Let op. Deze wet is vervallen op 1 september 2014. U leest nu de tekst die gold op 31 augustus 2014.

Wet houdende regeling toewijzing van een extra zetel voor Nederland in het Europees Parlement

Uitgebreide informatie
Wet van 24 juni 2010, houdende regeling van de toewijzing van een extra zetel voor Nederland in het Europees Parlement
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Europese Raad heeft bepaald dat aan Nederland tijdens de huidige zittingsperiode van het Europees Parlement een extra zetel in het Europees Parlement wordt toegewezen en dat voor deze toewijzing een eenmalige wettelijke voorziening noodzakelijk is;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement stelt in aanvulling op de vaststelling van de uitslag van de verkiezing van de leden van het Europees Parlement op 4 juni 2009 vast aan welke lijst de extra zetel voor Nederland in het Europees Parlement toevalt. Deze vaststelling omvat mede de benoemdverklaring van een kandidaat op deze zetel. De artikelen P 20, P 22, eerste en tweede lid, P 23 en P 24 van de Kieswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de openbare zitting van het centraal stembureau binnen twee weken na de inwerkingtreding van deze wet plaatsvindt.
2.
De extra zetel valt toe aan de lijst die, na toewijzing van de laatst toegewezen restzetel bij de vaststelling van de uitslag van de verkiezing van de leden van het Europees Parlement op 4 juni 2009, bij voortgezette toepassing van de artikelen P 7, P 10 tot en met P 19a en Y 23a van de Kieswet als eerste in aanmerking komt voor de toewijzing van een restzetel, uitgaande van de kiesdeler die op basis van de uitslag van de verkiezing van de leden van het Europees Parlement op 4 juni 2009 is vastgesteld.
3.
Tot lid van het Europees Parlement wordt benoemd verklaard de daarvoor in aanmerking komende kandidaat die in de volgorde, bedoeld in artikel P 19 van de Kieswet, het hoogst is geplaatst op de lijst, bedoeld in het tweede lid. Artikel W 2 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat alleen die verklaringen als bedoeld in artikel W 2, eerste lid, onder f, van de Kieswet in aanmerking worden genomen, die door de voorzitter van het centraal stembureau zijn ontvangen voor of binnen een week na de inwerkingtreding van deze wet.
4.
Voor de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt het model gebruikt dat in de bijlage bij deze wet is opgenomen.
5.
Artikel 8:4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht is mede van toepassing op de vaststelling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2
De artikelen Y 25 en Y 26 van de Kieswet zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a. de benoeming, bedoeld in artikel 1, bij de toepassing van de artikelen V 1 en V 3 tot en met V 10 van de Kieswet wordt aangemerkt als een benoeming in een opengevallen plaats als bedoeld in artikel W 1 van de Kieswet; en
b. bij het onderzoek van de geloofsbrieven, bedoeld in artikel V 4 van de Kieswet, de vaststelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, kan worden betrokken.
Artikel 3
In afwijking van artikel Y 5 van de Kieswet vangt het lidmaatschap van het op grond van artikel 1 benoemde lid van het Europees Parlement aan met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen datum en eindigt het lidmaatschap op het tijdstip waarop de zittingsperiode eindigt van de leden van het Europees Parlement die op 4 juni 2009 zijn gekozen.
1.
De voorzitter van het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement wijst de kandidaat die op grond van artikel 1 in aanmerking komt voor benoeming tot lid van het Europees Parlement aan als waarnemer in de zin van artikel 11, vierde lid, van het Reglement van het Europees Parlement. Artikel 8:4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht is mede van toepassing op deze aanwijzing.
2.
Hoofdstuk W van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing op de opvolging van de ingevolge het eerste lid aangewezen waarnemer.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld betreffende het waarnemerschap.
1.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2.
Deze wet vervalt met ingang van 1 september 2014.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges, en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 24 juni 2010
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de vijftiende juli 2010
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht