Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2012. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet investeren in jongeren

Uitgebreide informatie
1.
De jongere van 18 jaar of ouder, die een aanvraag als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend, heeft recht op een inkomensvoorziening indien:
a. er geen in aanmerking te nemen vermogen is, en
b. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm.
2.
De inkomensvoorziening wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, te rekenen vanaf de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 14.
3.
Artikel 13, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jongere zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan het college:
a. aan de inkomensvoorziening de verplichting verbinden dat de jongere eraan meewerkt dat het college in naam van de jongere noodzakelijke betalingen uit de toegekende inkomensvoorziening verricht;
b. de inkomensvoorziening in natura verstrekken.
1.
Het college stelt het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vast, gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod.
2.
Indien na de ambtshalve vaststelling, bedoeld in het eerste lid, feiten en omstandigheden die van invloed zijn op het recht op een inkomensvoorziening wijzigen, stelt het college uit eigen beweging, dan wel op een daartoe strekkend verzoek van de jongere, het recht op een inkomensvoorziening opnieuw vast.
Artikel 26. Norm alleenstaande
Voor een jongere die alleenstaande is, is de norm per kalendermaand:
a. indien hij zich in de leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: € 220,01 [Red: per 1 juli 2011: € 228,04] ;
b. indien hij zich in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 26 jaar bevindt: € 636,69 [Red: per 1 juli 2011: € 659,93] .
Artikel 27. Norm alleenstaande ouder
Voor een jongere die alleenstaande ouder is, is de norm per kalendermaand:
a. indien hij zich in de leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: € 474,68 [Red: per 1 juli 2011: € 492,01] ;
b. indien hij zich in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 26 jaar bevindt: € 891,36 [Red: per 1 juli 2011: € 923,90] .
1.
Voor jongeren die gehuwd zijn en geen te hunnen laste komende kinderen hebben, is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. gehuwden waarvan beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevinden: € 440,02 [Red: per 1 juli 2011: € 456,08] ;
b. gehuwden waarvan een echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt: € 856,70 [Red: per 1 juli 2011: € 887,97] ;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevinden: € 1 273,37 [Red: per juli 2011: € 1.319,85.] .
2.
Voor jongeren die gehuwd zijn en een of meer te hunnen laste komende kinderen hebben, is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. gehuwden waarvan beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevinden: € 694,69 [Red: per juli 2011: € 720,05] ;
b. gehuwden waarvan een echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt: € 1 111,37 [Red: per juli 2011: € 1.151,94] ;
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevinden: € 1 273,37 [Red: per juli 2011: € 1.319,85.] .
3.
Indien een van de gehuwden geen recht op inkomensvoorziening heeft, is voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan de norm die voor hem als alleenstaande of als alleenstaande ouder zou gelden.
4.
In afwijking van het derde lid wordt, indien gehuwden een of meer te hunnen laste komende kinderen hebben en een van de gehuwden algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ontvangt, de op die gehuwde van toepassing zijnde bijstandsnorm in mindering gebracht op:
a. de norm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt;
b. de norm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt.
1.
Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een jongere die alleenstaande of een alleenstaande ouder is: € 283,55 [Red: per 1 juli 2011: € 293,92] ;
b. jongeren die gehuwd zijn: € 441,04 [Red: per 1 juli 2011: € 457,15] .
2.
Het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd:
a. voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder met € 54,00 [Red: per 1 januari 2011: € 45,00] ;
b. voor gehuwden met € 77,00 [Red: per 1 januari 2011: € 83,00] .
3.
Indien beide gehuwden recht op inkomensvoorziening hebben en een van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de norm voor beide gehuwden de som van de norm, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogd met het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en de op de andere echtgenoot van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 en 27.
1.
Het college verhoogt de norm, bedoeld in de artikelen 26, onderdeel b, en 27, onderdeel b, met een toeslag voor zover de jongere hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
2.
De toeslag bedraagt ten hoogste € 254,67 [Red: per 1 juli 2011: € 263,97] per kalendermaand.
Artikel 31. Verlaging norm gehuwden
Het college kan de norm, bedoeld in artikel 28, eerste, tweede en derde lid, verlagen voor zover de jongeren lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
Artikel 32. Verlaging norm woonsituatie
Het college kan de norm, bedoeld in de artikelen 26, 27 en 28, of de toeslag, bedoeld in artikel 30, lager vaststellen voor zover de jongere lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
Artikel 33. Verlaging norm schoolverlaters
Het college kan voor de jongere die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm of de toeslag, bedoeld in artikel 30, gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten .
1.
Het college kan de toeslag, bedoeld in artikel 30, voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen voorzover het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.
2.
Onder het minimumjeugdloon bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het voor de desbetreffende leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag , verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en de daarover verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet .
1.
In de verordening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel e, stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
2.
In deze verordening stelt de gemeenteraad in elk geval vast dat:
a. onverminderd de artikelen 32, 33 en 34, de toeslag, bedoeld in artikel 30, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat artikel genoemde maximumbedrag;
b. jegens een jongere niet gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 33 en 34, eerste lid.
3.
In de verordening worden uitsluitend verhogingen of verlagingen vastgesteld als bedoeld in de artikelen 30 tot en met 34.
4.
Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt plaats onverminderd artikel 17, eerste lid.
1.
De hoogte van de inkomensvoorziening is het verschil tussen het inkomen en de inkomensvoorzieningsnorm.
2.
In de inkomensvoorziening is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5 procent van die inkomensvoorziening.
3.
De inkomensvoorziening wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de inkomensvoorziening verleent, op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet .
4.
Indien een van de gehuwden geen recht op inkomensvoorziening heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van de inkomensvoorziening die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan:
a. indien de echtgenoot die geen recht heeft op inkomensvoorziening jonger is dan 27 jaar, de norm voor gehuwden die van toepassing zou zijn geweest indien beide echtgenoten recht op inkomensvoorziening zouden hebben;
b. indien de echtgenoot die geen recht heeft op inkomensvoorziening 27 jaar of ouder is:
1°. indien de gehuwden geen te hunnen laste komende kinderen hebben:
a. indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt, de norm, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b;
b. indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt, de norm, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel c;
2°. indien de gehuwden een of meer te hunnen laste komende kinderen hebben:
a. indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt, de norm, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b;
b. indien de jongste echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt, de norm, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel c.
5.
In afwijking van het vierde lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover het:
a. indien hij geen ten laste komende kinderen heeft, de inkomensvoorzieningsnorm niet te boven gaat die van toepassing zou zijn indien hij een rechthebbende alleenstaande van 26 jaar was;
b. indien hij ten laste komende kinderen heeft, de inkomensvoorzieningsnorm niet te boven gaat die van toepassing zou zijn indien hij een rechthebbende alleenstaande ouder van 26 jaar was.
6.
Indien een jongere die recht heeft op een inkomensvoorziening in de omstandigheid verkeert dat hij, op basis van een overeenkomst met een ander persoon, met die ander persoon een kind overwegend in gelijke mate verzorgt en onderhoudt, zonder met die andere persoon een gezamenlijke huishouding te voeren, stemt het college de inkomensvoorziening af op die omstandigheid.
1.
Het college verleent uiterlijk binnen vier weken na de datum waarop de aanvraag, bedoeld in artikel 14, is ingediend, en vervolgens telkens na vier weken, bij wijze van voorschot een inkomensvoorziening in de vorm van een renteloze geldlening, zolang het recht op een inkomensvoorziening niet is vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing indien:
a. de jongere de voor de vaststelling van het recht op inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de jongere anderszins onvoldoende medewerking verleent;
b. bij de aanvraag duidelijk is dat geen recht op inkomensvoorziening bestaat.
2.
De hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in ieder geval 90% van de hoogte van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 36, eerste lid.
3.
Indien de inkomensvoorziening wordt verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste lid een voorschot is verleend, wordt deze inkomensvoorziening zonder machtiging van de jongere verrekend met dit voorschot.
1.
De inkomensvoorziening wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald. In afwijking van de eerste zin wordt de vakantietoeslag, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande maanden waarin de inkomensvoorziening aan de jongere is verstrekt, tot een maximum van twaalf maanden of zo veel eerder als de vakantietoeslag over deze periode vaststaat, dan wel binnen drie maanden volgend op de maand waarin de inkomensvoorziening is beëindigd.
2.
Indien naar het oordeel van het college bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het college besluiten de inkomensvoorziening over een andere periode dan als bedoeld in het eerste lid vast te stellen of te betalen.
3.
De inkomensvoorziening wordt vastgesteld over het deel van de kalendermaand waarover recht op inkomensvoorziening bestaat, indien de alleenstaande of het gezin voorafgaand aan of volgend op de vaststelling van het recht op inkomensvoorziening:
a. gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen inkomensvoorziening ontvangt; of
b. anderszins geen recht op inkomensvoorziening heeft.
4.
De inkomensvoorziening wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de helft, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.
5.
In geval van overlijden van een van de echtgenoten die rechthebbend is, van de alleenstaande ouder, van het laatste ten laste komende kind van gehuwden waarvan de leeftijd van een echtgenoot of beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar is, of van het laatste ten laste komende kind van de alleenstaande ouder, wordt de inkomensvoorziening tot en met één maand na de dag van het overlijden, betaald naar de op het moment van overlijden van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm aan de andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen, de echtgenoten, onderscheidenlijk de gewezen alleenstaande ouder.
1.
De inkomensvoorziening is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.
2.
Beslag op de inkomensvoorziening is slechts geldig voor zover de jongere blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering .
3.
Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de inkomensvoorziening, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
4.
Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.
1.
Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de inkomensvoorziening verleend om niet.
2.
Indien het college de inkomensvoorziening verleent in de vorm van een geldlening kan het college hieraan verplichtingen verbinden die zijn gericht op meer zekerheid voor de nakoming van de aan deze inkomensvoorziening verbonden rente- en aflossingsverplichtingen.
3.
Indien de jongere aan wie een inkomensvoorziening in de vorm van een geldlening wordt verleend een inkomensvoorziening, algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die inkomensvoorziening, algemene bijstand of uitkering.
1.
Het college kan het recht op een inkomensvoorziening opschorten indien de jongere te verwijten valt dat hij de voor de vaststelling van het recht op een inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek van het college met betrekking tot zijn recht op een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening.
2.
Het college doet mededeling van de opschorting aan de jongere en nodigt hem uit binnen een door het college gestelde termijn het verzuim, bedoeld in het eerste lid, te herstellen.
3.
Het college kan een besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening herzien of intrekken, indien:
a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening; of
b. anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4.
Als na het verstrijken van een periode van drie maanden de opschorting, bedoeld in artikel 20, eerste lid, niet is beëindigd, trekt het college het besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de dag waarop de opschorting, bedoeld in dat artikel inging. Als de jongere het verzuim, bedoeld in het eerste lid, niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de eerste dag waarover het recht op de inkomensvoorziening is opgeschort.
1.
Indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt, verlaagt het college het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b.
2.
Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3.
Het college heroverweegt een besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
1.
Geen recht op de inkomensvoorziening bestaat:
a. indien de jongere het werkleeraanbod heeft geweigerd;
b. voor zover de jongere of zijn gezin een beroep kan doen op een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening buiten deze wet, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;
c. voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen;
d. indien de jongere wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;
e. indien de jongere per kalenderjaar langer dan dertien weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland;
f. indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken, tenzij het werkleeraanbod is ingetrokken uitsluitend omdat het college van oordeel is dat om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet kan worden gevergd dat de jongere uitvoering geeft aan het werkleeraanbod;
g. indien de jongere rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
h. indien de jongere zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
i. indien de jongere zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult;
j. gedurende de periode dat het recht op een werkleeraanbod is opgeschort;
k. indien de jongere 18, 19 of 20 jaar is en in een inrichting verblijft;
l. indien de jongere een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt of indien hij is gehuwd met een persoon die een zodanige uitkering ontvangt;
m. indien de jongere onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of indien de jongere gehuwd is met een zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de jongere alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg ;
n. indien de jongere een zelfstandige is die aanspraak kan maken op bijstand op grond van artikel 78f van de Wet werk en bijstand ;
o. indien de jongere van het werkleeraanbod is uitgesloten op grond van artikel 22.
2.
Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen .
3.
De Wet werk en inkomen kunstenaars geldt niet als een voorziening als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
1.
De jongere die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op een inkomensvoorziening voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
2.
Indien voor de jongere, bedoeld in het eerste lid, recht op een inkomensvoorziening bestaat, heeft die inkomensvoorziening de vorm van een geldlening:
a. indien de inkomensvoorziening over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover de inkomensvoorziening wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Wet werk en bijstand .
1.
Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden herzien:
a. met het percentage van deze wijziging, de normen, genoemd in de artikelen 26 tot en met 28, en het bedrag, genoemd in artikel 30, tweede lid;
b. het percentage, genoemd in artikel 36, tweede lid, zodanig dat dit gelijk is aan de procentuele verhouding tussen de netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag over het minimumloon en het netto minimumloon. Onder netto aanspraak op de minimum vakantiebijslag wordt verstaan het verschil tussen het netto minimumloon en het netto minimumloon zoals dat overeenkomstig artikel 9, eerste lid, zou zijn berekend zonder rekening te houden met de aanspraak op vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag .
2.
Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden de normen, genoemd in artikel 29, eerste lid, herzien met het percentage van deze wijziging.
3.
De bedragen, genoemd in artikel 29, tweede lid, worden herzien, indien het drempelinkomen, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag , wordt aangepast, de percentages, bedoeld in artikel 2 van die wet , worden gewijzigd of het bedrag van de standaardpremie op grond van artikel 4 van die wet op een ander bedrag wordt vastgesteld.
4.
Van de herziene normen en bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
5.
Onze Minister kan de normen, het percentage en de bedragen, genoemd in het eerste tot en met het derde lid, eenmalig aanpassen na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Opdracht gemeentebestuur
+ Hoofdstuk 3. Recht op werkleeraanbod
- Hoofdstuk 4. Recht op inkomensvoorziening
+ Hoofdstuk 5. Plichten jongere
+ Hoofdstuk 6. Bevoegdheden en plichten college
+ Hoofdstuk 7. Terugvordering en verhaal
+ Hoofdstuk 8. Wijziging andere wetten
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht