Artikel 61
Paragraaf 3 van Hoofdstuk V blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, uitkering en kosten, bedoeld in artikel 59c, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb. 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen voor die van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 62a
Het recht tot strafvordering vervalt indien burgemeester en wethouders aan de belanghebbende ter zake van hetzelfde feit reeds een boete hebben opgelegd.
1.
Onverminderd het derde lid wordt tot een bij ministeriële regeling bepaald tijdstip, dat voor verschillende groepen personen verschillend kan worden vastgesteld, onder werkloze werknemer in deze wet en de daarop berustende bepalingen mede verstaan: de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op grond van artikel 2, onderdeel c of d, zoals dat luidde op die dag, werd aangemerkt als werkloze werknemer.
2.
Onder werkloze werknemer in deze wet en de daarop berustende bepaling wordt mede verstaan: de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1.10, onderdeel C, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen werd aangemerkt als werkloze werknemer op grond van artikel 2, onderdeel c of d, en die op grond van artikel 3 van de Toeslagenwet geen recht heeft op een toeslag op grond van die wet.
3.
Artikel 7 is niet van toepassing op de persoon die als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 1.11, onderdeel A, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen geen werkloze werknemer is en de echtgenoot van die persoon.
Artikel 63a
Voor de toepassing van artikel 9, vierde lid, wordt, indien artikel 130h van de Werkloosheidswet op de in dat lid bedoelde uitkering van toepassing was, voor « artikel 47 of artikel 52i van de Werkloosheidswet » gelezen: artikel 52 van de Werkloosheidswet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2003.
Artikel 63b
De artikelen 2 en 9 zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel II van de Wet wijziging WW-stelsel, blijven van toepassing op de persoon wiens eerste werkloosheidsdag als bedoeld in de Werkloosheidswet is gelegen op of voor die dag.
Artikel 63c
Artikel 9, vierde en vijfde lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot invoering en wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (Stb. PM), blijft van toepassing met betrekking tot:
a. een recht op uitkering dat voor 1 december 2009 is ontstaan;
b. een recht op uitkering dat voor 1 december 2009 is ontstaan, daarna is geëindigd en na 1 december 2009 op grond van artikel 7 van die wet is herleefd, of;
c. personen die voor 1 december 2009 voldoen aan artikel 2 maar die voor die datum geen recht hebben op een uitkering.
Artikel 63d
De artikelen 3, zevende en achtste lid, en 4, tweede lid, zijn niet van toepassing, indien voor de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van artikel 5 recht bestaat op een uitkering voor de werkloze werknemer en de echtgenoot, omdat de ongehuwde uitkeringsgerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als echtgenoot, voor zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere uitkering.
1.
In afwijking van artikel 5, derde lid, onderdeel b, wordt de grondslag voor de alleenstaande werkloze werknemer zodanig vastgesteld dat de netto grondslag per maand gelijk is aan:
a. [vervallen;]
b. [vervallen;]
c. [vervallen;]
d. in 2018 € 727,94 [Red: per 1 januari 2016: € 764,26] .
2.
Artikel 5, elfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, genoemd in het eerste lid.
3.
Het eerste lid, onderdeel a, vervalt met ingang van 1 januari 2016.
4.
Het eerste lid, onderdeel b, vervalt met ingang van 1 januari 2017.
5.
Het eerste lid, onderdeel c, vervalt met ingang van 1 januari 2018.
6.
Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2019.
Artikel 63g
De artikelen 4a, eerste lid, onderdeel c, en 38, zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden , blijven van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag voor inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden een ontheffing heeft op grond van artikel 38, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.
Artikel 63h
Ten aanzien van de persoon wiens eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 juli 2015 blijft artikel 5, vijfde lid, van toepassing zoals dat luidde na de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel C, van de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten en voor de inwerkingtreding van artikel XIX, onderdeel A, van de Verzamelwet SZW 2015.
Artikel 63i
Ten aanzien van de persoon wiens recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan voor 1 juli 2015 blijft artikel 5, vijfde lid, van toepassing zoals dat luidde na de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel C, van de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten en voor de inwerkingtreding van artikel XIX, onderdeel A, van de Verzamelwet SZW 2015.
Artikel 63j
Artikel 8, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel IV van de Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw , blijft van toepassing op de persoon op wie de vrijlating van inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van toepassing was voorafgaand aan de dag gelegen zes maanden voor inwerkingtreding van artikel IV van de Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw, tot zijn recht op uitkering op grond van deze wet waarin die vrijlating van toepassing was, eindigt.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. De uitkering
+ Hoofdstuk III. Rechten en plichten
+ Hoofdstuk IV. Uitvoering, gegevensverstrekking en informatievoorziening
+ Hoofdstuk V. Financiering
+ Hoofdstuk VI. Rechtsbescherming
- Hoofdstuk VII. Strafbepalingen en overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht