Wet van 2 juli 1969, houdende regelen nopens de hygiëne en de veiligheid in zweminrichtingen
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de wet regelen te stellen met betrekking tot de hygiëne en de veiligheid in zweminrichtingen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
badinrichting: een voor het publiek of voor personen, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën, toegankelijke plaats, welke is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen of baden, tezamen met de daarbij behorende terreinen, gebouwen, getimmerten en uitrustingen;
badseizoen: tijdvak als bedoeld in artikel 2 van de zwemwaterrichtlijn;
bevoegd bestuursorgaan: bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de artikelen 6.2 en 6.3 van de Waterwet te verlenen;
inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar;
locatie: plaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de zwemwaterrichtlijn;
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
zwemwaterprofiel: zwemwaterprofiel als bedoeld in artikel 6 van de zwemwaterrichtlijn;
zwemwaterrichtlijn: richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG (PbEU L 64).
2.
Bij ministeriële regeling worden de aanvang en het einde van het badseizoen vastgesteld en kunnen andere tijdstippen en termijnen die bij de toepassing van deze wet regeling behoeven worden vastgesteld.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de indeling van het zwemwater in de klassen slecht, aanvaardbaar, goed of uitstekend zoals bedoeld in artikel 5 van de zwemwaterrichtlijn.
4.
De bevoegdheid tot het stellen van regels op grond van de artikelen 1, tweede en derde lid, 10b, vierde lid, 10ca, 10e, 10f en 11, vierde lid, kan slechts worden aangewend voor zover zulks noodzakelijk is ter implementatie van EG-richtlijnen.
Artikel 2
Het is de houder van een badinrichting verboden gelegenheid tot zwemmen of baden in die inrichting te geven, indien niet is voldaan aan de met betrekking tot die inrichting krachtens de artikelen 3, 4 en 7 geldende voorschriften.
1.
In het belang van de hygiëne kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot badinrichtingen voorschriften worden gegeven betreffende:
a. de hoedanigheid en de behandeling van het zwem- en badwater;
b. het aantal en de inrichting van douches en toiletten;
c. de voorziening met drink- en waswater en de afvoer van afvalwater;
d. de te bezigen materialen;
e. het treffen van voorzieningen ten behoeve van de reinheid;
f. de gelegenheid tot het bergen van kleding;
g. het aantal gelijktijdig toe te laten bezoekers;
h. het toezicht,
i. preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid.
2.
De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, bevatten slechts hetgeen naar Ons oordeel uit het oogpunt van hygiëne strikt noodzakelijk is.
3.
De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, onder a, gelden niet met betrekking tot de badinrichtingen behorend tot de op grond van artikel 10b, tweede lid, aangewezen locaties.
1.
In het belang van de veiligheid van de bezoekers kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot badinrichtingen voorschriften worden gegeven betreffende:
a. het treffen van technische voorzieningen;
b. de voorzieningen met betrekking tot het zich te water begeven;
c. het in het zwem- en badwater aanbrengen van een aanduiding der waterdiepten;
d. de te bezigen materialen;
e. het treffen van voorzieningen ten behoeve van eerste hulp bij ongelukken;
f. het aantal gelijktijdig toe te laten bezoekers;
g. het toezicht.
2.
De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, bevatten slechts hetgeen naar Ons oordeel uit het oogpunt van veiligheid strikt noodzakelijk is.
1.
In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten, op verzoek van de houder van een badinrichting, ontheffing verlenen van krachtens de artikelen 3 en 4 gegeven voorschriften.
2.
Een besluit, ontheffing betreffende, treedt eerst in werking zodra het onherroepelijk is geworden.
3.
Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4.
Alvorens een besluit te nemen horen gedeputeerde staten burgemeester en wethouders.
5.
Op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek beslist. Van het besluit wordt mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders.
1.
Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot een in hun provincie gelegen badinrichting in het belang van de hygiëne en de veiligheid van de bezoekers nadere voorschriften geven.
2.
Bij een besluit krachtens het eerste lid wordt een termijn gesteld, bij het verstrijken waarvan de voorschriften gaan gelden. De termijn gaat eerst in zodra het besluit onherroepelijk is geworden.
3.
Alvorens aan het eerste lid toepassing te geven horen gedeputeerde staten de houder van de badinrichting en burgemeester en wethouders.
4.
Van het besluit wordt mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders.
1.
Degene die voornemens is een badinrichting op te richten, te wijzigen of uit te breiden, geeft van dat voornemen kennis aan gedeputeerde staten.
2.
Gedeputeerde staten doen van de kennisgeving mededeling aan burgemeester en wethouders.
3.
Onze Minister kan terzake nadere regelen stellen.
1.
De houder van een badinrichting is verplicht de hoedanigheid van het zwem- en badwater regelmatig te onderzoeken.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, nadere regelen worden gesteld.
3.
De uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, worden ter kennis gebracht van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen organen en aan gedeputeerde staten.
1.
Gedeputeerde staten maken jaarlijks aan Onze Minister en aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de locaties bekend waar naar hun oordeel door een groot aantal personen wordt gezwommen. Zij nemen daarbij in aanmerking de ontwikkelingen met betrekking tot het aantal personen, de infrastructuur of faciliteiten en de ter bevordering van het zwemmen getroffen maatregelen.
2.
Gedeputeerde staten wijzen jaarlijks na overleg met het bevoegd bestuursorgaan de op basis van het eerste lid aangemerkte locaties aan, indien daarvan de functie van zwemwater in de plannen, bedoeld in de artikelen 4.1, 4.4 en 4.6 van de Waterwet is vastgelegd, en stellen Onze in het eerste lid genoemde Ministers daarvan op de hoogte.
3.
Een op basis van het eerste lid aangemerkte locatie wordt evenwel niet aangewezen, indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren de locatie in de klasse slecht is ingedeeld.
4.
Gedeputeerde staten zijn bevoegd om in bij algemene maatregel van bestuur te regelen gevallen een op basis van het eerste lid aangemerkte locatie niet aan te wijzen indien toepassing is gegeven aan artikel 11, tweede lid.
5.
Indien een op basis van het eerste lid aangemerkte locatie niet wordt aangewezen, gelasten gedeputeerde staten de houder van een badinrichting deze te sluiten, dan wel indien het niet een badinrichting betreft, stellen zij een zwemverbod in of brengen een negatief zwemadvies uit.
1.
Op de voorbereiding van een aanwijzing als bedoeld in artikel 10b, tweede lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door de ingezetenen van de desbetreffende provincie en overige belanghebbenden.
2.
Indien de aanwijzing, bedoeld in artikel 10b, tweede lid, betrekking heeft op grensvormende of grensoverschrijdende wateren, worden de ten aanzien van die wateren bevoegde Duitse of Belgische autoriteiten geraadpleegd.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de voorlichting van het publiek omtrent zwemwater die gedeputeerde staten op een passende wijze in de nabijheid van een zwemwater en via media en technologieën verstrekken, gedurende het badseizoen.
2.
Het bevoegd bestuursorgaan en gedeputeerde staten verschaffen aan Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde inlichtingen en gegevens.
1.
Gedeputeerde staten stellen jaarlijks een onderzoek in naar de veiligheid bij het zwemmen op de op grond van artikel 10b, tweede lid, aangewezen locaties voor zover het geen badinrichtingen zijn. Voor zover de uitkomsten van dit onderzoek niet leiden tot toepassing van artikel 11, dragen gedeputeerde staten er zorg voor dat het publiek door middel van voorzieningen ter plaatse omtrent de veiligheid wordt ingelicht.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen terzake nadere regelen worden gesteld.
Artikel 10e
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het monitoren van zwemwater door het bevoegd bestuursorgaan en wordt bepaald op welke parameters de monitoring betrekking heeft welke parameters slechts betrekking mogen hebben op de factoren die de gezondheid van de zwemmer kunnen betreffen en op afval.
Artikel 10f
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. het zwemwaterprofiel dat het bevoegd bestuursorgaan met een in die maatregel te bepalen frequentie opstelt waarin de kenmerken van het zwemwater en de omgeving worden opgenomen die de hoedanigheid van het zwemwater kunnen beïnvloeden,
b. de beoordeling van de hoedanigheid van het zwemwater die het bevoegd bestuursorgaan na afloop van het badseizoen uitvoert aan de hand van de resultaten van het in artikel 10e bedoelde onderzoek,
c. de maatregelen die het bevoegd bestuursorgaan neemt opdat het zwemwater op locaties waar geen toepassing is gegeven aan artikel 11, tweede lid, voldoet aan de in artikel 5, derde lid, van de zwemwaterrichtlijn gestelde eisen, en
d. de voorwaarden waaronder een zwemwater gedurende maximaal vijf jaar in de klasse slecht wordt ingedeeld.
1.
Indien de omstandigheden met betrekking tot een badinrichting of een andere plaats die wordt gebruikt voor het zwemmen, daartoe uit oogpunt van hygiëne of veiligheid van de bezoekers aanleiding geven, kunnen gedeputeerde staten de houder van de badinrichting gelasten deze te sluiten, onderscheidenlijk een zwemverbod instellen of een negatief zwemadvies uitbrengen.
2.
Gedeputeerde staten gelasten de houder van een badinrichting in oppervlaktewater deze te sluiten, respectievelijk stellen een zwemverbod in of brengen een negatief zwemadvies uit voor een andere locatie, indien de maatregelen teneinde te voldoen aan de klasse aanvaardbaar niet uitvoerbaar of onevenredig kostbaar zijn.
3.
Ingeval voor de gezondheid of de veiligheid van de bezoekers onmiddellijk gevaar dreigt, kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, worden uitgeoefend door Onze commissaris in de provincie.
4.
Met betrekking tot de op grond van artikel 10b, tweede lid, aangewezen locaties wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald dat binnen een daarbij te stellen termijn aan het eerste lid toepassing moet worden gegeven indien niet wordt voldaan aan bij die maatregel gestelde eisen betreffende de hoedanigheid van het zwemwater.
5.
Indien vanwege het gevaar voor de verspreiding van een infectieziekte als bedoeld in artikel 2 van de Infectieziektenwet een besluit krachtens het eerste of derde lid wordt overwogen, wordt voorafgaande aan dat besluit het advies ingewonnen van de desbetreffende directeur als bedoeld in die wet .
1.
Een krachtens artikel 11, eerste of derde lid, gegeven last of gesteld verbod wordt, al dan niet op verzoek van de rechthebbende, opgeheven onderscheidenlijk ingetrokken zodra een wijziging van de omstandigheden dat mogelijk maakt.
2.
Van een besluit, genomen krachtens artikel 10b, vijfde lid, en artikel 11, eerste, tweede of derde lid, of krachtens het eerste lid, wordt mededeling gedaan aan de inspecteur en aan burgemeester en wethouders.
3.
Een besluit krachtens het eerste lid treedt eerst in werking zodra het onherroepelijk is geworden.
1.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet binnen een provincie of gemeente zijn tevens belast de bij besluit van gedeputeerde staten onderscheidenlijk burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.
3.
Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
4.
Van een besluit als bedoeld in een der voorgaande leden, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 22
De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van een krachtens artikel 11, eerste lid, gegeven last.
1.
Een gedraging in strijd met het verbod, gesteld bij artikel 2, of met een last, gegeven krachtens artikel 10b, vijfde lid, en artikel 11, eerste, tweede of derde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
2.
Een gedraging in strijd met een voorschrift, gegeven bij of krachtens artikel 5, derde lid, 10, eerste lid of tweede lid, of 10a, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
3.
Een gedraging in strijd met een verbod, gesteld krachtens artikel 11, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.
4.
De in de voorgaande leden strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 24
De rechthebbenden op gronden en gebouwen waarin of waarop tekens worden bevestigd, zijn gehouden het aanbrengen van die tekens en wat tot instandhouding daarvan vereist wordt, te gedogen, mits dit minstens tweemaal vierentwintig uren te voren wordt aangezegd door gedeputeerde staten.
1.
Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2.
De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.
Artikel 26
De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1, derde lid, 10b, 10d, 10e, 10f en 11, vierde lid, wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 27
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.
Artikel 28
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 2 juli 1969.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Uitgegeven de vierentwintigste juli 1969.
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 10a
Artikel 10b
Artikel 10c
Artikel 10ca
Artikel 10d
Artikel 10e
Artikel 10f
Artikel 11
Artikel 11a
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 24a
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken