Wet van 20 juni 1996, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Justitie alsmede wijziging van enige wetten in verband met de subsidietitel in de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verstrekking van subsidies door Onze Minister van Justitie wettelijk te regelen alsook enkele wetten aan te passen in verband met de bepalingen over subsidies in de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
Artikel 2
Dit hoofdstuk is slechts van toepassing op subsidies die door Onze Minister worden verstrekt en die:
a. op deze wet berusten, of
b. niet op een wettelijk voorschrift berusten.
Artikel 3
Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4
Indien Onze Minister subsidie verstrekt voor activiteiten die mede door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan Onze Minister afwijken van de bij of krachtens deze wet aan de subsidie verbonden verplichtingen, voor zover
a. dit wenselijk is met het oog op een goede afstemming met de door die andere bestuursorganen opgelegde verplichtingen, en
b. daardoor het belang met het oog waarop die verplichtingen zijn opgelegd, niet onevenredig wordt geschaad.
1.
Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet of de Algemene wet bestuursrecht aan de subsidie-ontvanger opgelegde verplichtingen zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen.
2.
De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4.
Aan door Onze Minister verstrekte subsidies is de verplichting verbonden dat de subsidie-ontvanger aan een toezichthouder alle medewerking verleent die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
Artikel 6
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder slachtofferhulp:
a. de opvang en ondersteuning van slachtoffers en nabestaanden van vermoedelijke strafbare feiten, bestaande uit:
1°. juridische ondersteuning;
2°. praktische ondersteuning;
3°. kortdurende emotionele ondersteuning;
4°. doorverwijzing naar niet in het bijzonder voor slachtoffers bedoelde hulpverleningsinstellingen;
b. activiteiten ter verbetering van de positie van het slachtoffer.
1.
Onze Minister wijst een rechtspersoon aan, die is belast met de taken, bedoeld in artikel 6.
2.
Van de aanwijzing door Onze Minister wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 7a
De rechtspersoon behoeft de toestemming van Onze Minister voor de handelingen, bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
1.
Onze Minister verstrekt per boekjaar subsidie aan de rechtspersoon voor de werkzaamheden die door de rechtspersoon of onder zijn verantwoordelijkheid worden verricht.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
a. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
b. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
c. de vaststelling van de subsidie;
d. intrekking of wijziging van de subsidie;
e. verplichtingen van de subsidieontvanger.
Artikel 9
Onze Minister kan subsidie verstrekken voor bijzondere projecten op het terrein van slachtofferhulp.
1.
De rechtspersoon vormt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
Indien de rechtspersoon zaken ter beschikking stelt aan of diensten verricht voor natuurlijke personen of rechtspersonen, die niet de ondersteuning van de rechtspersoon ten doel hebben, brengt zij een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is.
2.
Indien aan de rechtspersoon zaken ter beschikking worden gesteld door een andere rechtspersoon die de ondersteuning van de rechtspersoon ten doel heeft, betaalt zij aan deze rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat ter zake op grond van de historische kostprijs en rekening houdende met de voor de instelling geldende afschrijvingspercentages in redelijkheid in rekening kan worden gebracht.
3.
Indien voor de rechtspersoon diensten worden verricht door een andere rechtspersoon, die de ondersteuning van de rechtspersoon ten doel heeft en welke in het algemeen in eigen beheer worden verricht, betaalt de rechtspersoon aan de andere rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat het verrichten van de diensten in eigen beheer zou hebben gekost.
4.
De rechtspersoon verstrekt desgevraagd aan Onze Minister een beschrijving van de tussen deze rechtspersoon en andere rechtspersonen bestaande organisatorische dan wel financiële banden alsmede van zodanig nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voor zover deze banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de vergoedingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
1.
Onze Minister kan subsidie verstrekken aan de rechtspersoon die is belast met de bemiddeling tussen de verdachte en het slachtoffer, bedoeld in artikel 51h, van het Wetboek van Strafvordering.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht, onderzoekt de accountant tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
2.
Onze Minister stelt een aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de controle, als bedoeld in artikel 4:79, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vast.
1.
In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, legt Onze Minister een volledige vergoedingsplicht op.
2.
Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden de activa gewaardeerd op hun actuele waarde. De waardebepaling van een onroerende zaak geschiedt door drie deskundigen. Onze Minister onderscheidenlijk de subsidie-ontvanger wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien de activiteiten van de subsidie-ontvanger door een derde worden voortgezet en de activa en passiva met toestemming van Onze Minister tegen boekwaarde aan die derde worden overgedragen.
Artikel 32
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
criminaliteitspreventie: activiteiten gericht op:
a. het weerhouden van potentiële plegers van strafbare feiten van het plegen of opnieuw plegen daarvan;
b. het verminderen van de gelegenheid tot het plegen van strafbare feiten, of
c. het voorkomen van slachtofferschap.
vrijwilligerswerk bij de sanctietoepassing: activiteiten verricht door vrijwilligers ten behoeve van (ex-)justitieel ingeslotenen, gericht op reïntegratie van de (ex-)justitieel ingeslotenen in de samenleving.
1.
Onze Minister kan subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van rechtspersonen die zich bezighouden met criminaliteitspreventie, het voorkomen van terrorisme, nazorg of vrijwilligersactiviteiten bij de sanctietoepassing.
3.
De artikelen 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 34
Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten op het gebied van criminaliteitspreventie, het voorkomen van terrorisme, nazorg en vrijwilligersactiviteiten bij de sanctietoepassing, waarbij:
a. de activiteiten worden bevorderd die effectief zijn gebleken;
b. activiteiten op dit gebied worden ontwikkeld of
c. de activiteiten zijn gericht op deskundigheidsbevordering.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de subsidies, bedoeld in artikel 34.
2.
Deze regels kunnen in ieder geval betreffen:
a. een uitwerking van de activiteiten, genoemd in artikel 32, die voor subsidie in aanmerking komen, en
b. een nadere omschrijving van aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Artikel 36
Onze Minister kan een subsidieplafond vaststellen voor subsidies als bedoeld in artikel 34. Hij bepaalt daarbij hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.
Artikel 38
Onze Minister kan subsidie verstrekken voor onderzoek dat naar verwachting van belang is voor de vorming, toetsing of uitvoering van het beleid waarvoor hij verantwoordelijkheid draagt.
Artikel 39
Onze Minister stelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens om de twee jaren, beleidsregels vast met betrekking tot het onderzoek waarvoor in die periode subsidie kan worden verstrekt.
1.
De subsidie bedraagt ten hoogste de kosten van het onderzoek.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de kosten die voor subsidie in aanmerking komen;
b. de wijze waarop bepaalde kosten worden berekend;
c. de subsidie die voor bepaalde kosten ten hoogste kan worden verstrekt.
Artikel 41
De subsidie wordt slechts verstrekt indien het onderzoeksvoorstel:
a. past binnen de beleidsregels;
b. van voldoende wetenschappelijke kwaliteit is, en
c. mede gelet op de beschikbare financiële middelen, voldoende relevant is voor het beleid van Onze Minister.
Artikel 42
De aanvraag tot verlening van de subsidie wordt uiterlijk acht weken voor de aanvang van het onderzoek ingediend.
1.
De aanvraag omvat tenminste:
a. een onderzoeksplan, en
b. een begroting.
2.
De aanvraag vermeldt voorts in ieder geval:
a. de samenstelling van een eventueel samenwerkingsverband waarin het onderzoek wordt uitgevoerd,
b. de instelling die de personele en financiële verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van het onderzoek, en
c. de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van eventuele aanvragen om subsidie bij een of meer andere bestuursorganen of organen van internationale organisaties, welke dezelfde begrote uitgaven betreffen.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de eisen waaraan een onderzoeksplan en een begroting moeten voldoen.
Artikel 44
Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot verlening van de subsidie.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van het onderzoek.
2.
Deze regels kunnen in ieder geval betreffen:
a. de eisen die worden gesteld aan de leiding, begeleiding en verrichting van het onderzoek;
b. de instelling van een begeleidingscommissie en de vertegenwoordiging van Onze Minister in die commissie;
c. de rapportage;
d. de publikatie van de onderzoeksresultaten;
e. de eigendom, het gebruik en de opslag van onderzoeksmateriaal.
3.
De regels, bedoeld in het eerste lid, betreffen niet de uitkomsten van het onderzoek.
4.
Onze Minister maakt, onverminderd het bepaalde in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, de onderzoeksresultaten zo spoedig mogelijk openbaar, maar in ieder geval binnen zes maanden na de aanbieding ervan aan Onze Minister.
1.
De subsidie-ontvanger en alle bij de uitvoering van het onderzoek betrokken personen zijn verplicht tot geheimhouding van in het kader van het onderzoek verkregen persoonsgegevens of andere gegevens met een vertrouwelijk karakter.
2.
Persoonsgegevens als bedoeld in het eerste lid worden slechts gebruikt voor het onderzoek waarvoor subsidie is verleend, tenzij Onze Minister of degene die de gegevens heeft verstrekt toestemming geeft voor gebruik ten behoeve van ander onderzoek.
1.
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt binnen dertien weken na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend, dan wel binnen dertien weken na de rapportage over het onderzoek ingediend.
2.
Onze Minister beslist binnen dertien weken op de aanvraag tot vaststelling.
1.
Onze Minister kan subsidie verstrekken ten behoeve van activiteiten inzake immigratie en asiel.
3.
Onze Minister kan een subsidieplafond vaststellen. Hij bepaalt daarbij hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
Onze Minister kan subsidie verstrekken ten behoeve van:
a. het optreden als bewindvoerder als bedoeld in artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet;
b. activiteiten ter ondersteuning van bewindvoerders.
2.
De subsidies worden per boekjaar verstrekt.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de personen of instellingen waaraan de subsidies kunnen worden verstrekt;
b. de wijze waarop het bedrag van de subsidies wordt bepaald;
c. de aan de subsidies voor de ontvanger verbonden verplichtingen voorzover niet reeds voortvloeiend uit de derde titel van de Faillissementswet;
d. de verlening van voorschotten;
e. de vaststelling en verdeling van een of meer subsidieplafonds.
2.
Indien de subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, is, in afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, titel 4.2 van die wet van toepassing.
3.
Onze Minister stelt een commissie van deskundigen in. De commissie heeft een tijdelijk karakter. De commissie adviseert over de uitvoering van de derde titel van de Faillissementswet.
1.
Onze Minister verstrekt per boekjaar subsidie aan een reclasseringsinstelling of een samenwerkingsverband van reclasseringsinstellingen voor de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 48f
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. Halt-afdoening: een afdoening als bedoeld in artikel 77e van het Wetboek van Strafrecht.
b. Jeugdige: een verdachte in de leeftijd vanaf 12 tot en met 17 jaar.
c. Halt-bureau: een door Onze Minister aangewezen rechtspersoon die in elk geval voorziet in de coördinatie en uitvoering van Halt-afdoeningen;
d. Halt-module: onderdeel van een Halt-afdoening.
1.
Onze Minister verstrekt per boekjaar subsidie aan het Halt-bureau.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan het aanwijzen van een Halt-bureau en kan worden bepaald in welke gevallen de aanwijzing wordt opgeschort of ingetrokken.
4.
De artikelen 11, 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
5.
Het Halt-bureau dient binnen dertien weken na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
6.
Op het Halt-bureau is het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25, eerste en tweede lid, en 28, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg voor wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «de zorgaanbieder» wordt gelezen: het Halt-bureau.
6.
Hetgeen bij en krachtens de artikelen 4.1.1, tweede lid, eerste volzin, juncto 4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet is bepaald ten aanzien van jeugdhulpaanbieders, is voor wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling van overeenkomstige toepassing op Halt-bureaus.
1.
De subsidie aan het Halt-bureau bedraagt de som van de kosten van iedere in dat jaar uitgevoerde Halt-afdoening en de kosten voor de reguliere bedrijfsvoering van het Halt-bureau.
2.
Onze Minister kan bij de verlening van de subsidie bepalen dat het subsidiebedrag van de subsidie door hem in de loop van het boekjaar kan worden bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het loon- en prijspeil.
1.
Het Halt-bureau verstrekt aan Onze Minister uiterlijk vier weken na het eind van ieder boekjaar een opgave van het aantal afdoeningen, uitgesplitst naar de onderscheiden Halt-modules.
2.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere verplichtingen aan de subsidieverlening zijn verbonden.
1.
Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat het definitieve aantal afdoeningen meer bedraagt dan 105 procent van de raming, vindt een door Onze Minister te bepalen verhoging plaats van de subsidie.
2.
Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat het definitieve aantal afdoeningen minder bedraagt dan 95 procent van de raming, vindt een door Onze Minister te bepalen verlaging plaats van de subsidie.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste en tweede lid.
Artikel 48k
Het Halt-bureau behoeft de toestemming van Onze Minister voor de handelingen, bedoeld in artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht.
1.
Het Halt-bureau kan een egalisatiereserve vormen als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.
Bij ministeriële regeling worden de maximale hoogte van de jaarlijkse toevoeging en de maximale omvang van de egalisatiereserve bepaald en kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 48m
Indien het Halt-bureau zaken ter beschikking stelt aan of diensten verricht voor natuurlijke personen of rechtspersonen, brengt zij een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is.
Artikel 48r
Onze Minister kan subsidies verstrekken ten behoeve van activiteiten inzake openbare orde en veiligheid die gericht zijn op:
a. het verminderen van de gelegenheid tot het plegen van strafbare feiten;
b. het vergroten van de kennis en het inzicht in veiligheidsvraagstukken, alsmede het verder ontwikkelen van integraal veiligheidsbeleid;
c. het vergroten van de veiligheid in de samenleving in het algemeen, waaronder de handhaving van de openbare orde;
d. het ondersteunen van bijzondere activiteiten ten behoeve van de politie, brandweer en de rampenbestrijdingsorganisaties.
Artikel 48s
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen de activiteiten, bedoeld in artikel 48r, nader worden bepaald, alsmede criteria voor de verstrekking worden vastgesteld.
Artikel 48t
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen voor subsidies die verstrekt worden op grond van artikel 48r regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
c. de voorwaarden waaronder subsidie wordt verleend;
d. de aan de subsidie verbonden verplichtingen of te verbinden verplichtingen;
e. de vaststelling van de subsidie;
f. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling;
g. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten;
h. het verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.
1.
Onze Minister kan subsidie verstrekken aan een rechtspersoon voor:
a. de instandhouding van een expertisecentrum dat gespecialiseerd is in zaken op het gebied van parentale internationale kinderontvoering;
b. overige activiteiten op het gebied van parentale internationale kinderontvoering.
2.
Op een subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
3.
Onze Minister kan een subsidieplafond vaststellen voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b. Hij bepaalt daarbij hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
Onze Minister kan aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 256, en aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, subsidie verstrekken ten behoeve van de kosten van de uitoefening van de in die bepalingen en in artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde taken, bijzondere door Onze Minister aan te geven kosten daaronder begrepen.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verlenen van deze subsidie.
1.
Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op door Onze Minister per boekjaar verstrekte subsidies die niet op een wettelijk voorschrift berusten.
2.
De artikelen 13 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het eerste lid.
Artikel 51
[Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.]
Artikel 52
[Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand.]
Artikel 53
[Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.]
Artikel 54
[Wijzigt de Wet Centraal opvang asielzoekers.]
Artikel 54a
[Wijzigt de Wet landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.]
Artikel 54b
[Wijzigt de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.]
Artikel 56
Deze wet is niet van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verleend of vastgesteld.
Artikel 57
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad brengt Onze Minister van Justitie de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen en afdelingen van de Algemene wet bestuursrecht met de nieuwe nummering van de Algemene wet bestuursrecht in overeenstemming.
Artikel 58
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 59
Deze wet wordt aangehaald als: Wet Justitie-subsidies.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 1996
De Minister van Justitie,
De Staatssecretaris van Justitie,
Uitgegeven de vierde juli 1996
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN
+ HOOFDSTUK 2. SLACHTOFFERHULP
+ Hoofdstuk 3. Criminaliteitspreventie, het voorkomen van terrorisme, nazorg en vrijwilligersactiviteiten bij de sanctietoepassing
+ HOOFDSTUK 4. ONDERZOEK
+ Hoofdstuk 4A. Immigratie en asiel
+ Hoofdstuk 4B. Schuldsanering
+ Hoofdstuk 4C. Reclassering
+ Hoofdstuk 4D. Halt-afdoeningen
+ Hoofdstuk 4E. Openbare orde en veiligheid
+ Hoofdstuk 4F. Parentale internationale kinderontvoering
+ Hoofdstuk 4G. Ondertoezichtstelling en (voorlopige) voogdij minderjarige vreemdelingen
+ HOOFDSTUK 5. OVERIGE SUBSIDIES
+ HOOFDSTUK 6. WIJZIGINGEN IN ANDERE WETTEN
+ HOOFDSTUK 7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken