Wet van 30 oktober 2007 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van richtlijn markten voor financiële instrumenten (Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet op het financieel toezicht te wijzigen in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen nr. 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145), richtlijn nr. 2006/73/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PbEU L 241) en verordening nr. 1287/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europese Parlement en de Raad wat de voor beleggingsonderneming geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn betreft (PbEU L 241);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
[Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.]
Artikel II
[Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen, enz.]
A.
1. Een marktexploitant die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschikt over een erkenning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, wordt na dat tijdstip geacht als marktexploitant te beschikken over de vergunning voor het exploiteren of beheren van een gereglementeerde markt, bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van die wet.
2. Een beleggingsonderneming die een multilaterale handelsfaciliteit exploiteert en die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschikt over een erkenning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, wordt na dat tijdstip geacht als beleggingsonderneming te beschikken over de vergunning voor het exploiteren of beheren van een multilaterale handelsfaciliteit, bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van die wet.
3. Een houder van een met een multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is en die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschikt over een ontheffing als bedoeld in artikel 5:27, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, wordt na dat tijdstip geacht als beleggingsonderneming te beschikken over de ontheffing, bedoeld in de artikelen 2:96, tweede lid, juncto 4:91e van die wet.
4. Een houder van een met een gereglementeerde markt vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is en die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschikt over een ontheffing als bedoeld in artikel 5:27, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, wordt na dat tijdstip geacht als marktexploitant te beschikken over de ontheffing, bedoeld in artikel 5:26, derde lid, van die wet.
5. Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 5:32, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op artikel 3:95, eerste lid, onderdeel c, van die wet indien zij betrekking heeft op een multilaterale handelsfaciliteit, of op artikel 5:32d, tweede lid, van die wet indien zij betrekking heeft op een gereglementeerde markt.
B.
1. Een beleggingsonderneming als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht kan een cliënt die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voldoet aan de definitie van professionele belegger in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, als professionele belegger kwalificeren. De beleggingsonderneming hoeft de cliënt van deze kwalificatie niet in kennis te stellen.
2. Een beleggingsonderneming als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht hoeft een cliënt niet in kennis te stellen van de kwalificatie, bedoeld in artikel 4:18a, eerste lid, van die wet, indien die cliënt op het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel door de beleggingsonderneming niet als professionele belegger werd behandeld en na dat tijdstip als niet-professionele belegger wordt gekwalificeerd als bedoeld in dat artikel.
C.
Een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verleend voor het verlenen van een van de beleggingsdiensten, bedoeld in de onderdelen a, b of h van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, zoals die luidden voorafgaand aan dat tijdstip, wordt vanaf dat tijdstip geacht tevens te zijn verleend voor het verlenen van de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van die wet.
D.
Een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is verleend voor het verlenen van de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1, van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voorafgaand aan dat tijdstip, wordt vanaf dat tijdstip geacht te zijn verleend voor het verlenen van de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van die wet.
E.
[Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.]
F.
1. [Wijzigt deze wet.]
2. [Wijzigt deze wet.]
3. [Wijzigt deze wet.]
G.
[Wijzigt deze wet.]
1.
Bij ministeriële regeling kunnen, voorzover dit noodzakelijk is voor het herstel van onbedoelde gevolgen van deze wet en zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen.
2.
Na de plaatsing in de Staatscourant van een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel V
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel VI
Deze wet wordt aangehaald als: Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 30 oktober 2007
De Minister van Financiën
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2007
De Minister van Justitie
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht