Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet inburgering nieuwkomers

Uitgebreide informatie
Wet van 9 april 1998, houdende regels met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering nieuwkomers)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. nieuwkomer:
1°. De vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 en artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die voor de eerste keer tot Nederland is toegelaten, behoudens degene die hier voor een tijdelijk doel verblijft, tenzij hij behoort tot een bij regeling van Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid aan te wijzen categorie van vreemdelingen, en behoudens degene die op grond van bepalingen van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties niet verplicht kan worden aan een inburgeringsprogramma deel te nemen, en
2°. de Nederlander die geboren is buiten Nederland, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en voor de eerste keer in Nederland ingezetene in de zin van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is;
b. college van burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de nieuwkomer een woonplaats als bedoeld in titel 3 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft;
c. inburgeringsonderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 4, derde lid;
d. inburgeringsprogramma: een programma als bedoeld in artikel 6, eerste lid;
e. educatief programma: een programma als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a;
f. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.3.4 van die wet is gesloten;
g. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1.1, onder w, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
h. deelnemer: de nieuwkomer die zich bij een instelling heeft laten inschrijven voor het volgen van het voor hem vastgestelde educatieve programma;
i. toets: de toets, bedoeld in artikel 10;
j. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid;
k. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2.
Onder verblijf voor een tijdelijk doel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt het verblijf verstaan van:
a. de vreemdeling ten behoeve van wie over een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen wordt beschikt, en zijn gezinsleden,
b. de vreemdeling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet arbeid vreemdelingen, en zijn gezinsleden en
c. de vreemdeling die behoort tot een bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen categorie van vreemdelingen.
3.
Met een nieuwkomer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en onder 2°, worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld respectievelijk de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bedoelde vreemdeling en de in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde Nederlander, op wie de artikelen 2 en 4a van de Leerplichtwet 1969 niet van toepassing zijn en die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.
4.
Met een nieuwkomer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en onder 2°, worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld respectievelijk de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bedoelde vreemdeling en de in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde Nederlander, die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en die op grond van de artikelen 4a tot en met 4c van de Leerplichtwet 1969, gedurende ten hoogste twee dagen per week het daar bedoelde onderwijs geregeld zou dienen te volgen. Artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 is niet van toepassing ten aanzien van degene die op grond van de eerste volzin is gelijkgesteld met een nieuwkomer.
1.
Iedere nieuwkomer meldt zich op een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen wijze bij een door dit college aangewezen instantie voor het houden van een inburgeringsonderzoek. Hij meldt zich met een door hem ingevuld aanmeldingsformulier. Indien het een nieuwkomer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, betreft, wordt hem dit formulier overhandigd tegelijk met de beschikking waarbij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingewilligd. Indien het een nieuwkomer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, betreft, wordt hem dit formulier overhandigd op het moment dat hij aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet. Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt voor het formulier een model vast.
2.
De nieuwkomer die vreemdeling is, voldoet aan de in het eerste lid bedoelde verplichting:
a. indien hij in een opvangcentrum verblijft, binnen zes weken nadat hij na vertrek uit het centrum voor de eerste keer aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft gedaan, en
b. in de overige gevallen, binnen zes weken nadat hem de beschikking, waarbij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingewilligd is uitgereikt.
3.
De nieuwkomer die Nederlander is, voldoet aan de in het eerste lid bedoelde verplichting binnen zes weken nadat hij aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 65 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft gedaan.
4.
Onder een opvangcentrum als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen.
1.
Het college van burgemeester en wethouders ontheft de nieuwkomer van de in artikel 2 bedoelde verplichting, indien deze:
a. op lichamelijke of psychische gronden niet in staat is aan enige krachtens deze wet voor hem geldende verplichting te voldoen,
b. behoort tot de nieuwkomers, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en hier voor een tijdelijk doel verblijft of aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken vast te stellen opleidingseisen voldoet, of
c. op andere dan onder a en b bedoelde, gewichtige gronden niet in staat is aan een zodanige verplichting te voldoen.
2.
De nieuwkomer dient een aanvraag tot een ontheffing als bedoeld in het eerste lid in binnen dezelfde termijn als waarbinnen aan de in artikel 2 bedoelde verplichting zou moeten zijn voldaan.
3.
Het college van burgemeester en wethouders vermeldt in zijn besluit tot ontheffing de duur van de ontheffing. De duur van de ontheffing bedraagt ten hoogste een jaar. De ontheffing wordt voor onbepaalde tijd verleend, indien:
a. uit bij de aanvraag verschafte gegevens en bescheiden blijkt dat de nieuwkomer nooit in staat zal zijn aan enige krachtens deze wet voor hem geldende verplichting te voldoen, of
b. betrokkene een nieuwkomer als bedoeld in het eerste lid, onder b, is.
4.
Het college van burgemeester en wethouders kan de duur van de ontheffing verlengen. Op het besluit tot verlenging is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
5.
Zolang niet op de aanvraag tot ontheffing of tot verlenging van de duur daarvan is beslist, is de in artikel 2 bedoelde verplichting opgeschort.
6.
Onder verblijf voor een tijdelijk doel als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt het verblijf verstaan van de Nederlander die behoort tot een bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen categorie van Nederlanders. De aan te wijzen categorie komt zoveel mogelijk overeen met een categorie van vreemdelingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat het inburgeringsonderzoek zo spoedig mogelijk wordt gehouden nadat de betrokken nieuwkomer zich heeft gemeld. Het college draagt er tevens zorg voor dat bij het onderzoek een instelling en, voor zover de nieuwkomer op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen het recht toekomt zich te laten registreren als werkzoekende, de Centrale organisatie werk en inkomen worden betrokken.
2.
Het inburgeringsonderzoek is een onderzoek naar de mate waarin de nieuwkomer in Nederland in een maatschappelijke achterstandssituatie kan geraken. Het onderzoek heeft in ieder geval betrekking op de mate waarin de nieuwkomer actief en passief de Nederlandse taal beheerst en kennis van de Nederlandse samenleving en de Nederlandse arbeidsmarkt heeft, alsmede op de mate waarin hij naar verwachting door het volgen van een voor hem vast te stellen inburgeringsprogramma kennis, inzicht en vaardigheden kan verwerven met het oog op verdere scholing of toegang tot de arbeidsmarkt.
3.
Het inburgeringsonderzoek bestaat uit:
a. een beoordeling van het ingevulde aanmeldingsformulier,
b. tenzij uit de op het formulier ingevulde gegevens blijkt dat de nieuwkomer niet voor een inburgeringsprogramma in aanmerking komt, een begingesprek met de nieuwkomer waarin het doel van een inburgeringsprogramma en de verdere procedure uiteen worden gezet en de nieuwkomer, zo nodig, om een toelichting op deze gegevens wordt gevraagd,
c. tenzij uit het begingesprek blijkt dat de nieuwkomer niet voor een inburgeringsprogramma in aanmerking komt, een test van de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de nieuwkomer ten behoeve van de vaststelling van de inhoud van het inburgeringsprogramma en
d. tenzij uit de resultaten van de test blijkt dat de nieuwkomer niet voor een inburgeringsprogramma in aanmerking komt, een eindgesprek met de nieuwkomer waarin met hem het vast te stellen inburgeringsprogramma, het met het programma te bereiken einddoel en zijn rechten en verplichtingen worden besproken.
4.
De nieuwkomer verleent zijn medewerking aan het inburgeringsonderzoek. Het college van burgemeester en wethouders maakt aan de nieuwkomer tijdig bekend waaruit de te verlenen medewerking bestaat.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de criteria aan de hand waarvan het inburgeringsonderzoek wordt gehouden.
1.
Zo spoedig mogelijk nadat het inburgeringsonderzoek is gehouden, stelt het college van burgemeester en wethouders op grond van de resultaten van het onderzoek voor de betrokken nieuwkomer een inburgeringsprogramma vast. Het inburgeringsprogramma is gericht op vergroting van de sociale redzaamheid van de nieuwkomer en van diens mogelijkheden om zich verder te scholen of toe te treden tot de arbeidsmarkt.
2.
Het college van burgemeester en wethouders besluit het vaststellen van een inburgeringsprogramma achterwege te laten, indien tijdens het inburgeringsonderzoek aannemelijk is geworden dat de nieuwkomer de kennis, het inzicht en de vaardigheden die hij door het deelnemen aan een inburgeringsprogramma zou kunnen verwerven, reeds in voldoende mate op andere wijze heeft verworven dan wel binnen een redelijke termijn in voldoende mate op andere wijze zal verwerven.
3.
Het college van burgemeester en wethouders kan aan een besluit als bedoeld in het tweede lid de voorwaarde verbinden dat de betrokken nieuwkomer op een door het college te bepalen datum een toets aflegt en daarbij het in artikel 11, eerste lid, onder b, bedoelde niveau behaalt. Het college draagt er zorg voor dat de toets wordt afgenomen door een instelling. In het geval dat aan de in de eerste volzin genoemde voorwaarde niet wordt voldaan, stelt het college zo spoedig mogelijk na de datum waarop de resultaten van de toets bekend zijn gemaakt, voor de betrokken nieuwkomer alsnog een inburgeringsprogramma vast. In dat geval wordt de termijn, bedoeld in artikel 8.1.3, achtste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs verlengd met de tijd die is verlopen tussen de datum waarop het in de eerste volzin bedoelde besluit is genomen, en de datum waarop het inburgeringsprogramma is vastgesteld.
4.
Onverminderd het derde lid kan de in het tweede lid bedoelde nieuwkomer bij het college van burgemeester en wethouders een aanvraag indienen tot het nemen van een besluit hem een toets te laten afleggen. Het college voldoet aan deze aanvraag, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Indien het college aan de aanvraag voldoet, draagt het er zorg voor dat de toets wordt afgenomen door een instelling.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels over de uitvoering van het tweede lid worden gesteld.
1.
Een inburgeringsprogramma bestaat uit:
a. een op het niveau, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b, gericht educatief programma van een door het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van het tweede lid vast te stellen aantal uren dat de volgende onderdelen bevat:
1°. een op dat niveau gericht deel van een in artikel 7.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde opleiding Nederlands als tweede taal I of II,
2°. een in dat artikel van die wet bedoelde opleiding gericht op sociale redzaamheid,
3°. een in dat artikel van die wet bedoelde opleiding gericht op breed maatschappelijk functioneren en
4°. een toets,
b. maatschappelijke begeleiding en
c. doorgeleiding naar een instantie die zorgdraagt voor verdere scholing of voor toegang tot de arbeidsmarkt, voor zover de nieuwkomer daarvoor in aanmerking komt.
2.
In het inburgeringsprogramma worden in ieder geval het resultaat, de intensiteit en de duur van de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, bedoelde onderdelen van het educatieve programma vastgesteld. Het aantal uren van het educatieve programma wordt vastgesteld op de grondslag van een gemiddelde omvang van deze programma's van 600 uren.
3.
Indien tijdens het inburgeringsonderzoek aannemelijk is geworden dat de nieuwkomer de kennis, het inzicht en de vaardigheden die hij zou verwerven door het volgen van een van de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, bedoelde onderdelen van het educatieve programma of gedeelten daarvan, reeds in voldoende mate op andere wijze heeft verworven dan wel binnen een redelijke termijn in voldoende mate op andere wijze zal verwerven, neemt het college van burgemeester en wethouders dit onderdeel of gedeelte daarvan niet op in het voor de betrokken nieuwkomer vast te stellen inburgeringsprogramma.
4.
Het college van burgemeester en wethouders kan het inburgeringsprogramma wijzigen, indien de evaluatiegesprekken, bedoeld in artikel 15, of andere, bijzondere redenen daartoe aanleiding geven.
5.
Het college van burgemeester en wethouders vraagt een instelling om advies ten behoeve van het vaststellen of wijzigen van het inburgeringsprogramma, voor zover dit het educatieve programma betreft.
Artikel 7
Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat er voor de nieuwkomers voor wie een inburgeringsprogramma is vastgesteld, een zodanig aanbod van inburgeringsprogramma's is dat zij aan de krachtens deze wet voor hen geldende verplichtingen kunnen voldoen.
Artikel 8
Binnen een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen termijn na de bekendmaking van het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma, laat de nieuwkomer zich voor het volgen van het educatieve programma inschrijven bij een instelling. Het college draagt er zorg voor dat deze termijn zo wordt gekozen dat het bevoegd gezag van de instelling kan voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 8.1.3, achtste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
1.
De deelnemer is aanwezig bij alle onderdelen van het voor hem vastgestelde educatieve programma.
2.
De deelnemer is van de in het eerste lid bedoelde verplichting vrijgesteld, zolang zich een van de in artikel 11, onder a tot en met e en g, van de Leerplichtwet 1969 genoemde omstandigheden voordoet, met dien verstande dat in dat artikel voor «jongere» moet worden gelezen: deelnemer.
3.
In het geval, bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 12 , 13 , 13b en 14 van de Leerplichtwet 1969 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in de gevallen, bedoeld in de artikelen 13b en 14, eerste lid, van die wet, de kennisgeving, onderscheidenlijk het verzoek wordt gedaan door de deelnemer.
1.
Het bevoegd gezag van de instelling waarbij de deelnemer zich heeft laten inschrijven, geeft de deelnemer binnen een jaar na de inschrijving de gelegenheid een toets af te leggen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de deelnemer de in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, bedoelde onderdelen van het voor hem vastgestelde educatieve programma tijdig binnen deze termijn heeft voltooid.
2.
Het bevoegd gezag van de instelling kan de deelnemer de gelegenheid geven een toets af te leggen, indien deze de in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, bedoelde onderdelen van het voor hem vastgestelde educatieve programma nog niet heeft voltooid, mits de deelnemer tegenover het bevoegd gezag aannemelijk heeft kunnen maken dan wel het bevoegd gezag op grond van eigen bevindingen verwacht dat de deelnemer bij de toets het in artikel 11, eerste lid, onder b, bedoelde niveau zal kunnen behalen. Indien dit niveau wordt behaald, vervalt voor de deelnemer de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verplichting. Indien dit niveau niet wordt behaald, worden de desbetreffende onderdelen van het educatieve programma voortgezet totdat zij zijn voltooid, dan wel tot een eerder tijdstip, zodra opnieuw aan de in de eerste volzin bedoelde voorwaarde wordt voldaan.
3.
Indien de deelnemer daartoe de gelegenheid is gegeven, legt hij de toets af.
1.
De resultaten van de toets worden gemeten naar twee verschillende niveaus, waarbij:
a. het ene niveau tenminste aangeeft dat de deelnemer in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden beschouwd op een wijze als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, en
b. het andere niveau in voorkomende gevallen betekenis heeft voor de doorstroming naar vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen worden nadere regels gesteld over de in het eerste lid bedoelde niveaus.
1.
De nieuwkomer verleent zijn medewerking aan de in artikel 6, eerste lid, onder b en c, bedoelde onderdelen van het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma.
2.
Ten behoeve van de uitvoering van het in artikel 6, eerste lid, onder c, bedoelde onderdeel van het inburgeringsprogramma draagt het college van burgemeester en wethouders er zorg voor dat een advies wordt opgesteld over doorstroming van de nieuwkomer naar vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt. Bij het opstellen van het advies worden de resultaten, vermeld in de verklaring, bedoeld in artikel 7.4.15 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en de Centrale organisatie werk en inkomen betrokken.
1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat het inburgeringsprogramma is voltooid binnen zes maanden nadat de betrokken nieuwkomer de toets heeft afgelegd.
2.
Nadat het inburgeringsprogramma is voltooid, draagt het college van burgemeester en wethouders er zorg voor dat aan de deelnemer een certificaat wordt uitgereikt waaruit diens deelname aan het programma blijkt. Indien uit de verklaring, bedoeld in artikel 7.4.15 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, blijkt dat de deelnemer heeft voldaan aan een van de in artikel 11, eerste lid, bedoelde niveaus, wordt op het certificaat het behaalde niveau vermeld.
3.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken stelt voor het certificaat een model vast.
Artikel 14
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld voor het geval dat de nieuwkomer tijdens zijn deelname aan het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma aangifte van adreswijziging als bedoeld in artikel 66 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet bij het bestuur van een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college van burgemeester en wethouders het inburgeringsprogramma heeft vastgesteld.
1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat de nieuwkomer vanaf het moment waarop deze zich op grond van artikel 2 heeft gemeld, tot aan het moment waarop het inburgeringsprogramma is voltooid, voldoende wordt begeleid.
2.
Ten behoeve van de begeleiding van de nieuwkomer wordt voor hem een individueel trajectplan opgesteld waarin het tijdens het inburgeringsonderzoek vastgestelde niveau van de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de nieuwkomer, het met het inburgeringsprogramma te bereiken einddoel en een regeling van tussentijdse evaluatiegesprekken met de nieuwkomer worden vastgelegd. Tijdens deze evaluatiegesprekken wordt vastgesteld welke voortgang de nieuwkomer heeft geboekt bij het deelnemen aan het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over de vaststelling van de voortgang alsmede over de registratie daarvan.
Artikel 16
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kent, na overleg met Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Binnenlandse Zaken, aan de gemeenten jaarlijks een rijksbijdrage toe ten behoeve van de uitvoering van de artikelen 4, 5 en 6, eerste lid, onder b en c, en 15. De bijdrage wordt, binnen het raam van de door de begrotingswetgever vastgestelde middelen, berekend op grond van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze. De rijksbijdrage kan mede worden aangewend voor educatieve programma's. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de rijksbijdrage. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op voorwaarden, te verbinden aan de toekenning van de rijksbijdrage en aan de in de derde volzin bedoelde aanwending, tussentijdse wijziging van de rijksbijdrage, verantwoording van de besteding van de rijksbijdrage en bestemming van niet bestede middelen. De voordracht voor een in dit artikel bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
1.
Het toezicht op de naleving van de artikelen 2, 4, vierde lid, 8, eerste volzin, 9, eerste lid, 10, derde lid, en 12, eerste lid, is opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders, dat daartoe een of meer ambtenaren aanwijst. Op dit toezicht zijn de artikelen 16, tweede, derde en vierde lid, 17 , 18, eerste en derde lid, en 21, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969 van overeenkomstige toepassing.
2.
Het college van burgemeester en wethouders controleert of de nieuwkomers die als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens zijn ingeschreven, zich hebben gehouden aan hun verplichting, bedoeld in artikel 2.
3.
Indien blijkt dat een nieuwkomer zich niet aan de verplichting, bedoeld in artikel 2 of 9, eerste lid, heeft gehouden, zonder dat een grond voor ontheffing dan wel vrijstelling aanwezig is, zich niet aan de verplichting, bedoeld in de artikelen 4, vierde lid, 8, eerste volzin, 10, derde lid, of 12, eerste lid, heeft gehouden of indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969 is ontvangen, stelt de ambtenaar een onderzoek in. Hij hoort de betrokken nieuwkomer en tracht hem te bewegen zijn verplichtingen na te komen. Indien blijkt dat de nieuwkomer weigert deze verplichtingen na te komen, zendt de ambtenaar een verslag van zijn bevindingen aan het college van burgemeester en wethouders.
1.
Indien een nieuwkomer in strijd met de artikelen 2, 4, vierde lid, 8, eerste volzin, 9, eerste lid, 10, derde lid, of 12, eerste lid, handelt, legt het college van burgemeester en wethouders ter zake van de overtreding aan de nieuwkomer bij beschikking een bestuurlijke boete op.
2.
De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden waarin de nieuwkomer verkeert, en de mate van verwijtbaarheid.
3.
De beschikking vermeldt in ieder geval:
a. de hoogte van de boete,
b. de termijn waarbinnen de boete moet worden betaald,
c. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd alsmede het overtreden wettelijk voorschrift en
d. een aanduiding van de plaats waar en van het tijdstip waarop de overtreding is begaan.
4.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
5.
Het opleggen van een boete blijft achterwege, indien voor dezelfde gedraging de bijstand is verlaagd op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand.
6.
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt twee jaar nadat de overtreding is begaan.
7.
Bij gemeentelijke verordening worden nadere regels gesteld over de hoogte van de boete.
1.
Indien het college van burgemeester en wethouders of een ambtenaar jegens de nieuwkomer een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaald feit een boete zal worden opgelegd, is de nieuwkomer niet langer verplicht ter zake van dat feit enige verklaring af te leggen.
2.
Indien het college van burgemeester en wethouders voornemens is een boete op te leggen, geeft het de nieuwkomer daarvan kennis onder vermelding van het feit ter zake waarvan het voornemen bestaat en van de gronden waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
3.
Op verzoek van de nieuwkomer die de in het tweede lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het college van burgemeester en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de nieuwkomer worden meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
4.
In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het college van burgemeester en wethouders de nieuwkomer in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
5.
Indien de nieuwkomer zijn zienswijze naar voren brengt, draagt het college van burgemeester en wethouders er op verzoek van de nieuwkomer die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de nieuwkomer kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
1.
Indien de boete niet is betaald binnen de overeenkomstig artikel 18, derde lid, onder b, bepaalde termijn, wordt de nieuwkomer schriftelijk bevolen binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, te betalen.
2.
Bij gebreke van betaling kan het college van burgemeester en wethouders de boete, verhoogd met de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, bij dwangbevel invorderen.
3.
De bevoegdheid tot invordering vervalt binnen twee jaar nadat de beschikking inzake oplegging van de boete onherroepelijk is geworden.
4.
Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
5.
Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de gemeente. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de gemeente kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
6.
De boete komt ten goede aan de gemeente.
Artikel 21
[Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs.]
Artikel 22
[Wijzigt de Welzijnswet 1994.]
Artikel 23
Onze Minister van Binnenlandse Zaken zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
1.
Voor zover het tijdstip waarop deze wet in werking treedt binnen de termijn, bedoeld in artikel 2, tweede of derde lid, valt, wordt deze termijn verlengd tot het tijdstip waarop zes weken zijn verstreken sinds het tijdstip van inwerkingtreding.
2.
Onder de in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde nieuwkomer wordt niet verstaan de Nederlander die in enig persoonsregister als bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding opgenomen is geweest.
3.
De artikelen 2.3.1 en 2.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals deze luiden na de inwerkingtreding van deze wet, en artikel 16 vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot het eerste kalenderjaar na deze inwerkingtreding. De voorwaarden, gesteld krachtens artikel 2.3.1, eerste lid, derde volzin, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dit luidt op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 21, onderdeel A, blijven van kracht ten aanzien van de middelen waarop deze voorwaarden betrekking hebben.
4.
Voor zover deze wet, de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Welzijnswet 1994 daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij of krachtens deze wetten bepaalde, worden bij ministeriële regeling regels vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van deze wet, de Wet educatie en beroepsonderwijs , zoals gewijzigd door deze wet, of de Welzijnswet 1994 , zoals gewijzigd door deze wet.
5.
Artikel 1, derde en vierde lid, is voor de eerste maal van toepassing op de daar bedoelde vreemdeling of Nederlander die na inwerkingtreding van deze wet voor de eerste keer tot Nederland is toegelaten, respectievelijk die na inwerkingtreding van deze wet voor de eerste keer in Nederland ingezetene in de zin van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is.
Artikel 25
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop artikel 24, vierde lid, in werking treedt.
Artikel 26
Deze wet wordt aangehaald als: Wet inburgering nieuwkomers.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 9 april 1998
De Minister van Binnenlandse Zaken,
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Uitgegeven twaalfde mei 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
+ Hoofdstuk 2. Het inburgeringsonderzoek
+ Hoofdstuk 3. Het inburgeringsprogramma
+ Hoofdstuk 4. Trajectbegeleiding
+ Hoofdstuk 5. Financiële aspecten
+ Hoofdstuk 6. Handhaving
+ Hoofdstuk 7. Slot- en overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken