Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2012. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet investeren in jongeren

Uitgebreide informatie
Wet van 1 juli 2009, houdende bevordering duurzame arbeidsinschakeling jongeren tot 27 jaar (Wet investeren in jongeren)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de duurzame arbeidsinschakeling voor jongeren tot 27 jaar te vergroten door hen te stimuleren tot deelname aan het arbeidsproces en maatschappelijke activiteiten en te investeren in hun kennis en vaardigheden en daartoe een nieuwe wet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Organen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
college: het college van burgemeester en wethouders;
Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ;
inrichting:
1°. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden;
2°. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is;
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ;
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ;
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht .
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder jongere: een hier te lande woonachtige Nederlander van 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar.
2.
Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 , met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG ( PbEU L 158).
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag, dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of
b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 , rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.
Artikel 2a. Woning
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip.
1.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
2.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt de persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding, dan wel anderszins.
4.
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag, bedoeld in artikel 14, in het kader van de uitvoering van deze wet als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.
Artikel 4. Alleenstaande, alleenstaande ouder, gezin, kind en zelfstandige
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
gezin:
1°. de gehuwden tezamen;
2°. de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;
3°. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;
kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen 17 en 35, tweede lid, het in Nederland woonachtige pleegkind;
ten laste komend kind: het kind voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn;
zelfstandige: de persoon die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die:
1°. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;
2°. voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 , en
3°. alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico’s daarvan draagt.
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
inkomensvoorziening: de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 24;
werkleeraanbod: het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale activering alsmede ondersteuning bij arbeidsinschakeling;
inkomensvoorzieningsnorm: de op grond van de artikelen 26 tot en met 29 op de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van de artikelen 30 tot en met 35 door het college vastgestelde verhoging of verlaging.
2.
Onder scholing of opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs.
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand ;
sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie.
2.
Voor de toepassing van deze wet wordt niet als algemeen geaccepteerde arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of  3 van de Wet sociale werkvoorziening . Voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de Wet sociale werkvoorziening wordt onder een voorziening gericht op arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 2 en 7 van die wet .
Artikel 7. Inkomen, middelen en vermogen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
inkomen: inkomen als bedoeld in de artikelen 32, eerste en tweede lid , en 33, eerste tot en met derde lid, van de Wet werk en bijstand ;
middelen: middelen als bedoeld in artikel 31 van de Wet werk en bijstand , met dien verstande dat de onderdelen c, j, k en n, van het tweede lid van dat artikel niet van toepassing zijn.
vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 34, eerste tot en met derde lid, van de Wet werk en bijstand .
Artikel 8. Kinderbijslag en premies
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet ;
premies volksverzekeringen: premies volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen ;
premie werknemersverzekeringen: werknemersaandeel in de premie, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen .
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder netto minimumloon: het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag , verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet , en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet .
2.
De in het eerste lid bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een werknemer, jonger dan 65 jaar, rekening houdend met uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 , over het minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet , en verminderd met de premies werknemersverzekeringen.
3.
Indien op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
Artikel 10. Gemeenschappelijke regelingen
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet , treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet in de plaats van de betrokken colleges.
1.
Het college is verantwoordelijk voor het doen van een werkleeraanbod.
2.
Het college is verantwoordelijk voor het verstrekken van een inkomensvoorziening.
3.
Het college werkt bij de uitvoering van het eerste lid samen met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
4.
Het college kan de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de jongere en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden laten verrichten. Het college kan de in de eerste zin bedoelde vaststelling en beoordeling mandateren aan bestuursorganen.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het vierde lid.
1.
De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. de inhoud van een werkleeraanbod;
b. het verlagen van het bedrag van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 41, eerste lid;
c. het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wet;
d. de wijze waarop jongeren, of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van deze wet;
e. het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 35.
2.
De regels bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, hebben in ieder geval betrekking op de wijze waarop:
a. periodiek overleg wordt gevoerd met de jongeren of hun vertegenwoordigers;
b. de jongeren of vertegenwoordigers onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden;
c. de jongeren of vertegenwoordigers worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.
1.
Recht op een werkleeraanbod heeft desgevraagd:
a. de jongere die zich in de leeftijdscategorie van 16 tot en met 17 jaar bevindt, geen scholing of opleiding volgt, minder dan 16 uur per week arbeid verricht en die heeft voldaan aan de kwalificatieplicht, bedoeld in paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 , dan wel aan wie een vrijstelling van die kwalificatieplicht is verleend;
b. de jongere die zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 26 jaar bevindt en wiens in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm, waarbij voor het in aanmerking te nemen inkomen het inkomen van de echtgenoot buiten beschouwing wordt gelaten.
2.
Het recht, bedoeld in het eerste lid, bestaat jegens het college van de gemeente waar de jongere woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht op een werkleeraanbod van een jongere zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bestaat jegens het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
4.
Het college, bedoeld in het derde lid, verbindt aan het werkleeraanbod aan een jongere zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de verplichting dat hij aangifte doet van een door het college ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 1 van die wet.
1.
Het college stelt het recht op een werkleeraanbod op aanvraag vast.
2.
Het college legt in een rapportage de wensen van de jongere ten aanzien van het werkleeraanbod vast alsmede de wijze waarop deze wensen bij de vaststelling van aard, omvang en plaats van het werkleeraanbod zijn betrokken.
1.
De aanvraag voor een werkleeraanbod is gericht tot het college jegens wie het recht op een werkleeraanbod bestaat en wordt overeenkomstig artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Na de overdracht van de aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan het college op grond van artikel 30c, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de aanvraag verder behandeld door het college.
2.
Indien het een aanvraag betreft van een jongere die in een inrichting verblijft, dan wel van een jongere zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt, in afwijking van het eerste lid, de aanvraag ingediend bij het college.
3.
De gemeenteraad kan, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bij verordening categorieën van aanvragen vaststellen die, in afwijking van het tweede lid, bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden ingediend.
1.
Indien doorzending van de aanvraag naar het college van een andere gemeente heeft plaatsgevonden en dat college van oordeel is dat het evenmin de aanvraag dient te behandelen, terwijl geen zekerheid kan worden verkregen over het college van de gemeente jegens wie het recht op een werkleeraanbod bestaat, draagt het college dat de doorgezonden aanvraag heeft ontvangen er zorg voor dat het geschil aanhangig wordt gemaakt.
2.
In afwachting van een beslissing inzake een geschil over toepassing van het eerste lid bestaat het recht op een werkleeraanbod, of het recht op een inkomensvoorziening jegens het college van de gemeente waar de jongere werkelijk verblijft.
3.
Kosten verbonden aan het werkleeraanbod, of de inkomensvoorziening, gemaakt door het college van de gemeente, bedoeld in het tweede lid, worden vergoed door het college van de gemeente waarvan de taak is waargenomen.
1.
Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een werkleeraanbod is vastgesteld en stelt hierbij de jongere in de gelegenheid om schriftelijk of mondeling zijn wensen omtrent het werkleeraanbod kenbaar te maken.
2.
Indien het college van oordeel is dat om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard van een jongere niet kan worden gevergd dat hij uitvoering geeft aan een werkleeraanbod, doet het college aan die jongere geen werkleeraanbod. Wanneer het college vaststelt dat de redenen, bedoeld in de eerste zin, niet langer aanwezig zijn, wordt aan de jongere alsnog een werkleeraanbod gedaan.
3.
Zorgtaken, voor zover daarmee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, kunnen worden aangemerkt als een reden van sociale aard als bedoeld in het tweede lid.
4.
Aan een jongere die alleenstaande ouder is en die de volledige zorg heeft voor een te zijnen laste komend kind tot vijf jaar, doet het college desgevraagd een werkleeraanbod dat gericht is op scholing of een opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van die jongere te boven gaat. Indien het college tot dat oordeel is gekomen, biedt het college een andere voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan.
5.
Het college doet aan een jongere geen werkleeraanbod indien en zolang de jongere niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 45, onderdeel a.
6.
Aan een jongere die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen kan het college desgevraagd een werkleeraanbod doen dat, in afwijking van artikel 5, eerste lid, bestaat uit een voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden.
1.
Het besluit van het college, inhoudende dat aan de jongere een werkleeraanbod wordt gedaan, bevat in ieder geval een omschrijving van de in het kader van het werkleeraanbod te verrichten activiteit naar aard, omvang en plaats.
2.
Indien door buiten de jongere gelegen omstandigheden niet onmiddellijk uitvoering kan worden gegeven aan het werkleeraanbod, stelt het college een termijn waarbinnen de uitvoering van het werkleeraanbod in ieder geval zal plaatsvinden.
3.
De termijn, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ten hoogste twee maanden, te rekenen vanaf de datum van het besluit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 19. Einde uitvoering werkleeraanbod
Indien de jongere na afronding van de uitvoering van het werkleeraanbod een in aanmerking te nemen inkomen heeft dat lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm, doet het college, aansluitend op dat werkleeraanbod ambtshalve aan die jongere een nieuw werkleeraanbod.
1.
Indien het college vaststelt dat het door een jongere verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder die jongere in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, schort het college het recht op een werkleeraanbod op.
2.
Geen opschorting vindt plaats indien:
a. de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op een werkleeraanbod;
b. de jongere van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;
c. daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn.
3.
Het college doet schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld in het eerste lid, aan de jongere en stelt hem daarbij in de gelegenheid de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adresgegevens te doen aanpassen.
4.
De opschorting wordt beëindigd met ingang van de datum waarop het college gebleken is dat de afwijking, bedoeld in het eerste lid, niet meer bestaat.
Artikel 21. Herziening en intrekking werkleeraanbod
Het college kan een aan de jongere gedaan werkleeraanbod intrekken of herzien, indien:
a. wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere;
b. de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 en hem dit te verwijten valt.
1.
Indien de jongere zich jegens het college herhaaldelijk zeer ernstig misdraagt en hem dit te verwijten valt, kan het college die jongere van het recht op een werkleeraanbod uitsluiten.
2.
Het college heroverweegt het besluit tot uitsluiting binnen een door hem te bepalen termijn, die ten hoogste een maand bedraagt.
1.
Geen recht op een werkleeraanbod heeft de jongere, die:
a. uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt;
b. rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
c. zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
d. zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
e. onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet ;
f. een zelfstandige is die aanspraak kan maken op bijstand op grond van artikel 78f van de Wet werk en bijstand .
2.
Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de jongere die een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs volgt.
3.
Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt binnen of buiten een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen .
1.
De jongere van 18 jaar of ouder, die een aanvraag als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend, heeft recht op een inkomensvoorziening indien:
a. er geen in aanmerking te nemen vermogen is, en
b. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm.
2.
De inkomensvoorziening wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, te rekenen vanaf de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 14.
3.
Artikel 13, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jongere zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan het college:
a. aan de inkomensvoorziening de verplichting verbinden dat de jongere eraan meewerkt dat het college in naam van de jongere noodzakelijke betalingen uit de toegekende inkomensvoorziening verricht;
b. de inkomensvoorziening in natura verstrekken.
1.
Het college stelt het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vast, gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod.
2.
Indien na de ambtshalve vaststelling, bedoeld in het eerste lid, feiten en omstandigheden die van invloed zijn op het recht op een inkomensvoorziening wijzigen, stelt het college uit eigen beweging, dan wel op een daartoe strekkend verzoek van de jongere, het recht op een inkomensvoorziening opnieuw vast.
Artikel 26. Norm alleenstaande
Voor een jongere die alleenstaande is, is de norm per kalendermaand:
a. indien hij zich in de leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: € 220,01 [Red: per 1 juli 2011: € 228,04] ;
b. indien hij zich in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 26 jaar bevindt: € 636,69 [Red: per 1 juli 2011: € 659,93] .
Artikel 27. Norm alleenstaande ouder
Voor een jongere die alleenstaande ouder is, is de norm per kalendermaand:
a. indien hij zich in de leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: € 474,68 [Red: per 1 juli 2011: € 492,01] ;
b. indien hij zich in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 26 jaar bevindt: € 891,36 [Red: per 1 juli 2011: € 923,90] .
1.
Voor jongeren die gehuwd zijn en geen te hunnen laste komende kinderen hebben, is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. gehuwden waarvan beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevinden: € 440,02 [Red: per 1 juli 2011: € 456,08] ;
b. gehuwden waarvan een echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt: € 856,70 [Red: per 1 juli 2011: € 887,97] ;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevinden: € 1 273,37 [Red: per juli 2011: € 1.319,85.] .
2.
Voor jongeren die gehuwd zijn en een of meer te hunnen laste komende kinderen hebben, is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. gehuwden waarvan beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevinden: € 694,69 [Red: per juli 2011: € 720,05] ;
b. gehuwden waarvan een echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt: € 1 111,37 [Red: per juli 2011: € 1.151,94] ;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevinden: € 1 273,37 [Red: per juli 2011: € 1.319,85.] .
3.
Indien een van de gehuwden geen recht op inkomensvoorziening heeft, is voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan de norm die voor hem als alleenstaande of als alleenstaande ouder zou gelden.
4.
In afwijking van het derde lid wordt, indien gehuwden een of meer te hunnen laste komende kinderen hebben en een van de gehuwden algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ontvangt, de op die gehuwde van toepassing zijnde bijstandsnorm in mindering gebracht op:
a. de norm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt;
b. de norm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt.
1.
Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een jongere die alleenstaande of een alleenstaande ouder is: € 283,55 [Red: per 1 juli 2011: € 293,92] ;
b. jongeren die gehuwd zijn: € 441,04 [Red: per 1 juli 2011: € 457,15] .
2.
Het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd:
a. voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder met € 54,00 [Red: per 1 januari 2011: € 45,00] ;
b. voor gehuwden met € 77,00 [Red: per 1 januari 2011: € 83,00] .
3.
Indien beide gehuwden recht op inkomensvoorziening hebben en een van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de norm voor beide gehuwden de som van de norm, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogd met het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en de op de andere echtgenoot van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 en 27.
1.
Het college verhoogt de norm, bedoeld in de artikelen 26, onderdeel b, en 27, onderdeel b, met een toeslag voor zover de jongere hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
2.
De toeslag bedraagt ten hoogste € 254,67 [Red: per 1 juli 2011: € 263,97] per kalendermaand.
Artikel 31. Verlaging norm gehuwden
Het college kan de norm, bedoeld in artikel 28, eerste, tweede en derde lid, verlagen voor zover de jongeren lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
Artikel 32. Verlaging norm woonsituatie
Het college kan de norm, bedoeld in de artikelen 26, 27 en 28, of de toeslag, bedoeld in artikel 30, lager vaststellen voor zover de jongere lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
Artikel 33. Verlaging norm schoolverlaters
Het college kan voor de jongere die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm of de toeslag, bedoeld in artikel 30, gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten .
1.
Het college kan de toeslag, bedoeld in artikel 30, voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen voorzover het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.
2.
Onder het minimumjeugdloon bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het voor de desbetreffende leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag , verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en de daarover verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet .
1.
In de verordening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel e, stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
2.
In deze verordening stelt de gemeenteraad in elk geval vast dat:
a. onverminderd de artikelen 32, 33 en 34, de toeslag, bedoeld in artikel 30, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat artikel genoemde maximumbedrag;
b. jegens een jongere niet gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 33 en 34, eerste lid.
3.
In de verordening worden uitsluitend verhogingen of verlagingen vastgesteld als bedoeld in de artikelen 30 tot en met 34.
4.
Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt plaats onverminderd artikel 17, eerste lid.
1.
De hoogte van de inkomensvoorziening is het verschil tussen het inkomen en de inkomensvoorzieningsnorm.
2.
In de inkomensvoorziening is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5 procent van die inkomensvoorziening.
3.
De inkomensvoorziening wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de inkomensvoorziening verleent, op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet .
4.
Indien een van de gehuwden geen recht op inkomensvoorziening heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de inkomensvoorziening die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan:
a. indien de echtgenoot die geen recht heeft op inkomensvoorziening jonger is dan 27 jaar, de norm voor gehuwden die van toepassing zou zijn geweest indien beide echtgenoten recht op inkomensvoorziening zouden hebben;
b. indien de echtgenoot die geen recht heeft op inkomensvoorziening 27 jaar of ouder is:
1°. indien de gehuwden geen te hunnen laste komende kinderen hebben:
a. indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt, de norm, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b;
b. indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt, de norm, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel c;
2°. indien de gehuwden een of meer te hunnen laste komende kinderen hebben:
a. indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt, de norm, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b;
b. indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt, de norm, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel c.
5.
In afwijking van het vierde lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover het:
a. indien hij geen ten laste komende kinderen heeft, de inkomensvoorzieningsnorm niet te boven gaat die van toepassing zou zijn indien hij een rechthebbende alleenstaande van 26 jaar was;
b. indien hij ten laste komende kinderen heeft, de inkomensvoorzieningsnorm niet te boven gaat die van toepassing zou zijn indien hij een rechthebbende alleenstaande ouder van 26 jaar was.
6.
Indien een jongere die recht heeft op een inkomensvoorziening in de omstandigheid verkeert dat hij, op basis van een overeenkomst met een ander persoon, met die ander persoon een kind overwegend in gelijke mate verzorgt en onderhoudt, zonder met die andere persoon een gezamenlijke huishouding te voeren, stemt het college de inkomensvoorziening af op die omstandigheid.
1.
Het college verleent uiterlijk binnen vier weken na de datum waarop de aanvraag, bedoeld in artikel 14, is ingediend, en vervolgens telkens na vier weken, bij wijze van voorschot een inkomensvoorziening in de vorm van een renteloze geldlening, zolang het recht op een inkomensvoorziening niet is vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing indien:
a. de jongere de voor de vaststelling van het recht op inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de jongere anderszins onvoldoende medewerking verleent;
b. bij de aanvraag duidelijk is dat geen recht op inkomensvoorziening bestaat.
2.
De hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in ieder geval 90% van de hoogte van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 36, eerste lid.
3.
Indien de inkomensvoorziening wordt verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste lid een voorschot is verleend, wordt deze inkomensvoorziening zonder machtiging van de jongere verrekend met dit voorschot.
1.
De inkomensvoorziening wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald. In afwijking van de eerste zin wordt de vakantietoeslag, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande maanden waarin de inkomensvoorziening aan de jongere is verstrekt, tot een maximum van twaalf maanden of zo veel eerder als de vakantietoeslag over deze periode vaststaat, dan wel binnen drie maanden volgend op de maand waarin de inkomensvoorziening is beëindigd.
2.
Indien naar het oordeel van het college bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het college besluiten de inkomensvoorziening over een andere periode dan als bedoeld in het eerste lid vast te stellen of te betalen.
3.
De inkomensvoorziening wordt vastgesteld over het deel van de kalendermaand waarover recht op inkomensvoorziening bestaat, indien de alleenstaande of het gezin voorafgaand aan of volgend op de vaststelling van het recht op inkomensvoorziening:
a. gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen inkomensvoorziening ontvangt; of
b. anderszins geen recht op inkomensvoorziening heeft.
4.
De inkomensvoorziening wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de helft, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.
5.
In geval van overlijden van een van de echtgenoten die rechthebbend is, van de alleenstaande ouder, van het laatste ten laste komende kind van gehuwden waarvan de leeftijd van een echtgenoot of beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar is, of van het laatste ten laste komende kind van de alleenstaande ouder, wordt de inkomensvoorziening tot en met één maand na de dag van het overlijden, betaald naar de op het moment van overlijden van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm aan de andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen, de echtgenoten, onderscheidenlijk de gewezen alleenstaande ouder.
1.
De inkomensvoorziening is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.
2.
Beslag op de inkomensvoorziening is slechts geldig voor zover de jongere blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering .
3.
Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de inkomensvoorziening, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
4.
Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.
1.
Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de inkomensvoorziening verleend om niet.
2.
Indien het college de inkomensvoorziening verleent in de vorm van een geldlening kan het college hieraan verplichtingen verbinden die zijn gericht op meer zekerheid voor de nakoming van de aan deze inkomensvoorziening verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
3.
Indien de jongere aan wie een inkomensvoorziening in de vorm van een geldlening wordt verleend een inkomensvoorziening, algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die inkomensvoorziening, algemene bijstand of uitkering.
1.
Het college kan het recht op een inkomensvoorziening opschorten indien de jongere te verwijten valt dat hij de voor de vaststelling van het recht op een inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek van het college met betrekking tot zijn recht op een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening.
2.
Het college doet mededeling van de opschorting aan de jongere en nodigt hem uit binnen een door het college gestelde termijn het verzuim, bedoeld in het eerste lid, te herstellen.
3.
Het college kan een besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening herzien of intrekken, indien:
a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening; of
b. anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4.
Als na het verstrijken van een periode van drie maanden de opschorting, bedoeld in artikel 20, eerste lid, niet is beëindigd, trekt het college het besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de dag waarop de opschorting, bedoeld in dat artikel inging. Als de jongere het verzuim, bedoeld in het eerste lid, niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de eerste dag waarover het recht op de inkomensvoorziening is opgeschort.
1.
Indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt, verlaagt het college het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b.
2.
Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3.
Het college heroverweegt een besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
1.
Geen recht op de inkomensvoorziening bestaat:
a. indien de jongere het werkleeraanbod heeft geweigerd;
b. voor zover de jongere of zijn gezin een beroep kan doen op een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening buiten deze wet, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;
c. voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen;
d. indien de jongere wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;
e. indien de jongere per kalenderjaar langer dan dertien weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland;
f. indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken, tenzij het werkleeraanbod is ingetrokken uitsluitend omdat het college van oordeel is dat om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet kan worden gevergd dat de jongere uitvoering geeft aan het werkleeraanbod;
g. indien de jongere rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
h. indien de jongere zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
i. indien de jongere zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
j. gedurende de periode dat het recht op een werkleeraanbod is opgeschort;
k. indien de jongere 18, 19 of 20 jaar is en in een inrichting verblijft;
l. indien de jongere een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt of indien hij is gehuwd met een persoon die een zodanige uitkering ontvangt;
m. indien de jongere onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of indien de jongere gehuwd is met een zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de jongere alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg ;
n. indien de jongere een zelfstandige is die aanspraak kan maken op bijstand op grond van artikel 78f van de Wet werk en bijstand ;
o. indien de jongere van het werkleeraanbod is uitgesloten op grond van artikel 22.
2.
Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen .
3.
De Wet werk en inkomen kunstenaars geldt niet als een voorziening als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
1.
De jongere die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op een inkomensvoorziening voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
2.
Indien voor de jongere, bedoeld in het eerste lid, recht op een inkomensvoorziening bestaat, heeft die inkomensvoorziening de vorm van een geldlening:
a. indien de inkomensvoorziening over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover de inkomensvoorziening wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Wet werk en bijstand .
1.
Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden herzien:
a. met het percentage van deze wijziging, de normen, genoemd in de artikelen 26 tot en met 28, en het bedrag, genoemd in artikel 30, tweede lid;
b. het percentage, genoemd in artikel 36, tweede lid, zodanig dat dit gelijk is aan de procentuele verhouding tussen de netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag over het minimumloon en het netto minimumloon. Onder netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag wordt verstaan het verschil tussen het netto minimumloon en het netto minimumloon zoals dat overeenkomstig artikel 9, eerste lid, zou zijn berekend zonder rekening te houden met de aanspraak op vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag .
2.
Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden de normen, genoemd in artikel 29, eerste lid, herzien met het percentage van deze wijziging.
3.
De bedragen, genoemd in artikel 29, tweede lid, worden herzien, indien het drempelinkomen, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag , wordt aangepast, de percentages, bedoeld in artikel 2 van die wet , worden gewijzigd of het bedrag van de standaardpremie op grond van artikel 4 van die wet op een ander bedrag wordt vastgesteld.
4.
Van de herziene normen en bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
5.
Onze Minister kan de normen, het percentage en de bedragen, genoemd in het eerste tot en met het derde lid, eenmalig aanpassen na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
1.
De jongere doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op een werkleeraanbod of zijn recht op inkomensvoorziening. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte bij ministeriële regeling aan te wijzen gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties.
2.
De jongere is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
3.
Het college stelt bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht.
4.
Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 45. Overige verplichtingen
De jongere is verplicht:
a. mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling, waaronder begrepen mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
b. geen onredelijke eisen te stellen in verband met door hem te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
c. mee te werken aan het behoud of bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid;
d. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling;
e. opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten;
f. op advies van een arts zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
1.
Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , bepaalt het college welke gegevens voor het doen van een werkleeraanbod, dan wel de voortzetting daarvan, of voor het verstrekken van een inkomensvoorziening, dan wel de voortzetting daarvan, door de jongere in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de jongere voor zover ze anderszins zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van die wet , alsmede uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
2.
Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor het doen van een werkleeraanbod, dan wel de voortzetting daarvan, of voor het verstrekken van een inkomensvoorziening, dan wel de voortzetting daarvan. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening van het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening.
3.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Indien de inkomensvoorziening wordt verleend over een periode, waarover een uitkering op grond van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Toeslagenwet of een inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten als voorschot op grond van artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht betaalbaar is gesteld en dit voorschot door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt teruggevorderd, kan deze inkomensvoorziening op grond van deze wet zonder machtiging van de jongere tot het bedrag van dit voorschot aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden betaald.
2.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de gemeente aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tevens de over de te verlenen inkomensvoorziening verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet .
1.
Een ieder is verplicht desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van een jongere aan wie een werkleeraanbod is of zal worden gedaan, dan wel aan wie een inkomensvoorziening is of zal worden verstrekt, en die in zijn dienst, dan wel voor hem, arbeid verricht, heeft verricht of zou kunnen gaan verrichten. De verplichting strekt zich mede uit tot de inkomsten van een persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening op grond van hoofdstuk 7 worden of kunnen worden teruggevorderd of op wie die kosten worden of kunnen worden verhaald.
2.
De opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door het college schriftelijk te stellen termijn verstrekt.
1.
De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan het college of, indien het college aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake doen van een werkleeraanbod of het verstrekken van een inkomensvoorziening, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet:
a. het college van andere gemeenten;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank;
c. de Belastingdienst;
d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet , de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg en de zorgverzekeraars in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van artikel 1, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ;
e. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet 2007 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 ;
h. de Belastingdienst/Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing van de Wet bevordering eigenwoningbezit ;
i. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, betreffende de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000 , de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ;
j. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de omvang van de productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de ondernemer in de agrarische sector;
k. Onze Minister van Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
l. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
m. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
n. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
o. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing van de Wet inburgering .
2.
Het vragen door het college en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
3.
Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan het college of, indien het college aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake doen van een werkleeraanbod of het verstrekken van een inkomensvoorziening, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kosteloos alle gegevens en uittreksels of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
4.
De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot de personen:
a. van wie kosten van de inkomensvoorziening op grond van hoofdstuk 7 worden of kunnen worden teruggevorderd of op wie die kosten worden of kunnen worden verhaald;
b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als de persoon:
1°. te wiens behoeve de inkomensvoorziening is gevraagd of wordt verstrekt;
2°. van wie kosten van de inkomensvoorziening op grond van hoofdstuk 7 worden of kunnen worden teruggevorderd of op wiens kosten die kosten worden of kunnen worden verhaald.
5.
De in het eerste lid en het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.
6.
De in het eerste lid, onderdeel a tot en met k, genoemde instanties treffen desgevraagd met het college en met het Inlichtingenbureau een regeling met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven en inlichtingen.
7.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud en vormgeving van de in het zesde lid bedoelde regeling.
8.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer van de in het eerste lid bedoelde instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan het college te verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau aan deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op dat moment nog onbekende personen opslaan. Bij toepassing van de eerste zin wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen.
9.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in het eerste en het derde lid worden aangewezen voor wie de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid tot en met zevende lid, eveneens gelden, voor zover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven.
10.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het achtste lid, kan tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
11.
Onze Minister van Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen, die van invloed kunnen zijn op het recht op een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening, aan het college, of, indien het college aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake doen van een werkleeraanbod of het verstrekken van een inkomensvoorziening, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.
1.
Onverminderd artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 , is het college bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, uit de administratie ter zake van de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde instanties kosteloos de gegevens te verstrekken:
a. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of de wettelijke regelingen, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel a , en 34, eerste lid, onderdeel a, van die wet ;
b. de Belastingdienst voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen , of inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de Belastingdienst/Toeslagen voor de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en bijstand , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Wet werk en inkomen kunstenaars ;
d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet , de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg en de zorgverzekeraars in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van artikel 1, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten , voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ;
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van de Nederlandse Antillen en Aruba voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
h. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie voor de uitvoering van de Wet inburgering ;
i. Onze Minister van Justitie in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.
2.
Het verstrekken door het college aan de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde gegevens kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
3.
De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor onevenredig wordt geschaad.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te worden verstrekt.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen ten behoeve waarvan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, eveneens gelden.
1.
In de administratie van de gemeente terzake van de uitvoering van deze wet wordt het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer opgenomen waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de belastingdienst.
2.
Bij de verstrekking van gegevens door het college en de in de artikelen 49 en 50 bedoelde instanties wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van dit burgerservicenummer, onderscheidenlijk dit sociaal-fiscaalnummer. Derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen gebruiken het burgerservicenummer, onderscheidenlijk het sociaal-fiscaalnummer, slechts voor zover dat noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden die in het kader van artikel 11, eerste en derde lid, worden uitgevoerd.
3.
Ten behoeve van het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer bij het ontbreken van het burgerservicenummer kan Onze Minister van Financiën aan personen aan wie een werkleeraanbod wordt gedaan of een inkomensvoorziening wordt verstrekt, een sociaal-fiscaalnummer toekennen, indien aan die personen nog geen sociaal-fiscaalnummer is toegekend.
Artikel 52. Vermoeden misdrijf
Het college is verplicht, indien het bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgt van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een Nederlands of buitenlands uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringswetten of van een Nederlands of buitenlands overheidsorgaan, voor zover dit is belast met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen, dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.
1.
Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk is, dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.
2.
Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. de persoon op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;
c. de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
3.
Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
4.
De persoon die op grond van dit artikel of de artikelen 48, 49, 51 of  52 gegevens verstrekt dient na te gaan of de persoon aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
1.
Het college kan de kosten van de inkomensvoorziening terugvorderen, voor zover die inkomensvoorziening:
a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
b. op grond van artikel 37 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op inkomensvoorziening bestaat;
c. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;
d. anderszins onverschuldigd is betaald, omdat de jongere naderhand met betrekking tot de periode waarover de inkomensvoorziening is verleend, over in aanmerking te nemen vermogen of inkomen beschikt of kan beschikken; of
e. anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
2.
Indien het college op grond van artikel 16, derde lid, gehouden is kosten verbonden aan een werkleeraanbod, of een inkomensvoorziening over een bepaalde periode aan een andere gemeente te vergoeden, geschiedt de terugvordering over die periode, voor zover zij nog niet heeft plaatsgehad, door het college van eerstgenoemde gemeente.
3.
Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de inkomensvoorziening.
4.
Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de inkomensvoorziening verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet , kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.
5.
Terugvordering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
1.
Indien de inkomensvoorziening overeenkomstig een norm als bedoeld in artikel 28 had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de jongere de verplichtingen, bedoeld in artikel 44 , of artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de inkomensvoorziening mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de inkomensvoorziening rekening had moeten worden gehouden.
2.
De in het eerste lid bedoelde persoon is mede hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van de inkomensvoorziening die worden teruggevorderd.
1.
De persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening worden teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van dit hoofdstuk van belang zijn.
2.
Het college kan de kosten van de inkomensvoorziening, bedoeld in de artikelen 54 en 55 invorderen bij dwangbevel.
3.
Indien de persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening, bedoeld in de artikelen 54 en 55, worden teruggevorderd een inkomensvoorziening, algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen , het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die kosten met die inkomensvoorziening, die algemene bijstand of die uitkering.
4.
De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht , door middel van toezending per post aan de persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening worden teruggevorderd.
5.
Zolang de persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening worden teruggevorderd zijn verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht , bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering , in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht , niet bij invordering van kosten van de inkomensvoorziening bij dwangbevel.
6.
Terugvordering van kosten van de inkomensvoorziening, bedoeld in de artikelen 54 en 55, is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen omschreven in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
1.
Indien degene van wie de kosten van inkomensvoorziening worden teruggevorderd algemene bijstand, inkomensvoorziening of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen werknemers , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt van het college van een andere gemeente dan het college dat de kosten van inkomensvoorziening terugvordert, betaalt het college van die andere gemeente, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, het bedrag van de terugvordering uit de algemene bijstand, de inkomensvoorziening of de uitkering op verzoek aan het college dat de kosten van de inkomensvoorziening terugvordert.
2.
Indien degene van wie de kosten van inkomensvoorziening worden teruggevorderd een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet , de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen , de Ziektewet , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen , de Wet arbeid en zorg of de Toeslagenwet of inkomensondersteuning ontvangt op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van belanghebbende, het bedrag van de terugvordering uit de uitkering of de inkomensondersteuning op verzoek aan het college dat de kosten van de inkomensvoorziening terugvordert.
3.
Indien degene van wie de kosten van inkomensvoorziening worden teruggevorderd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet betaalt de Sociale verzekeringsbank, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van belanghebbende, het bedrag van de terugvordering uit de uitkering op verzoek aan het college dat de kosten van de inkomensvoorziening terugvordert.
Artikel 57. Verhaal
Op verhaal van kosten van de inkomensvoorziening is paragraaf 6.5 van de Wet werk en bijstand van overeenkomstige toepassing.
1.
Op de jongere die op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ontvangt, blijft de Wet werk en bijstand van toepassing tot het tijdstip waarop die jongere zijn recht op algemene bijstand verliest, met dien verstande dat die jongere in ieder geval met ingang van 1 juli 2010 het recht op algemene bijstand verliest.
2.
Gedurende de periode dat de jongere op grond van het eerste lid recht op algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand heeft, is deze wet niet een voorliggende voorziening in het kader van de uitvoering van de Wet werk en bijstand .
3.
Onverminderd het eerste lid blijft de Wet werk en bijstand van toepassing tot en met 31 december 2010 op de jongere die:
a. alleenstaande ouder is;
b. in een gemeente woont die deelneemt aan het experiment dat op het moment van inwerkingtreding van deze wet bestaat op grond van artikel 83 van de Wet werk en bijstand ; en
c. op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand en deze algemene bijstand sindsdien onafgebroken ontvangt.
4.
Artikel 7, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van het bij Koninklijke boodschap van 10 december 2009 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van de Wet investeren in jongeren en enkele andere wetten ter verduidelijking en verbetering van enige punten (Kamerstukken 32 260) nadat dat tot wet is verheven, blijft tot en met die dag van toepassing met betrekking tot inkomen uit studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten dat minder bedraagt dan het op grond van artikel 7, eerste lid, in aanmerking te nemen inkomen uit die bronnen.
Artikel 87. Aanwijzing minister
Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen constateert, aan het college, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met deze aanwijzing.
Artikel 88. Toezicht op de naleving
Met het toezicht op de naleving van deze wet zijn belast de bij besluit van het college aangewezen ambtenaren.
1.
Het college legt verantwoording af aan Onze Minister over de uitvoering van deze wet, op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet .
2.
Het college dient jaarlijks bij Onze Minister een beeld van de uitvoering in.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het beeld van de uitvoering.
1.
Het college en de gemeenteraad verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor het toezicht, de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
2.
Onze Minister stelt een beleidsplan op dat het kader biedt waarbinnen hij de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, vraagt. Over het beleidsplan of een wijziging daarvan overlegt hij met de daartoe door hem aangewezen rechtspersoon die de gemeenten vertegenwoordigt.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het college en de gemeenteraad de in het eerste lid bedoelde inlichtingen verzamelen en verstrekken, waarbij kan worden bepaald dat categorieën van gemeenten bepaalde inlichtingen niet hoeven te verzamelen en te verstrekken.
4.
De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en het beeld van de uitvoering, bedoeld in artikel 89, worden kosteloos verstrekt.
Artikel 91. Begrip besluit, cassatie en onverwijlde financiële ondersteuning
De artikelen 79 , 80 en 81 van de Wet werk en bijstand zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 92. Evaluatie
Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 93. Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 94. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet investeren in jongeren.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 1 juli 2009
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,
De Minister voor Jeugd en Gezin ,
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ,
Uitgegeven de tweede juli 2009
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Opdracht gemeentebestuur
+ Hoofdstuk 3. Recht op werkleeraanbod
+ Hoofdstuk 4. Recht op inkomensvoorziening
+ Hoofdstuk 5. Plichten jongere
+ Hoofdstuk 6. Bevoegdheden en plichten college
+ Hoofdstuk 7. Terugvordering en verhaal
+ Hoofdstuk 8. Wijziging andere wetten
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht