Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2004. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet inschakeling werkzoekenden

Uitgebreide informatie
Wet van 4 december 1997, houdende regeling voor de totstandkoming van een gemeentelijk werkfonds voor voorzieningen ter bevordering van de toetreding tot het arbeidsproces van langdurig werklozen en jongeren (Wet inschakeling werkzoekenden)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat personen, die reeds langdurig werkloos zijn en daarbij meestal aangewezen zijn op een uitkering gestimuleerd worden aan activiteiten deel te nemen, waardoor toetreding tot het arbeidsproces wordt bevorderd en sociale uitsluiting wordt voorkomen, dat op gemeentelijk niveau de zorg daarvoor vorm kan krijgen via een gemeentelijk werkfonds, waardoor het aanbieden van werk en het traject van de toeleiding daartoe kan worden gecombineerd en dat jongeren bijzondere aandacht en begeleiding verdienen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. uitkeringsgerechtigde: de persoon, die een uitkering ontvangt op grond van de Algemene bijstandswet , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen , de Werkloosheidswet , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Toeslagenwet , de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria , de Algemene nabestaandenwet of op grond van een regeling, die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt;
e. langdurig werkloze: de persoon die langer dan 12 maanden zonder onderbreking als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de Centrale organisatie werk en inkomen;
f. jongere: de persoon, jonger dan 23 jaar, die recht heeft op een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet of op een andere vergelijkbare inkomensvoorziening, dan wel als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de Centrale organisatie werk en inkomen;
g. dienstbetrekking: een dienstbetrekking met de gemeente als bedoeld in artikel 4;
h. werknemer: degene die een dienstbetrekking heeft;
i. onderneming: de onderneming, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet op de ondernemingsraden;
j. de in de onderneming werkzame personen: degenen, die daaronder in artikel 1, tweede en derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden worden verstaan.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen e en f, wordt niet als langdurig werkloze of jongere aangemerkt de persoon die onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten dan wel een kind is als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet .
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de gelijkstelling van personen met langdurig werklozen en voor de vaststelling van de periode van inschrijving als werkloos werkzoekende.
1.
De gemeente draagt zorg voor voorzieningen voor in de gemeente woonachtige langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en jongeren, die kunnen leiden tot inschakeling in het arbeidsproces dan wel die sociale activering en een zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing voor de persoon die als werkzoekende is geregistreerd bij de Centrale organisatie werk en inkomen en die geen uitkeringsgerechtigde of langdurig werkloze is.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de uitkeringsgerechtigde waaraan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt.
3.
In afwijking van het tweede lid, is het eerste lid van toepassing, indien de gemeente na overleg met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft vastgesteld, dat ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het tweede lid, geen plan wordt opgesteld, gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten of artikel 29, derde lid, van de Werkloosheidswet.
4.
Op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen draagt de gemeente er zorg voor dat genoemd instituut, voor in de gemeente woonachtige uitkeringsgerechtigden aan wie dat instituut een uitkering verstrekt, uitvoering kan geven aan zijn taak, bedoeld in artikel 10a van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten en artikel 73 van de Werkloosheidswet.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kan onder in die algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorwaarden worden bepaald, dat het tweede lid op verzoek van een gemeente die aan een persoon als bedoeld in het eerste lid een uitkering verstrekt, niet van toepassing is op in die algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van uitkeringsgerechtigden.
6.
De gemeente draagt zorg voor doeltreffende voorlichting in de gemeente aangaande de voorzieningen van deze wet, alsmede voor de realisatie en vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van deze wet.
7.
Indien de gemeente ter uitvoering van de taak bedoeld in deze wet ten aanzien van een persoon een plan heeft opgesteld of heeft laten opstellen, gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces, wordt, indien die verplichting niet reeds voortvloeit uit artikel 70 van de Algemene bijstandswet, artikel 18 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 18 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, een exemplaar daarvan door die persoon voor gezien getekend en aan het gemeentebestuur verstrekt. Het plan wordt tevens getekend door het gemeentebestuur.
1.
De gemeente kan ter uitvoering van artikel 2 aan of ten behoeve van een persoon als bedoeld in dat artikel, een subsidie verstrekken dan wel dienstverlening inkopen, waardoor deze persoon in staat wordt gesteld of gestimuleerd wordt:
a. deel te nemen aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering, inschakeling in de arbeid en scholing, of
b. een overeenkomst tot het verrichten van arbeid te sluiten of werkzaamheden als zelfstandige te gaan verrichten.
2.
Het gemeentebestuur stelt voor het verstrekken van subsidie aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, bij verordening regels vast.
3.
De gemeente kan ten behoeve van personen als bedoeld in artikel 2, voor zover deze alleenstaande ouder zijn, kinderopvang realiseren.
4.
Onder kinderopvang wordt verstaan: het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen in de leeftijd van 0 tot en met de leeftijd van einde basisschool, door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren dat deze ouder zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens het deelnemen aan activiteiten en werkzaamheden als bedoeld in dit hoofdstuk.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de voorzieningen op grond van dit artikel met betrekking tot:
a. de relatie tot het recht op een uitkering;
b. de verhouding tot andere vergelijkbare voorzieningen;
c. de voorwaarden waaronder deze worden verstrekt;
d. beperking van de doelgroep.
6.
Een krachtens het vijfde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
1.
De gemeente kan ter uitvoering van artikel 2 aan langdurig werklozen en jongeren een dienstbetrekking aanbieden krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Op deze arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
2.
De gemeente stelt de werknemer voor het verrichten van arbeid ter beschikking aan een onderneming. De ter beschikkingstelling wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, waarin in ieder geval de aard en duur van de door de werknemer te verrichten werkzaamheden, de plaats waar de werkzaamheden worden verricht, een voorrangspositie bij werving en selectie ten opzichte van niet in de onderneming werkzame personen en de begeleiding van de werknemer worden geregeld.
3.
Ter uitvoering van artikel 2 voorziet de gemeente mede in activiteiten die voorbereiden tot de dienstbetrekking en bijdragen aan het vergroten van de gewenste kwalificaties voor die dienstbetrekking.
4.
De werknemer kan in het kader van de dienstbetrekking in plaats van arbeid te verrichten deelnemen aan scholing die bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeid anders dan op grond van deze wet, voor zover in de dienstbetrekking ten minste 19 uur per week arbeid wordt verricht.
5.
Bij ministeriële regeling wordt in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bepaald onder welke voorwaarden de werknemer bij een werkgever de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs kan volgen in combinatie met de dienstbetrekking.
6.
Indien het aan de werknemer is te wijten, dat de aangeboden werkzaamheden niet worden verricht, is de gemeente geheel of gedeeltelijk geen loon verschuldigd.
7.
Onverminderd de bepalingen van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de dienstbetrekking opgezegd, indien de werknemer:
a. een aanbod tot passende arbeid in een arbeidsverhouding anders dan een dienstbetrekking heeft geweigerd te aanvaarden;
b. onderwijs of een beroepsopleiding gaat volgen als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 3 of 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
1.
De gemeente kan ter uitvoering van artikel 2 subsidie verstrekken aan werkgevers die met langdurig werklozen of jongeren een arbeidsovereenkomst sluiten om hen in de gelegenheid te stellen werkervaring op te doen.
2.
De gemeente schakelt derden in bij het bemiddelen naar arbeidsovereenkomsten als bedoeld in het eerste lid.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de hoogte van het subsidiebedrag en de duur van en de voorwaarden voor de subsidieverstrekking.
1.
De gemeente stelt de werknemer slechts ter beschikking om arbeid te verrichten, indien:
a. blijkens een schriftelijke verklaring van de inlener het aantal werknemers, dat een dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel 4, werkzaam in de onderneming van de inlener niet meer bedraagt dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage van het totaal aantal in die onderneming werkzame personen, met dien verstande dat in de onderneming in ieder geval één werknemer is toegelaten;
b. bij de onderneming van de inlener in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van de aanvang van de terbeschikkingstelling niet één of meer overeenkomsten of aanstellingen tot het verrichten van vergelijkbare arbeid zijn beëindigd op grond van bedrijfseconomische redenen, voor zover nodig na verkregen toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen, dan wel een aanvraag voor een ontslagvergunning om bedrijfs-economische redenen in behandeling is;
c. in de onderneming van de inlener de ondernemer met de ondernemingsraad, bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden , dan wel met een bij of krachtens andere wetten geregelde of in de onderneming functionerende personeelsvertegenwoordiging is overeengekomen, dat werknemers als bedoeld in deze wet worden ingeleend.
2.
De gemeente bedingt voor de door de werknemer te verrichten arbeid een zodanige vergoeding, dat de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed.
3.
Voor ten gevolge van de arbeid van de werknemer of van de persoon, bedoeld in artikel 5, geleverde goederen en diensten worden vergoedingen bedongen, die de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord beïnvloeden.
4.
Het gemeentebestuur stelt na overleg met vertegenwoordigers van representatieve organisaties van werkgevers en van werknemers in de regio, waarin de gemeente gelegen is, regels vast voor de beoordeling van klachten over overtreding van het tweede en derde lid.
1.
De gemeente werkt samen met de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank om de voorzieningen bedoeld in deze wet af te stemmen op reïntegratiemaatregelen en taken die op grond van wetten worden uitgevoerd door de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde samenwerking.
1.
Het gemeentebestuur kan een rechtspersoon aanwijzen voor de uitvoering van de taken in verband met dienstbetrekkingen, in verband met de toekenning van subsidies of voorzieningen als bedoeld in de artikelen 3, 3a en 5 van de wet of het vaststellen van een traject als bedoeld in artikel 9, eerste lid.
2.
Het gemeentebestuur laat de werkzaamheden waarmee de in het eerste lid bedoelde taak wordt uitgevoerd, met uitzondering van werkzaamheden in verband met dienstbetrekkingen, zo veel mogelijk verrichten door een natuurlijk persoon dan wel een rechtspersoon, die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert. Het gemeentebestuur legt in het verslag over de uitvoering van de wet, bedoeld in artikel 20, vierde lid, de wijze vast waarop uitvoering wordt gegeven aan dit artikel.
3.
Het gemeentebestuur verstrekt aan de in het tweede lid bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon gegevens voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden, alsmede het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door die natuurlijke persoon of rechtspersoon wordt bevorderd. Deze natuurlijke persoon of rechtspersoon verwerkt de in dit lid bedoelde gegevens slechts voorzover dat noodzakelijk is voor de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, en gebruikt slechts met dat doel het sociaal-fiscaalnummer bij die verwerking.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de uitvoering van dit artikel, waarbij in ieder geval regels kunnen worden gesteld voor de inhoud van de overeenkomst met de in het tweede lid bedoelde natuurlijke of rechtspersoon, het verstrekken en verwerken van gegevens en de soort werkzaamheden.
5.
De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
De gemeente stelt voor iedere jongere, van wie een aanvraag voor een door de gemeente te verstrekken uitkering in behandeling is genomen of die is ingeschreven als werkloos werkzoekende en geen uitkering ontvangt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, een plan gericht op de inschakeling in het arbeidsproces op of laat dit opstellen. Artikel 2, zevende lid, is van toepassing.
2.
De gemeente biedt ter uitvoering van het in het eerste lid bedoelde plan uiterlijk binnen een jaar na de datum van ingang van de uitkering of na de datum van inschrijving als werkloos werkzoekende een dienstbetrekking aan, tenzij andere voorzieningen gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces meer aangewezen zijn en deze andere voorzieningen ten minste 19 uur per week in beslag nemen.
3.
De periode van een jaar, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld overeenkomstig de periode van inschrijving als werkloos werkzoekende, bedoeld in artikel 1.
4.
Het tweede lid is niet van toepassing, indien de jongere arbeid verricht, anders dan in een dienstbetrekking, met een arbeidsduur van ten minste 19 uur per week.
1.
Artikel 9 is niet van toepassing, indien de jongere op grond van de Wet sociale werkvoorziening is geïndiceerd voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden.
2.
In dat geval biedt de gemeente een dienstbetrekking aan, waarbij arbeid wordt verricht onder aangepaste omstandigheden als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening . Artikel 6, eerste lid, is dan niet van toepassing.
Artikel 11. Bijzondere bepaling voor opzegging dienstbetrekking met jongere
Onverminderd de bepalingen van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en artikel 4, zevende lid, wordt de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 9, opgezegd, indien de jongere:
a. de leeftijd van 23 jaar bereikt;
b. weigert deel te nemen aan de op grond van artikel 9 vastgestelde activiteiten.
1.
Slechts met een op grond van artikel 26, derde of vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen gegeven positief advies van de Centrale organisatie werk en inkomen komen langdurig werklozen van 23 jaar en ouder in aanmerking voor de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 of  5.
2.
De werknemer, bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening , die op grond van een herindicatiebeschikking als bedoeld in die wet niet langer tot de doelgroep van die wet behoort, kan zonder advies van de Centrale organisatie werk en inkomen in aanmerking komen voor de voorzieningen bedoeld in het eerste lid.
1.
De dienstbetrekking met de langdurig werkloze van 23 jaar of ouder wordt aangegaan voor de duur van twee jaar.
2.
Na afloop van de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente slechts een nieuwe dienstbetrekking met een langdurig werkloze aangaan met een op grond van artikel 26, derde of vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen gegeven positief advies van de Centrale organisatie werk en inkomen.
1.
Het Rijk verstrekt aan de gemeente overeenkomstig dit hoofdstuk een subsidie voor de uitvoering van hoofdstuk 2.
2.
De hoogte van de subsidie wordt bepaald door:
a. het basisbedrag per persoon die in aanmerking komt voor de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en 5;
b. een vast bedrag voor te realiseren dienstbetrekkingen voor aanvullende financiering, rekening houdend met de afstand tot de arbeidsmarkt, uitvoeringskosten, loonontwikkelingen en loonkosten;
c. een vast bedrag voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 3 en 3a, en de uit die artikelen voortvloeiende activiteiten van de gemeenten ten behoeve van de inschakeling in het arbeidsproces.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de opbouw van het subsidiebedrag, een subsidieplafond, en de besteding van de subsidie, die op onderdelen beperkt kan worden tot bepaalde gemeenten of tot een bepaald bedrag.
1.
Voor de subsidieverstrekking bedraagt de arbeidsduur van de dienstbetrekking 32 uur per week, tenzij op grond van bij de werknemer gelegen factoren een langere of kortere arbeidsduur dan 32 uur gerechtvaardigd is.
2.
Om de dienstbetrekking voor subsidie in aanmerking te laten komen wordt in de dienstbetrekking bij de toepassing van de artikelen 9 en 13, eerste lid, aan de werknemer, met uitzondering van die bedoeld in artikel 12, tweede lid, voorzover die ouder dan 23 jaar is niet meer loon betaald dan het bedrag dat gezien de leeftijd van de werknemer en de overeengekomen arbeidsduur, in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag , voor hem als minimumloon geldt, tenzij daarvan op grond van bij ministeriële regeling te bepalen omstandigheden kan worden afgeweken.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het loon dat bij de toepassing van artikel 13, tweede lid, aan de werknemer wordt betaald om de dienstbetrekking voor subsidie in aanmerking te laten komen.
4.
Niet voor subsidie komt in aanmerking de dienstbetrekking waarin in een aaneengesloten periode van drie maanden of langer geen arbeid wordt verricht, omdat geen werkzaamheden beschikbaar zijn gesteld, tenzij de gemeente kan aantonen, dat de werknemer door ziekte of arbeidsongeschiktheid in die periode verhinderd was arbeid te verrichten, en in verband daarmee een reïntegratieverslag is opgesteld voor herintreding van de werknemer in het arbeidsproces.
1.
Onze Minister verleent de gemeente per kalenderkwartaal de basisbedragen, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel a, aan de hand van een opgave van de gemeente.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de verlening van basisbedragen, de wijze en het tijdstip van declareren, alsmede voor de door het gemeentebestuur te verstrekken gegevens.
1.
Onze Minister verleent vóór 1 oktober van ieder jaar de subsidie, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdelen b en c, waarop de gemeente het daarop volgende jaar recht heeft.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de criteria op basis waarvan de totale subsidie over de gemeenten wordt verdeeld en voor de wijze, waarop rekening wordt gehouden met de vastgestelde subsidie over voorafgaande jaren.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de betaling van de subsidie.
4.
Een wijziging van de krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
1.
Na afloop van het jaar stelt Onze Minister de subsidie vast, mede op basis van het aantal gerealiseerde dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 5.
2.
De vastgestelde subsidie kan van de verleende subsidie afwijken,
a. voor zover de arbeidsduur van de dienstbetrekkingen, waarmee bij de subsidieverlening rekening is gehouden, niet gerechtvaardigd afwijkt van 32 uur per week;
b. indien het loon in de dienstbetrekkingen niet voldoet aan de vereisten van artikel 15, tweede en derde lid;
c. indien artikel 15, vierde lid, van toepassing is;
d. indien het gemeentebestuur niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen;
e. indien de besteding van de subsidie anderszins heeft plaatsgevonden in strijd met deze wet.
3.
Verlies van het ingezetenschap in de gemeente heeft geen invloed op de toepassing van het eerste lid, zolang de dienstbetrekking voortduurt.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor de subsidievaststelling en de gevolgen daarvan voor de subsidieverlening voor de komende jaren.
1.
Het gemeentebestuur voert ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering van deze wet en een effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie, dat een juiste, volledige en tijdige vastlegging is gewaarborgd van de besluiten inzake de uitvoering van hoofdstuk 2 en van de hierop betrekking hebbende bescheiden.
2.
De administratie van de gemeente wordt zodanig ingericht en gevoerd dat alle van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd, de samenhang tussen de vastleggingen en bescheiden daaruit blijkt en de specificatie per persoon, voor zover nodig voor de vaststelling van de subsidie, kan worden vastgesteld.
1.
Onze Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van deze wet door het gemeentebestuur.
2.
Dit toezicht wordt onder gezag van Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen 37, 38, 42 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Onze Minister kan een gemeentebestuur aanwijzingen geven met betrekking tot de uitvoering van deze wet door dat gemeentebestuur. Hij treedt daarbij niet in individuele gevallen.
4.
Ten behoeve van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, dient het gemeentebestuur jaarlijks bij Onze Minister een verslag in over de uitvoering van deze wet. Het verslag omvat mede een kostenopgave ten behoeve van de subsidievaststelling. Het verslag is voorzien van een verklaring van de accountant, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens. Het verslag wordt kosteloos verstrekt.
5.
Het gemeentebestuur en de krachtens artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersonen, verstrekken ten behoeve van het toezicht desgevraagd aan Onze Minister kosteloos nadere of andere informatie en verlenen hem inzage in de administratie.
6.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het verslag en over de verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
1.
Het gemeentebestuur en de krachtens artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersoon verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle inlichtingen, die hij nodig heeft voor de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de inhoud, de wijze van verstrekken en het tijdstip van het verstrekken van de inlichtingen.
1.
Andere gemeentebesturen, de krachtens artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersonen, de Centrale organisatie werk en inkomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek, kosteloos, aan het gemeentebestuur en de krachtens artikel 8 aangewezen rechtspersoon alle gegevens en inlichtingen te verstrekken, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
2.
Het gemeentebestuur en de krachtens artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersoon zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek uit de administratie, aangelegd voor de uitvoering van deze wet, aan bestuursorganen kosteloos de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de bij of krachtens wet aan deze bestuursorganen opgedragen taken.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de toepassing van het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld.
4.
Een ieder verstrekt desgevraagd aan het gemeentebestuur en de krachtens artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersoon kosteloos alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van hemzelf, hem in wiens dienst dan wel ten behoeve van wie hij werkt of gewerkt heeft of hem die in zijn dienst dan wel te zijnen behoeve werkt of gewerkt heeft.
5.
Het gemeentebestuur en de krachtens artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersoon kunnen het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, opnemen in een persoonsregistratie aangelegd voor de uitvoering van deze wet en daarvan gebruik maken, indien dat nodig is voor de uitvoering van deze wet of voor de uitvoering van andere wetten, waarbij gebruik wordt gemaakt van dat sociaal-fiscaalnummer.
1.
De dienstbetrekking met de jongere, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, bestaat krachtens hoofdstuk V van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot die datum, en die na die datum voortbestaat, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 9 van deze wet, met een wekelijkse arbeidsduur, gelijk aan die welke krachtens die Jeugdwerkgarantiewet was overeengekomen, met dien verstande dat:
a. in afwijking van artikel 11, de dienstbetrekking van de jongere die op de datum van inwerkingtreding van deze wet 21 jaar of ouder is, wordt opgezegd tegen de dag gelegen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet, tenzij hij eerder de leeftijd van 27 jaar bereikt, in welk geval de dienstbetrekking wordt opgezegd tegen de dag waarop hij die leeftijd bereikt;
b. deze dienstbetrekking niet in aanmerking wordt genomen bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a.
2.
Indien de jongere in het kader van de dienstbetrekking op grond van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, scholing volgt, worden, in afwijking van artikel 4, vierde lid, alle scholingsuren voor de duur van de scholing beschouwd als arbeidsuren.
3.
De voorbereidingsovereenkomsten met de jongere, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet bestaan krachtens hoofdstuk Va van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot die datum, eindigen met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat de jongere die op de datum van inwerkingtreding van deze wet jonger is dan 18 jaar, tot aan de dag, dat hij de leeftijd van 18 jaar bereikt, een vergoeding ontvangt als bedoeld in artikel 16d van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals dat artikel luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet.
4.
Voor de jongere van 21 jaar of ouder, die op de datum van inwerkingtreding van deze wet als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en die geen dienstbetrekking heeft krachtens hoofdstuk V van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot die datum, dan wel met wie geen voorbereidingsovereenkomst is aangegaan krachtens hoofdstuk Va van die Jeugdwerkgarantiewet, is artikel 9 niet van toepassing.
1.
De arbeidsovereenkomst met de banenpool, bedoeld in de Rijksbijdrageregeling banenpools, zoals deze regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet bestaat en na die datum voortbestaat, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als dienstbetrekking op grond van deze wet met een wekelijkse arbeidsduur, die gelijk is aan die met de banenpool was overeengekomen, met dien verstande, dat
a. artikel 13 niet van toepassing is;
b. gedurende de eerste twee jaar van de dienstbetrekking, gerekend vanaf de datum van aanvang van de arbeidsovereenkomst met de banenpool artikel 15, tweede lid, van toepassing is en bij een dienstbetrekking met een duur van meer dan twee jaar, gerekend vanaf de datum van aanvang van de arbeidsovereenkomst met de banenpool, artikel 15, derde lid, van toepassing is;
c. deze dienstbetrekking niet in aanmerking wordt genomen bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a.
2.
Indien de werknemer in het kader van de arbeidsovereenkomst met de banenpool, bedoeld in het eerste lid, scholing volgt, worden alle scholingsuren, in afwijking van artikel 4, vierde lid, voor de duur van de scholing beschouwd als arbeidsuren.
3.
Indien voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, zoals deze artikelen luidden tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, een recht op premievrijstelling bestond, wordt vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet, het voor de werknemer geldende loon verhoogd met een bedrag, zodat de werknemer onder aftrek van de op het loon in te houden loonbelasting en premies ingevolge de sociale verzekeringswetten, een nettoloon ontvangt, dat gelijk is aan het nettoloon, dat aan de werknemer in de arbeidsovereenkomst met de banenpool werd betaald. Deze toeslag wordt betaald tot het tijdstip waarop het loon zonder toeslag leidt tot genoemd nettoloon en wordt uitsluitend voor de toepassing van artikel 31, tweede lid, onder c, van de Wet op de loonbelasting 1964 aangemerkt als uitkering van publiekrechtelijke aard en blijft buiten beschouwing bij op het inkomen van de werknemer afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen of verstrekkingen.
4.
Indien in aansluiting op een arbeidsovereenkomst met de banenpool of een dienstbetrekking als bedoeld in het eerste lid een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan of een ambtelijke aanstelling wordt verkregen, waarvoor op grond van een algemeen verbindend voorschrift is bepaald, dat het aanvangsloon het voor de werknemer geldende minimumloon is, en het loon in die arbeidsverhouding wordt verhoogd met een bedrag, dat onder aftrek van de op het loon in te houden loonbelasting en premies ingevolge de sociale verzekeringswetten, leidt tot het nettoloon, dat gelijk is aan het loon, dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet aan een werknemer in de arbeidsovereenkomst met de banenpool werd betaald, is de tweede volzin van het derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25. Toepassing recht van voor datum van inwerkingtreding
Het recht, zoals dat voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet gold, blijft van toepassing:
a. voor de vergoedingen van het Rijk aan de gemeenten over tijdvakken voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet op grond van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, de Rijksbijdrageregeling banenpools en andere regelingen betreffende subsidies aan gemeenten, zoals deze regelingen luidden tot de datum van inwerkingtreding van deze wet en die zijn ingetrokken in verband met de inwerkingtreding van deze wet;
b. ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit, dat is genomen op grond van de bij onderdeel a genoemde wet of regelingen;
c. voor de behandeling van het bezwaar en beroep, dat voor de datum van de inwerkingtreding van deze wet is gemaakt respectievelijk ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van de bij onderdeel a genoemde wet of regelingen.
Artikel 25a. Overgang eenmalige subsidie werkaanvaarding
Artikel 3, tweede en derde lid, en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op 31 december 2001, blijven van toepassing op een persoon, die vóór de inwerkingtreding van de Wet van .. houdende wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I–Arbeidsmarkt en inkomensbeleid) overeenkomstig die bepalingen een overeenkomst tot het verrichten van arbeid heeft gesloten of werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten.
1.
Artikel 13a en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 81 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen doch vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IV van de Wet van 14 december 2001 houdende wijziging van enkele sociale zekerheidswetten (Belastingplan 2002 V-Sociale zekerheidswetgeving), blijft van toepassing op de arbeidsgehandicapte, die tot en met 31 december 2001 een arbeidsovereenkomst is aangegaan of is aangesteld om arbeid te verrichten als bedoeld in het derde lid van dat artikel, en die vóór dat tijdstip een aanvraag voor voorzieningen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten heeft gedaan.
2.
Artikel 13b en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 81 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen doch vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IV van de Wet van 14 december 2001 houdende wijziging van enkele sociale zekerheidswetten (Belastingplan 2002 V-Sociale zekerheidswetgeving), blijft van toepassing op de werkgever, die tot en met dat tijdstip met een arbeidsgehandicapte een arbeidsovereenkomst is aangegaan of deze heeft aangesteld om arbeid te verrichten, en die vóór dat tijdstip een aanvraag heeft gedaan voor een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget als bedoeld in artikel 17 of een pakket op maat als bedoeld in artikel 18 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten , zoals die artikelen luidden op dat tijdstip.
Artikel 27. Wijziging IOAW
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.]
Artikel 28. Wijziging IOAZ
[Wijzigt de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.]
Artikel 37. Evaluatie
Onze Minister zendt na drie jaar na inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze wet.
Artikel 38. Intrekking Jeugdwerkgarantiewet, banenpoolregeling en aanverwante regelingen
De Jeugdwerkgarantiewet, de Rijksbijdrageregeling banenpools en de tijdelijke subsidieregeling bevordering uitstroom banenpools en Jeugdwerkgarantiewet worden ingetrokken.
Artikel 39. Tijdstip inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 40. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet inschakeling werkzoekenden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 4 december 1997
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven negenentwintigste december 1997
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 2. De voorzieningen
+ Hoofdstuk 3. Subsidie aan de gemeente
+ Hoofdstuk 4. Uitvoering, toezicht en informatie
+ Hoofdstuk 5. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 6. Wijziging in andere wetten
+ Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht