, bepaald. Voor de toepassing van artikel 8, tweede lid, wordt uitgegaan van de opgave met betrekking tot een van de oorspronkelijke bedrijven, zoals dat bij de melding is aangegeven door de belanghebbende.
Artikel 12
Indien registratie heeft plaatsgevonden van een na 9 juli 1997 en vóór inwerkingtreding van deze wet gedane kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen, wordt het overeenkomstig artikel 6, 7, 8 of 11 bepaalde varkensrecht voor het bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is verkleind tot ten minste nihil, met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen van het bedrijf is verkleind te delen door 7,4 kilogram fosfaat. De verkleining komt ten laste van het fokzeugenrecht voor zover het aantal varkenseenheden waarmee de verkleining overeenkomt groter is dan het verschil tussen het varkensrecht en het fokzeugenrecht.
Artikel 13
Het overeenkomstig dit hoofdstuk bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, is niet groter dan het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door 90% van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen, zoals dat gold op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15, te vermeerderen met 125 kilogram fosfaat per hectare van de op de dag voorafgaand aan dat tijdstip tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, en deze som te delen door 7,4 kilogram fosfaat.
Artikel 14
Met betrekking tot een bedrijf geldt in plaats van het varkensrecht of het fokzeugenrecht dat is bepaald overeenkomstig dit hoofdstuk een lager varkensrecht of fokzeugenrecht, indien de belanghebbende daarvan overeenkomstig artikel 7, derde lid, een melding doet.
1.
De omvang van het grondgebonden deel van het varkensrecht op 1 september 1998 komt overeen met het overeenkomstig dit hoofdstuk bepaalde varkensrecht, verminderd met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te delen door 7,4 kilogram fosfaat. Ingeval het varkensrecht wordt bepaald op grond van artikel 7, wordt in de eerste volzin in plaats van «1996» gelezen: 1995.
2.
De omvang van het grondgebonden deel van het fokzeugenrecht op 1 september 1998 komt overeen met het overeenkomstig dit hoofdstuk bepaalde fokzeugenrecht, verminderd met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te delen door 7,4 kilogram fosfaat. Ingeval het fokzeugenrecht wordt bepaald op grond van artikel 7, wordt in de eerste volzin in plaats van «1996» gelezen: 1995.
3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, niet in aanmerking genomen, voorzover dat als gevolg van de toepassing van artikel 7, vierde of vijfde lid, 9 of 10 is vergroot.
1.
Het is verboden op een bedrijf gemiddeld gedurende het jaar een groter aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, te houden dan het op het bedrijf rustende varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht.
2.
De vermindering, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet voor het deel van het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, dat overeenkomt met het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door achtereenvolgens 125 kilogram fosfaat per hectare van de in desbetreffende jaar tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond te verminderen met de in het desbetreffende jaar geproduceerde dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, afkomstig van andere in bijlage A van de Meststoffenwet opgenomen diersoorten dan varkens, kippen en kalkoenen, en dit verschil te delen door 7,4 kilogram fosfaat. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt niet in aanmerking genomen de hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van andere diersoorten dan varkens, kippen en kalkoenen die overeenkomt met het niet-gebonden mestproductierecht voor die diersoorten. De hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald overeenkomstig artikel 55, achtste lid, van de Meststoffenwet.
3.
Het is verboden anders dan op een bedrijf op enig moment een groter aantal varkens te houden dan overeenkomt met 3 varkenseenheden.
Artikel 16
Een varkensrecht kan, onder welke titel dan ook, met inachtneming van artikel 17 geheel of gedeeltelijk overgaan naar een ander bedrijf overeenkomstig de artikelen 18 en 19.
1.
Een varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig van een bedrijf gelegen in een concentratiegebied kan overgaan naar een in hetzelfde gebied gelegen bedrijf of naar een buiten de concentratiegebieden gelegen bedrijf.
2.
Een varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig van een bedrijf gelegen buiten de concentratiegebieden kan uitsluitend overgaan naar een buiten de concentratiegebieden gelegen bedrijf.
3.
Een bedrijf is gelegen binnen een concentratiegebied, onderscheidenlijk buiten de concentratiegebieden, indien de huisvesting waarin de varkens worden of zullen worden gehouden hoofdzakelijk is gelegen binnen het desbetreffende concentratiegebied, onderscheidenlijk buiten de concentratiegebieden. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop wordt bepaald of de huisvesting hoofdzakelijk is gelegen binnen een van de concentratiegebieden, dan wel buiten de concentratiegebieden.
1.
Degene naar wiens bedrijf het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, moet overgaan en degene van wiens bedrijf het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is, geven van de overgang gezamenlijk kennis aan het Bureau Heffingen, met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door beide partijen is ondertekend.
2.
Er kan eerst aanspraak worden gemaakt op het van het andere bedrijf afkomstige varkensrecht, of een gedeelte daarvan, vanaf het tijdstip van registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen.
3.
Op het tijdstip van registratie van de kennisgeving vindt een verkleining plaats van het varkensrecht van het bedrijf waarvan het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is, en vindt een vergroting plaats van het varkensrecht van het bedrijf waarnaar het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, overgaat. De verkleining komt overeen met het aantal varkenseenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft. De vergroting komt overeen met het aantal varkenseenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft, verminderd met:
40%, indien de kennisgeving in 1998 wordt gedaan;
60%, indien de kennisgeving in 1999 wordt gedaan;
25%, indien de kennisgeving na 1999 wordt gedaan.
4.
De verkleining, onderscheidenlijk vergroting, betreft het fokzeugenrecht voor zover zulks door de betrokken partijen bij de kennisgeving is aangegeven.
5.
De verkleining, onderscheidenlijk vergroting, betreft het grondgebonden deel van het varkensrecht of het grondgebonden deel van het fokzeugenrecht, voorzover zulks door de betrokken partijen bij de kennisgeving is aangegeven. Ingeval sprake is van de overgang van een varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, afkomstig van een bedrijf dat is gelegen in een concentratiegebied naar een bedrijf dat is gelegen buiten de concentratiegebieden, betreft de vergroting te allen tijde het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht.
6.
Voor het lopende jaar is de verkleining, onderscheidenlijk vergroting, van het varkensrecht en het fokzeugenrecht beperkt tot het aantal varkenseenheden waarvan de betrokken partijen op het formulier van de kennisgeving hebben aangegeven dat deze op het bedrijf waarvan zij afkomstig zijn in dat jaar niet zijn benut voor het houden van varkens, onderscheidenlijk fokzeugen.
1.
De registratie, bedoeld in artikel 18, vindt niet plaats indien:
a. de kennisgeving betrekking heeft op een groter aantal varkenseenheden dan overeenkomt met het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van het bedrijf waarvan de varkenseenheden afkomstig zijn;
b. niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 17;
c. het formulier, bedoeld in artikel 18, eerste lid, niet volledig en naar waarheid is ingevuld en ondertekend.
2.
Indien eerst na de registratie blijkt dat niet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor registratie is voldaan, wordt de registratie door het Bureau Heffingen doorgehaald. Met terugwerkende kracht tot het tijdstip van de registratie vindt een verkleining plaats van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van het bedrijf waarheen het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, is overgegaan met het aantal varkenseenheden waarop de kennisgeving betrekking had, en vindt een vergroting plaats van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van het bedrijf waarvan het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig was met eenzelfde aantal varkenseenheden, althans voor zover de kennisgeving niet betrekking had op een groter aantal varkenseenheden dan overeenkwam met het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van dat bedrijf.
3.
De in het tweede lid bedoelde verkleining, onderscheidenlijk vergroting, betreft het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, voorzover de kennisgeving daarop betrekking had. Ingeval de kennisgeving betrekking had op een overgang als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, betreft de verkleining het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van het bedrijf waarheen het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, is overgegaan.
1.
In geval van overdracht van een bedrijf kan een verkrijger van het bedrijf eerst aanspraak maken op het varkensrecht van dat bedrijf, vanaf het tijdstip van registratie door het Bureau Heffingen van de door de vervreemder en de verkrijger van het bedrijf gezamenlijk gedane kennisgeving van overgang van het varkensrecht.
2.
Op het tijdstip van registratie van de kennisgeving worden het varkensrecht en het fokzeugenrecht verminderd met:
40%, indien de kennisgeving in 1998 wordt gedaan;
60%, indien de kennisgeving in 1999 wordt gedaan;
25%, indien de kennisgeving na 1999 wordt gedaan.
3.
De artikelen 18, eerste lid, en 19, eerste lid, onderdeel c, zijn op de kennisgeving en registratie, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de kennisgeving niet binnen drie maanden na de overdracht is gedaan, komt het varkensrecht te vervallen.
4.
Dit artikel is niet van toepassing op een overdracht aan een persoon waarmee bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat en evenmin op een overdracht krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in afwijking van de in artikel 18, derde lid, en artikel 20, tweede lid, genoemde percentages andere percentages worden vastgesteld. De bij de maatregel vastgestelde percentages zijn van toepassing op kennisgevingen die zijn gedaan na het tijdstip van inwerkingtreding van de maatregel.
2.
Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kunnen voor verschillende groepen van gevallen de percentages verschillend worden vastgesteld. De percentages kunnen tevens verschillend worden vastgesteld al naar gelang de kennisgeving de overgang van het fokzeugenrecht betreft dan wel het deel van het varkensrecht niet zijnde fokzeugenrecht. Bij de maatregel kunnen omtrent de groepen van gevallen nadere regels worden gesteld.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor de in artikel 18, derde lid, en artikel 20, tweede lid, bedoelde verminderingen aan de belanghebbende van wiens bedrijf het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is, onderscheidenlijk aan de belanghebbende die het bedrijf overdraagt, voor zover de desbetreffende kennisgeving in 1998 of 1999 wordt gedaan.
1.
In afwijking van artikel 228 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan op varkensrechten geen pandrecht worden gevestigd.
2.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat alvorens het Bureau Heffingen de in artikel 18, eerste lid, bedoelde kennisgeving in behandeling neemt, van deze kennisgeving mededeling wordt gedaan aan in die regeling aan te geven derde-belanghebbenden.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het tweede lid, waarbij onder meer kan worden bepaald welke gegevens door het Bureau Heffingen aan de derde-belanghebbenden kenbaar worden gemaakt, de periode gedurende welke het Bureau Heffingen de in artikel 18, eerste lid, bedoelde kennisgeving niet in behandeling neemt, alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen de in de regeling aangegeven derde-belanghebbenden zich bij het Bureau Heffingen dienen aan te melden. Bij de ministeriële regeling kan worden bepaald dat een aanmelding die is gedaan op grond van de krachtens artikel 12, derde lid, van de Wet verplaatsing mestproductie gestelde regels tevens in aanmerking wordt genomen voor de toepassing van dit artikel.
1.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een kennisgeving als bedoeld in artikel 18, eerste lid, een kennisgeving als bedoeld in artikel 20, eerste lid, of een aanmelding als bedoeld in artikel 22, derde lid, eerst door het Bureau Heffingen in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan.
2.
Al naar gelang sprake is van een kennisgeving als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van een kennisgeving als bedoeld in artikel 20, eerste lid, of van een aanmelding als bedoeld in artikel 22, derde lid, kan het bedrag verschillend worden vastgesteld.
1.
In plaats van het in de artikelen 6, 7 en 11 genoemde percentage van 10 geldt een lager percentage en in plaats van het in de artikelen 8 tot en met 13 en 14a genoemde percentage van 90 geldt een hoger percentage voor bedrijven die vanaf 9 juli 1997 tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan een of meer van de volgende voorwaarden voldeden:
a. op het bedrijf werden fokzeugen in groepshuisvesting gehouden;
b. het bedrijf was bij het Productschap voor Vee en Vlees te Rijswijk als houder van scharrelvarkens geregistreerd en voldeed aan de in dat verband door het productschap gestelde voorwaarden;
c. het bedrijf paste biologische productiemethoden toe en was onderworpen aan controle door een controle-organisatie voor biologische landbouw;
d. het bedrijf beschikte over een groen-labelstal;
e. op het bedrijf rustte, blijkens de registratie van het Bureau Heffingen, geen niet-gebonden mestproductierecht.
2.
Het percentage van 10 wordt verminderd met, onderscheidenlijk het percentage van 90 wordt vermeerderd met:
indien is voldaan aan de in onderdeel a van het eerste lid genoemde voorwaarde, het aantal procentpunten dat wordt bepaald door 5 te vermenigvuldigen met het aantal in groepshuisvesting gehouden fokzeugen, en te delen door het varkensrecht zoals dit zonder toepassing van dit artikel zou gelden;
indien is voldaan aan de in de onderdelen a en b van het eerste lid genoemde voorwaarden, 5 procentpunten;
indien is voldaan aan de in onderdeel c van het eerste lid genoemde voorwaarde, 10 procentpunten;
indien is voldaan aan de in onderdeel d van het eerste lid genoemde voorwaarde, 5 procentpunten of, indien dit minder is, het aantal procentpunten dat wordt bepaald door 5 te vermenigvuldigen met het aantal varkens dat in groen-label-stallen kan worden gehuisvest en te delen door het varkensrecht zoals dit zonder toepassing van dit artikel zou gelden;
indien is voldaan aan de in onderdeel e van het eerste lid genoemde voorwaarde, 10 procentpunten.
Het percentage van 10 wordt met ten hoogste 10 procentpunten verlaagd. Het percentage van 90 wordt met ten hoogste 10 procentpunten verhoogd.
3.
De verlaging van het percentage van 10, onderscheidenlijk de verhoging van het percentage van 90, is uitsluitend van toepassing op daartoe aangemelde bedrijven die aan de in het eerste lid, onderdelen a, b, c of d, genoemde voorwaarden voldoen en dat door overlegging van bescheiden hebben aangetoond. Artikel 7, derde lid, is op deze melding van overeenkomstige toepassing. Bij gebreke van een overeenkomstig artikel 7, derde lid, gedane melding wordt het percentage van 10 niet verlaagd, onderscheidenlijk wordt het percentage van 90 niet verhoogd.
4.
Het verstrekken van onjuiste gegevens bij de in het derde lid bedoelde melding is een strafbaar feit.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel, waarbij onder meer aan de toepasselijkheid van het eerste en tweede lid nadere voorwaarden kunnen worden verbonden.
Artikel 25
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor bepaalde groepen van gevallen waarbij de bepaling van de hoogte van het varkensrecht of fokzeugenrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, regels worden gesteld omtrent een van hoofdstuk II en artikel 24 afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten. Bij deze regels kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld, waaronder een verplichte doorhaling van gegevens als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Meststoffenwet.
1.
In bij ministeriële regeling bepaalde gevallen kan Onze Minister het varkensrecht en het fokzeugenrecht van een bedrijf ambtshalve vaststellen.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde vaststelling.
1.
Onze Minister kan ten aanzien van een bedrijf waarvan het varkensrecht is overschreden bepalen dat het op enig moment op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, het door hem vastgestelde aantal niet mag overschrijden.
2.
Het door Onze Minister vastgestelde aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, dat op enig moment ten hoogste mag worden gehouden komt overeen met het aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, dat overeenkomstig het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, gemiddeld gedurende het jaar mag worden gehouden. Dit aantal wordt vermeerderd met 10%.
3.
Onverminderd artikel 15, is het verboden op enig moment op een bedrijf een groter aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, te houden dan het overeenkomstig het eerste en tweede lid door Onze Minister bepaalde aantal.
4.
Voor zolang Onze Minister met betrekking tot een bedrijf gebruik maakt van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid vindt geen registratie als bedoeld in de artikelen 18 en 19 plaats van een kennisgeving die betrekking heeft op het op het desbetreffende bedrijf rustende varkensrecht.
5.
De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan met betrekking tot een bedrijf voor een aaneengesloten periode van ten hoogste drie jaar worden uitgeoefend. Deze periode kan telkens worden verlengd met eenzelfde periode te rekenen vanaf het tijdstip waarop wordt geconstateerd dat op het bedrijf een groter aantal varkens wordt gehouden dan overeenkomt met het overeenkomstig het eerste en tweede lid door Onze Minister bepaalde aantal.
Artikel 28
Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het opmaken, bewaren, overleggen en afdragen van gegevens door houders van varkens, daaronder begrepen personen, rechtspersonen en samenwerkingsverbanden van personen of rechtspersonen die de varkens tijdelijk in het kader van een onderneming, niet zijnde een bedrijf, onder zich hebben, met betrekking tot het door hen gehouden, verhandelde, ontvangen of afgeleverde aantal varkens, onderscheiden naar diercategorieën.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de berekening van het aantal varkens dat gedurende een jaar gemiddeld op het bedrijf is gehouden, alsmede omtrent de daartoe op te maken, te bewaren, over te leggen of af te dragen gegevens.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voor de toepassing van hoofdstuk III en artikel 27 van deze wet regels worden gesteld omtrent het opmaken, bewaren, overleggen of afdragen van gegevens.
4.
Handelen in strijd met krachtens dit artikel gestelde regels is een strafbaar feit.
Artikel 30
De belanghebbende, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel j, kan met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door hem is ondertekend, een kennisgeving van het vervallen, onderscheidenlijk gedeeltelijk vervallen, van het varkensrecht van zijn bedrijf bij het Bureau Heffingen doen. Na registratie van de kennisgeving door het Bureau Heffingen is het varkensrecht nihil, onderscheidenlijk vindt een verkleining van het varkensrecht en het fokzeugenrecht plaats met het desbetreffende aantal varkenseenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft.
Artikel 33
Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 34
Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 36
Er is een structuurschema dat inzicht geeft in de ruimtelijke aspecten van het rijksbeleid inzake de varkenshouderij, rekening houdend met in ieder geval de belangen van diergezondheid, natuur, water en landschap. Het structuurschema is een plan als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
Artikel 37
[Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.]
Artikel 38
[Wijzigt de Meststoffenwet.]
Artikel 39
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
1.
Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de hoofdstukken I tot en met IV van deze wet in de praktijk.
2.
Onze Minister zendt jaarlijks na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een voortgangsverslag over de toepassing en de uitvoering van de hoofdstukken I tot en met IV van deze wet.
1.
Indien artikel 15 op een andere datum dan 1 januari in werking treedt, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dat artikel in het desbetreffende jaar in de genoemde artikelleden in plaats van «jaar» telkens gelezen: het vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel resterende deel van het jaar.
2.
Indien artikel 38 op een andere datum dan 1 januari in werking treedt, wordt in het desbetreffende jaar voor de toepassing van artikel 55, eerste lid, van de Meststoffenwet onder uitbreiding van de productie van dierlijke meststoffen verstaan: een grotere productie dan het op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 38 geldende mestproductierecht, dat achtereenvolgens is vermenigvuldigd met het op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 38 in het desbetreffende jaar verstreken aantal maanden gedeeld door twaalf, en is vermeerderd met het op 31 december van het desbetreffende jaar geldende mestproductierecht dat is vermenigvuldigd met het sedert het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 38 in het desbetreffende jaar verstreken aantal maanden gedeeld door twaalf.
3.
Voor de toepassing van artikel 13 en het tweede lid en voor de toepassing van artikel 55a, eerste lid, van de Meststoffenwet worden ingeval in het betreffende kalenderjaar wijzigingen in de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond hebben plaatsgevonden of verplaatsing als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplaatsing mestproduktie heeft plaatsgevonden, de gevolgen daarvan voor de omvang van het in die bepalingen bedoelde niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen bepaald overeenkomstig de regels van artikel 55 van de Meststoffenwet en overeenkomstig de regels gesteld bij of krachtens de Wet verplaatsing mestproductie , alsof het de bepaling van het op de eerste dag van een kalenderjaar geldende niet-gebonden mestproductierecht zou betreffen en de bedoelde wijzigingen of verplaatsing zich zouden hebben voorgedaan in het voorafgaande kalenderjaar.
1.
Indien artikel 37 op een andere datum dan 1 januari in werking treedt wordt in het desbetreffende kalenderjaar de in artikel 91a, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bedoelde varkensheffing, in afwijking van artikel 91a, derde lid, van die wet, geheven over het tijdvak dat bestaat uit het nog niet verstreken deel van dat jaar naar het aantal varkens, uitgedrukt in heffingseenheden overeenkomstig artikel 91b van die wet, dat gemiddeld in dat tijdvak op het bedrijf wordt gehouden, vermenigvuldigd met de uitkomst van de deling van het aantal kalendermaanden waaruit dat tijdvak bestaat door twaalf.
2.
In geval het eerste lid van toepassing is, is in het desbetreffende kalenderjaar op het tarief van de varkensheffing artikel 91e, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren van toepassing, met dien verstande dat in onderdeel a, van dat artikellid in plaats van «1 januari van het desbetreffende kalenderjaar» wordt gelezen «de datum waarop artikel 37 van de Wet herstructurering varkenshouderij in werking treedt» en in de onderdelen b tot en met e, van dat artikellid in plaats van «in het desbetreffende kalenderjaar» wordt gelezen: in het, vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 37 van de Wet herstructurering varkenshouderij, nog niet verstreken deel van het kalenderjaar.
Artikel 43
Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
1.
Deze wet vervalt met ingang van 1 januari 2007.
2.
Bij koninklijk besluit kan een eerder tijdstip worden bepaald waarop deze wet vervalt. Dit tijdstip is in ieder geval gelegen na 31 december 2004.
3.
De voordracht voor het koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het voornemen daartoe aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend is gemaakt.
Artikel 44
Deze wet wordt aangehaald als: Wet herstructurering varkenshouderij.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 9 april 1998
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven achtentwintigste april 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemeen
+ Hoofdstuk II. Omvang van het varkensrecht en het fokzeugenrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet
+ Hoofdstuk III. Uitbreidingsverbod voor varkens en fokzeugen en bepalingen inzake de overgang van het varkens- en fokzeugenrecht
+ Hoofdstuk IV. Overige bepalingen inzake de varkens- en fokzeugenrechten
+ Hoofdstuk V. Structuurschema voor de varkenshouderij en wijziging van andere wetten
+ HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht