Wet van 18 juni 1992, houdende algemene regeling met betrekking tot het luchtverkeer
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede ter uitvoering van het Verdrag van Chicago (Trb. 1973, 109), het Eurocontrol Verdrag (Trb. 1961, 62 gewijzigd Trb. 1981, 182) en de Multilaterale Overeenkomst betreffende "en route" heffingen (Trb. 1981, 181), nieuwe regels te stellen omtrent de bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim en de bevordering van de veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer;
dat het tevens wenselijk is om de burgerlijke luchtverkeersbeveiliging onder te brengen in een zelfstandig bestuursorgaan;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
algemene luchtverkeersleiding: luchtverkeersleiding voor gecontroleerde vluchten;
AOC: door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan een onderneming of groep van ondernemingen afgegeven document waarin wordt verklaard dat de betrokken luchtvaartexploitant beschikt over beroepsbekwaamheid en organisatie om luchtvaartuigen veilig te exploiteren voor de in dat bewijs gespecificeerde luchtvaartactiviteiten (Air Operator's Certificate);
basisverordening: verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PbEU L 79);
besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven: besluit als bedoeld in artikel 8a.54;
burgerexploitant: houder van een vergunning voor burgermedegebruik die is afgegeven voor burgerluchtvaart van commerciële aard onder vaststelling van een grenswaarde voor de geluidbelasting door dat luchthavenluchtverkeer, anders dan in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen;
burgermedegebruik: gebruik van een militaire luchthaven door andere dan militaire luchtvaart;
communicatiediensten: vaste en mobiele diensten ten behoeve van de luchtvaart voor grond-tot-grond, lucht-tot-grond en lucht-tot-lucht-communicatie voor luchtverkeersleidingsdoeleinden;
EASA: het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart;
Eurocontrol-organisatie: de Organisatie, ingesteld bij het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart «Eurocontrol» (Trb. 1961, 62), zoals gewijzigd bij Protocol van 12 februari 1981 (Trb. 1981, 182);
functioneel luchtruimblok: ongeacht de staatsgrenzen, op operationele behoeften gebaseerd luchtruimblok waarbinnen de luchtvaartnavigatiediensten en aanverwante functies op prestatiegerichte en optimale wijze worden verleend met het oogmerk in ieder van die blokken versterkte samenwerking tussen de verleners van luchtvaartnavigatiediensten of naargelang, een geïntegreerde dienstverlener, in te voeren;
gevaarlijke stoffen:
1°. ontplofbare stoffen of voorwerpen;
2°. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen;
3°. brandbare vloeistoffen;
4°. brandbare vaste stoffen, voor zelfontbranding vatbare stoffen en stoffen, die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen;
5°. stoffen, die de verbranding bevorderen en organische peroxyden;
6°. giftige of infectueuze stoffen;
7°. radioactieve stoffen;
8°. bijtende stoffen;
9°. andere stoffen of voorwerpen, die bij vervoer door de lucht gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu;
indien zij krachtens artikel 6.51 of artikel 10.7, eerste lid, zijn aangewezen;
gezagvoerder: degene, die de leiding heeft bij en verantwoordelijk is voor de veilige uitvoering van de vlucht;
houder van een luchtvaartuig: degene, op wiens naam een luchtvaartuig in het register, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, dan wel in een buitenlands register van luchtvaartuigen is ingeschreven;
interoperabiliteitsverordening: verordening (EG) nr. 552/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende de interoperabiliteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeveiliging (PbEU L 96);
kaderverordening: verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (PbEU L 96);
klaring: machtiging aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig om een vlucht aan te vangen of te vervolgen onder door een verlener van luchtverkeersleiding gestelde voorwaarden;
lid van het boordpersoneel: lid van het cockpitpersoneel en ieder, die aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van de inzittenden of de lading werkzaamheden verricht of heeft te verrichten, onder welke werkzaamheden mede wordt verstaan de voorbereidingshandelingen voorafgaande aan de vlucht;
lid van het cockpitpersoneel: ieder, die aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden verricht, welke van direct belang zijn voor de bediening van het luchtvaartuig tijdens de vlucht, onder welke werkzaamheden mede wordt verstaan de voorbereidingshandelingen voorafgaande aan de vlucht;
luchthaven: een terrein geheel of gedeeltelijk bestemd voor het opstijgen en het landen van luchtvaartuigen met inbegrip van:
1°. de daarmee verband houdende bewegingen van luchtvaartuigen op de grond,
2°. de afwikkeling van het in de aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer, of
3°. bedrijfsmatige activiteiten die samenhangen met de afwikkeling van het in de aanhef en onder 1° bedoelde luchtverkeer;
luchthavenbesluit: het besluit, bedoeld in de artikelen 8.43, eerste en tweede lid, 8.70, eerste lid, of 10.15;
luchthavengebied: het gebied dat bestemd is voor gebruik als luchthaven;
luchthavenindelingbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 8.4;
luchthavenluchtverkeer: het onder het begrip luchthaven, in de aanhef en onder 1°, bedoelde luchtverkeer;
luchthavenregeling: de regeling, bedoeld in de artikelen 8.64, eerste lid, 8.77, eerste lid, of 10.39, eerste lid;
luchthavenverkeerbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 8.15;
luchtruim van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: delen van het vluchtinformatiegebied Curaçao en het vluchtinformatiegebied San Juan, bedoeld in artikel 1 van de Luchtvaartwet BES, die zich boven het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevinden dan wel die delen waarvoor Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van luchtverkeersdiensten heeft aanvaard;
luchtruimbeheer: een planningsfunctie met als belangrijkste doel een maximale benutting van beschikbaar luchtruim door dynamische timesharing en, bij gelegenheid, scheiding van luchtruim tussen verschillende categorieën luchtruimgebruikers op basis van kortetermijnbehoeften;
luchtruimgebruikers: exploitanten van luchtvaartuigen die als algemeen luchtverkeer opereren;
luchtruimverordening: verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (PbEU L 96);
luchtvaartgebied: het deel van de luchthaven dat bestemd is voor luchthavenluchtverkeer;
luchtvaartinlichtingendienst: een binnen het vastgestelde gebied opgerichte dienst die verantwoordelijk is voor het verstrekken van luchtvaartinformatie en gegevens die nodig zijn voor de veiligheid, regelmaat en efficiency van luchtvaartnavigatie;
luchtvaartmaatschappij: onderneming, welke geheel of gedeeltelijk haar bedrijf maakt van het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen;
luchtvaartnavigatiediensten: luchtverkeersdiensten, communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten, meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie, en luchtvaartinlichtingendiensten;
luchtvaartnavigatiedienstenverordening: verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim (PbEU L 96);
luchtvaartuig: toestel, dat in de dampkring kan worden gehouden ten gevolge van krachten, die de lucht daarop uitoefent, anders dan de krachten van de lucht tegen het aardoppervlak;
luchtverkeer: het geheel der verplaatsingen van luchtvaartuigen in de lucht of op een luchthaven, alsmede het gebruik van het luchtruim door toestellen die geen luchtvaartuigen zijn;
luchtverkeersbeveiliging: de verzameling van functies in de lucht en op de grond, te weten luchtverkeersdiensten, luchtruimbeheer en de regeling van de luchtverkeersstroom, die nodig zijn om de veiligheid en de doeltreffendheid van de vliegtuigbewegingen in alle fasen te waarborgen;
luchtverkeersdiensten: vluchtinlichtingendiensten, alarmeringsdiensten, adviesdiensten voor het luchtverkeer en luchtverkeersleiding, zijnde algemene luchtverkeersleiding, naderingsluchtverkeersleiding en plaatselijke luchtverkeersleiding;
luchtverkeersleidingsdienst: dienst die wordt verricht teneinde:
1.° botsingen te voorkomen:
tussen luchtvaartuigen en
tussen luchtvaartuigen en hindernissen op dat deel van de luchthaven dat is bedoeld voor het opstijgen, landen en taxiën met luchtvaartuigen, en
2.° een geordende luchtverkeersstroom tot stand te brengen en te handhaven;
luchtverkeerweg: een ten behoeve van geleiding van het luchthavenluchtverkeer afgebakend deel van het luchtruim;
LVNL: de organisatie voor het verlenen van luchtverkeersdiensten, bedoeld in artikel 5.22;
meteorologische diensten: de faciliteiten en diensten die luchtvaartuigen voorzien van weersverwachtingen, instructies en waarnemingen, alsmede andere meteorologische informatie en gegevens voor gebruik in de luchtvaart;
naderingsluchtverkeersleiding: luchtverkeersleiding voor aankomende of vertrekkende gecontroleerde vluchten;
navigatiediensten: de faciliteiten en diensten die luchtvaartuigen voorzien van informatie op het gebied van positionering en timing;
Nederlands luchtvaartuig: een in Nederland geregistreerd luchtvaartuig;
onderzoeksverordening: Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG (PbEU 2010, L295);
opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 11.3, eerste lid;
plaatsbepalingsdiensten: de faciliteiten en diensten voor het bepalen van de respectieve posities van luchtvaartuigen waarmee voor een veilige separatie wordt gezorgd;
plaatselijke verkeersleiding: luchtverkeersleidingsdienst voor luchtvaartterreinverkeer;
prestatieverordening: Verordening (EU) nr. 390/2013 van de Commissie van 3 mei 2013 houdende vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties (PbEU 2013, L128);
regeling van luchtverkeersstromen: functie die tot doel heeft bij te dragen aan een veilige, ordelijke en vlotte doorstroming van het luchtverkeer door ervoor te zorgen dat de luchtverkeersleidingscapaciteit optimaal wordt benut en dat het verkeersvolume verenigbaar is met de door de betrokken luchtverkeersdienstverleners afgegeven capaciteit;
STD: een trainingsinstrument zijnde een vluchtnabootser, een vliegtrainingsinstrument, een trainer voor vlieg- en navigatieprocedures of een ander trainingsinstrument (Synthetic Training Device);
timesharing: de verdeling in de tijd gezien van het beschikbaar luchtruim of een gedeelte daarvan over luchtruimgebruikers of verschillende categorieën luchtruimgebruikers;
veiligheidscertificaat: verklaring dat de exploitant van de luchthaven met het veiligheidsmanagementsysteem de veiligheidsrisico's op die luchthaven beheerst;
veiligheidsmanagementsysteem: een systeem voor het management van de orde en de veiligheid op de luchthaven;
vergoedingenverordening: Verordening (EU) nr. 391/2013 van de Commissie van 3 mei 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten (PbEU 2013, L128);
verleners van luchtvaartnavigatiediensten: de openbare of particuliere lichamen die luchtvaartnavigatiediensten voor het luchtverkeer verlenen;
vlucht: de verplaatsing van het luchtvaartuig gedurende het tijdsverloop dat het in beweging komt met de bedoeling om op te stijgen, tot het ogenblik dat het weer tot volledige stilstand is gekomen na de landing;
vluchtinformatiegebied Amsterdam: het luchtruim boven het gebied, dat wordt begrensd door de rijksgrenzen en de kortste lijn op de ellipsoïde tussen de posities met de coördinaten 51°22'25" N 003°21'50" O en 51°30'00" N 002°00'00" O, 51°30'00" N 002°00'00" O en 55°00'00" N 005°00'00" O, de loxodroom tussen 55°00'00" N, 005°00'00" O en 55°00'00" N 006°30'00" O en de kortste lijn op de ellipsoïde tussen de posities met de coördinaten 55°00'00" N 006°30'00" O en 53°40'00" N, 006°30'00" O, uitgedrukt in het geografische referentiesysteem WGS 84;
voorval: een operationele onderbreking, defect, fout of andere onregelmatigheid, waardoor de vliegveiligheid wordt of kan worden beïnvloed, zonder dat sprake is van een ongeval of ernstig incident, als bedoeld in artikel 3, onderdelen a en k, van richtlijn nr. 94/56/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 november 1994, houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart (PbEG L 319);
voorval gevaarlijke stoffen: ongeval of incident met gevaarlijke stoffen als bedoeld in de als bijlage bij Annex 18 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109) behorende Technische Voorschriften voor het veilig vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht.
2.
Onder lid van het cockpitpersoneel wordt ten aanzien van onbemande luchtvaartuigen mede verstaan ieder, die werkzaamheden verricht, welke van direct belang zijn voor het op afstand bedienen van het luchtvaartuig.
3.
Onder luchtvaartmaatschappij wordt mede verstaan de naar privaatrecht opgerichte rechtspersoon, die zich bezig houdt met het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen tegen vergoeding.
4.
Een wijziging van artikel 3, onderdelen a en k, van richtlijn nr. 94/56/EG, gaat voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel v, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
1.
Deze wet is:
a. van toepassing op de luchthavens, het luchtverkeer, de luchtverkeersbeveiliging, de luchtvaartnavigatiediensten, de luchtvaartuigen, het vervoer en de vluchtuitvoering met luchtvaartuigen binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam, voor zover hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald niet van toepassing is;
b. van toepassing op Nederlandse luchtvaartuigen, alsmede het vervoer en de vluchtuitvoering met Nederlandse luchtvaartuigen buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam, voor zover hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald niet van toepassing is;
c. met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 2, 3, en 4 en de artikelen 5.13a, 5.14b, 11.1, 11.2, 11.2a, 11.3 tot en met 11.14 mede van toepassing binnen het luchtruim van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en op het territoir van deze openbare lichamen;
d. met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11 van toepassing op de verleners van luchtvaartnavigatiediensten die bij of krachtens deze wet zijn gecertificeerd.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat, op nader in die algemene maatregel aan te geven categorieën van personeel of op bepaalde soorten van luchtvaartuigen, op bepaalde soorten van vervoer of op bepaalde vormen van vluchtuitvoering, indien toepassing van deze wet in redelijkheid niet kan worden gevergd en de veiligheid van het luchtverkeer niet in gevaar wordt gebracht, geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn:
de artikelen 2.1 tot en met 2.10 of één of meer van deze artikelen,
titel 5.1, met uitzondering van de artikelen 5.14b tot en met 5.14d, of  5.2,
3.
Bij de toepassing van het tweede lid kunnen bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur voorschriften en beperkingen worden opgenomen met betrekking tot één of meer buiten toepassing van de wet te laten onderdelen. Deze voorschriften en beperkingen kunnen mede betrekking hebben op de beperking van geluidshinder.
1.
Het is verboden toestellen, die geen luchtvaartuig zijn, in het luchtruim te gebruiken. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling voor door hem aan te wijzen toestellen vrijstelling verlenen van het verbod.
2.
Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met deze voorschriften of beperkingen te handelen.
Artikel 1.3
Een luchtvaartmaatschappij is verplicht er voor zorg te dragen, dat:
a. de door haar geëxploiteerde luchtvaartuigen in een zodanige staat zijn, dat daarmee veilig gevlogen en vervoerd kan worden;
b. het boordpersoneel van de door haar geëxploiteerde luchtvaartuigen over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring beschikt;
c. al datgene wordt gedaan, wat in haar vermogen ligt om ernstige lichamelijke of geestelijke vermoeidheid van de leden van het boordpersoneel bij de bediening van luchtvaartuigen te voorkomen.
Artikel 1.4
Voor zover Onze Minister van Infrastructuur en Milieu onderscheidenlijk Onze Minister van Defensie, beslissingen neemt ingevolge bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheden, die mede betrekking hebben op de militaire luchtvaart onderscheidenlijk de burgerluchtvaart handelt hij in overeenstemming met Onze Minister van Defensie onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 1.5
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden ter uitvoering van hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald.
Artikel 1.6
Het is verboden in strijd te handelen met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald.
1.
De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag, afgifte, wijziging, beperking, schorsing, intrekking, verlenging en vernieuwing van bewijzen van bevoegdheid, verklaringen, certificaten en overige documenten die bij of krachtens de basisverordening worden afgegeven, worden ten laste gebracht van de aanvrager van het document.
2.
De bedragen ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
1.
Het is verboden een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te verlenen, luchthaveninformatie te verstrekken of een grondstation of een mobiel station in de luchtvaartmobiele band, waarvoor een vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.13 van de Telecommunicatiewet of de Wet telecommunicatievoorzieningen BES , te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling.
2.
Voor het bedienen van een Nederlands burgerluchtvaartuig, het verlenen van luchtverkeersdiensten, het verstrekken van luchthaveninformatie of het bedienen van een grondstation of een mobiel station als bedoeld in het eerste lid is het bezit vereist van hetzij:
a. een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling,
b. een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, afgegeven door de bevoegde autoriteit van een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu op grond van artikel 2.8 aangewezen staat of door een door hem aangewezen internationale organisatie. Betrokkene dient in geval van toepassing van onderdeel a tevens in het bezit te zijn van een geldige medische verklaring, bedoeld in artikel 2.4, afgegeven door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu dan wel door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat, hetzij
c. een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere werkzaamheden aan boord van een burgerluchtvaartuig worden aangewezen, die niet mogen worden verricht zonder een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven bewijs van bevoegdheid, bewijs van gelijkstelling of een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit artikel, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
5.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen;
b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.
6.
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift als bedoeld in het vierde lid.
7.
Voor zover het eerste lid betrekking heeft op het bedienen van een grondstation of een mobiel station als bedoeld in dat lid, is het onverminderd artikel 1.2, eerste lid, eveneens van toepassing op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, voor zover dat buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam ligt.
Artikel 2.1a
Onverminderd de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties is hoofdstuk 2 van overeenkomstige toepassing op de erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in die wet.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag een bewijs van bevoegdheid af, wanneer degene, die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd:
a. beschikt over een geldige medische verklaring;
b. beschikt over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring met betrekking tot het bewijs van bevoegdheid dat hij heeft aangevraagd; en
c. daartoe voldoende onderricht heeft genoten aan een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu of door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat:
1°. goedgekeurde of geregistreerde opleidingsinstelling, of
2°. gecertificeerde opleidingsinstelling indien degene die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten heeft aangevraagd.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag op het bewijs van bevoegdheid een of meer bevoegdverklaringen weer. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing behoudens ter zake van de medische verklaring.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van bevoegdheid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan afgeven en welke bevoegdverklaringen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daarop kan weergeven; in die algemene maatregel worden voor elk bewijs van bevoegdheid en voor elke algemene bevoegdverklaring de bevoegdheden en eventueel aan de bevoegdverklaring te verbinden beperkingen aangegeven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden aangegeven welke bijzondere bevoegdverklaringen en voor welke termijn Onze Minister van Infrastructuur en Milieu op het bewijs van bevoegdheid kan weergeven en welke beperkingen daaraan kunnen worden verbonden.
4.
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot het model en de uitvoering van het document, waarop een bewijs van bevoegdheid en een of meer bevoegdverklaringen worden weergegeven, eisen vaststellen.
5.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu houdt van de door hem afgegeven bewijzen van bevoegdheid een register bij. In het belang van een goede uitvoering en handhaving van deze wet en de daarop berustende bepalingen verwerkt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in het register gegevens omtrent afgegeven bewijzen van bevoegdheid en bewijzen van gelijkstelling, rechterlijke uitspraken houdende ontzegging van de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te verlenen, luchthaveninformatie te verstrekken of een grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, te bedienen en persoonsgegevens betreffende de gezondheid van houders van een bewijs van bevoegdheid.
6.
Het derde lid is niet van toepassing op bewijzen van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten of het verstrekken van luchthaveninformatie. Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten of het verstrekken van luchthaveninformatie Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan afgeven en welke bevoegdverklaringen Onze Minister op die bewijzen van bevoegdheid kan weergeven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gesteld aan de bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen en daaraan te verbinden machtigingen voor het verlenen van luchtverkeersdiensten of het verstrekken van luchthaveninformatie.
7.
Het eerste lid, onderdeel c, onder 2°, is niet van toepassing op degene die zijn taken uitoefent onder de verantwoordelijkheid van verleners van luchtvaartnavigatiediensten die deze diensten voornamelijk aanbieden aan andere bewegingen van luchtvaartuigen dan aan het algemeen luchtverkeer.
8.
Onder algemeen luchtverkeer als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan: alle bewegingen van burgerluchtvaartuigen, alsmede alle bewegingen van staatsluchtvaartuigen, met inbegrip van militaire, douane- en politieluchtvaartuigen, voorzover deze bewegingen worden uitgevoerd in overeenstemming met de procedures van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109).
1.
Een bewijs van bevoegdheid wordt afgegeven voor onbepaalde tijd dan wel voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke termijn voor de verschillende bewijzen van bevoegdheid verschillend kan zijn.
2.
Indien een bewijs van bevoegdheid voor onbepaalde tijd is verleend, is dit bewijs slechts geldig indien daarop ten minste één geldige bevoegdverklaring is weergegeven en voor de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn waarvoor die bevoegdverklaring is afgegeven.
3.
Indien een bewijs van bevoegdheid voor bepaalde tijd is verleend, verlengt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu op aanvraag het bewijs van bevoegdheid, indien de houder daarvan beschikt over voldoende kennis, bedrevenheid en ervaring met betrekking tot dat bewijs van bevoegdheid; het bewijs van bevoegdheid wordt voor de krachtens het eerste lid vastgestelde termijn verlengd.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag een bevoegdverklaring af en verlengt deze, indien de houder daarvan beschikt over voldoende bedrevenheid en ervaring met betrekking tot die bevoegdverklaring. De bevoegdverklaring wordt voor de krachtens het tweede lid vastgestelde termijn verlengd.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven, dat de houder van een in die algemene maatregel aan te geven bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring bij het bereiken van een in die algemene maatregel bepaalde leeftijd daarin aan te geven bevoegdheden:
a. niet meer mag uitoefenen;
b. slechts onder in die algemene maatregel bepaalde voorwaarden mag uitoefenen.
6.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot artikel 2.2 en dit artikel. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:
a. de aanvraag en afgifte van bewijzen van bevoegdheid en de aanvraag, afgifte en verlenging van bevoegdverklaringen;
b. de leeftijd, die een aanvrager ten minste moet hebben om voor een bewijs van bevoegdheid in aanmerking te kunnen komen;
c. de eisen, waaraan de aanvrager van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring of van de verlenging daarvan moet voldoen alsmede de wijze, waarop hij kan doen blijken, dat hij aan die eisen voldoet;
d. de te houden examens;
e. de eisen, waaraan examinatoren moeten voldoen, alsmede de eisen waaraan examinatoren moeten voldoen teneinde een autorisatie te verkrijgen;
f. aan STD's te stellen eisen voor kwalificatie;
g. de vernieuwing van het document, waarop bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen worden weergegeven;
h. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van het bewijs van bevoegdheid, een bevoegdverklaring of het bewijs van gelijkstelling, de verlenging van een bewijs van bevoegdheid of verlenging een bevoegdverklaring, het afleggen van een theorie- of praktijkexamen, de vernieuwing van het document, bedoeld in onderdeel g, de afgifte van de autorisatie, bedoeld in onderdeel e, de afgifte en verlenging van de medische verklaring, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, en de afgifte en verlenging van de kwalificatie, bedoeld in onderdeel f.
7.
Bij het besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, bedoeld in het zesde lid, onderdeel e, kunnen in aanmerking genomen worden het aantal reeds geautoriseerde examinatoren, hun specifieke deskundigheid en de spreiding van examinatoren over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte.
8.
Artikel 2.1, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag de medische verklaring, bedoeld in artikel 2.2, af, indien betrokkene voldoet aan de eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten, waarvoor betrokkene een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring heeft aangevraagd of is verleend.
2.
De medische verklaring wordt, al dan niet onder beperkingen, verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verlengt op aanvraag de medische verklaring voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, indien de houder voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent:
a. de eisen van medische geschiktheid;
b. de ten behoeve van de afgifte van een medische verklaring te verrichten medische keuring;
c. de verplichtingen van de houder van de medische verklaring;
d. de eisen waaraan een geneeskundige of geneeskundige instantie moet voldoen teneinde een autorisatie te verkrijgen;
e. de aanwijzing van instellingen die in het kader van een autorisatie als bedoeld in onderdeel d een certificaat kunnen afgeven;
f. de mogelijkheid van herbeoordeling;
g. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van de autorisatie, bedoeld in onderdeel d.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven omtrent de beperkingen waaronder een medische verklaring kan worden afgegeven.
5.
Onze Minister autoriseert geneeskundigen of geneeskundige instanties die met het verrichten van medische keuringen worden belast.
6.
Bij het besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu over de autorisatie kunnen in aanmerking worden genomen het aantal reeds geautoriseerde geneeskundigen of geneeskundige instanties, hun specialisme en de spreiding van de geautoriseerde geneeskundigen of geneeskundige instanties over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte.
7.
De medische verklaring is ongeldig gedurende de periode dat de gezondheidstoestand van de houder zodanig is, dat deze niet meer in staat is de werkzaamheden, waarvoor hem een bewijs van bevoegdheid is verleend, te verrichten.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van bevoegdheid dan wel een daarop weergegeven bevoegdverklaring schorsen wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de houder van het bewijs van bevoegdheid:
a. niet over voldoende kennis of bedrevenheid beschikt met betrekking tot dat bewijs van bevoegdheid of die bevoegdverklaring;
b. bij het verrichten van de hem toegestane werkzaamheden de veiligheid in gevaar kan brengen;
c. niet in het bezit is van een geldige medische verklaring.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu neemt het document waarop het geschorste bewijs van bevoegdheid of de geschorste bevoegdverklaring is weergegeven in. De houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid is verplicht hieraan alle medewerking te verlenen. In geval van schorsing van een of meer bevoegdverklaringen verstrekt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een aan de schorsing aangepast document.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen, die tot de schorsing hebben geleid, zijn komen te vervallen.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot:
a. de wijze, waarop de houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid opnieuw kan doen blijken over voldoende kennis of bedrevenheid met betrekking tot het geschorste bewijs van bevoegdheid of de geschorste bevoegdverklaring te beschikken;
b. de wijze, waarop de houder van het betrokken bewijs van bevoegdheid kan doen blijken, dat hij bij het verrichten van de hem toegestane werkzaamheden de veiligheid niet in gevaar brengt;
c. de wijze waarop de houder van een autorisatie als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, onderdeel d, opnieuw kan doen blijken aan de bij of krachtens dat onderdeel bedoelde eisen te voldoen.
5.
Onze Minister kan een autorisatie als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, onderdeel d, schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de houder van de autorisatie niet langer voldoet aan de bij of krachtens dat onderdeel gestelde eisen.
6.
Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e.
7.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, onderdeel d.
8.
Schorsing van het bewijs van bevoegdheid betekent schorsing van op het document weergegeven bevoegdverklaringen voor de duur van die schorsing.
9.
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu regels geven met betrekking tot de procedure van schorsing.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van bevoegdheid of een bevoegdverklaring intrekken:
a. op aanvraag van de houder;
b. wanneer het bewijs van bevoegdheid of de daarop weergegeven bevoegdverklaring ten minste drie maanden is geschorst;
c. wanneer gedurende een periode van ten minste zes maanden van het betrokken bewijs van bevoegdheid of de daarop weergegeven bevoegdverklaring geen gebruik is gemaakt;
d. wanneer bij de aanvraag of het verzoek om verlenging van het bewijs van bevoegdheid, de bevoegdverklaring of de medische verklaring onjuiste gegevens zijn verstrekt.
2.
[Vervallen.]
3.
Indien de houder van een bewijs van bevoegdheid of een of meer bevoegdverklaringen de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen, luchtverkeersdiensten te verlenen, luchthaveninformatie te verstrekken of een grondstation of mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, te bedienen is ontzegd, dan wel zijn bewijs van bevoegdheid of een of meer bevoegdverklaringen zijn ingetrokken, is hij verplicht het document, waarop zijn bewijs van bevoegdheid en eventuele bevoegdverklaringen zijn weergegeven, onverwijld bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in te leveren.
4.
Het eerste en derde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, onderdeel e.
5.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, onderdeel d.
6.
Het eerste en derde lid is van overeenkomstige toepassing op een autorisatie als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, onderdeel d.
7.
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu regels geven met betrekking tot de procedure van intrekking.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag een bewijs van gelijkstelling met een in een andere staat door een daar bevoegde autoriteit afgegeven bewijs van bevoegdheid afgeven. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.
Het bewijs van gelijkstelling geeft niet meer bevoegdheden dan het betrokken bewijs van bevoegdheid en wordt slechts eenmaal afgegeven voor ten hoogste de duur van geldigheid van het betrokken bewijs van bevoegdheid doch niet langer dan een jaar.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van gelijkstelling intrekken wanneer de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder c of d, of tweede lid zich voordoen.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven over de voorwaarden en omstandigheden waaronder een bewijs van gelijkstelling wordt afgegeven.
Artikel 2.8
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op grond van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties bewijzen van bevoegdheid, bewijzen van gelijkstelling of medische verklaringen, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 2.3, zesde lid, onderdeel c, of artikel 2.4, derde lid, gestelde eisen, zijn afgegeven door:
a. de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of
b. een door hem bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisatie
erkennen als geldig bewijs van bevoegdheid, geldig bewijs van gelijkstelling of geldige medische verklaring. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een opleidingsinstelling ter verkrijging van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring goedkeuren of registreren, indien die opleidingsinstelling voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
2.
Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een opleidingsinstelling ter verkrijging van een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring voor het verlenen van luchtverkeersdiensten certificeren indien die opleidingsinstelling voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de goedkeuring of registratie van een opleidingsinstelling geheel of deels intrekken, wanneer die opleidingsinstelling niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de handelingen ten behoeve van de aanvraag tot afgifte van de goedkeuring of registratie, bedoeld in het eerste lid.
5.
Artikel 2.8 en het derde en vierde lid van onderhavig artikel zijn van overeenkomstige toepassing op het certificeren van een opleidingsinstelling als bedoeld in het tweede lid.
1.
De houder van een bewijs van bevoegdheid, dat de bevoegdheid geeft een luchtvaartuig te bedienen, en de leerling-vlieger dienen onder door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen regelen een logboek bij te houden.
2.
Het is verboden
a. in het logboek onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen op te nemen, te doen opnemen of toe te laten dat zij daarin worden opgenomen;
b. het logboek te beschadigen of te vernietigen, te doen beschadigen of vernietigen dan wel toe te laten, dat het wordt beschadigd of vernietigd.
Artikel 2.11
Het is de houder van een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling verboden werkzaamheden, tot het verrichten waarvan dat bewijs de bevoegdheid geeft, te verrichten wanneer de houder daardoor in verband met zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid de veiligheid van het luchtverkeer in gevaar brengt of in gevaar kan brengen.
1.
Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het verrichten van die werkzaamheden kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht die werkzaamheden naar behoren te verrichten.
2.
Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten, indien hij binnen de tien daaraan voorafgaande uren alcoholhoudende drank heeft gebruikt.
3.
Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan negentig microgram (90 µg) alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan eenvijfde milligram (0,2 mg) alcohol per milliliter bloed.
4.
Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten gedurende de tijd, waarvoor een rijverbod als bedoeld in artikel 162, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 geldt.
5.
Het is verboden een lid van het boordpersoneel van wie men weet of redelijkerwijs moet weten, dat deze verkeert in een toestand, als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, of in het eerste of derde lid van dit artikel, werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te doen verrichten.
6.
Het eerste, derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op eenieder die luchtverkeersdiensten verleent, luchthaveninformatie verstrekt of een grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, bedient.
Artikel 2.13
Aan de ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van artikel 2.12 worden uit het register, bedoeld in artikel 126 van de Wegenverkeerswet 1994, op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze de gegevens verstrekt, die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben.
1.
Er is een Adviescommissie arbeidsomstandigheden boordpersoneel Nederlandse burgerluchtvaart.
2.
De Adviescommissie heeft tot taak in het belang van de veiligheid in de burgerluchtvaart Onze Minister van Infrastructuur en Milieu desgevraagd of uit eigen beweging van advies te dienen over de uitvoering van het beleid en van de regelgeving met betrekking tot de arbeidsomstandigheden van het boordpersoneel van in Nederland geregistreerde burgerluchtvaartuigen.
3.
De Adviescommissie bestaat uit elf leden, die door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden benoemd. Hiervan worden vier leden benoemd op voordracht van naar het oordeel van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu representatieve organisaties van leden van het boordpersoneel, vier leden op voordracht van de betrokken luchtvaartmaatschappijen en drie leden als onafhankelijken.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijst uit de drie onafhankelijke leden de voorzitter aan.
5.
De leden worden voor een periode van vier jaren benoemd. Aftredende leden zijn terstond herbenoembaar.
6.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verleent tussentijds ontslag aan een lid:
a. wanneer deze zijn hoedanigheid verliest op grond waarvan hij is benoemd;
b. op eigen verzoek;
c. bij het bereiken van de zeventigjarige leeftijd;
d. wegens ongeschiktheid voor de functie.
7.
De Adviescommissie stelt een reglement vast ter nadere regeling van haar werkzaamheden. Het reglement wordt ter kennisneming toegezonden aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
Het is verboden een luchtvaartuig te gebruiken, dat niet is voorzien van een geldig nationaliteits- en inschrijvingskenmerk en een geldig bewijs van inschrijving.
2.
Het is verboden:
a. op een luchtvaartuig een ander dan het in het eerste lid bedoelde kenmerk aan te brengen, of
b. een luchtvaartuig te gebruiken dan wel te doen of te laten gebruiken, dat is voorzien van een ander dan het in het eerste lid bedoelde kenmerk, met het oogmerk het te doen voorkomen, dat het luchtvaartuig is voorzien van een geldig kenmerk.
1.
De houder van een Nederlands luchtvaartuig voorziet het luchtvaartuig van:
a. een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie vastgesteld nationaliteitskenmerk en een voor dat luchtvaartuig vastgesteld inschrijvingskenmerk; en
b. een bewijs van inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3.3.
2.
De kenmerken, bedoeld in het eerste lid, bestaan voor burgerluchtvaartuigen uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht.
3.
Voor militaire luchtvaartuigen bestaat het nationaliteitskenmerk uit een afbeelding en het inschrijvingskenmerk uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan voor luchtvaartuigen, die naar zijn oordeel van historische waarde zijn, kenmerken toestaan, die van het eerste lid, onderdeel a, afwijken.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie houdt een register bij van Nederlandse burgerluchtvaartuigen respectievelijk Nederlandse militaire luchtvaartuigen. Het register voor burgerluchtvaartuigen is openbaar.
2.
In het register voor burgerluchtvaartuigen worden op aanvraag op naam van de aanvrager burgerluchtvaartuigen ingeschreven, wanneer zowel de aanvrager als de in te schrijven burgerluchtvaartuigen voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde eisen. De inschrijving geschiedt voor onbepaalde tijd.
3.
In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een luchtvaartuig tijdelijk inschrijven:
a. indien het desbetreffende luchtvaartuig slechts voor een bepaalde termijn aan de houder ter beschikking is gesteld, voor ten hoogste die bepaalde termijn; of
b. in afwachting van het voldoen aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, voor ten hoogste zes maanden, welke termijn eenmaal voor ten hoogste dezelfde periode kan worden verlengd.
4.
In het buitenland geregistreerde burgerluchtvaartuigen worden niet in het register ingeschreven.
5.
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie regels geven inzake de in het register op te nemen gegevens.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving wijzigen, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in artikel 3.5, bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft ingeleverd.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een inschrijving ambtshalve wijzigen, wanneer:
a. onjuiste gegevens zijn verstrekt, of
b. de feiten die ten grondslag liggen aan de gegevens, tijdens de duur van de inschrijving wijziging hebben ondergaan.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu haalt op aanvraag van de houder van een burgerluchtvaartuig de inschrijving door, nadat de houder de nodige gegevens heeft verstrekt en het bewijs van inschrijving, bedoeld in artikel 3.5, bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft ingeleverd.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een inschrijving ambtshalve doorhalen, wanneer:
a. de houder ten behoeve van de inschrijving onjuiste gegevens heeft verstrekt;
b. de houder niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, of
c. gedurende langer dan een jaar het desbetreffende luchtvaartuig niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid.
5.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu haalt een inschrijving ambtshalve door, wanneer het betrokken luchtvaartuig:
a. in het buitenland is geregistreerd, of
b. definitief niet meer aan het luchtverkeer deelneemt.
1.
Ten bewijze van inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3.3, verstrekt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie met betrekking tot het ingeschreven luchtvaartuig een bewijs van inschrijving. Onze Minister wie het aangaat kan een inschrijvingsbewijs wijzigen. Het bewijs wordt verstrekt voor onbepaalde tijd.
2.
In geval van toepassing van artikel 3.3, derde lid, verstrekt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een bewijs van inschrijving voor de termijn, waarvoor het betrokken luchtvaartuig is ingeschreven.
3.
In geval van:
a. wijziging van de inschrijving, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, of
b. doorhaling van de inschrijving, bedoeld in artikel 3.4, derde lid, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan de aanvrager een tijdelijk bewijs van inschrijving ver trekken voor ten hoogste vier weken. Wijziging of doorhaling van de inschrijving vindt plaats na verstrijken van de termijn, waarvoor het tijdelijk bewijs van inschrijving is verleend.
4.
In geval van ambtshalve wijziging of doorhaling van de inschrijving, bedoeld in artikel 3.4, tweede respectievelijk vierde of vijfde lid, levert de houder van het bewijs van inschrijving dit bewijs terstond in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
5.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen met betrekking tot het model en de uitvoering van het bewijs van inschrijving eisen worden vastgesteld.
Artikel 3.6
Voor luchtvaartuigen, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 3.25 is verleend, geldt het vereiste, dat een inschrijvingskenmerk voor een bepaald luchtvaartuig is vastgesteld, niet, mits het betrokken luchtvaartuig een inschrijvingskenmerk voert, dat door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan die natuurlijke of rechtspersoon met het oog op de bedrijfsvoorraad is opgegeven. Artikel 3.2, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 3.7
Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven ter uitvoering van de artikelen 3.4 en 3.5. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:
a. de procedure van aanvraag, wijziging of doorhaling van een inschrijving, alsmede de gegevens, welke bij elke procedure dienen te worden verstrekt;
b. de vernieuwing van het inschrijvingsbewijs, en
c. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om inschrijving en om wijziging of doorhaling van de inschrijving alsmede voor afgifte en vernieuwing van een bewijs van inschrijving.
1.
Het is verboden een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig, dat:
a. niet luchtwaardig is, of
b. niet voorzien is van een geldig bewijs van luchtwaardigheid.
2.
Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands luchtvaartuig is een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie afgegeven bewijs van luchtwaardigheid vereist.
1.
Onze Minister van Defensie geeft met betrekking tot een type-ontwerp van een militair luchtvaartuig dan wel van een voortstuwingsinrichting of propeller bestemd voor een militair luchtvaartuig, een type-certificaat af, indien wordt voldaan aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen.
2.
Een type-certificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.
3.
Het type-certificaat geldt ten aanzien van alle militaire luchtvaartuigen, voortstuwingsinrichtingen of propellers bestemd voor een militair luchtvaartuig, die conform het onderzochte type-ontwerp zijn.
4.
Onze Minister van Defensie wijzigt een type-certificaat, wanneer voldaan wordt aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen.
5.
Onze Minister van Defensie kan een aanvullend type-certificaat afgeven. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister van Defensie kan een typecertificaat of aanvullend type-certificaat schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat met betrekking tot de luchtvaartuigen dan wel voortstuwingsinrichtingen of propellers waarvoor dat type-certificaat of aanvullend typecertificaat is afgegeven, niet aan de bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen wordt voldaan.
2.
Onze Minister van Defensie heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3.
Onze Minister van Defensie kan een typecertificaat of aanvullend type-certificaat intrekken, wanneer de luchtvaartuigen dan wel voortstuwingsinrichtingen of propellers met betrekking waartoe dat type-certificaat is afgegeven, niet aan daarvoor bij regeling van Onze Minister van Defensie gestelde eisen voldoen.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke bewijzen van luchtwaardigheid Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan afgeven, alsmede de verplichtingen en de bevoegdheden, welke aan ieder bewijs verbonden zijn.
2.
In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangegeven in welke gevallen aan de houder van een luchtvaartuig, waarvoor EASA geen type-certificaat of aanvullend type-certificaat heeft afgegeven, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een type-certificaat, aanvullend type-certificaat dan wel een bewijs van luchtwaardigheid kan afgeven of wijzigen.
3.
Aan een bewijs van luchtwaardigheid kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is en niet voldoet aan de eisen van EASA, een bewijs van luchtwaardigheid afgeven, mits het betrokken luchtvaartuig voldoet aan de bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot de luchtwaardigheid van dat luchtvaartuig gestelde eisen.
1.
Onze Minister van Defensie geeft met betrekking tot Nederlandse militaire luchtvaartuigen bewijzen van luchtwaardigheid af, indien:
a. ten aanzien van het betrokken type-ontwerp een typecertificaat is afgegeven als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid; en
b. het betrokken luchtvaartuig voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen; deze eisen kunnen voor verschillende categorieën luchtvaartuigen verschillend zijn.
2.
Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke bewijzen van luchtwaardigheid Onze Minister van Defensie kan afgeven.
3.
In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt in de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, aangegeven in welke gevallen met betrekking tot een militair luchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door Onze Minister van Defensie een bewijs van luchtwaardigheid kan worden afgegeven.
4.
Aan een bewijs van luchtwaardigheid kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
5.
Onze Minister van Defensie kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is en niet voldoet aan een van de eisen, bedoeld in het eerste lid, een bewijs als bedoeld in het tweede lid afgeven. Het betrokken luchtvaartuig dient te voldoen aan door Onze Minister van Defensie met betrekking tot de luchtwaardigheid van dat luchtvaartuig gestelde eisen.
1.
Het bewijs van luchtwaardigheid voor burgerluchtvaartuigen wordt afgegeven voor onbepaalde tijd dan wel voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke voor de verschillende bewijzen van luchtwaardigheid verschillend kan zijn.
2.
Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 3.13 gestelde eisen.
3.
Het bewijs van luchtwaardigheid voor militaire luchtvaartuigen wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de houder een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig wijzigen, nadat hij het bewijs van luchtwaardigheid bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daartoe heeft ingeleverd.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijzigt een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve, indien aan het betrokken burgerlichtvaartuig veranderingen zijn aangebracht, die de gegevens als vermeld op het bewijs van luchtwaardigheid beïnvloeden.
3.
In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, levert de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig op eerste vordering van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, terstond het betrokken bewijs «van luchtwaardigheid bij Onze Minister» van Verkeer en Waterstaat ter wijziging in.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:
a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet lichtwaardig is;
b. het desbetreffende luchtvaartuig niet meer in het register, bedoeld in artikel 3.3, is ingeschreven;
c. de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden, of
d. de houder van het betrokken luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve in, wanneer:
a. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is ingetrokken;
b. ter verkrijging van het bewijs van luchtwaardigheid onjuiste gegevens zijn verstrekt, of
c. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:
a. het betrokken luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare beschadiging niet luchtwaardig is, of
b. het bewijs van luchtwaardigheid gedurende ten minste drie maanden is geschorst.
1.
Onze Minister van Defensie kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een militair luchtvaartuig schorsen, wanneer:
a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet luchtwaardig is, of
b. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken.
2.
Onze Minister van Defensie heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3.
Onze Minister van Defensie trekt een bewijs van luchtwaardigheid voor een militair luchtvaartuig in, wanneer het betrokken luchtvaartuig:
a. onherstelbaar is beschadigd, of
b. definitief buiten gebruik wordt gesteld.
4.
Onze Minister van Defensie kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een militair luchtvaartuig intrekken, wanneer het betrokken luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare beschadiging niet luchtwaardig is.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven.
1.
De houder van een burgerluchtvaartuig, waarvan het type-certificaat, het beperkt type-certificaat of het aanvullend type-certificaat afgegeven door de EASA is ingetrokken, dan wel het bewijs van luchtwaardigheid is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het bewijs van luchtwaardigheid van het betrokken luchtvaartuig, terstond in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
2.
Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het ingeleverde bewijs van luchtwaardigheid terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken luchtvaartuig.
1.
Het is verboden een vlucht uit te voeren met een burgerluchtvaartuig, dat:
a. niet voldoet aan de voor dat luchtvaartuig geldende geluidseisen, of
b. niet is voorzien van een geldig voor dat luchtvaartuig afgegeven geluidscertificaat of van een passende verklaring in een ander document dat door de staat van registratie is goedgekeurd voor zover dit voor dat luchtvaartuig vereist is.
2.
Voor het uitvoeren van een vlucht met een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting is vereist een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven (voorlopig) geluidscertificaat, (voorlopige) geluidsverklaring of (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven in welke gevallen aan de houder van een burgerluchtvaartuig, waarvoor geen type-certificaat is afgegeven, door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een geluidscertificaat kan worden afgegeven.
4.
Een geluidscertificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidscertificaat kan een voorlopig geluidscertificaat worden afgegeven.
5.
Aan een geluidscertificaat dan wel een voorlopig geluidscertificaat kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden in verband met het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
6.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan met betrekking tot een luchtvaartuig, dat naar zijn oordeel van historische waarde is, geluidseisen stellen die afwijken van de door EASA vastgestelde geluidseisen.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting, waarvoor geen geluidseisen gelden, en dat in Nederland is ingeschreven, een geluidsverklaring af. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betrokken luchtvaartuig geen geluidseisen gelden.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag aan de houder van een burgerluchtvaartuig een geluidsverklaring afgeven omtrent geluidsniveaus bepaald op andere wijze dan ingevolge de geldende eisen. Op deze verklaring wordt vermeld dat voor het betreffende luchtvaartuig een geluidscertificaat is afgegeven alsmede de wijze waarop van de voorschriften ingevolge de geldende eisen is afgeweken.
3.
De geluidsverklaring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Vooruitlopend op de afgifte van een geluidsverklaring respectievelijk een aanvullende geluidsverklaring, als bedoeld in de voorgaande leden, kan een voorlopige geluidsverklaring respectievelijk een voorlopige aanvullende geluidsverklaring worden afgegeven.
4.
Aan een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring kunnen voorschriften of beperkingen met betrekking tot het onderhoud of het gebruik van het luchtvaartuig worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijzigt op aanvraag van de houder een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig, nadat de houder een wijziging aan het luchtvaartuig heeft uitgevoerd, indien:
a. het luchtvaartuig na de wijziging aan de geluidseisen blijft voldoen, en
b. de houder het geluidscertificaat daartoe bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft ingeleverd.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een geluidscertificaat ambtshalve wijzigen wanneer:
a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verwerkt of verstrekt, of
b. gegevens op het certificaat wijziging hebben ondergaan.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een geluidsverklaring.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een (voorlopig) geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig vernieuwen, indien het verloren is gegaan, beschadigd of anderszins onbruikbaar is geworden.
2.
Indien een (voorlopig) geluidscertificaat wegens verlies is vernieuwd en het certificaat wordt teruggevonden, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het teruggevonden (voorlopige) certificaat binnen acht dagen bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in.
3.
Indien een (voorlopig) geluidscertificaat anders dan wegens verlies is vernieuwd, levert de houder van het betrokken luchtvaartuig het oorspronkelijke (voorlopige) geluidscertificaat binnen acht dagen na ontvangst van het vernieuwde (voorlopige) certificaat bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in.
4.
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:
a. een ernstig vermoeden rijst dat niet meer aan de geluidseisen wordt voldaan;
b. een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden;
c. een ernstig vermoeden rijst dat met betrekking tot dat luchtvaartuig een wijziging is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;
d. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is geschorst of ingetrokken;
e. een ernstig vermoeden rijst dat ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
f. een ernstig vermoeden rijst dat op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld; of
g. de houder van het luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn vervallen.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:
a. een wijziging met betrekking tot het luchtvaartuig is aangebracht, zonder dat de houder een daardoor noodzakelijk geworden wijziging van het geluidscertificaat heeft aangevraagd of zonder dat deze wijziging van het luchtvaartuig is goedgekeurd;
b. het geluidscertificaat gedurende tenminste drie maanden is geschorst;
c. ter verkrijging van een geluidscertificaat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of
d. op het geluidscertificaat onjuiste gegevens zijn vermeld.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een geluidscertificaat voor een burgerluchtvaartuig in, wanneer:
a. het luchtvaartuig niet aan de geluidseisen voldoet ;
b. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd, of
c. het betrokken luchtvaartuig uit het register van Nederlandse burgerluchtvaartuigen is uitgeschreven.
5.
De houder van het burgerluchtvaartuig waarvan het geluidscertificaat is geschorst of ingetrokken, levert op eerste vordering van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het geluidscertificaat binnen acht dagen in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
6.
Wanneer de schorsing wordt opgeheven doet Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het ingeleverde geluidscertificaat terstond wederom toekomen aan de houder van het betrokken burgerluchtvaartuig.
7.
Het eerste lid onder b tot en met g, het tweede, derde, vierde lid onder b en c, het vijfde en het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring.
8.
Onverminderd het zevende lid wordt een (voorlopige) geluidsverklaring, afgegeven in aanvulling op een (voorlopig) geluidscertificaat, geschorst indien het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt geschorst, onderscheidenlijk ingetrokken, wanneer het betrokken (voorlopige) geluidscertificaat wordt ingetrokken.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de houder, respectievelijk Onze Minister van Defensie kan ambtshalve ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze paragraaf gegeven regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie trekt de ontheffing in, wanneer:
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen, of
b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.
1.
De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig, waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven:
a. ziet er op toe, dat het luchtvaartuig zijn luchtwaardigheid behoudt, en
b. onderhoudt of laat het luchtvaartuig onderhouden overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.
2.
De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting ziet er op toe dat:
a. het luchtvaartuig blijft voldoen aan de geldende geluidseisen, en
b. het luchtvaartuig in de configuratie blijft waarvoor het geluidscertificaat of de geluidsverklaring is verleend.
3.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan worden aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een afwijking van beperkte duur van het bepaalde in het tweede lid, onder b, is toegestaan.
4.
De houder van een Nederlands burgerlichtvaartuig, waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven, volgt de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu gegeven aanwijzingen met betrekking tot de luchtwaardigheid op.
5.
Onze Minister van Defensie ziet er op toe dat militaire luchtvaartuigen worden onderhouden overeenkomstig de daartoe gestelde eisen.
Artikel 3.23
Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het in deze paragraaf bepaalde. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:
a. de aanvraag en de afgifte van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;
b. de wijziging en overdracht van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring, een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een bewijs van luchtwaardigheid en de verlenging van zulk een bewijs;
c. de procedure van aanvraag, wijziging, schorsing en intrekking van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;
d. de procedure van aanvraag, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van een bewijs van luchtwaardigheid;
e. hetgeen moet worden verstaan onder een ingrijpende wijziging van het type-ontwerp waarvoor een type-certificaat is afgegeven;
f. het aan luchtvaartuigen te verrichten onderhoud;
g. de vernieuwing van een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring en een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring;
h. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of overdracht van een type-certificaat, of van een aanvullend type-certificaat, en
i. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of vernieuwing van een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring, een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring en een bewijs van luchtwaardigheid of de verlenging van een bewijs van luchtwaardigheid, dan wel van zijn aanvraag om een ontheffing;
j. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om goedkeuring of wijziging van een onderhoudsprogramma.
Artikel 3.24
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het model en de uitvoering van een type-certificaat, een aanvullend type-certificaat, een bewijs van luchtwaardigheid, een (voorlopig) geluidscertificaat, een (voorlopige) geluidsverklaring of een (voorlopige) aanvullende geluidsverklaring voor een burgerluchtvaartuig regels worden gesteld.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verleent voor het verrichten van werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid of de geluidsproductie van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan op aanvraag aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning, wanneer de desbetreffende natuurlijke persoon of rechtspersoon een bedrijf voert, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot die erkenning gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan verlenen, alsmede de bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan door een natuurlijke persoon of rechtspersoon zonder erkenning als bedoeld in het eerste lid.
4.
Het is behoudens het derde lid verboden de werkzaamheden verband houdende met de luchtwaardigheid van burgerluchtvaartuigen of onderdelen daarvan, bedoeld in het eerste lid, te verrichten zonder een daartoe strekkende erkenning.
1.
Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn dan wel voor onbepaalde tijd.
2.
Op aanvraag van de houder kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de erkenning wijzigen.
3.
Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de erkenning, indien wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot die erkenning gestelde eisen.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens artikel 3.25.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning intrekken, wanneer:
a. de houder daarom verzoekt;
b. het betrokken bedrijf niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens artikel 3.25;
c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden verricht, waartoe deze niet erkend is;
d. de houder van de erkenning de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft;
e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst, of
f. de houder in staat van faillissement verkeert.
Artikel 3.28
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie natuurlijke of rechtspersonen, die bedrijven voeren, welke op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 3.25 gestelde eisen,
a. erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een door hem bij ministeriële regeling aangewezen staat, of
b. erkend zijn door een door hem bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisatie erkennen als erkende bedrijven. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Artikel 3.29
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot deze paragraaf. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:
a. de aanvraag en de afgifte van een erkenning;
b. de verlenging of wijziging van een erkenning;
c. de procedure van aanvraag, verlenging, wijziging, schorsing of intrekking van een erkenning;
d. de vernieuwing van de erkenning,
e. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, verlenging, vernieuwing of wijziging van een erkenning;
f. de vergoeding die de aanvrager verschuldigd is voor het verlenen van toestemming tot het verrichten van werkzaamheden zonder erkenning als bedoeld in artikel 3.25, derde lid en
g. het model en de uitvoering van de erkenningen.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag bewijzen van bevoegdheid afgeven:
a. voor het zonder toezicht verrichten van onderhoud aan luchtvaartuigen;
b. waarmee de houder in aanmerking komt om door een erkend onderhoudsbedrijf gemachtigd te worden om namens dat bedrijf werkzaamheden te mogen vrijgeven.
De artikelen 2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, vierde en vijfde lid, 2.2, 2.3 en 2.5 tot en met 2.10 zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Behoudens artikel 3.25 is het verboden zonder toezicht onderhoud aan burgerluchtvaartuigen te verrichten indien het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid ontbreekt.
Artikel 3.31
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot startinrichtingen voor luchtvaartuigen zonder voortstuwingsinrichting.
1.
Voor zover bij internationale overeenkomst of besluit van een volkenrechtelijke organisatie niet anders is bepaald, is het verboden met luchtvaartuigen vluchten tegen vergoeding uit te voeren zonder een daartoe door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu afgegeven AOC.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft op aanvraag de AOC af, wanneer wordt voldaan aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. De AOC wordt slechts afgegeven aan een luchtvaartmaatschappij.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan aangegeven worden welke AOC's Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan afgeven alsmede de verplichtingen en bevoegdheden welke aan een AOC verbonden zijn.
4.
Aan een AOC kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de aan een AOC verbonden voorschriften of beperkingen.
1.
De AOC wordt afgegeven voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, welke termijn voor de verschillende AOC's verschillend kan zijn.
2.
Op aanvraag van de houder verlengt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de AOC, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 4.1, tweede en derde lid, gestelde eisen.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een AOC op verzoek van de houder wijzigen.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijzigt een AOC ambtshalve, wanneer:
a. onjuiste gegevens zijn verstrekt;
b. de vluchtuitvoering, waarvoor de AOC is verleend, tijdens de duur van de AOC veranderingen heeft ondergaan, of
c. redenen van nationaal of internationaal beleid op het gebied van de vluchtuitvoering zulks vereisen.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot artikel 4.1 en dit artikel. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. de aanvraag om afgifte van een AOC of een wijziging of verlenging daarvan, en
b. de vergoeding, die de aanvrager is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte van een AOC of om een wijziging, het onderhouden of de verlenging daarvan.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een AOC schorsen:
a. wegens vluchtuitvoering in strijd met bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften;
b. wegens overtreding van de aan de AOC verbonden voorschriften of beperkingen, of
c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste gegevens zijn verstrekt.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een AOC intrekken:
a. indien de AOC-houder daarom verzoekt;
b. wegens het gedurende een aangesloten periode van ten minste twaalf maanden niet uitvoeren van vluchten;
c. indien ter verkrijging van de AOC onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, of
d. indien de AOC ten minste drie maanden is geschorst.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de houder ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht.
2.
Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer:
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen, of
b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.
Artikel 4.5
De houder van een AOC volgt de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu gegeven aanwijzingen met betrekking tot de vluchtuitvoering op.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot vluchtuitvoering die niet door een luchtvaartmaatschappij dan wel niet tegen vergoeding wordt uitgevoerd.
2.
Het is verboden vluchten uit te voeren in strijd met de bij of krachtens het eerste lid gestelde regels.
Artikel 4.7
De artikelen 4.1 tot en met 4.6 zijn niet van toepassing op de vluchtuitvoering ten behoeve van douane- en politiedoeleinden.
Artikel 4.8
De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig is verplicht de bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu genoemde documenten mee te voeren.
Artikel 5.1
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.3 tot en met 5.9 is van toepassing op:
a.. deelnemers aan het luchtverkeer binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam, en
b. Nederlandse luchtvaartuigen, waar deze zich ook bevinden, tenzij dit onverenigbaar is met de daar ter plaatse geldende regels of de regels die in overeenstemming met internationale afspraken worden gehanteerd door de ter plaatse voor het verlenen van luchtverkeersdiensten verantwoordelijke Staat.
Artikel 5.2
Buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam houdt de gezagvoerder van een Nederlands luchtvaartuig zich aan de daar ter plaatse geldende regels. Indien in overeenstemming met internationale afspraken andere regels worden gehanteerd door de ter plaatse voor het verlenen van luchtverkeersdiensten verantwoordelijke Staat, houdt de gezagvoerder zich aan deze regels.
Artikel 5.3
Het is verboden op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dan wel luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht.
Artikel 5.4
Het is verboden boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenmenigten, aan het luchtverkeer deel te nemen op een zodanige hoogte dat het niet meer mogelijk is een noodlanding uit te voeren zonder personen of zaken op het aardoppervlak in gevaar te brengen, tenzij zulks noodzakelijk is:
a. om op te stijgen van of te landen op een luchthaven;
b. voor de uitvoering van naderings- en vertrekprocedures, alsmede van luchtverkeerspatronen.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim, ter bevordering van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer of ter bescherming van personen of zaken aan boord van het luchtvaartuig of op het aardoppervlak regels worden gesteld aan deelnemers van het luchtverkeer.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld betreffende:
a. de uitvoering van vluchten;
b. de met betrekking tot de uitvoering van vluchten te verstrekken inlichtingen;
c. de communicatie tussen deelnemers aan het luchtverkeer onderling en met de instanties en organisaties belast met het verlenen van luchtverkeersdiensten;
d. de in en ten behoeve van het luchtverkeer te gebruiken tekens en seinen;
e. het gebruik van het luchtruim anders dan door luchtverkeer; en
f. gedrag van het verkeer op een luchthaven.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
4.
De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van de in het derde lid bedoelde ontheffing of een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager.
5.
De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 5.6
Het is verboden een vlucht uit te voeren zonder dat een gezagvoerder is aangewezen.
1.
De gezagvoerder bevindt zich aan boord van het luchtvaartuig.
2.
De gezagvoerder is, ongeacht of hij daadwerkelijk de stuurorganen bedient of niet, ervoor verantwoordelijk dat de uitvoering van de vlucht geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels. Van de regels bedoeld in de eerste volzin mag slechts worden afgeweken indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie bij ministeriële regeling aan te wijzen onbemande luchtvaartuigen.
Artikel 5.8
Voor de aanvang van iedere vlucht, neemt de gezagvoerder kennis van alle gegevens en inlichtingen die voor de uitvoering van de vlucht van belang zijn.
1.
Voor de aanvang van iedere vlucht waaraan luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend wordt door of namens de gezagvoerder een vliegplan ingediend overeenkomstig de bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, onderdeel c, gestelde regels. Het vliegplan bevat de gegevens en inlichtingen omtrent de voorgenomen vlucht.
2.
Alvorens een vlucht waaraan luchtverkeersleidingsdiensten worden verleend aan te vangen, of een gedeelte daarvan uit te voeren moet een desbetreffende klaring zijn gevraagd en verkregen.
3.
De gezagvoerder komt de door de verlener van luchtverkeersleidingsdiensten gegeven voorwaarden van de klaring na. Van de voorwaarden bedoeld in de eerste volzin mag slechts worden afgeweken indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken. Een afwijking wordt zo spoedig mogelijk gemeld aan de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bij ministeriële regeling het uitoefenen van het burgerluchtverkeer tijdelijk of blijvend beperken of verbieden boven Nederland of gedeelten daarvan:
a. om redenen van openbare orde en veiligheid;
b. om andere dringende redenen, waarbij het uitoefenen van de luchtvaart en omstandigheden of gebeurtenissen op het aardoppervlak elkaar kunnen beïnvloeden;
2.
Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling het uitoefenen van het burgerluchtverkeer beperken of verbieden om reden van militaire noodzaak.
3.
Op voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het uitoefenen van het burgerluchtverkeer boven gebieden aangewezen overeenkomstig artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer.
4.
Van de regelingen krachtens het eerste en tweede lid wordt mededeling gedaan via de luchtvaartpublicaties bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, onder d, en voor zover nodig via de verlener van luchtverkeersdiensten aan de betrokken gezagvoerder.
5.
Het is verboden aan het luchtverkeer deel te nemen in strijd met het bepaalde krachtens het eerste, tweede en derde lid van dit artikel.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:
a. worden, met inachtneming van het type en de dichtheid van het luchtverkeer, delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam alsmede luchthavens aangewezen waar de daarbij bepaalde vormen van luchtverkeersdiensten worden verleend;
b. worden in het vluchtinformatiegebied Amsterdam luchtverkeersroutes en -procedures vastgesteld, waaronder mede zijn begrepen naderings-, vertrek- en wachtprocedures, alsmede luchtverkeerspatronen;
c. kunnen delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden aangewezen als bijzondere luchtverkeersgebieden, waar daarbij gegeven voorschriften gelden.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer. Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden. Het is verboden in strijd met die voorschriften of beperkingen te handelen.
3.
De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van de in het tweede lid bedoelde ontheffing of een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager.
4.
De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
Luchtverkeersdiensten worden verleend in het belang van de algemene luchtverkeersveiligheid en een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop luchtverkeersdiensten worden verleend.
1.
Binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam kunnen luchtverkeersdiensten worden verleend door:
a. de LVNL.
b. Onze Minister van Defensie;
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie tezamen wijzen de gebieden waarbinnen en het luchtverkeer waaraan de in het eerste lid genoemde instanties luchtverkeersdiensten verlenen, aan.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wijst een verlener van meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie aan die verantwoordelijk is voor het beschikbaar maken, stellen en houden van luchtvaartmeteorologische inlichtingen of delen hiervan.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld omtrent het beschikbaar maken, stellen en houden van luchtvaartmeteorologische inlichtingen.
3.
Voor zover de aanwijzing en de regeling, bedoeld in het eerste en tweede lid, betrekking hebben op het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden zij opgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.
Artikel 5.14
In afwijking van artikel 5.13, kunnen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie:
a. delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam aanwijzen waarbinnen door de Eurocontrol-organisatie luchtverkeersdiensten worden verleend;
b. in bijzondere situaties delen van het vluchtinformatiegebied Amsterdam aanwijzen waarbinnen luchtverkeersdiensten worden verleend door een andere verlener van luchtverkeersdiensten dan de in artikel 5.13 genoemde verleners van luchtverkeersdiensten.
Artikel 5.14a
Indien op basis van artikel 9 bis van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening een functioneel luchtruimblok is ingesteld, waarvan een gedeelte van of het gehele vluchtinformatiegebied Amsterdam deel uitmaakt, wijzen, in afwijking van de artikelen 5.13, 5.13a en 5.14, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie in overeenstemming met het bevoegde gezag van de betrokken staat of staten voor dat bepaalde gebied een of meer verleners van luchtverkeersdiensten en verleners van meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie aan, alsmede het luchtverkeer waaraan de bedoelde instanties luchtverkeersdiensten verlenen.
1.
Een bij of krachtens artikel 5.13, 5.13a, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie kan, onverminderd haar verantwoordelijkheid voor het verlenen van de diensten waartoe deze instantie is aangewezen, na schriftelijke instemming door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu luchtverkeersdiensten of meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie laten verrichten door een andere verlener van luchtverkeersdiensten of meteorologische diensten voor de luchtvaartnavigatie.
2.
Ter verkrijging van de in het eerste lid bedoelde instemming dient de bij of krachtens artikel 5.13, 5.13a, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie hiertoe een verzoek in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
3.
De bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie verstrekt alle informatie die benodigd is voor de beoordeling van een verzoek als bedoeld in het tweede lid.
4.
Gronden waarop instemming als bedoeld in het eerste lid kan worden onthouden zijn:
a. het niet voldoen of niet kunnen voldoen door de verlener van wiens diensten gebruik zal worden gemaakt aan de op grond van artikel 5.14d, derde lid, aan het certificaat van de aangewezen instantie gestelde beperkingen en voorschriften, dan wel indien het dienstverlening binnen het luchtruim van Bonaire, Sint Eustatius en Saba betreft, het niet voldoen of kunnen voldoen aan de bij regeling van Onze Minister gestelde eisen inzake het toezicht op de dienstverlener of inzake zijn bekwaamheid of geschiktheid;
b. strijd met het belang van een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer; of
c. strijd met het recht.
1.
Het is verboden luchtverkeersdiensten te verlenen zonder hiertoe te zijn aangewezen bij of krachtens deze wet, dan wel zonder de hiertoe vereiste instemming, bedoeld in artikel 5.14b.
2.
Het is verboden luchtverkeersdiensten te doen verlenen zonder de hiertoe vereiste instemming, bedoeld in artikel 5.14b.
1.
Het is verboden luchtvaartnavigatiediensten te verlenen zonder te beschikken over een daartoe bestemd certificaat als bedoeld in artikel 7 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verstrekt een certificaat als bedoeld in het eerste lid, indien de aanvrager voldoet aan de in artikel 6 van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening bedoelde eisen.
3.
Aan een certificaat kunnen de voorschriften en beperkingen, zoals bedoeld in Bijlage II van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening, worden verbonden.
4.
De in het derde lid bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen tijdens de geldigheidsduur van het certificaat ambtshalve worden gewijzigd of aangevuld wegens:
a. wijziging van de krachtens deze wet gestelde regels;
b. wijziging van de kaderverordening, luchtvaartnavigatiedienstenverordening, luchtruimverordening of interoperabiliteitsverordening; of
c. wijziging van bepalingen die op grond van de in onderdeel b genoemde verordeningen zijn gesteld.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de geldigheidsduur, aanvraag, verlening en verlenging van een certificaat.
6.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu neemt binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag voor het verlenen van een certificaat een besluit omtrent de afgifte daarvan.
7.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een certificaat geheel of gedeeltelijk schorsen, indien een ernstig vermoeden rijst dat de houder van het certificaat:
a. niet voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid;
b. niet voldoet aan de voorschriften of beperkingen, bedoeld in het derde lid; of
c. ter verkrijging van het certificaat onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt.
8.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een certificaat intrekken, indien:
a. de houder van het certificaat niet voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid;
b. de houder van het certificaat niet voldoet aan de voorschriften of beperkingen, bedoeld in het derde lid; of
c. het certificaat gedurende ten minste drie maanden is geschorst.
9.
Dit artikel is niet van toepassing op verleners van luchtvaartnavigatiediensten die deze diensten hoofdzakelijk aanbieden aan andere bewegingen van luchtvaartuigen dan aan het algemeen luchtverkeer als bedoeld in artikel 2.2, achtste lid.
Artikel 5.14e
Ten aanzien van de luchtverkeers-, communicatie-, navigatie- of plaatsbepalingsdiensten worden bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu veiligheidsvoorschriften vastgesteld voor technisch en ontwikkelingspersoneel dat operationele aan de veiligheid gerelateerde taken verricht.
Artikel 5.15
De instanties belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten coördineren de uitvoering van deze taken met de instanties belast met het verlenen van luchtverkeersleidingsdiensten binnen hetzelfde gebied of in aangrenzende gebieden.
Artikel 5.16
Onverminderd artikel 2.1, eerste lid, van deze wet en de basisverordening is het verboden luchtverkeersdiensten te verlenen zonder een daartoe verkregen opdracht van een bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie of van een andere verlener van luchtverkeersdiensten als bedoeld in artikel 5.14b, eerste lid.
1.
Een bij of krachtens artikel 5.13, 5.14 of 5.14a aangewezen instantie of een andere verlener van luchtverkeersdiensten als bedoeld in artikel 5.14b, eerste lid, houdt een registratie bij van de daadwerkelijk gewerkte uren van de houders van een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten aan wie deze instanties een opdracht als bedoeld in artikel 5.16 hebben gegeven.
2.
Ten behoeve van het behoud van de geldigheid en de verlenging van een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu om inzage in de registratie als bedoeld in het eerste lid verzoeken.
Artikel 5.18
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van een veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer regels worden gesteld betreffende de prioriteitstelling bij het verlenen van luchtverkeersdiensten.
Artikel 5.19
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de exploitant van een burgerluchthaven met inachtneming van de daarbij te stellen regels na overleg met de gebruikers en de betrokken verlener van luchtverkeersleidingsdiensten, de volgorde van het gebruik van de luchthaven vaststelt.
1.
De gebruiker van luchtvaartnavigatiediensten, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de vergoedingenverordening, is in het vluchtinformatiegebied Amsterdam een vergoeding verschuldigd voor de bestrijding van kosten van:
a. luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer als bedoeld in de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale Overeenkomst betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181),
b. plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten.
2.
De Eurocontrol-organisatie stelt jaarlijks in het kader van de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale Overeenkomst betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181), de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in artikel 11 van de vergoedingenverordening, vast ter berekening van de vergoeding voor luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer». Ter voorbereiding daarvan leggen de verleners van luchtvaartnavigatiediensten aan «en route»-verkeer» Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, jaarlijks vóór 15 mei een voorstel voor.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt jaarlijks de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in artikel 12 van de vergoedingenverordening, vast ter berekening van de vergoeding voor plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten. Ter voorbereiding daarvan leggen de verleners van plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten genoemde Minister jaarlijks vóór 15 mei een voorstel voor.
4.
De Eurocontrol-organisatie int de vergoeding ter bestrijding van de kosten voor luchtvaartnavigatiediensten voor «en route»-verkeer en draagt aan de desbetreffende verleners van deze diensten het hun toekomende deel van het geïnde bedrag af.
5.
De verleners van plaatselijke luchtvaartnavigatiediensten dragen zorg voor de inning van de vergoedingen ter bestrijding van de kosten van deze diensten en stemmen daartoe onderling af.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur worden heffingszones als bedoeld in artikel 5 van de vergoedingenverordening vastgesteld en worden nadere voorschriften gesteld met betrekking tot de bekendmaking en de inning van vergoedingen, bedoeld in het vierde en het vijfde lid, en de termijnen binnen welke betaling van de vergoedingen plaats moet vinden.
7.
De Eurocontrol-organisatie kan rechtsvorderingen tot inning van vergoedingen als bedoeld in het vierde lid en van andere vergoedingen uit hoofde van de op 12 februari 1981 te Brussel gesloten Multilaterale Overeenkomst betreffende «en route»-heffingen (Trb. 1981, 181) uitsluitend aanhangig maken bij de rechtbank Amsterdam.
8.
Bij algemene maatregel van bestuur kan overeenkomstig artikel 10 van de vergoedingenverordening vrijstelling worden verleend van betaling van vergoedingen voor luchtvaartnavigatiediensten.
9.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden voorschriften gesteld met betrekking tot het treffen van stimuleringsmaatregelen als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de vergoedingenverordening. De voorschriften betreffen in ieder geval financiële stimulansen op het prestatiekerngebied capaciteit.
10.
De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde vergoeding moet worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
11.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden voorschriften gesteld voor de raadpleging van vertegenwoordigers van luchtruimgebruikers over het vergoedingenbeleid.
12.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan besluiten tot modulering van luchtvaartnavigatieheffingen als bedoeld in artikel 16 van de vergoedingenverordening.
1.
De vergoedingenverordening en artikel 5.20 zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen luchtvaartnavigatiediensten die worden verleend op luchthavens met minder dan 70.000 IFR luchtvervoersbewegingen per jaar, ongeacht de maximale startmassa en het aantal passagierszitplaatsen. Daarbij worden de bewegingen geteld als de som van de starts en de landingen en berekend als een gemiddelde van de voorafgaande drie jaar.
2.
De gebruiker van luchtvaartnavigatiediensten als bedoeld in het eerste lid is een vergoeding verschuldigd ter bestrijding van de kosten van de verlening van deze diensten. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gesteld ten aanzien van de hoogte, de berekening, de vaststelling, de inning en de bekendmaking van deze vergoeding, en de termijn binnen welke betaling van deze vergoeding plaats moet vinden.
3.
De in het tweede lid bedoelde vergoeding moet worden betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
4.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de North Sea Area Amsterdam zijnde het gebied dat als NSA Amsterdam is gedefinieerd in de door LVNL uitgegeven luchtvaartgids, volume I, hoofdstuk ENR 6-2-5 aangemerkt als luchthaven.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kan vrijstelling worden verleend van de verplichting tot betaling van vergoedingen als bedoeld in het tweede lid.
1.
Er is een organisatie voor het verlenen van luchtverkeersdiensten. Hij heeft rechtspersoonlijkheid.
2.
Op de in het eerste lid bedoelde organisatie is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van de artikelen 15 en 18 van die wet.
1.
De LVNL is, ter bevordering van een zo groot mogelijke veiligheid van het luchtverkeer in het vluchtinformatiegebied Amsterdam, belast met de volgende taken:
a. het verlenen van luchtverkeersdiensten;
b. het verlenen van communicatie-, navigatie- en plaatsbepalingsdiensten;
c. het verlenen van luchtvaartinlichtingendiensten en het uitgeven van luchtvaartpublicaties en luchtvaartkaarten;
d. het verzorgen of doen verzorgen van opleidingen ten behoeve van luchtverkeersbeveiliging en het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten;
e. het adviseren van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu alsmede Onze Minister van Defensie betreffende aangelegenheden op het gebied van de luchtverkeersbeveiliging en het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten;
f. het verrichten van andere bij of krachtens deze wet opgedragen taken.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de LVNL belasten met het verlenen van luchtverkeersdiensten buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam.
3.
De LVNL kan, in ieder geval tegen vergoeding van kosten, diensten aan anderen dan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en Onze Minister van Defensie verlenen op het gebied van en verband houdende met taken bedoeld in het eerste lid. De in de eerste volzin bedoelde diensten kunnen buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam worden verleend.
4.
De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taken, luchtverkeersdiensten laten verrichten door een andere verlener van luchtverkeersdiensten, indien hiervoor instemming is verleend op grond van artikel 5.14b, eerste lid.
5.
De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taken, luchtvaartnavigatiediensten anders dan de in het vierde lid bedoelde diensten laten verrichten door een andere verlener van luchtvaartnavigatiediensten.
6.
De LVNL kan, onverminderd zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hem opgedragen taken, andere werkzaamheden dan die zijn bedoeld in het vierde en vijfde lid laten verrichten door derden, voor zover deze werkzaamheden een ondersteunend karakter hebben.
7.
De LVNL is verplicht zijn taken te verrichten overeenkomstig het bepaalde in Nederland bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 5.24
De LVNL heeft een bestuur en een raad van toezicht.
1.
Het bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de voorzitter.
2.
De hoedanigheid van lid van het bestuur is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht.
3.
De leden van het bestuur worden benoemd voor een periode van ten hoogste vijf jaren. Bij afloop van deze termijn kunnen zij worden herbenoemd.
1.
Het bestuur is belast met de dagelijkse leiding van de LVNL.
2.
Alle bevoegdheden van de LVNL welke niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen toe aan het bestuur.
3.
Het bestuur verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens.
1.
Het bestuur vertegenwoordigt de LVNL in en buiten rechte.
2.
Het bestuur kan onder zijn verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer bestuursleden of andere personen. Het kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taak van de LVNL dan wel op bepaalde aangelegenheden.
Artikel 5.28
Ingeval van schorsing of ontstentenis van een lid van het bestuur voorziet Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de waarneming van zijn functie.
Artikel 5.29
Het bestuur legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht bijzondere aanleiding bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door hem gevoerde beleid.
Artikel 5.30
De raad van toezicht bestaat uit zes leden, waaronder de voorzitter, alsmede een waarnemer, die Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de raad van toezicht vertegenwoordigt.
1.
De leden van de raad van toezicht worden zonder last of ruggespraak benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn eenmaal voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar. Hun kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt een waarnemer in de raad van toezicht. Het waarnemerschap kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen worden beëindigd.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt, schorst en ontslaat de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat:
a. een lid wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Defensie;
b. vier leden worden benoemd op voordracht van de raad van toezicht.
c. een lid, tevens voorzitter, wordt benoemd op voordracht van de raad van toezicht. Omtrent de voordracht besluiten de leden van de raad van toezicht met gewone meerderheid, met dien verstande dat de voorzitter niet deelneemt aan de vaststelling van de voordracht.
4.
Zolang in een vacature in de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad.
5.
De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut.
1.
De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van het bestuur, en staat dit met raad terzijde.
2.
Bij de vervulling van hun taak nemen de leden van de raad van toezicht tot richtsnoer de verwezenlijking van de taakstelling en het belang van de LVNL waaronder de continuïteit van zijn bedrijfsvoering.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bepalen dat het bestuur de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat het bestuur, ingeval Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben.
4.
Besluiten van het bestuur betreffende de volgende onderwerpen behoeven voorafgaande instemming van de raad van toezicht:
a. de reglementen bedoeld in de artikelen 5.34, 5.36, 5.37 en 5.39;
b. voorstellen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, en de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 5.21, tweede lid;
c. de financiële begroting, en het financiële meerjarenbeleidsplan;
d. het jaarverslag en de jaarrekening;
e. de bij of krachtens de wet aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu uit te brengen rapportages;
f. de aanwijzing van de externe registeraccountant.
5.
Besluiten betreffende het in het vierde lid, onderdeel c, genoemde financiële meerjarenbeleidsplan behoeven bovendien de goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
6.
De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet tenminste tweederde van het aantal leden ter vergadering aanwezig is.
7.
De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten daarvan komen ten laste van de LVNL.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan aan de leden van de raad van toezicht, ten laste van de LVNL, een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden.
3.
De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten.
Artikel 5.34
Het bestuur stelt bij reglement de hoofdlijnen vast van de inrichting van de LVNL en van de wijze van bedrijfsvoering.
Artikel 5.35
De bedrijfsvoering van de LVNL geschiedt zoveel mogelijk overeenkomstig die, welke algemeen gebruikelijk is bij het particuliere bedrijfsleven.
Artikel 5.36
Het bestuur van de LVNL voert op bij reglement vast te stellen wijze overleg met gebruikers van door de organisatie geleverde diensten of met hun vertegenwoordigers omtrent aangelegenheden terzake waarvan naar zijn oordeel overleg dienstig is, alsmede omtrent aangelegenheden terzake waarvan de deelnemers aan het geïnstitutionaliseerde overleg het bestuur te kennen hebben gegeven overleg te willen voeren.
1.
Het personeel van de LVNL, de leden van het bestuur daaronder begrepen, is ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet .
2.
Het bestuur stelt bij reglement de regeling van de rechtspositie van het personeel vast.
3.
Onverminderd hetgeen reeds bij of krachtens de wet is geregeld, geeft het reglement bedoeld in het tweede lid van dit artikel in ieder geval voorschriften betreffende de volgende onderwerpen:
a. aanstelling;
b. schorsing;
c. ontslag;
d. het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid;
e. bezoldiging;
f. wachtgeld;
g. diensttijden;
h. verlof en vakantie;
i. voorzieningen in verband met ziekte;
j. bescherming bij de arbeid;
k. woon-, verblijfs- en bereikbaarheidsverplichtingen;
l. medezeggenschap;
m. overige rechten en verplichtingen van het personeel;
n. disciplinaire straffen;
o. de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtspositie en de bezoldiging van het personeel van de LVNL;
p. een geschillenregeling met betrekking tot de onder l en o genoemde onderwerpen.
4.
De bepalingen van artikel 126 van de Ambtenarenwet zijn van overeenkomstige toepassing op de totstandkoming van het in het tweede lid bedoelde reglement.
Artikel 5.38
De geldmiddelen van de LVNL bestaan uit:
a. de opbrengst van de in artikel 5.20 en 5.21 bedoelde vergoedingen;
b. de opbrengst van de vergoedingen voor verleende diensten waarvan de kosten niet reeds de basis vormen voor de vergoedingen bedoeld in de artikelen 5.20 en 5.21;
c. andere baten hoe ook genoemd.
Artikel 5.39
Het bestuur stelt bij reglement de werkwijze vast voor het financiële beheer en de administratieve organisatie van de LVNL.
1.
De begroting bestaat uit:
a. de jaarlijkse financiële begroting, bestaande uit een exploitatiebegroting en een kapitaalsbegroting;
b. het financiële meerjarenbeleidsplan.
2.
Tot de lasten van de LVNL worden gerekend de kosten voortvloeiende uit de taken van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op het gebied van de luchtverkeersbeveiliging.
1.
Het jaarverslag van de LVNL gaat vergezeld van:
a. een opgave over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden;
b. een document, houdende de instemming bedoeld in artikel 5.32, vierde lid, onder d.
2.
Het boekjaar van de LVNL valt samen met het kalenderjaar.
3.
Het bestuur zendt jaarlijks voor 1 mei van het jaar volgende op het jaar waarop het betrekking heeft het jaarverslag aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en aan beide Kamers der Staten-Generaal.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt regels over de uitoefening van het toezicht op de LVNL door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en de raad van toezicht.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt een informatiestatuut vast.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan het bestuur opdragen periodiek rapportage uit te brengen op een door hem, na overleg met het bestuur, te bepalen wijze.
1.
De volgende stukken worden door het bestuur vastgesteld:
a. de financiële begroting;
b. het financiële meerjarenbeleidsplan.
2.
Het bestuur zendt het financiële meerjarenbeleidsplan aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toe vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
3.
Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat binnen vier weken na de in het tweede lid bedoelde toezending de goedkeuring aan de in het eerste lid, onder a en b, genoemde stukken, niet heeft onthouden, wordt deze geacht te zijn verleend.
Artikel 5.44
Waar in deze wet de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is vereist, verleent dan wel onthoudt hij die, behoudens het bepaalde in artikel 5.43, derde lid, binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de goed te keuren stukken. Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat goedkeuring onthoudt aan de financiële begroting, is het bestuur gerechtigd voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van maximaal een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.
Artikel 6.50
Deze titel is, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6.55, 6.56 en 6.57, niet van toepassing op het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Kernenergiewet.
1.
Het is verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of aan te nemen, alsmede te laden in of te lossen uit een luchtvaartuig, of tijdens het vervoer neer te leggen.
2.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.
3.
Onder het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt mede begrepen het laten staan op een luchthaven van een luchtvaartuig waarin zich dergelijke stoffen bevinden.
1.
Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden onder een andere benaming of onder opgave van een andere categorie-indeling dan die welke bij of krachtens deze wet is voorgeschreven.
2.
De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
1.
De regels, bedoeld in artikel 6.51, tweede lid, kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen, waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd;
b. de documenten die met betrekking tot gevaarlijke stoffen opgemaakt dienen te worden;
c. de stuwage en de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading;
d. het onderzoek van gevaarlijke stoffen naar hun eigenschappen;
e. de eisen ten aanzien van verpakking van gevaarlijke stoffen, met inbegrip van de daarbij behorende inrichting of uitrusting, en het testen of keuren daarvan, alsmede de uitgifte en intrekking van verpakkingskenmerken;
f. de etiketten, kenmerken of andere aanduidingen op de verpakking, bedoeld in onderdeel e;
g. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen worden geladen of gelost;
h. de keuring van de inrichtingen, voertuigen of werktuigen, bedoeld in onderdeel g;
i. de melding voorafgaande aan het verrichten van een handeling, als bedoeld in artikel 6.51;
j. het opstellen van een risico-inventarisatie met betrekking tot het vervoeren, laden of lossen van door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daartoe aangewezen stoffen;
k. het aanwijzen van luchtroutes waarlangs door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
2.
De betrokkene is een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu vast te stellen vergoeding verschuldigd voor de kosten van een keuring, als bedoeld in onderdeel h van het eerste lid, gebaseerd op de werkelijke kosten.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid ten aanzien van luchtvaartuigen die door hem aangewezen gevaarlijke stoffen vervoeren, bepalen dat die luchtvaartuigen uitsluitend van door hem aangewezen luchthavens mogen starten of op die luchthavens mogen landen.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het belang van de openbare veiligheid bepalen, dat de in het eerste lid bedoelde gevaarlijke stoffen op de in het eerste lid bedoelde luchthavens slechts mogen worden geladen, gelost of neergelegd op door hem op die luchthavens aangewezen plaatsen.
3.
Onze Minister van Defensie kan ten aanzien van militaire helikopters de in het eerste en tweede lid bedoelde beperkingen ook doen gelden voor door hem aangewezen terreinen, niet zijnde luchthavens.
4.
Het is verboden te handelen in strijd met het bepaalde krachtens het eerste of tweede lid.
1.
Het is verboden gevaarlijke stoffen ten vervoer aan te bieden, te vervoeren, te doen of laten vervoeren met luchtvaartuigen, zonder een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verleende erkenning.
2.
Een erkenning wordt verleend voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn, dan wel voor onbepaalde tijd indien door de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon voldaan wordt aan de bij of krachtens die maatregel met betrekking tot de erkenning gestelde eisen. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
3.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt aangegeven welke erkenningen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan verlenen, alsmede de bevoegdheden, welke aan iedere erkenning verbonden zijn.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, wanneer een ernstig vermoeden rijst, dat de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon:
a. niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid;
b. handelt in strijd met het bij of krachtens deze titel bepaalde.
Hij heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
5.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning intrekken, wanneer:
a. de houder daarom verzoekt;
b. de houder niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens het tweede lid;
c. de houder krachtens de hem verleende erkenning werkzaamheden verricht, waartoe deze niet erkend is;
d. de houder handelt in strijd met de artikelen 6.51, tweede lid, of  6.52;
e. de erkenning gedurende ten minste drie maanden is geschorst;
f. de houder in staat van faillissement verkeert.
6.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels gegeven worden met betrekking tot de procedure van aanvraag, afgifte, wijziging, verlenging, schorsing en intrekking van erkenningen, alsmede de vergoeding die de aanvrager van de erkenning verschuldigd is voor de kosten van de behandeling van zijn aanvraag om afgifte, wijziging of verlenging, welke gebaseerd is op de werkelijke kosten.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu erkent een opleiding voor een theoretisch of praktisch examen als opleiding voor een theoretisch of praktisch examen benodigd ter verkrijging van een erkenning, als bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, indien die opleiding voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de erkenning van een opleiding intrekken, wanneer die opleiding niet meer aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen voldoet.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van het eerste en tweede lid nadere regels worden gegeven.
Artikel 6.57
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ter uitvoering van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties natuurlijke personen of rechtspersonen, die handelingen als bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, verrichten op zodanige wijze, dat deze voldoen aan eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 6.55 gestelde eisen, erkennen als erkende bedrijven voor zover die bedrijven erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een bij ministeriële regeling aangewezen land of internationale organisatie. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens deze titel gegeven regels, wanneer die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2.
Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of de beperkingen bedoeld in het eerste lid.
3.
De ontheffing kan worden geweigerd op grond van de openbare veiligheid.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een ontheffing wijzigen:
a. op verzoek van de houder;
b. op grond van de openbare veiligheid.
5.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan de ontheffing intrekken, wanneer
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen;
b. de openbare veiligheid dit vereist;
c. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.
6.
De aanvrager van de ontheffing of van de wijziging daarvan is Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een door deze vast te stellen vergoeding voor de behandeling van de aanvraag verschuldigd, gebaseerd op de werkelijke kosten.
Artikel 6.59
Het is passagiers en leden van het boordpersoneel verboden gevaarlijke stoffen aan boord van een luchtvaartuig te brengen, of met zich mee te voeren in hun bagage, anders dan met inachtneming van de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie aangewezen Technische Voorschriften van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht.
1.
Degene, die een handeling als bedoeld in artikel 6.51, eerste lid, verricht, is verplicht, indien zich daarbij voorvallen gevaarlijke stoffen voordoen waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is ontstaan of is te duchten, daarvan onverwijld mededeling te doen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de procedure en de wijze van mededeling als bedoeld in het eerste lid.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan van degenen die handelingen verrichten als bedoeld in artikel 6.51 , alle inlichtingen of documenten vragen die naar zijn redelijk oordeel nodig zijn ten behoeve van het analyseren van voorvallen gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 6.60.
2.
De betrokkenen zijn verplicht de gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken binnen een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie in redelijkheid te stellen termijn.
1.
Indien zich binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam een luchtvaartongeval voordoet verstrekt de houder van het betrokken luchtvaartuig onverwijld aan de betrokken hulpverlenende instanties informatie over de gevaarlijke stoffen die zich aan boord van dat luchtvaartuig bevinden.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie wordt vastgesteld welke informatie door tussenkomst van welke instantie verstrekt dient te worden.
1.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen met het oog op de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen tijdens het vervoer van dieren in die luchtvaartuigen in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken regels worden gegeven met betrekking tot dat vervoer.
2.
Het is verboden dieren te vervoeren in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde regels.
1.
Voorvallen worden gemeld aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden natuurlijke personen of rechtspersonen aangewezen die verplicht zijn tot het melden van een voorval.
3.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde meldingen en kunnen regels worden gesteld voor het vrijwillig melden van tekortkomingen in de luchtvaart welke niet verplicht gemeld moeten worden maar die de melder als een reëel of mogelijk gevaar beschouwt.
1.
Gegevens ontvangen uit een in artikel 7.1, eerste lid, bedoelde melding, dan wel ontvangen van een lidstaat van de Europese Unie naar aanleiding van een soortgelijke melding in die lidstaat, zijn niet openbaar.
2.
Iedere instantie met regelgevende bevoegdheid op het gebied van de veiligheid in de burgerluchtvaart of met onderzoeksbevoegdheid voor ongevallen en incidenten die zich in de Europese Gemeenschap voordoen, heeft toegang tot de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3.
Bij het registreren van de melding worden geen namen en adressen van individuele personen opgenomen.
1.
Een luchthavencoördinator als bedoeld in Verordening nr. 95/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van «slots» op communautaire luchthavens (PbEG L 14) die bij de uitvoering van zijn taak krachtens de verordening schade toebrengt aan luchtvaartmaatschappijen of anderen, is te dier zake niet aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of roekeloosheid.
2.
Op de luchthavencoördinator is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van de artikelen 18, 21 en 22 van die wet.
1.
De luchtvervoerder en de exploitant van luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 785/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake de verzekeringseisen voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen (PbEU L 138) hebben een verzekering die voldoet aan de artikelen 4, 6 en 7 van voornoemde verordening.
2.
Met betrekking tot niet-commerciële diensten van luchtvaartuigen met een MTOM van 2700 kg of minder bedraagt de verzekeringsdekking ten minste 100 000 BTR per passagier.
Artikel 7.5
Het is een vliegtuigexploitant als bedoeld in artikel 3, onder o, van richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 (PbEU 2009, L 8), verboden een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig zolang en voor zover de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 16, tiende lid, van eerstgenoemde richtlijn aan de betrokken vliegtuigexploitant een exploitatieverbod heeft opgelegd.
Artikel 7.6
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de vergoedingen voor de kosten van handelingen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten, die ter zake van de luchtvaartveiligheid door Nederland, dan wel op grond van de artikelen 100, tweede lid, en 207, eerste en vierde lid, in samenhang met artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie door de Europese Unie zijn gesloten, voor zover deze kosten niet reeds de basis vormen voor de vergoedingen bedoeld in deze wet.
1.
Luchthavens zijn te onderscheiden in:
a. de luchthaven Schiphol,
b. overige burgerluchthavens, en
c. militaire luchthavens.
2.
Overige burgerluchthavens zijn van regionale betekenis of van nationale betekenis. Deze luchthavens zijn van nationale betekenis indien:
a. zij zijn gelegen buiten provinciegrenzen zoals bepaald bij of krachtens de Provinciewet , of
b. dit bij wet is bepaald.
3.
Luchthavens van nationale betekenis zijn:
a. de luchthaven Lelystad,
b. de luchthaven Eelde,
c. de luchthaven Maastricht, en
d. de luchthaven Rotterdam.
4.
Indien het militaire gebruik van een militaire luchthaven, met uitzondering van de militaire luchthaven Twenthe, wordt beëindigd door intrekking van:
a. de aanwijzing op grond van de Luchtvaartwet van die luchthaven als militaire luchthaven, of
b. het luchthavenbesluit dat op deze luchthaven betrekking heeft,
en op die plaats een burgerluchthaven wordt gevestigd, dan is deze luchthaven van nationale betekenis.
5.
In afwijking van het vierde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld dat een luchthaven als bedoeld in dat lid van regionale betekenis is.
6.
De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Het is verboden met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen, anders dan van of op een luchthaven.
2.
Het is verboden de luchthaven Schiphol in bedrijf te hebben indien voor deze luchthaven geen luchthavenindelingbesluit en luchthavenverkeerbesluit gelden en indien de exploitant van deze luchthaven niet beschikt over een geldig veiligheidscertificaat.
3.
Het is verboden een overige burgerluchthaven in bedrijf te hebben indien voor deze luchthaven geen luchthavenbesluit of luchthavenregeling geldt. Vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist indien buiten het luchthavengebied het externe-veiligheidsrisico of de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer zodanig is dat dit gevolgen heeft voor de ruimtelijke indeling van het gebied rond de luchthaven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de mate van externe-veiligheidsrisico of geluidbelasting buiten het luchthavengebied bepaald die vaststelling van gevolgen voor de ruimtelijke indeling van het gebied rond de luchthaven noodzakelijk maakt. Daarbij kan worden bepaald dat voor daarbij te omschrijven luchthavens in elk geval kan worden volstaan met de vaststelling van een luchthavenregeling. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4.
Het is de exploitant van een overige burgerluchthaven waarvoor vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist, verboden die luchthaven in bedrijf te hebben indien hij niet beschikt over een geldig veiligheidscertificaat. Bij algemene maatregel van bestuur kan dit verbod van toepassing worden verklaard op burgerluchthavens waarvoor vaststelling van een luchthavenregeling mogelijk is.
5.
Voor een militaire luchthaven is een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling van kracht.
1.
In deze titel wordt verstaan onder:
Autoriteit Consument en Markt: de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;
exploitant van de luchthaven: de N.V. Luchthaven Schiphol, of, indien dit een ander is, de houder van de luchthavenexploitatievergunning;
gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;
inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport;
luchthavenexploitatievergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 8.25;
luchthavennetwerk: een groep luchthavens die als zodanig door de lidstaat is aangewezen en die wordt geëxploiteerd door een en dezelfde exploitant van de luchthaven;
representatieve organisatie: een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoon die de belangen vertegenwoordigt van gebruikers;
2.
In deze titel wordt onder bestemmingsplan mede verstaan een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of  3.28 van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 8.2
Deze titel is van toepassing ten aanzien van de luchthaven Schiphol.
1.
De overheid bezit ten minste een meerderheid van het economisch en juridisch belang in de exploitant van de luchthaven.
2.
Onze Minister van Financiën wijst bij regeling een of meerdere overheidsorganisaties aan ter voldoening van de in het eerste lid genoemde eis.
3.
De krachtens het tweede lid vast te stellen regeling heeft in ieder geval betrekking op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in het eerste lid genoemde eis en de wijze waarop de overheid in gezamenlijkheid blijvend invulling geeft aan de continuïteit van de Mainport.
4.
Het voorstel voor de krachtens het tweede lid vast te stellen regeling wordt gedaan door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd.
5.
Aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van de exploitant van de luchthaven zijn onderworpen de besluiten van het bestuur van de exploitant van de luchthaven omtrent investeringen welke een bedrag vereisen gelijk aan ten minste een tiende van het bedrag van de activa volgens de geconsolideerde balans met toelichting volgens de laatst vastgestelde jaarrekening van de exploitant van de luchthaven.
Artikel 8.3
De uitoefening van de bevoegdheden die voortvloeien uit deze titel is gericht op het bevorderen van een optimaal gebruik van de luchthaven als kwalitatief hoogwaardig knooppunt van nationaal en internationaal luchtverkeer, met inachtneming van de grenzen die met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting noodzakelijk zijn.
Artikel 8.4
Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenindelingbesluit vastgesteld.
1.
In het luchthavenindelingbesluit worden het luchthavengebied en het beperkingengebied vastgesteld.
2.
Als luchthavengebied wordt het gebied vastgesteld dat bestemd is voor gebruik als luchthaven.
3.
Als beperkingengebied wordt het gebied vastgesteld waar in verband met de nabijheid van de luchthaven met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond.
4.
Het luchthavengebied en het beperkingengebied overlappen elkaar niet. De gebieden kunnen bestaan uit niet aaneengesloten delen.
5.
De gebieden worden vastgesteld met behulp van kaarten waarop de ligging van de gebieden is aangegeven. De kaarten voor het luchthavengebied worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000. De kaarten voor het beperkingengebied worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 50 000. Zo nodig worden delen van de gebieden vastgelegd met behulp van kaarten op een schaal met een kleiner verhoudingsgetal.
6.
Bij de vaststelling van het luchthavenindelingbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.
Artikel 8.6
Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het luchthavengebied regels omtrent de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven.
1.
Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het beperkingengebied regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.
2.
Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent beperking van:
a. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;
b. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;
c. de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer;
d. een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.
3.
Bij de regels, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden in ieder geval gronden aangewezen die niet bestemd of gebruikt worden voor woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen.
4.
Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenindelingbesluit, biedt een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid en geluidbelasting, dat voor ieder van deze aspecten, gemiddeld op jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is aan of beter is dan het niveau zoals dat geboden werd door het eerste besluit.
1.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening voor een gebied dat is gelegen binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied, wordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen.
2.
Voor het gebied dat ligt binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied, waarvoor geen bestemmingsplan of beheersverordening geldt dat in overeenstemming is met het besluit, geldt het besluit als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor zover het besluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 3.7, vijfde lid, van die wet niet van toepassing.
3.
De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar nadat het besluit in werking is getreden het bestemmingsplan of de beheersverordening overeenkomstig het besluit vast te stellen.
4.
Indien een bestemmingsplan of een beheersverordening niet in overeenstemming is met het besluit, is het college van burgemeester en wethouders verplicht aan degenen die inzage verlangen in het bestemmingsplan of de beheersverordening, tevens inzage te verlenen in het besluit.
1.
Bij de verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken en bij de toepassing van artikel 3.3, derde lid, van die wet wordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen.
2.
In afwijking van artikel 3.3, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht duurt de in die artikelen bedoelde aanhouding totdat een bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het besluit in werking is getreden.
3.
Bij de toepassing van de artikelen, genoemd in het eerste lid, kan van het besluit worden afgeweken indien van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft.
4.
De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het luchthavengebied kan worden geweigerd met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven.
5.
De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het beperkingengebied kan worden geweigerd met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.
Artikel 8.10
Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in de uitvoering van het luchthavenindelingbesluit is artikel 3.8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet ruimtelijke ordening niet van toepassing.
Artikel 8.11
Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht worden een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9, derde lid, en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft als één besluit aangemerkt.
1.
Dit artikel is van toepassing op het oprichten of plaatsen van objecten waar geen omgevingsvergunning voor een bouw- of aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor is vereist.
2.
Het is verboden een object op te richten of te plaatsen indien dit in strijd is met een regel in het luchthavenindelingbesluit omtrent de maximale hoogte van objecten.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing wordt slechts geweigerd in het belang van de veiligheid.
4.
De ontheffing wordt voor een bepaalde periode verleend. Aan de ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden in het belang van de veiligheid.
5.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt regels omtrent de vergoeding die de aanvrager van een ontheffing verschuldigd is voor de kosten van het verlenen van de ontheffing.
Artikel 8.13
De voordracht voor een luchthavenindelingbesluit wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschiedt, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 8.14
Artikel 8.13 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigen van het luchthavenindelingbesluit.
Artikel 8.15
Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenverkeerbesluit vastgesteld.
Artikel 8.16
Het luchthavenverkeerbesluit bevat een beschrijving van de luchtverkeerwegen.
1.
Het luchthavenverkeerbesluit bevat regels omtrent het luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting.
2.
Het besluit bevat in ieder geval regels omtrent:
a. de gevallen waarin van een luchtverkeerweg gebruik gemaakt wordt;
b. een op beperking van belasting gerichte wijze van gebruik van het luchtruim in andere gevallen;
c. de beschikbaarheid van de luchthaven voor het luchthavenluchtverkeer.
3.
Het besluit kan regels bevatten omtrent:
a. de wijze van gebruik van de luchtverkeerwegen;
b. de tijdstippen waarop, de frequentie waarmee en de categorieën van luchtvaartuigen waarmee van het luchtruim gebruik gemaakt wordt.
4.
De regels bevorderen het realiseren van een beschermingsniveau, waarbij de in het besluit beschreven grenswaarden met betrekking tot de door het luchthavenluchtverkeer veroorzaakte belasting ten aanzien van veiligheid, geluid en lokale luchtverontreiniging niet worden overschreden.
5.
Het besluit bevat in ieder geval:
a. de grenswaarden voor het externe-veiligheidsrisico;
b. de grenswaarden voor de geluidbelasting, waarbij in ieder geval punten in of aan de rand van woonbebouwing in de nabijheid van de luchthaven bepaald worden met de grenswaarden die op ieder van die punten van toepassing zijn;
c. de grenswaarden voor de emissie van de stoffen die lokale luchtverontreiniging veroorzaken.
6.
Het besluit kan ten aanzien van de in het tweede en derde lid bedoelde onderwerpen, grenzen stellen aan de maatregelen die de inspecteur-generaal op grond van artikel 8.22 kan treffen.
7.
Elk besluit, volgend op het eerste luchthavenverkeerbesluit, biedt een beschermingsniveau ten aanzien van externe veiligheid, geluidbelasting en lokale luchtverontreiniging, dat voor ieder van deze aspecten, gemiddeld op jaarbasis vastgesteld, per saldo gelijkwaardig is aan of beter is dan het niveau zoals dat geboden werd door het eerste besluit.
8.
Bij de vaststelling van het luchthavenverkeerbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.
Artikel 8.18
De exploitant van de luchthaven, de verlener van luchtverkeersdiensten en de luchtvaartmaatschappijen bevorderen het goede verloop van het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig het luchthavenverkeerbesluit. Zij treffen daartoe zelf en in onderlinge samenwerking de voorzieningen die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd om te bewerkstelligen dat de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden niet overschrijdt.
Artikel 8.19
De exploitant van de luchthaven stelt de luchthaven beschikbaar overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De exploitant kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.
Artikel 8.20
Luchtverkeersdiensten worden verleend overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De verlener van de luchtverkeersdiensten kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.
1.
De gezagvoerder neemt deel aan het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit.
2.
De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid op advies van de verlener van luchtverkeersdiensten.
3.
De gezagvoerder kan afwijken van het eerste lid als dit in het belang van de veiligheid nodig is.
1.
Zodra de inspecteur-generaal constateert dat de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden zijn overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.
2.
De maatregelen hebben betrekking op de in artikel 8.17, tweede en derde lid, bedoelde onderwerpen en vallen binnen de in artikel 8.17, zesde lid, bedoelde grenzen.
3.
De inspecteur-generaal trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.
4.
Voordat de inspecteur-generaal een maatregel voorschrijft stelt hij degene tot wie de maatregel is gericht in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken.
5.
De artikelen 8.18 tot en met 8.21 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregelen.
1.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan het normale gebruik van een luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd:
a. vrijstelling worden verleend van een regel in het luchthavenverkeerbesluit;
b. een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt worden vervangen door een andere grenswaarde.
2.
Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.
3.
Aan een vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting. De artikelen 8.18 tot en met 8.21 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en voorschriften.
4.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vervanging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
5.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan indien ten gevolge van een bijzonder voorval het normale gebruik van een luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenverkeerbesluit of een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde vervangen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan worden bepaald dat bij wijze van experiment wordt afgeweken van krachtens artikel 8.15 gestelde voorschriften, mits de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34 of een ander bij ministeriële regeling aan te wijzen regionaal orgaan, bij advies heeft aangegeven dat het experiment een gunstig effect kan hebben op de hinderbeleving. De afwijking kan bestaan uit:
a. het verlenen van vrijstelling van een regel in het luchthavenverkeerbesluit voorzover deze de luchtverkeerwegen of het gebruik van het luchtruim en de beschikbaarheid van de banen betreft, of
b. het vervangen van een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt door een andere grenswaarde.
2.
In de ministeriële regeling wordt het doel van het experiment vastgesteld, alsmede op welke wijze van welke voorschriften wordt afgeweken en op welke wijze eventuele nadelige gevolgen zo veel mogelijk worden beperkt.
3.
In de ministeriële regeling kan worden bepaald in hoeverre, op welke wijze en door wie eventuele nadelige gevolgen worden gecompenseerd. In dat geval is artikel 8.31 niet van toepassing.
4.
Tevens worden in de ministeriële regeling regels gesteld over de uitvoering en de gevolgen van het experiment, over criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of het experiment wordt omgezet in een structurele wettelijke regeling, en worden voorzieningen getroffen voor onvoorziene gevallen die zich gedurende het experiment kunnen voordoen.
5.
Een experiment kan slechts worden toegestaan voor een bepaalde in de ministeriële regeling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar. Deze termijn kan eenmaal met maximaal een jaar worden verlengd. De looptijd van een experiment sluit zoveel mogelijk aan bij een gebruiksjaar. Bij voortijdige beëindiging van het experiment stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een overgangsregeling vast.
6.
Indien voor afloop van een experiment en in overeenstemming met de artikelen 8.13, 8.14 of 8.24 een ontwerp is bekendgemaakt om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan bij ministeriële regeling de termijn van het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop het ontwerp is vastgesteld en in werking treedt.
7.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt voldoende tijdig voor het einde van de werkingsduur van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bericht de beide kamers der Staten-Generaal bij vaststelling van deze ministeriële regeling wanneer en over de wijze waarop hij verslag zal doen.
8.
Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder vastgesteld dan nadat het voorstel voor advies is voorgelegd aan de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34, in de Staatscourant en in een regionaal dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te brengen.
9.
De commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34, danwel een ander per ministeriële regeling aan te wijzen orgaan, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verzoeken om een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid vast te stellen. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu overweegt het verzoek en deelt uiterlijk zes weken na ontvangst van het verzoek zijn overwegingen, met redenen omkleed, aan de commissie en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal mee.
Artikel 8.24
De artikelen 8.13 en 8.14 zijn van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden en het wijzigen van het luchthavenverkeerbesluit.
1.
De exploitant van de luchthaven is verplicht om met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart op de luchthaven toe te laten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op circuitvluchten, oefenvluchten en proefvluchten.
3.
De exploitant is verplicht om in door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen gevallen met inachtneming van de bij of krachtens deze wet of de Luchtvaartwet gestelde bepalingen, luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de militaire luchtvaart op de luchthaven toe te laten.
1.
Het is verboden de luchthaven te exploiteren zonder vergunning van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
2.
Een luchthavenexploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
Artikel 8.25a
De exploitant van de luchthaven is verplicht tot exploitatie van de luchthaven en treft met inachtneming van artikel 8.3 daartoe de voorzieningen die nodig zijn voor een goede afwikkeling van het luchthavenluchtverkeer en het daarmee samenhangende personen- en goederenvervoer op de luchthaven.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een vergunning intrekken indien:
a. de exploitant van de luchthaven zich schuldig maakt aan wanbeheer waardoor de continuïteit van de luchthaven in gevaar wordt gebracht;
b. het nationale ruimtelijke beleid niet langer voorziet in een luchthaven op de desbetreffende locatie.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van de exploitant van de luchthaven de vergunning intrekken indien het algemeen belang zich niet tegen die intrekking verzet.
Artikel 8.25c
Indien een ernstig vermoeden bestaat dat een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.25b, onderdeel a, zich dreigt voor te doen, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de exploitant van de luchthaven een aanwijzing geven om binnen een door hem te stellen termijn maatregelen te treffen ter voorkoming van wanbeheer.
1.
De exploitant van de luchthaven stelt ten minste eenmaal per jaar de tarieven en voorwaarden vast voor de activiteiten van de exploitant van de luchthaven ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers. De exploitant van de luchthaven doet voorafgaande aan de periode waarop de tarieven en voorwaarden betrekking hebben, mededeling van de tarieven en voorwaarden.
2.
De tarieven en voorwaarden zijn redelijk en non-discriminatoir.
3.
De tarieven kunnen worden gedifferentieerd uit een oogpunt van algemeen belang, met inbegrip van de bescherming van het milieu. De criteria voor deze tariefsdifferentiatie dienen differentiatie te kunnen rechtvaardigen en zijn objectief en transparant.
4.
De tarieven voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn voor het geheel van de activiteiten kostengeoriënteerd.
5.
Onverminderd het vierde lid, zijn de tarieven voor de beveiliging van passagiers en hun bagage, alsmede vracht voor het geheel van de beveiligingsactiviteiten kostengeoriënteerd.
6.
Bij de vaststelling van de tarieven neemt de exploitant van de luchthaven de toegerekende opbrengsten in aanmerking uit overige activiteiten van de exploitant van de luchthaven die rechtstreeks verband houden met de activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
7.
Bij de vaststelling van de tarieven neemt de exploitant van de luchthaven de kosten in aanmerking van structurele maatregelen voor de uitvoering van een bijzondere aanwijzing van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, bedoeld in artikel 37ac, tweede lid, van de Luchtvaartwet, voor zover die maatregelen betrekking hebben op de beveiliging van passagiers en hun bagage.
8.
Bij de vaststelling van de tarieven kan, in afwijking van het vierde en vijfde lid, de exploitant van de luchthaven een bijdrage uit andere activiteiten dan die, bedoeld in het eerste en zesde lid, in aanmerking nemen.
9.
Bij de vaststelling van de tarieven wordt de bijdrage, bedoeld in het achtste lid, naar rato van de kosten toegerekend aan de activiteiten voor de beveiliging van passagiers en hun bagage, bedoeld in het vijfde lid, en de overige activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers, bedoeld in het zesde lid.
10.
De exploitant van de luchthaven verrekent bij de vaststelling van de tarieven, nadat deze zijn bepaald met inachtneming van het tweede tot en met negende lid, het verschil tussen de geraamde en de werkelijke opbrengsten en kosten in verband met de prognoses en de realisatie van het volume van het luchthavenluchtverkeer, het vervoer van passagiers en vracht en van de uitvoering van investeringen, zoals volgt uit de financiële verantwoording over het aan het moment van vaststelling van de tarieven voorafgaande boekjaar.
11.
Bij de vaststelling van het tarief voor de beveiliging van passagiers en hun bagage, nadat deze is bepaald met inachtneming van het tweede tot en met negende lid, verrekent de exploitant van de luchthaven de extra opbrengst voor de beveiliging van passagiers en hun bagage die is verkregen nadat een structurele maatregel als bedoeld in het zevende lid, is ingetrokken, en het tarief voor de beveiliging van passagiers en hun bagage nog niet dienovereenkomstig is aangepast.
12.
De exploitant van de luchthaven hanteert de tarieven en voorwaarden die ingevolge het eerste lid zijn vastgesteld, gedurende de periode waarop de vaststelling van de tarieven en voorwaarden betrekking heeft.
13.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers waarvoor tarieven en voorwaarden als bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld;
b. de activiteiten, bedoeld in het zesde lid, die rechtstreeks verband houden met de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven, bedoeld in het eerste lid;
c. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt;
d. de kostenoriëntatie, bedoeld in het vierde en vijfde lid;
e. het tijdstip van vaststelling en inwerkingtreding van de tarieven en voorwaarden;
f. de wijze waarop de exploitant van de luchthaven, zonodig in afwijking van de regels, bedoeld in onderdeel e, uitvoering geeft aan het zevende lid.
14.
De voordracht voor een krachtens het dertiende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een groep luchthavens die wordt geëxploiteerd door de exploitant van de luchthaven of, indien dit een ander is, een en dezelfde houder van de luchthavenexploitatievergunning, aanwijzen als luchthavennetwerk.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de exploitant van het luchthavennetwerk toestemming verlenen om een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven vast te stellen voor het gehele luchthavennetwerk.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan de exploitant van de luchthaven en de exploitant van elke deelnemende overige burgerluchthaven, voor zover zij luchtverbindingen voor dezelfde stad of agglomeratie verzorgen, toestemming verlenen om een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven vast te stellen voor alle luchthavens die de luchtverbindingen voor dezelfde stad of agglomeratie verzorgen.
4.
In geval van een gemeenschappelijk, transparant systeem van tarieven, als bedoeld in het tweede of derde lid, doet de exploitant van de luchthaven aan de gebruikers mededeling van een voorstel voor de tarieven en voorwaarden en stelt hij de tarieven en voorwaarden vast voor de luchthaven Schiphol overeenkomstig de artikelen 8.25d tot en met 8.25i. De exploitant van elke deelnemende overige burgerluchthaven doet aan de gebruikers mededeling van een voorstel en stelt de tarieven vast overeenkomstig de artikelen 8.25d, eerste, tweede, zesde en tiende lid, 8.25e, 8.25f, 8.25h, 8.25i en 8.25j. De exploitant en de deelnemende overige burgerluchthavens dragen zorg voor de noodzakelijke onderlinge afstemming.
5.
In het geval dat een overige burgerluchthaven de drempelwaarde van vijf miljoen passagiersbewegingen overschrijdt, doet de exploitant van deze luchthaven aan de gebruikers mededeling van een voorstel voor de tarieven en voorwaarden en stelt hij de tarieven en voorwaarden vast overeenkomstig de artikelen 8.25d, eerste, tweede, zesde en tiende lid, 8.25e, 8.25f, 8.25h, 8.25i en 8.25j.
1.
Voorafgaand aan de vaststelling van de tarieven en voorwaarden, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, doet de exploitant van de luchthaven aan de gebruikers van de luchthaven en representatieve organisaties mededeling van een voorstel van deze tarieven en voorwaarden met een omschrijving van de daarvoor te leveren diensten, alsmede een toelichting, inhoudende een economische onderbouwing en een omschrijving, aan de hand van indicatoren, van het kwaliteitsniveau van de aangeboden diensten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven.
2.
Voorafgaand aan het voorstel voor de vaststelling van de tarieven en voorwaarden, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, verstrekken de gebruikers aan de exploitant de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorgeschreven informatie.
3.
De exploitant van de luchthaven raadpleegt de gebruikers van de luchthaven en representatieve organisaties over het voorstel, bedoeld in het eerste lid, alvorens de tarieven en voorwaarden vast te stellen.
4.
De exploitant van de luchthaven houdt bij de vaststelling van de tarieven en voorwaarden rekening met de zienswijze van de gebruikers van de luchthaven en van representatieve organisaties naar aanleiding van de raadpleging, bedoeld in het derde lid, en motiveert bij de vaststelling van de tarieven en voorwaarden zijn overwegingen omtrent de ingebrachte zienswijzen.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de wijze en het tijdstip waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt;
b. de wijze waarop de raadpleging, bedoeld in het derde lid, plaatsvindt;
c. de indicatoren, bedoeld in het eerste lid;
d. de gegevens die door de exploitant van de luchthaven moeten worden opgenomen in het voorstel voor de tarieven en voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, en de daarbij behorende toelichting.
6.
De op basis van dit artikel door de exploitant aan de gebruikers van de luchthaven verstrekte informatie dient door de gebruikers te worden beschouwd en behandeld als bedrijfsvertrouwelijk of economisch gevoelig. De op basis van dit artikel door de gebruikers van de luchthaven aan de exploitant verstrekte informatie dient door de exploitant evenzeer te worden beschouwd en behandeld als bedrijfsvertrouwelijk of economisch gevoelig en mag door de exploitant bovendien niet in een tot een gebruiker herleidbare vorm in het voorstel worden verwerkt.
1.
Gebruikers van de luchthaven die gebruik wensen te maken van diensten op maat of specifiek voor hen gereserveerde terminals of delen van terminals, kunnen een verzoek daartoe richten aan de exploitant.
2.
De exploitant van de luchthaven stelt relevante, objectieve, transparante en non-discriminatoire criteria vast, op basis waarvan een verzoek van gebruikers van de luchthaven wordt beoordeeld.
3.
Naast de criteria, bedoeld in het tweede lid, kan de exploitant van de luchthaven aanvullende criteria hanteren indien de inhoud van het verzoek daartoe noodzaakt. De aanvullende criteria voldoen aan dezelfde eisen als de criteria bedoeld in het tweede lid.
4.
Indien binnen vier weken nadat de exploitant van de luchthaven heeft beslist op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, daartoe een aanvraag van een gebruiker is ingediend, stelt de Autoriteit Consument en Markt vast of de beslissing van de exploitant in strijd is met bij of krachtens deze wet gestelde regels. De Autoriteit Consument en Markt geeft haar oordeel binnen drie maanden. Indien de Autoriteit Consument en Markt vaststelt dat de beslissing in strijd is met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt zij dit terstond mede aan de exploitant van de luchthaven. De exploitant van de luchthaven neemt binnen vier weken een nieuwe beslissing op het verzoek met inachtneming van de overwegingen van de Autoriteit Consument en Markt.
1.
Indien binnen vier weken na de mededeling, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, van de vaststelling van de tarieven en voorwaarden bij de Autoriteit Consument en Markt een aanvraag van een gebruiker of van een representatieve organisatie is ingediend tot vaststelling of de tarieven en voorwaarden in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, treden de tarieven en voorwaarden op de voorgenomen ingangsdatum niet in werking. De Autoriteit Consument en Markt deelt de exploitant van de luchthaven terstond mede dat een aanvraag van een gebruiker of van een representatieve organisatie is ontvangen.
2.
De Autoriteit Consument en Markt neemt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag een besluit omtrent de inwerkingtreding van de door de exploitant vastgestelde tarieven en voorwaarden. De Autoriteit Consument en Markt wijst daarbij de tarieven en voorwaarden aan waarvoor, gelet op de aanvraag, de in het eerste lid bedoelde opschorting van de inwerkingtreding noodzakelijk blijft. In plaats van deze aangewezen tarieven en voorwaarden hanteert de exploitant de tarieven en voorwaarden die golden in de periode voorafgaand aan de periode waarvoor de aangewezen tarieven en voorwaarden waren vastgesteld. De tarieven en voorwaarden die niet zijn aangewezen, treden op de door de exploitant voorgenomen ingangsdatum in werking. Het nemen van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, blijft achterwege indien binnen de daarin genoemde termijn een besluit over de aanvraag kan worden genomen.
3.
De Autoriteit Consument en Markt beslist zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan in uitzonderlijke gevallen met twee maanden worden verlengd. De Autoriteit Consument en Markt doet de aanvrager voor het einde van de in de eerste volzin bedoelde termijn met redenen omkleed mededeling van de verlenging.
4.
Indien de Autoriteit Consument en Markt vaststelt dat de tarieven en voorwaarden in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, deelt zij dit terstond mede aan de exploitant van de luchthaven. De exploitant van de luchthaven stelt opnieuw de tarieven en voorwaarden vast met inachtneming van de overwegingen van de Autoriteit Consument en Markt. Nadat de tarieven en voorwaarden opnieuw zijn vastgesteld, trekt de Autoriteit Consument en Markt het besluit omtrent de inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid in. De opnieuw vastgestelde tarieven en voorwaarden gelden vanaf de door de exploitant oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum.
5.
Indien de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat de tarieven en voorwaarden niet in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels, trekt zij het besluit omtrent de inwerkingtreding bedoeld in het tweede lid in, en gelden deze tarieven en voorwaarden vanaf de door de exploitant oorspronkelijk voorgenomen ingangsdatum.
6.
Eventuele verschillen in tarieven, voortvloeiende uit beslissingen van de Autoriteit Consument en Markt als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, worden vereffend bij de hernieuwde vaststelling van de tarieven en voorwaarden.
7.
Het eerste lid en artikel 8.25e zijn niet van toepassing op de vaststelling van tarieven en voorwaarden als bedoeld in het vierde lid.
8.
De exploitant van de luchthaven hanteert de ingevolge het vierde lid vastgestelde tarieven en voorwaarden gedurende het resterende deel van de periode waarvoor de tarieven en voorwaarden overeenkomstig artikel 8.25d, eerste lid, waren vastgesteld.
9.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de Autoriteit Consument en Markt en omtrent de vaststelling van tarieven en voorwaarden, bedoeld in het vierde lid.
1.
De exploitant van de luchthaven stelt een toerekeningssysteem vast voor de kosten en opbrengsten van de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, dat voldoet aan de eisen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit. De exploitant van de luchthaven legt het toerekeningssysteem ter goedkeuring voor aan de Autoriteit Consument en Markt.
2.
De exploitant van de luchthaven voert voor de activiteiten met betrekking tot het gebruik van de luchthaven door gebruikers een gescheiden administratie binnen de boekhouding, waarbinnen de kosten en opbrengsten van de uitvoering van de beveiliging van passagiers en hun bagage, bedoeld in artikel 8.25d, vijfde lid, afzonderlijk worden geadministreerd.
3.
Op grond van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, stelt de exploitant van de luchthaven jaarlijks een financiële verantwoording op over het voorafgaande boekjaar, die bestaat uit een afzonderlijke exploitatierekening en een overzicht van de toegedeelde materiële vaste activa voor het geheel van de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid. De financiële verantwoording bevat een toelichting en is voorzien van een verklaring van een onafhankelijke accountant.
4.
De exploitant van de luchthaven legt binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar van de exploitant van de luchthaven de financiële verantwoording over het voorafgaande boekjaar tezamen met de verklaring van de onafhankelijke accountant, over aan de Autoriteit Consument en Markt en de gebruikers die daarom verzoeken.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inrichting en goedkeuring van het toerekeningssysteem, bedoeld in het eerste lid, de toedeling van activa aan de activiteiten, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, de inrichting van de gescheiden administratie binnen de boekhouding, bedoeld in het tweede lid, en omtrent de financiële verantwoording, bedoeld in het derde lid.
6.
Op de voorbereiding van een besluit omtrent goedkeuring van het toerekeningssysteem is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
7.
Onverminderd artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht, kunnen de gebruikers van de luchthaven hun zienswijze naar voren brengen over het voorgenomen besluit omtrent goedkeuring van het toerekeningssysteem.
8.
De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 8.25ga
De exploitant van de luchthaven zendt de Autoriteit Consument en Markt en de gebruikers binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar een rapportage omtrent het gerealiseerde kwaliteitsniveau van de geleverde diensten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven, bedoeld in artikel 8.25e, eerste lid, over het voorafgaande boekjaar, mede aan de hand van ervaringen van passagiers. De rapportage omtrent het gerealiseerde kwaliteitsniveau geschiedt aan de hand van de indicatoren, bedoeld in artikel 8.25e, eerste lid.
1.
De exploitant van de luchthaven zendt de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de mededeling, bedoeld in artikel 8.25d, eerste lid, en van de mededeling, bedoeld in artikel 8.25e, eerste lid.
2.
De exploitant van de luchthaven verleent binnen de door de Autoriteit Consument en Markt gestelde termijn alle medewerking die deze redelijkerwijs kan verlangen bij de uitoefening van haar bevoegdheden op grond van deze wet.
3.
Artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing indien de Autoriteit Consument en Markt aan de exploitant van de luchthaven om gegevens verzoekt met het oog op een te nemen besluit.
4.
Ingeval van overtreding van het tweede lid is artikel 12m van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.25j
Een voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 8.25d tot en met 8.25g wordt gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
Artikel 8.26
Een ministeriële regeling op grond van deze afdeling wordt vastgesteld door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van de veiligheids- en milieubelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Hij verricht de metingen en berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn.
2.
Het registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking mogelijk is met de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden.
3.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het registreren en omtrent de metingen en berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn.
1.
De exploitant van de luchthaven verstrekt de inspecteur-generaal:
a. de op grond van artikel 8.27 geregistreerde gegevens;
b. gegevens over de in artikel 8.27 bedoelde metingen en berekeningen.
2.
De exploitant, de verlener van luchtverkeersdiensten en de luchtvaartmaatschappijen verstrekken de inspecteur-generaal gegevens over de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen.
3.
De exploitant verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in artikel 8.19. De verlener van luchtverkeersdiensten verstrekt de inspecteur-generaal gegevens over de afwijkingen, bedoeld in de artikelen 8.20 en 8.21.
4.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de gegevensverstrekking.
1.
De inspecteur-generaal brengt elk half jaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verslag uit over de veiligheids- en milieuaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van:
a. de ter uitvoering van artikel 8.18 getroffen voorzieningen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen;
b. de ter uitvoering van artikel 8.22 getroffen maatregelen en van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van die maatregelen.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de verslaglegging.
1.
De exploitant van de luchthaven brengt elke drie jaar, of zoveel eerder als Onze Minister van Infrastructuur en Milieu nodig oordeelt, aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verslag uit over de exploitatie van de luchthaven. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van de ter uitvoering van artikel 8.25a getroffen voorzieningen, een overzicht van alle daartoe relevante gegevens en een beschrijving van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die voorzieningen.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de verslaggeving.
1.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het openbaar maken van gegevens als bedoeld in artikel 8.28.
2.
De openbaarmaking geschiedt door kennisgeving van de gegevens of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien alleen van de zakelijke inhoud kennis wordt gegeven, worden de gegevens tegelijk ter inzage gelegd. In de kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer de gegevens ter inzage liggen.
1.
Indien een belanghebbende ten gevolge van het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister van Infrastructuur en Milieu hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2.
Een aanvraag om schadevergoeding wordt ingediend binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit of het desbetreffende besluit op grond van een van genoemde besluiten onherroepelijk is geworden. Van de aanvrager heft Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een recht ten bedrage van €?300. De aanvrager wordt gewezen op de verschuldigdheid van het recht en wordt medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangegeven rekening moet zijn bijgeschreven. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven, wordt de aanvrager niet ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim is geweest. Indien op de aanvraag geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist, stort Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het betaalde recht terug.
3.
Afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.32
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een regeling vaststellen inzake het treffen van geluidwerende voorzieningen ten aanzien van in de regeling bepaalde woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen voor zover die gebouwen vanwege het luchthavenluchtverkeer een geluidbelasting kunnen ondervinden die ligt boven de in de regeling vastgestelde maximale waarden.
Artikel 8.33
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan regels stellen ten aanzien van het verstrekken van geldelijke steun uit s Rijks kas aan gemeenten ter bestrijding van de kosten ten gevolge van uitvoering van de in overeenstemming met het luchthavenindelingbesluit gebrachte bestemmingsplannen.
1.
Er is een commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol.
2.
De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en vertegenwoordigers van:
a. de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht;
b. gemeenten in de in onderdeel a genoemde provincies;
c. de exploitant van de luchthaven;
d. de verlener van luchtverkeersdienstverlening;
e. luchtvaartmaatschappijen die geregeld van de luchthaven gebruik maken.
Artikel 8.35
De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de in artikel 8.34 bedoelde betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen.
Artikel 8.36
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt nadere regels omtrent de taak en de samenstelling van de commissie. Daarbij wordt bepaald welke in artikel 8.34, tweede lid, bedoelde gemeenten en luchtvaartmaatschappijen in de commissie vertegenwoordigd zijn.
1.
De voorzitter van de commissie wordt door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemd, geschorst en ontslagen.
2.
Elk ander lid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt.
3.
De benoeming geschiedt voor ten hoogste vier jaren. Herbenoeming kan telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden.
Artikel 8.38
De commissie stelt een bestuursreglement vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 8.39
De commissie heeft een secretariaat. De samenstelling en de werkzaamheden van het secretariaat worden in het bestuursreglement geregeld.
Artikel 8.40
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie wordt in het bestuursreglement geregeld. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
1.
Deze titel is van toepassing op luchthavens van regionale betekenis.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, indien bovenprovinciale belangen dit vorderen, regels worden gesteld ten aanzien van de vorm van luchtvaart die in ieder geval toegang heeft tot een luchthaven van regionale betekenis. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald welke grenswaarden voor de geluidbelasting voor dit luchthavenluchtverkeer ter beschikking moeten worden gesteld.
3.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 8.42
Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van regionale betekenis waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.
1.
Provinciale staten stellen bij verordening voor de luchthaven een luchthavenbesluit vast. Provinciale staten kunnen de bevoegdheid tot het vaststellen van deze verordening niet overdragen als bedoeld in artikel 152 van de Provinciewet.
2.
Een luchthavenbesluit bevat bepalingen omtrent:
a. het luchthavenluchtverkeer, en
b. de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven.
3.
Artikel 107 van de Provinciewet is niet van toepassing.
1.
Het luchthavenbesluit bevat ten aanzien van het luchthavenluchtverkeer:
a. grenswaarden en regels voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op de geluidbelasting, en
b. regels voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op de vliegveiligheid.
2.
Binnen de in het eerste lid, onder a, bedoelde grenswaarden kan in ieder geval een grenswaarde exclusief worden toegewezen voor vluchten ten behoeve van:
a. spoedeisende hulpverlening;
b. de uitoefening van politietaken als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012.
3.
Een luchthavenbesluit kan tevens regels of grenswaarden bevatten die noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico of de lokale luchtverontreiniging.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de in luchthavenbesluiten op te nemen grenswaarden en regels. Deze maatregel stelt in ieder geval regels omtrent het opnemen van grenswaarden voor de geluidbelasting. Bij deze maatregel kan een onderscheid worden gemaakt tussen categorieën luchthavens en tussen vormen van luchtvaart die gebruik maken van luchthavens.
5.
De artikelen 8.19 tot en met 8.21 zijn van overeenkomstige toepassing.
6.
De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
7.
Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.
1.
Zodra gedeputeerde staten constateren dat een in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarde is overschreden, schrijven zij maatregelen voor die naar hun oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.
2.
Artikel 8.22, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat gedeputeerde staten in de plaats treden van de inspecteur-generaal. Artikel 8.44, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregel.
3.
Gedeputeerde staten schrijven geen maatregelen als bedoeld in het eerste lid voor met betrekking tot de overschrijding van de grenswaarde die is veroorzaakt door vluchten als bedoeld in artikel 8.44, tweede lid.
1.
Gedeputeerde staten kunnen indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan of door een bijzonder voorval het normale gebruik van de luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd:
a. vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenbesluit;
b. een in het luchthavenbesluit vastgelegde grenswaarde voor geluid vervangen door een andere grenswaarde.
2.
Aan een vrijstelling of vervanging kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op de geluidbelasting, het externe-veiligheidsrisico, de vliegveiligheid of de lokale luchtverontreiniging.
3.
Artikel 8.23, tweede lid, is van toepassing. Artikel 8.44, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en voorschriften.
1.
In het luchthavenbesluit worden ten behoeve van de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven, het luchthavengebied en het beperkingengebied vastgesteld.
2.
De artikelen 8.5, derde tot en met vijfde lid, 8.6, 8.7, eerste en derde lid, 8.8, 8.9, 8.10, 8.11 en 8.12, eerste tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 8.9, derde lid, respectievelijk de ontheffing, bedoeld in artikel 8.12, derde lid, wordt verleend door gedeputeerde staten.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de in luchthavenbesluiten op te nemen regels omtrent de vaststelling van het luchthavengebied en het beperkingengebied. Deze maatregel stelt ten aanzien van het beperkingengebied in ieder geval regels ten aanzien van:
a. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;
b. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;
c. de bestemming en het gebruik van de grond waaronder begrepen de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de vliegveiligheid.
4.
De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 8.47a
Provinciale staten nemen bij de vaststelling van het luchthavenbesluit het beleid in acht dat door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu over luchthavens is vastgelegd.
Artikel 8.48
Op de voorbereiding van een luchthavenbesluit of op de voorbereiding van een wijziging van een luchthavenbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
1.
Een luchthavenbesluit of een wijziging van dit besluit treedt niet in werking dan nadat Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft verklaard dat het veilig gebruik van het luchtruim door het luchthavenluchtverkeer is gewaarborgd. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu beslist binnen negen weken na indiening van de aanvraag voor deze verklaring veilig gebruik.
2.
De afgifte van de verklaring van geen bezwaar op grond van artikel 8.9, derde lid, of de ontheffing op grond van artikel 8.12, derde lid, geschiedt niet dan nadat Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft verklaard dat het veilig gebruik van het luchtruim door deze verklaring of ontheffing is gewaarborgd. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu beslist binnen vier weken na indiening van de aanvraag voor deze verklaring veilig gebruik. Hij kan die beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.
3.
De verklaring veilig gebruik, bedoeld in het tweede lid, is van rechtswege verleend indien Onze Minister:
a. niet binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing op die aanvraag heeft genomen,
b. niet binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag heeft besloten de beslissing op die aanvraag te verdagen, of
c. niet binnen de termijn waarmee de beslissing op de aanvraag is verdaagd, een beslissing op die aanvraag heeft genomen.
4.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden voorschriften gegeven omtrent de gegevens die bij een aanvraag voor een verklaring van veilig gebruik moeten worden meegezonden.
Artikel 8.50
Indien voor een luchthaven op grond van artikel 5.11, eerste lid, onderdeel b, luchtverkeersroutes en -procedures worden vastgesteld, geschiedt vaststelling van het deel van de luchtverkeersroutes die zijn gelegen in het plaatselijk luchtverkeersleidinggebied, en vaststelling van de luchtverkeersprocedures, in overeenstemming met gedeputeerde staten. Bij de vaststelling van deze routes en procedures wordt het advies van gedeputeerde staten gevolgd, tenzij dit niet mogelijk is met het oog op de vliegveiligheid, de indeling van het luchtruim of de capaciteit van het luchtruim.
Artikel 8.51
Artikel 8.24a is van toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van het derde lid gedeputeerde staten in de plaats treden van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
De exploitant van een luchthaven is gerechtigd luchthavenluchtverkeer ten behoeve van burgerluchtvaart op de luchthaven afhankelijk te stellen van toestemming. De toestemming wordt alleen geweigerd om te voorkomen dat de in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarden worden overschreden.
2.
Indien op de luchthaven luchtverkeersdienstverlening wordt gegeven vindt afstemming plaats met de verlening van luchtverkeersdienstverlening.
3.
Indien de exploitant gebruik maakt van het recht, bedoeld in het eerste lid, kan hij bij de vaststelling van tarieven voor de luchthaven een opslagtarief vaststellen voor het geval een luchtvaartuig zonder voorafgaande toestemming start of landt.
Artikel 8.53
Indien de exploitant van een luchthaven tarieven en voorwaarden vaststelt voor het gebruik van de luchthaven zijn deze non-discriminatoir.
1.
De exploitant van de luchthaven draagt zorg voor het registreren van de milieubelasting en indien van toepassing het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer. Hij verricht de berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn. Het registreren wordt zodanig uitgevoerd dat een vergelijking mogelijk is met de in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarden.
2.
Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen omtrent de registratie en omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de registratie van de milieubelasting en indien van toepassing het externe-veiligheidsrisico voor zover op grond van artikel 8.44, vierde lid, nadere regels zijn voorgeschreven. Hierbij worden tevens regels voorgeschreven omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
4.
De exploitant van de luchthaven verstrekt aan gedeputeerde staten:
a. de op grond van het eerste tot en met derde lid geregistreerde gegevens;
b. gegevens over de in het eerste tot en met derde lid bedoelde berekeningen.
1.
Gedeputeerde staten brengen ieder jaar aan provinciale staten verslag uit over de milieuaspecten en indien van toepassing de externe-veiligheidsaspecten vanwege het luchthavenluchtverkeer.
2.
De artikelen 8.29, tweede lid, en 8.30 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien een belanghebbende ten gevolge van een luchthavenbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of onvoldoende anderszins is verzekerd, kennen gedeputeerde staten hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2.
De artikelen 8.31, tweede en derde lid, en 8.32 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat bij de toepassing van artikel 8.31, tweede lid, gedeputeerde staten in de plaats treden van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 8.57
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het verstrekken van geldelijke steun uit de provinciale kas aan gemeenten ter bestrijding van de kosten ten gevolge van uitvoering van in overeenstemming met het luchthavenbesluit gebrachte bestemmingsplannen.
1.
Provinciale staten stellen voor iedere luchthaven een commissie regionaal overleg luchthaven in. De artikelen 107 en 152 van de Provinciewet zijn niet van toepassing.
2.
De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en in ieder geval uit vertegenwoordigers van:
a. gemeenten waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen,
b. de exploitant van de luchthaven,
c. de verlener van luchtverkeersdienstverlening voor zover op de luchthaven van toepassing, en
d. omwonenden van de luchthaven.
3.
Onverminderd het tweede lid kan de commissie ook bestaan uit vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheidbezittende gebruikersorganisaties of milieuorganisaties.
1.
De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de in artikel 8.58, tweede en derde lid, bedoelde betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen.
2.
Provinciale staten stellen nadere regels vast omtrent de taak, de samenstelling en de werkwijze van de commissie. Daarbij wordt in ieder geval bepaald welke in artikel 8.58, tweede lid, onderdeel a, bedoelde gemeenten in de commissie vertegenwoordigd zijn.
3.
De voorzitter van de commissie wordt door provinciale staten benoemd, geschorst en ontslagen.
4.
Elk ander lid wordt benoemd, geschorst en ontslagen door de voorzitter op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt.
Artikel 8.62
Indien een beperkingengebied als bedoeld in artikel 8.47, gedeeltelijk valt binnen de grenzen van een andere provincie dan de provincie waarin een luchthaven is gelegen, wordt het luchthavenbesluit vastgesteld in overeenstemming met provinciale staten van de andere provincie.
Artikel 8.63
Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van regionale betekenis waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een luchthavenbesluit niet is vereist.
1.
Provinciale staten stellen bij verordening een luchthavenregeling vast voor een luchthaven. Provinciale staten kunnen de bevoegdheid tot het vaststellen van deze verordening niet overdragen als bedoeld in artikel 152 van de Provinciewet.
2.
Een luchthavenregeling bevat regels omtrent het luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Een luchthavenregeling kan tevens bevatten:
a. grenswaarden die noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico of de geluidbelasting; of
b. regels die noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico.
3.
De in de luchthavenregeling opgenomen regels of grenswaarden bevorderen in ieder geval dat niet wordt voldaan aan het criterium op grond waarvan volgens artikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.
4.
In een luchthavenregeling wordt het luchthavengebied vastgesteld. Het luchthavengebied wordt vastgesteld met behulp van een kaart waarop de ligging van dit gebied is aangegeven. Deze kaart wordt vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in luchthavenregelingen op te nemen regels en grenswaarden.
6.
De artikelen 8.19, 8.21, eerste en derde lid, 8.45, 8.46, 8.47a tot en met 8.49 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.65
De artikelen 8.54 en 8.55 zijn van toepassing.
Artikel 8.66
Indien provinciale staten voor een luchthaven een commissie regionaal overleg luchthaven instellen, zijn de artikelen 8.58, tweede en derde lid, en 8.59 van toepassing.
Artikel 8.68
Deze titel is van toepassing op luchthavens die op grond van artikel 8.1, tweede lid, van nationale betekenis zijn.
Artikel 8.69
Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van nationale betekenis waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.
1.
Voor een luchthaven waarvan op grond van artikel 8.1, tweede lid, is bepaald dat deze van nationale betekenis is, wordt het luchthavenbesluit bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
2.
De artikelen 8.43, tweede lid, 8.44, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 8.45, 8.46 en 8.47, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 8.45, eerste en derde lid, en 8.46, eerste lid, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats treedt van gedeputeerde staten.
3.
Het luchthavenbesluit bevat omtrent de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven in ieder geval regels ten aanzien van:
a. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer;
b. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer;
c. de bestemming en het gebruik van de grond waaronder begrepen de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de vliegveiligheid.
4.
Bij het vaststellen van het luchthavenbesluit worden de nadere regels, bedoeld in artikel 8.44, vierde lid, en artikel 8.47, derde lid, in acht genomen.
5.
Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.
6.
Ten aanzien van de burgerluchthaven Twente wordt het luchthavenbesluit of een wijziging daarvan, in afwijking van het eerste lid, vastgesteld bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Artikel 8.71 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.71
De voordracht voor een luchthavenbesluit of de voordracht tot een wijziging daarvan wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen zesweken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 8.71a
Artikel 8.23a is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. in de aanhef van het eerste lid in plaats van «krachtens artikel 8.15 gestelde voorschriften» wordt gelezen «het bepaalde in een luchthavenbesluit» en in plaats van «de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34» wordt gelezen: de commissie regionaal overleg van de betreffende luchthaven, bedoeld in artikel 8.75;
b. in de onderdelen a en b van het eerste lid in plaats van «het luchthavenverkeerbesluit» wordt gelezen: het luchthavenbesluit;
c. in het zesde lid in plaats van «de artikelen 8.13, 8.14 of 8.24» wordt gelezen: artikel 8.71;
d. in het achtste en negende lid in plaats van «de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34» wordt gelezen: de commissie regionaal overleg van de betreffende luchthaven, bedoeld in artikel 8.75.
1.
De artikelen 8.24a, 8.52, 8.53 en 8.54, eerste en vierde lid, zijn van toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 8.54, vierde lid, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats treedt van gedeputeerde staten.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gesteld omtrent het registreren van de grenswaarden die in het luchthavenbesluit zijn opgenomen, omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn en omtrent de gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 8.54, vierde lid.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu maakt elk jaar een verslag over de milieuaspecten en indien van toepassing de externe-veiligheidsaspecten van het luchthavenluchtverkeer. Het verslag bevat ten minste een beschrijving van de ter uitvoering van artikel 8.45 getroffen maatregelen en van de doelmatigheid en doeltreffendheid van die maatregelen.
2.
De artikelen 8.29, tweede lid, en 8.30 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.74
De artikelen 8.31 tot en met 8.33 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt voor iedere luchthaven een commissie regionaal overleg luchthaven in.
2.
De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en in ieder geval uit vertegenwoordigers van:
a. elke provincie waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen,
b. gemeenten waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen,
c. de exploitant van de luchthaven,
d. de verlener van luchtverkeersdienstverlening voor zover op de luchthaven van toepassing, en
e. omwonenden van de luchthaven.
3.
Onverminderd het tweede lid kan de commissie ook bestaan uit vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheid bezittende gebruikersorganisaties of milieuorganisaties.
4.
Artikel 8.59 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van het tweede en derde lid Onze Minister de plaats inneemt van provinciale staten.
Artikel 8.76
Deze afdeling is van toepassing op luchthavens van nationale betekenis waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, vaststelling van een luchthavenbesluit niet is vereist.
1.
Voor een luchthaven die is gelegen buiten provinciegrenzen zoals bepaald bij of krachtens de Provinciewet , wordt bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een luchthavenregeling vastgesteld.
2.
Artikel 8.64, tweede tot en met vierde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 8.45, eerste lid, en 8.46, eerste lid, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats treedt van gedeputeerde staten.
Artikel 8.78
De artikelen 8.24a, derde lid, 8.54, eerste en vierde lid, 8.72, tweede lid, en 8.73, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 8.54, vierde lid, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats treedt van gedeputeerde staten.
Artikel 8.79
Indien Onze Minister van Infrastructuur en Milieu voor een luchthaven een commissie regionaal overleg luchthaven instelt, is artikel 8.75, lid 2, 3 en 4, van toepassing.
1.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels worden gesteld omtrent de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het gebruik van luchthavens met het oog op de orde en de veiligheid op die luchthavens. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen categorieën luchthavens en tussen vormen van luchtvaart die gebruik maken van luchthavens.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ontheffing verlenen van de regels, bedoeld in het eerste lid. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien:
a. als gevolg van bijzondere omstandigheden de regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden, en
b. de veiligheid van de luchthaven en van het luchthavenluchtverkeer met het verlenen van een ontheffing niet in gevaar worden gebracht.
3.
Aan de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
4.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels worden gesteld omtrent het verrichten van grondafhandelingsdiensten op luchthavens.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu verleent of wijzigt op aanvraag van de exploitant een veiligheidscertificaat indien wordt voldaan aan de regels, bedoeld in artikel 8a.1, eerste lid, voorzover deze regels betrekking hebben op het luchtvaartgebied en artikel 8a.3, tweede lid.
2.
Een veiligheidscertificaat vermeldt het gebruik waarvoor het verleend is.
1.
Ten behoeve van het verkrijgen van een veiligheidscertificaat stelt de exploitant een luchthavenbedrijfshandboek op. Het luchthavenbedrijfshandboek bevat een beschrijving van de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van het luchtvaartgebied alsmede een beschrijving van het veiligheidsmanagementsysteem van de luchthaven.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gegeven omtrent het veiligheidscertificaat, het veiligheidsmanagementsysteem en het luchthavenbedrijfshandboek. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen categorieën luchthavens en vormen van luchtvaart die gebruik maken van luchthavens.
1.
Een veiligheidscertificaat vervalt vijf jaar na de dag van inwerkingtreding. Tussentijdse wijzigingen of aanvullingen gelden voor de resterende geldigheidsduur van het certificaat. Een veiligheidscertificaat is niet overdraagbaar.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van het certificaat verlengd indien op het moment van de vervaldatum van het certificaat nog niet onherroepelijk op de aanvraag om verlenging van het certificaat is beslist. Het certificaat vervalt in dat geval op het moment dat onherroepelijk op de aanvraag om verlenging is beslist.
3.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gegeven omtrent de aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een veiligheidscertificaat.
4.
De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van het certificaat of een wijziging of verlenging daarvan, worden ten laste gebracht van de aanvrager.
5.
De bedragen ter vergoeding van de kosten worden vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu schorst het veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk indien de veiligheid van de luchthaven niet gewaarborgd is.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk in bij gehele of gedeeltelijke beëindiging van het gebruik waarvoor het certificaat is verleend.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een veiligheidscertificaat geheel of gedeeltelijk ambtshalve in indien:
a. er stelselmatig sprake is van grove overtredingen van de veiligheidsvoorschriften,
b. het veiligheidsmanagementsysteem de veiligheid niet langer waarborgt, of
c. de exploitant ook na aanmaning weigert mee te werken aan het toezicht op de veiligheid.
Artikel 8a.6
De exploitant van de luchthaven is verplicht op de luchthaven elektronische, meteorologische en andere hulpmiddelen te gedogen ten behoeve van de aan de LVNL en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot de luchtverkeersbeveiliging en de luchtvaartmeteorologische dienstverlening opgedragen taken.
Artikel 8a.37
Deze paragraaf is van toepassing op de luchthaven Schiphol.
1.
Met betrekking tot de financiering en de bekostiging van de kosten van de uitvoering van artikel 8.32 wordt onder de naam «geluidsheffing burgerluchtvaart» een heffing geheven. Naast de geluidsheffing burgerluchtvaart wordt een heffing geheven ter financiering van de kosten van de uitvoering van artikel 8.33, alsmede de kosten van het Schadeschap Luchthaven Schiphol en van zijn uitspraken voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van artikel 9, eerste lid, tweede lid, onderdeel a, en de leden 3a, 3f en 3g, van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol.
2.
De heffingen worden geheven ter zake van het landen met een burgerluchtvaartuig tot het tijdstip waarop de kosten als bedoeld in het eerste lid, zijn voldaan.
3.
De heffingen worden geheven van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als eigenaar of houder van een burgerluchtvaartuig dit te zijner beschikking heeft en dit onder zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in de eerste volzin, is in ieder geval belanghebbende bij een uitspraak van het Schadeschap Luchthaven Schiphol als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin.
4.
De geluidsheffing burgerluchtvaart wordt geheven naar de geluidsproduktie van het burgerluchtvaartuig uitgedrukt in een aantal rekeneenheden. De geluidsproduktie wordt bepaald met toepassing van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen formules.
5.
Het basistarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproductie bedraagt in het jaar 2004 € 27,–. Het tarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproductie wordt na 2004 met ingang van elk daarop volgend kalenderjaar verhoogd met € 1,–.
6.
Het basistarief, bedoeld in het vijfde lid, wordt per rekeneenheid verhoogd met:
a. € 98,50 tot het jaar 2010;
b. € 40,– vanaf het jaar 2010, met dien verstande dat deze verhoging met ingang van elk daaropvolgend kalenderjaar wordt verhoogd met € 1,25.
7.
Het tarief van de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde heffing bedraagt € 0,50 per ton van de maximale toegelaten startmassa van het luchtvaartuig.
8.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bij de toepassing van het eerste lid een deel van de kosten buiten toepassing laten indien toepassing, gelet op het belang van de burgerluchtvaart, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
9.
De eigenaar of houder van een luchtvaartuig dient de ter bepaling van de geluidsheffing noodzakelijke gegevens ter beschikking van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen overeenkomstig door hem te geven regels.
1.
De heffingen worden door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geheven.
2.
Onverminderd het overigens in dit artikel bepaalde worden de heffingen geheven met overeenkomstige toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , met dien verstande dat van die wet buiten toepassing blijven, de artikelen 2, vierde lid, 37, 38, 47a , 48, 52, 53 en 54 alsmede 68 tot en met 88.
3.
De bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde functionarissen gelden met betrekking tot de heffingen voor de daarachter genoemde functionarissen:
a. Onze Minister van Financiën: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
b. de inspecteur: de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daartoe aan te wijzen functionaris van de exploitant van de luchthaven;
4.
In afwijking van het derde lid, onderdeel b, treedt voor de toepassing van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan te wijzen ambtenaar in de plaats van de inspecteur. Voorts treedt voor de toepassing van artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in de plaats van Onze Minister van Financiën.
5.
De heffingen worden geheven bij wege van aanslag. Zij worden geheven over een bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te bepalen tijdvak.
1.
De heffingen worden ingevorderd door de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan te wijzen functionaris van de exploitant van de luchthaven, door de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Financiën aan te wijzen ambtenaar van de Dienst der Domeinen en door de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990.
2.
Onverminderd het overigens in dit artikel bepaalde worden de heffingen ingevorderd met overeenkomstige toepassing van de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen , met dien verstande dat van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing blijven de artikelen 9, eerste tot en met negende lid, 59 en 62. Voorts blijven bij de toepassing van artikel 66 van die wet de artikelen 76, 80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86 en 87 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen buiten toepassing.
3.
Met betrekking tot de invordering geldt vervolgens dat:
a. de belastingaanslagen terstond en tot het volle bedrag invorderbaar zijn;
b. wat betreft de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 uitsluitend bevoegd is de functionaris of ambtenaar bedoeld in het eerste lid. De in de artikelen 11, 12 en 15, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 bedoelde bevoegdheden komen uitsluitend toe aan de functionaris of ambtenaar, bedoeld in het eerste lid. De in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde bevoegdheid komt uitsluitend toe aan de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aan te wijzen ambtenaar, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 26 van die wet de door Onze Minister van Financiën bij regeling gestelde regels van toepassing zijn;
c. de overige bij de invordering van toepassing zijnde bevoegdheden, met uitzondering van die bedoeld in de artikelen 24, tweede en derde lid, 25 en 58 van de Invorderingswet 1990, uitsluitend toekomen aan de ontvanger, bedoeld in het eerste lid;
d. de bevoegdheid bedoeld in artikel 24, tweede en derde lid, van de Invorderingswet 1990 zowel toekomt aan de functionaris of ambtenaar bedoeld in het eerste lid als aan de ontvanger bedoeld in het eerste lid;
e. de bevoegdheden bedoeld in artikel 25 en artikel 58 van de Invorderingswet 1990 toekomen, indien de functionaris of ambtenaar bedoeld in het eerste lid met de invordering is belast, aan deze functionaris of ambtenaar en indien de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, met de invordering is belast, aan de ontvanger.
4.
In het kader van het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel moet in artikel 17 van de Invorderingswet 1990 voor «de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd» telkens worden gelezen: de met de tenuitvoerlegging van het dwangbevel belaste ontvanger.
5.
Betaling van de heffingen dient te geschieden aan de functionaris of ambtenaar bedoeld in het eerste lid. Na de betekening van het dwangbevel dient te worden betaald aan de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, die is vermeld op het dwangbevel.
1.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen inzake de heffingen en de invordering daarvan nadere in het kader van de artikelen 8a.38 tot en met 8a.40 passende regels worden gesteld ter aanvulling van de daarin geregelde onderwerpen.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld inzake de afdracht van de door de functionaris als bedoeld in artikel 8a.40, eerste lid, ingevorderde heffing aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
Met betrekking tot de financiering en de bekostiging van de kosten van de uitvoering van artikel 8.74 wordt onder de naam «geluidsheffing burgerluchtvaart» een heffing geheven. Tevens wordt een heffing geheven ter financiering van de kosten van de uitvoering van artikel 8.33.
3.
Het tarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproduktie bedraagt in het jaar 2004 € 27,– en wordt met ingang van elk daaropvolgend kalenderjaar verhoogd met € 1,–.
1.
Provinciale staten kunnen bij verordening bepalen dat met betrekking tot de financiering en de bekostiging van de kosten van de uitvoering van artikel 8.56, eerste lid, onder de naam «geluidsheffing burgerluchtvaart» een heffing wordt geheven. Tevens kunnen provinciale staten bij verordening bepalen dat een heffing wordt geheven ter financiering van de kosten van de uitvoering van artikel 8.57.
2.
De heffingen worden geheven ter zake van het landen met een burgerluchtvaartuig tot het tijdstip waarop de kosten als bedoeld in het eerste lid, zijn voldaan.
3.
Voor de heffing en invordering zijn de artikelen 220, 220a, 221 en 227 tot en met 232h van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu publiceert vóór 30 juni 2010 en vervolgens elke vijf jaar vóór 30 juni in de Staatscourant welke burgerluchthavens zijn aangeduid als belangrijke luchthavens.
2.
Een belangrijke luchthaven is een burgerluchthaven waarop jaarlijks meer dan 50000 vliegtuigbewegingen plaatsvinden. Oefenvluchten met lichte vliegtuigen, als bedoeld in hoofdstuk 5.2 ECAC.CEAC Doc 29 Report on standard Method of Computing Noise around civil airports, worden hierbij niet meegerekend.
3.
Een wijziging van hoofdstuk 5.2 ECAC.CEAC Doc 29 gaat voor de toepassing van het tweede lid gelden met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wijziging.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt vóór 30 juni 2007 een geluidbelastingkaart vast die betrekking heeft op een geluidbelasting L den en geluidbelasting L night veroorzaakt door de luchthaven Schiphol op woningen en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt vóór 30 juni 2012 en vervolgens vóór 30 juni van elk vijfde kalenderjaar een geluidbelastingkaart vast die betrekking heeft op een geluidbelasting L den en geluidbelasting L night veroorzaakt door belangrijke luchthavens op woningen en bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
3.
Onder geluidbelasting L den wordt verstaan: geluidbelasting op een plaats en vanwege een bron als omschreven in bijlage I, onderdeel 1, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189) over alle perioden van 07.00 tot 19.00 uur, van 19.00 tot 23.00 uur en van 23.00 tot 07.00 uur van een jaar. Onder geluidbelasting L night wordt verstaan: geluidbelasting op een plaats en vanwege een bron als omschreven in bijlage I, onderdeel 2, van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189) over alle perioden van 23.00 tot 07.00 uur van een jaar.
4.
De geluidbelastingkaart geeft ten minste een weergave van:
a. de geluidbelasting L den en de geluidbelasting L night veroorzaakt door een belangrijke luchthaven in de periode van een jaar van 1 november van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar van vaststelling van de geluidbelastingkaart tot en met 31 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar van vaststelling van de geluidbelastingkaart, en
b. het aantal woningen en andere geluidgevoelige gebouwen en bewoners van woningen die aan bepaalde waarden van geluidbelasting L den en geluidbelasting L night worden blootgesteld.
5.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud, vormgeving en inrichting van de geluidbelastingkaart. Ten behoeve van de bepaling van de geluidsbelasting L den en de geluidsbelasting L night vanwege een luchthaven kunnen bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu nadere regels worden gesteld.
1.
De exploitant van een luchthaven verschaft ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8a.45, eerste of tweede lid, aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu op zijn verzoek alle noodzakelijke inlichtingen en gegevens.
2.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de te verschaffen inlichtingen en gegevens, waaronder de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze moeten worden verschaft.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu geeft binnen één maand na vaststelling van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8a.45, eerste of tweede lid, mededeling van deze vaststelling in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen dan wel op andere geschikte wijze. Hierbij geeft hij aan op welke wijze kennis kan worden gekregen van de inhoud van de geluidbelastingkaart.
2.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu:
a. stelt de geluidbelastingkaart elektronisch ter beschikking van een ieder;
b. voegt bij de geluidbelastingkaart een overzicht van de belangrijkste punten van die kaart.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt vóór 18 mei 2008 aan de hand van de geluidbelastingkaart, bedoeld in artikel 8a.45, een actieplan vast met betrekking tot de luchthaven. Indien er sprake is van een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de geluidhindersituatie, en daarnaast ten minste elke vijf jaar na de vaststelling wordt het actieplan opnieuw overwogen, en zo nodig aangepast.
2.
Het actieplan bevat ten minste een beschrijving van:
a. het te voeren beleid om geluidbelasting L den en geluidbelasting L night te beperken, en
b. de voorgenomen in de eerstvolgende vijf jaar te treffen maatregelen om overschrijding van in het luchthavenverkeerbesluit of luchthavenbesluit vastgestelde waarden van geluidbelasting L den of geluidbelasting L night te voorkomen of ongedaan te maken en de te verwachten effecten van die maatregelen.
3.
Op de voorbereiding van een actieplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
4.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud, vormgeving en inrichting van het actieplan.
5.
Artikel 8a.47 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van actieplannen.
Artikel 8a.49
Indien de belangrijke luchthaven een luchthaven van regionale betekenis is, treden bij de toepassing van de artikelen 8a.45 tot en met 8a.48 gedeputeerde staten van de provincie die het luchthavenbesluit heeft vastgesteld, in de plaats van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
De verbodsbepaling bedoeld in artikel 8.1a, eerste lid, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen luchtvaartuigen.
2.
Van de in artikel 8.1a, tweede tot en met vierde lid, genoemde verboden kan vrijstelling worden verleend door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
3.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
4.
Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, kunnen voorwaarden worden verbonden.
Artikel 8a.50a
Indien ten aanzien van de burgerluchthaven Twente een vrijstelling, als bedoeld in artikel 8a.50, tweede lid, van het verbod in artikel 8.1a, derde lid, wordt verleend, is op de voorbereiding van die vrijstelling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan op aanvraag van een exploitant van een luchthaven ontheffing verlenen van een regel die met het oog op de geluidbelasting is opgenomen in een luchthavenbesluit of luchthavenregeling voor een luchthaven van nationale betekenis.
2.
Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag van een exploitant van een luchthaven ontheffing verlenen van een regel die met het oog op de geluidbelasting is opgenomen in een luchthavenbesluit of luchthavenregeling voor een luchthaven van regionale betekenis.
3.
Een ontheffing kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de ontheffing vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.
4.
Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
5.
Gedeputeerde staten doen zo spoedig mogelijk na de verlening van een ontheffing hiervan mededeling aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
6.
De exploitant maakt de beslissing omtrent een ontheffing bekend aan de gebruikers van de luchthaven.
1.
Gedeputeerde staten kunnen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een terrein ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 8.1a, eerste lid, indien het terrein wordt gebruikt door een luchtvaartuig dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie.
2.
Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld over:
a. het terrein;
b. de wijze waarop het terrein wordt gebruikt;
c. de termijn waarbinnen gedeputeerde staten een besluit nemen op de aanvraag;
d. de wijze waarop Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en de burgemeester van de gemeente waarin het terrein ligt, worden betrokken bij het verlenen van de ontheffing en bij het gebruik van het terrein.
Artikel 8a.52
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld betreffende het gebruik van luchthavens.
Artikel 8a.53
Wanneer de aanleg, de instandhouding of het gebruik van een werk ten behoeve van de uitvoering van de militaire taak op een burgerluchthaven in strijd zou komen met een bepaling van of krachtens deze wet, kunnen Wij, op voordracht van Onze Minister van Defensie, daarvan ontheffing verlenen.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven vastgesteld in verband met de nabijheid van de navolgende buitenlandse luchthavens in de Bondsrepubliek Duitsland:
a. de burgerluchthaven Weeze, gelegen in de gemeente Weeze;
b. de militaire luchthaven Brüggen, gelegen in de gemeente Brüggen;
c. de militaire luchthaven Geilenkirchen, gelegen bij de stad Geilenkirchen.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kan een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven worden vastgesteld in verband met de nabijheid van een andere buitenlandse luchthaven.
3.
De voordracht voor een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1.
Bij een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt het beperkingengebied vastgesteld, dat het Nederlands grondgebied omvat waar met het oog op het externe-veiligheidsrisico, de geluidsbelasting of de vliegveiligheid, vanwege de nabijheid van de desbetreffende buitenlandse luchthaven, beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond.
2.
De ruimtelijke indeling en de begrenzing van het beperkingengebied voor een buitenlandse luchthaven worden bepaald aan de hand van:
a. het gebruik van de luchthaven door het luchthavenluchtverkeer,
b. de ligging van start- en landingsbanen, en
c. de positie van navigatie- en communicatieapparatuur.
Artikel 8a.56
Een beperkingengebied wordt vastgesteld met behulp van een of meer kaarten waarop de ligging van het gebied is aangegeven. De kaarten worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 50 000. Zo nodig worden delen van de gebieden vastgelegd met behulp van kaarten op een schaal met een kleiner verhoudingsgetal.
1.
Het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven bevat in elk geval regels omtrent de bestemming en het gebruik van de grond waaronder begrepen de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met:
a. de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer, en
b. de vliegveiligheid.
2.
Indien het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt vastgesteld in verband met de nabijheid van een buitenlandse burgerluchthaven, bevat dit besluit voorts regels omtrent de bestemming en het gebruik van de grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer. Indien het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven wordt vastgesteld in verband met de nabijheid van een buitenlandse militaire luchthaven, kan het besluit dergelijke regels bevatten.
3.
Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, worden in ieder geval gronden aangewezen die niet bestemd zijn of gebruikt worden voor woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen.
1.
Met betrekking tot het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven zijn de artikelen 8.8, 8.10 en 8.11 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «luchthavenindelingbesluit» telkens wordt gelezen: besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven.
2.
Voorts zijn artikel 8.9, eerste tot en met derde en vijfde lid, en artikel 8.12 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat omtrent de verklaring van geen bezwaar en de ontheffing wordt besloten door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en dat in plaats van «het luchthavenindelingbesluit» telkens wordt gelezen: het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu beslist omtrent de verklaring van geen bezwaar of de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, indien het een militaire luchthaven betreft, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.
4.
De beslistermijn bedraagt acht weken na ontvangst van de aanvraag.
1.
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld omtrent de wijze van meten, berekenen en registreren van de geluidbelasting, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van meten, berekenen en registreren van het externe-veiligheidsrisico.
2.
Een regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten aanzien van militaire luchthavens vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.
Artikel 8a.60
Op de voorbereiding van een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven of op de voorbereiding van een wijziging of intrekking van een zodanig besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 8a.61
De artikelen 8.31 tot en met 8.33 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «het luchthavenindelingbesluit of het luchthavenverkeerbesluit» onderscheidenlijk «het luchthavenindelingbesluit» wordt gelezen: het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan voor iedere buitenlandse luchthaven, aangewezen bij of krachtens artikel 8a.54, een commissie regionaal overleg luchthaven instellen.
2.
Indien een commissie wordt ingesteld, stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu regels omtrent:
a. de taak, samenstelling en werkwijze van de commissie,
b. de instelling van een secretariaat ter ondersteuning van de commissie, en
c. de mate waarin en de voorwaarden waaronder Onze Minister van Infrastructuur en Milieu jaarlijks bijdraagt in de kosten van de commissie.
3.
Artikel 8.37 is van overeenkomstige toepassing.
1.
In bijzondere omstandigheden in geval van ernstige verstoring van de binnenlandse openbare orde of veiligheid is Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie aan de LVNL aanwijzingen te geven met betrekking tot het verzorgen van de luchtverkeersbeveiliging.
2.
In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bevoegd in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister van Defensie aan de LVNL aanwijzingen te geven met betrekking tot het verzorgen van de luchtverkeersbeveiliging.
3.
Indien de LVNL door het uitvoeren van de aanwijzingen financieel nadeel ondervindt, ontvangt hij een naar billijkheid te bepalen vergoeding.
1.
Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 9.3, 9.4 en 9.5 gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
2.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3.
Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4.
Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5.
Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.
6.
Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 9.3 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan aanwijzingen geven aan de LVNL.
Artikel 9.4 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]
Onze Minister van Defensie kan aanwijzingen geven aan de LVB-organisatie.
Artikel 9.5 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
[Red: Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.]
Het bij of krachtens de titels 5.1 en 5.2 van deze wet bepaalde geldt niet ten aanzien van de luchtvaartuigen, in gebruik ten behoeve van de defensie, en de leden hunner bemanning.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan aan de LVNL een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten door de LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing gegeven krachtens artikel 9.3.
2.
Onze Minister van Defensie kan aan de LVNL een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen ter zake van buitengewone kosten door de LVNL gemaakt vanwege de naleving van de aanwijzing gegeven krachtens artikel 9.4.
1.
In afwijking van artikel 1.4 richt Onze Minister van Defensie, voordat hij de hem krachtens artikel 9.4 toekomende bevoegdheid uitoefent, een verzoek aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu om aan de behoefte gesteld door Onze Minister van Defensie te voldoen. Onze Minister van Defensie oefent de bevoegdheid krachtens artikel 9.4 niet uit dan nadat Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te kennen heeft gegeven niet te zullen voldoen aan dit verzoek.
2.
In dringende omstandigheden kan Onze Minister van Defensie afwijken van het eerste lid. Hij stelt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daarvan terstond in kennis. Zodra de omstandigheden dat naar het oordeel van Onze Minister van Defensie en van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toelaten, wordt aan de door Onze Minister van Defensie gestelde behoefte voldaan door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
3.
Indien de in artikel 9.3 toegekende bevoegdheid door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu wordt uitgeoefend op verzoek van Onze Minister van Defensie als bedoeld in het eerste lid, vindt toekenning van een vergoeding krachtens artikel 9.6, eerste lid, plaats in overeenstemming met Onze Minister van Defensie. Deze vergoeding komt voor rekening van Onze Minister van Defensie.
Artikel 9.8
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan in omstandigheden waarin maatregelen worden genomen als bedoeld in artikel 13 van de kaderverordening een of meer luchtverkeerdienstverleners ontheffing verlenen van het in artikel 5.14d bedoelde verbod, indien deze omstandigheden hiertoe noodzaken.
1.
Behoudens titel 2.2 is hoofdstuk 2 niet van toepassing op het bedienen van militaire luchtvaartuigen.
2.
Militaire luchtvaartuigen worden bediend door cockpitpersoneel, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid.
3.
Onze Minister van Defensie kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens het tweede lid gegeven regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
4.
Onze Minister van Defensie trekt de door hem verleende ontheffing in, wanneer
a. de redenen, waarom de ontheffing is verleend, zijn komen te vervallen;
b. de houder van de ontheffing de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet naleeft.
1.
Hoofdstuk 2, titel 2.1, en artikel 5.16 zijn niet van toepassing op luchtverkeersdienstverleningspersoneel van de krijgsmacht. Dit personeel voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid.
2.
Artikel 10.1, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.3
Onze Minister van Defensie kan voor militaire luchtvaartuigen toestaan, dat van het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, wordt afgeweken.
1.
Het onderhoud aan militaire luchtvaartuigen wordt verricht door personeel, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid.
2.
Artikel 10.1, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.5
Hoofdstuk 4 is niet van toepassing op de vluchtuitvoering met militaire luchtvaartuigen alsmede op de vluchtuitvoering ten behoeve van militaire doeleinden.
1.
Titel 6.5 is niet van toepassing op internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
2.
Titel 6.5 is, met uitzondering van artikel 6.54, niet van toepassing op nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
3.
Artikel 6.51, eerste lid, geldt niet voor het nationale vervoer van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevaarlijke stoffen, niet zijnde ontplofbare stoffen of voorwerpen, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, of behorend tot de uitrusting van personen die met een dergelijk luchtvaartuig worden vervoerd, indien aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur terzake gestelde regels is voldaan.
4.
Artikel 6.55 is niet van toepassing op het door personeel van de krijgsmacht verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen ten aanzien van het nationaal vervoer van andere gevaarlijke stoffen dan ontplofbare stoffen of voorwerpen,met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
5.
De artikelen 6.60, 6.61 en 6.61a zijn van overeenkomstige toepassing op het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen en het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is met dien verstande dat:
a. in artikel 6.60, eerste lid, in plaats van «als bedoeld in artikel 6.51, eerste lid,» wordt gelezen «als bedoeld in artikel 10.7, eerste en tweede lid»;
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie, worden regels gegeven inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen, alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen. De artikelen 6.51, derde lid, en 6.52 zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, gedaan op voordracht van Onze Minister van Defensie , worden regels gegeven inzake het nationaal vervoer van ontplofbare stoffen of voorwerpen met een luchtvaartuig waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, het daartoe aanbieden of aannemen alsmede het laden in of lossen uit een dergelijk luchtvaartuig of het tijdens het vervoer neerleggen van bedoelde stoffen of voorwerpen. De artikelen 6.51, derde lid, en 6.52 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
De bedoelde regels kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. het aanwijzen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, die niet door de lucht mogen worden vervoerd;
b. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van luchtvaartuigen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid worden vervoerd;
c. de belading van luchtvaartuigen met inbegrip van samenlading;
d. de eisen waaraan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, moeten voldoen;
e. de eisen waaraan de verpakking moet voldoen;
f. de etiketten of aanduidingen op de verpakking;
g. de eisen, waaraan bij het laden en lossen voldaan moet worden;
h. de eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting van inrichtingen, voertuigen of werktuigen met behulp waarvan gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, worden geladen of gelost;
i. de melding voorafgaande aan een handeling inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid;
j. de begeleiding van het vervoer en de eisen die aan de begeleider worden gesteld;
k. het uitzonderen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, behorend tot de operationele uitrusting of het wapensysteem van het luchtvaartuig, of behorend tot de uitrusting van personen die met het luchtvaartuig worden vervoerd.
1.
Onze Minister van Defensie kan ontheffing verlenen van de krachtens artikel 10.7 gegeven regels, wanneer de taakuitvoering met militaire luchtvaartuigen meebrengt, dat die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar komt. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.
2.
Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.58 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.9
Titel 6.6 is niet van toepassing op vervoer van dieren met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.
Artikel 10.10
Artikel 7.1, eerste lid, is niet van toepassing op voorvallen die uitsluitend de militaire luchtvaart betreffen.
1.
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald zijn de hoofdstukken 8 en 8a niet van toepassing op militaire luchthavens, met uitzondering van:
b. titel 8a.1 voor zover het betreft burgermedegebruik door tussenkomst van een burgerexploitant, met dien verstande dat de regels, bedoeld in artikel 8a.1, eerste lid, voor zover het militaire luchthavens betreft worden gesteld bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Defensie, en
c. artikel 8a.42 voor zover het betreft het gebruik van militaire luchthavens door burgerluchtvaartuigen.
2.
Voor de toepassing ingevolge het eerste lid van titel 8a.1 op militaire luchthavens wordt als exploitant aangemerkt de burgerexploitant.
1.
Deze titel is van toepassing ten aanzien van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen militaire luchthavens. Bij die maatregel worden de luchthavens aangewezen waarvoor vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden voor bij die maatregel aangewezen luchthavens uniforme grenswaarden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Bij die maatregel kunnen tevens uniforme grenswaarden worden vastgesteld voor het externe-veiligheidsrisico en voor lokale luchtverontreiniging en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot geluidbelasting, het externe-veiligheidsrisico, lokale luchtverontreiniging en de maximale hoogte van objecten als bedoeld in artikel 10.17, derde lid. Bij de vaststelling kan onderscheid worden gemaakt naar soorten luchtvaartuigen, aan- en uitvliegroutes, bestemming van gronden en perioden van het etmaal.
3.
Bij regeling van Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels vastgesteld omtrent de wijze van meten, berekenen en registreren van de in het tweede lid bedoelde geluidbelasting en kunnen dergelijke regels worden vastgesteld met betrekking tot het externe-veiligheidsrisico en luchtverontreiniging.
1.
Het is verboden met een burgerluchtvaartuig op te stijgen van of te landen op een militaire luchthaven, zonder of in afwijking van een voor dat opstijgen of landen door Onze Minister van Defensie verleende vergunning voor burgermedegebruik als bedoeld in artikel 10.27, vrijstelling of ontheffing.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van militaire luchthavens door de burgerluchtvaart. Deze regels betreffen in ieder geval de gevallen waarin militair luchtverkeer voorrang heeft op burgerluchtverkeer.
3.
Aan de in het eerste lid bedoelde vrijstelling en ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het verlenen, wijzigen en intrekken van de vrijstelling of ontheffing, alsmede omtrent de aan de behandeling van de aanvraag verbonden kosten.
5.
Een vrijstelling of ontheffing wordt niet verleend voor burgerluchtvaart van commerciële aard op een luchthaven waar burgermedegebruik plaatsvindt door tussenkomst van een burgerexploitant.
6.
Een vrijstelling of ontheffing kan in ieder geval door Onze Minister van Defensie worden ingetrokken of gewijzigd wanneer:
a. een of meer redenen waarom de vrijstelling of ontheffing is verleend, zijn vervallen,
b. een of meer van de daaraan verbonden beperkingen of voorschriften niet worden nageleefd, of
c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend.
Artikel 10.14
Deze afdeling is van toepassing op militaire luchthavens waarvoor op grond van artikel 10.12 vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor een luchthaven een luchthavenbesluit vastgesteld.
2.
In het luchthavenbesluit worden het luchthavengebied en het beperkingengebied vastgesteld.
3.
Het luchthavengebied en het beperkingengebied overlappen elkaar niet. De gebieden kunnen bestaan uit niet aaneengesloten delen.
4.
Artikel 8.5, vijfde lid, is van toepassing.
1.
Als luchthavengebied wordt het gebied vastgesteld dat bestemd is voor gebruik als luchthaven.
2.
Het luchthavenbesluit bevat voor het luchthavengebied regels omtrent de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven.
1.
Als beperkingengebied wordt het gebied vastgesteld waar met het oog op de geluidsbelasting en de veiligheid in verband met de nabijheid van de luchthaven beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond. Het beperkingengebied omvat de gebieden die behoren bij de in het tweede lid bedoelde grenswaarden voor geluidbelasting en het externe-veiligheidsrisico, alsmede bij de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde regels.
2.
Het luchthavenbesluit bevat een grenswaarde voor geluidsbelasting. Het besluit kan tevens bevatten:
a. een grenswaarde voor het externe-veiligheidsrisico;
b. een of meer grenswaarden die noodzakelijk zijn met het oog op de lokale luchtverontreiniging.
3.
Het luchthavenbesluit bevat voor het beperkingengebied in ieder geval regels waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op:
a. de geluidsbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven;
b. de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer.
Het besluit kan voor het beperkingengebied tevens regels bevatten waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico in verband met de nabijheid van de luchthaven.
4.
Het luchthavenbesluit kan tevens voor het luchthavenluchtverkeer bevatten:
a. regels met het oog op de geluidsbelasting;
b. regels die noodzakelijk zijn met het oog op de lokale luchtverontreiniging.
5.
Bij de regels met het oog op de geluidsbelasting en het externe-veiligheidsrisico, bedoeld in het derde lid, worden in ieder geval gronden aangewezen die niet bestemd of gebruikt worden voor woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen.
6.
De artikelen 8.8 tot en met 8.12 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat Onze Minister van Defensie in de plaats treedt van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
7.
Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.
Artikel 10.18
De voordracht voor een luchthavenbesluit of de wijziging daarvan wordt gedaan:
a. na overleg met gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders van respectievelijk de provincies en de gemeenten binnen de grenzen waarvan het gebied of een gedeelte van het gebied ligt dat door het ontwerp wordt bestreken, en
b. nadat het ontwerp vervolgens in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen zes weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Defensie te brengen.
Artikel 10.19
De bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gegevens met betrekking tot de geluidsbelasting, het externe-veiligheidsrisico en de lokale luchtverontreiniging zijn niet openbaar.
Artikel 10.20
Onze Minister van Defensie draagt er zorg voor dat het luchthavenluchtverkeer zodanig geschiedt dat de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer de grenswaarden, opgenomen in het luchthavenbesluit, niet overschrijdt.
1.
Zodra Onze Minister van Defensie constateert dat de in artikel 10.17 bedoelde grenswaarden zijn overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.
2.
Onze Minister van Defensie trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden.
3.
Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregelen.
1.
Onze Minister van Defensie kan voor een luchthaven indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan of door een bijzonder voorval het normale gebruik van de luchthaven naar zijn oordeel ernstig wordt belemmerd, of in verband met bijzondere redenen van nationale of bondgenootschappelijke aard:
a. vrijstelling verlenen van een regel in het luchthavenbesluit;
b. een in het luchthavenbesluit vastgelegde grenswaarde vervangen door een andere grenswaarde.
2.
Het verlenen van een vrijstelling van een regel als bedoeld in artikel 10.17, vierde lid, onder a of b, geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
3.
Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.
4.
Aan een vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op geluidsbelasting en veiligheid. Artikel 10.20 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de beperkingen en voorschriften.
5.
Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een vervanging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Artikel 10.23
De gegevens omtrent het feitelijk gebruik van een luchthaven door het luchthavenluchtverkeer worden jaarlijks door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu herleid tot contouren die de actuele geluidsbelasting voor dat verkeer in dat jaar weergeven. Artikel 10.19 is van toepassing. De contourenkaarten zijn openbaar.
Artikel 10.24
De artikelen 8.31 tot en met 8.33 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat Onze Minister van Defensie in de plaats treedt van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
Onze Minister van Defensie stelt voor iedere luchthaven ten behoeve van overleg en voorlichting omtrent milieuaspecten buiten een luchthaven een commissie van overleg en voorlichting milieu in.
2.
De commissie bestaat in ieder geval uit:
a. één vertegenwoordiger van elke provincie waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen;
b. twee vertegenwoordigers van elke gemeente waarin het beperkingengebied geheel of gedeeltelijk is gelegen, waarvan één vertegenwoordiger van elke gemeente een omwonende van de luchthaven is;
c. één of twee vertegenwoordigers van de luchthaven;
d. één of twee vertegenwoordigers van Onze Minister van Defensie.
3.
Onverminderd het tweede lid kan de commissie ook bestaan uit vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheid bezittende milieuorganisaties.
4.
De vertegenwoordiger van de provincie, dan wel één van hen indien er meer vertegenwoordigers van provincies in de commissie zitting hebben, treedt op als voorzitter van de commissie. De artikelen 8.37, tweede en derde lid, en 8.38 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat Onze Minister van Defensie in de plaats treedt van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
5.
Onze Minister van Defensie voorziet in het secretariaat van de commissie.
Artikel 10.26
Deze afdeling is in aanvulling op de artikelen 10.15 tot en met 10.25 van toepassing op militaire luchthavens waar een vergunning voor burgermedegebruik kan worden verleend.
1.
Onze Minister van Defensie kan aan een rechtspersoon een vergunning verlenen voor burgermedegebruik onder verantwoordelijkheid van die rechtspersoon.
2.
Het verlenen van een vergunning voor burgermedegebruik door tussenkomst van een burgerexploitant geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. De overige vergunningen voor burgermedegebruik worden verleend na overleg met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
3.
De vergunning vermeldt in ieder geval:
a. de aard van het burgerluchtverkeer waarvoor de vergunning geldt;
b. de termijn waarvoor de vergunning wordt verleend;
c. de voor het burgermedegebruik geldende grenswaarden, wat betreft de geluidbelasting eventueel in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen per jaar waarvoor de vergunning geldt.
4.
Aan de vergunning kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het verlenen, wijzigen, overdragen en intrekken van de vergunning, alsmede omtrent de aan de behandeling van de aanvraag verbonden kosten.
6.
Een vergunning wordt niet verleend voor burgerluchtvaart van commerciële aard op een luchthaven waar reeds burgermedegebruik plaatsvindt door tussenkomst van een burgerexploitant.
7.
Een vergunning kan in ieder geval door Onze Minister van Defensie worden ingetrokken of gewijzigd wanneer:
a. een of meer redenen waarom de vergunning is verleend, zijn vervallen,
b. een of meer van de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften niet worden nageleefd,
c. na de verlening zodanige feiten of omstandigheden bekend zijn geworden dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vergunning niet of niet in die vorm zou zijn verleend, of
d. van een voor onbepaalde tijd verleende vergunning gedurende twee achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt.
8.
Met betrekking tot de intrekking en wijziging, bedoeld in het zevende lid, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
9.
Ingeval de vergunning is verleend aan een burgerexploitant, is artikel 8.53 van overeenkomstige toepassing.
1.
In het luchthavenbesluit voor een militaire luchthaven waar een vergunning voor burgermedegebruik kan worden verleend, worden de in artikel 10.17, tweede en vierde lid, bedoelde grenswaarden en regels voor het militair luchtverkeer en het burgerluchtverkeer afzonderlijk vastgesteld. Voor het burgerluchtverkeer of een gedeelte daarvan kan de vaststelling van een afzonderlijke grenswaarde voor geluidbelasting geschieden in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen per jaar.
2.
Het luchthavenbesluit bevat ten behoeve van het burgerluchtverkeer in ieder geval regels omtrent de tijdstippen waarop van de luchthaven gebruik kan worden gemaakt.
3.
Het luchthavenbesluit kan regels bevatten die noodzakelijk zijn met het oog op de geluidbelasting.
1.
De houder van een vergunning voor burgermedegebruik en Onze Minister van Defensie bevorderen het goede verloop van het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig de vergunning en het luchthavenbesluit voor zover dit betrekking heeft op het burgerluchtverkeer. Zij treffen daartoe zelf en in onderlinge samenwerking de voorzieningen die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd om te bewerkstelligen dat de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer een in de vergunning voor het burgermedegebruik opgenomen grenswaarde, daaronder begrepen een voor het burgermedegebruik vastgesteld maximum aantal vliegtuigbewegingen, niet overschrijdt.
2.
Ingeval de vergunning voor burgermedegebruik is verleend aan een burgerexploitant, is artikel 8.19 van overeenkomstige toepassing.
3.
Artikel 8.21 is van overeenkomstige toepassing.
1.
Zodra Onze Minister van Defensie ter zake van een vergunning voor burgermedegebruik constateert dat een grenswaarde, daaronder begrepen een vastgesteld maximum aantal vliegtuigbewegingen, ten behoeve van het vergunde burgermedegebruik is overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het verkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart.
2.
Onze Minister van Defensie trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover zij naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de grenswaarden, daaronder begrepen het aantal vliegtuigbewegingen voor dat verkeer.
3.
Voordat Onze Minister van Defensie een maatregel voorschrijft, stelt hij degene tot wie de maatregel is gericht in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken.
4.
De artikelen 8.19 en 8.21 zijn in geval de vergunning voor burgermedegebruik is verleend aan een burgerexploitant, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorgeschreven maatregelen.
Artikel 10.31
De burgerexploitant is verplicht om in door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen gevallen burgerluchthavenluchtverkeer op de luchthaven toe te laten.
Artikel 10.32
Het is de houder van een vergunning voor burgermedegebruik verboden om zonder of in afwijking van een daarvoor door Onze Minister van Defensie verleende vergunning op de luchthaven bouwwerken of andere opstallen op te richten, te hebben of te wijzigen dan wel bomen, gewassen of planten te hebben. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het hebben van roerende zaken of het verrichten van graafwerk anders dan in verband met de exploitatie of het onderhoud van dat deel van de luchthaven. Aan de vergunning kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden.
Artikel 10.33
Een ministeriële regeling op grond van de artikelen 10.34 en 10.35 wordt vastgesteld door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
1.
De houder van de vergunning voor burgermedegebruik draagt zorg voor het registreren van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart zodanig dat een vergelijking mogelijk is met de in het luchthavenbesluit opgenomen grenswaarden voor burgerluchtvaart. Hij verricht de berekeningen die voor die registratie noodzakelijk zijn. Indien voor het burgermedegebruik een maximum aantal vliegtuigbewegingen is vastgesteld, draagt de houder van de vergunning zorg voor het registreren van het aantal vliegtuigbewegingen.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het registreren en omtrent de berekeningen die daartoe noodzakelijk zijn.
1.
De houder van de vergunning voor burgermedegebruik verstrekt aan Onze Minister van Defensie:
a. de op grond van artikel 10.34, eerste lid, door hem geregistreerde gegevens;
b. gegevens over de in artikel 10.34 bedoelde berekeningen, voor zover die door hem zijn verricht.
2.
De houder van de vergunning voor burgermedegebruik verstrekt aan Onze Minister van Defensie gegevens over de ter uitvoering van artikel 10.29 getroffen voorzieningen.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevensverstrekking.
1.
Artikel 8.29 is ten aanzien van de veiligheidsaspecten van het luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de milieuaspecten van luchthavenluchtverkeer ten behoeve van de burgerluchtvaart is artikel 8.29 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het in dat artikel bedoelde verslag wordt uitgebracht door Onze Minister van Defensie.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het openbaar maken van op grond van de artikelen 10.34 of 10.35 geregistreerde of verstrekte gegevens. Artikel 8.30, tweede lid, is van toepassing.
1.
De in artikel 10.25 bedoelde commissie wordt in ieder geval uitgebreid met een vertegenwoordiger van degene aan wie een vergunning voor burgermedegebruik is verleend.
2.
De in artikel 10.25 bedoelde commissie kan worden uitgebreid met vertegenwoordigers van rechtspersoonlijkheid bezittende gebruikersorganisaties.
Artikel 10.38
Deze afdeling is van toepassing op militaire luchthavens waarvoor op grond van artikel 10.12 vaststelling van een luchthavenbesluit niet is vereist.
1.
Bij regeling van Onze Minister van Defensie kan voor een luchthaven een luchthavenregeling worden vastgesteld.
2.
In een luchthavenregeling wordt het luchthavengebied vastgesteld. Een luchthavenregeling kan tevens een grenswaarde voor geluidbelasting in de vorm van een maximum aantal vliegtuigbewegingen per jaar bevatten.
3.
Op de voorbereiding of de wijziging van een luchthavenregeling is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
4.
In een luchthavenregeling kunnen regels worden gegeven ten aanzien van:
a. de aard en de omvang van het gebruik van de luchthaven;
b. het toegestane luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van luchthavens of categorieën luchthavens regels worden gegeven ten aanzien van:
a. de aanleg, inrichting en uitrusting;
b. het gebruik van de luchthaven, mede met het oog op de veiligheid.
6.
Het luchthavengebied wordt vastgesteld met behulp van een kaart waarop de ligging van dit gebied is aangegeven. Deze kaart wordt vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000.
Artikel 10.40
Onze Minister van Defensie draagt er zorg voor dat het luchthavenluchtverkeer geschiedt overeenkomstig de luchthavenregeling.
1.
Zodra Onze Minister van Defensie constateert dat de in artikel 10.39, tweede lid, bedoelde grenswaarde is overschreden, schrijft hij maatregelen voor die naar zijn oordeel bijdragen aan het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer binnen de gestelde grenswaarde.
2.
Onze Minister van Defensie trekt de maatregelen in of matigt deze voor zover de maatregelen naar zijn oordeel niet langer nodig zijn voor het terugdringen van de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer.
1.
Onze Minister van Defensie kan voor een luchthaven indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan of door een bijzonder voorval het normale gebruik van de luchthaven naar zijn oordeel ernstig wordt belemmerd, of in verband met bijzondere redenen van nationale of bondgenootschappelijke aard vrijstelling verlenen van een bepaling in de luchthavenregeling.
2.
Een vrijstelling kan slechts worden verleend voor een bepaalde in de vrijstelling vast te stellen termijn van ten hoogste een jaar.
3.
Aan de vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden met het oog op de veiligheid of de geluidbelasting.
Artikel 10.43
Onze Minister van Defensie registreert het feitelijk gebruik van de luchthaven. Bij regeling van Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden regels gesteld omtrent de wijze van registratie en openbaarmaking van deze gegevens.
1.
Van het in artikel 8.1a, eerste lid, genoemde verbod kan vrijstelling worden verleend door Onze Minister van Defensie ten behoeve van de militaire luchtvaart.
2.
Aan de vrijstelling kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden.
1.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen 8.25d tot en met 8.25h, bepaalde en het bij of krachtens de basisverordening bepaalde, zijn belast:
a. de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren, met dien verstande dat dit toezicht zich niet uitstrekt tot het bepaalde bij of krachtens titel 6.5 en de artikelen 10.7 en 10.8 van deze wet;
b. voor zover het betreft de burgerluchtvaart de hiertoe bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren; de aanwijzing kan inhouden, dat de betrokken ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing genoemde hoofdstukken of artikelen gesteld bij of krachtens deze wet;
c. voor zover het betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in titel 6.5 en de artikelen 10.7 en 10.8 van deze wet, met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is, de hiertoe bij besluit van Onze Minister van Defensie aangewezen ambtenaren; de aanwijzing kan inhouden dat de betrokken ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing genoemde artikelen gesteld bij of krachtens deze wet;
d. voor zover het betreft titel 8A.6 de hiertoe bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren.
2.
Met het toezicht op de naleving van hetgeen bepaald is bij of krachtens de verordeningen als bedoeld in artikel 11.15, onderdeel b, onder 1° tot en met 8° en 10° tot en met 11°, zijn belast de hiertoe bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren. De aanwijzing kan inhouden, dat de betrokken ambtenaar slechts belast is met het toezicht op de naleving van een of enkele in die aanwijzing genoemde hoofdstukken of artikelen gesteld bij of krachtens een van de genoemde verordeningen.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan met het oog op de coördinatie van het beleid ten aanzien van het toezicht algemene aanwijzingen geven aan de ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
4.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, de onderdelen b tot en met d, of het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1.
Indien een natuurlijke of rechtspersoon voldoet aan de in Bijlage I van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening genoemde eisen, verleent Onze Minister van Infrastructuur en Milieu op aanvraag een erkenning om de in artikel 2, tweede lid, van die verordening bedoelde inspecties en onderzoeken uit te voeren.
2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:
a. de in Bijlage I van de luchtvaartnavigatiedienstenverordening genoemde eisen;
b. de aanvraag, verlening en verlenging van een erkenning;
c. de vergoeding die de aanvrager is verschuldigd ter zake van de kosten van de handelingen met betrekking tot de aanvraag en verlening van de erkenning;
d. het tarief, dat een houder van een erkenning is verschuldigd ter zake van de kosten van toezicht. Onder het toezicht op de naleving van de in het eerste lid bedoelde eisen behoort in ieder geval het periodiek en in voorkomend geval steekproefsgewijs onderzoeken van een houder.
3.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen, indien een ernstig vermoeden rijst dat de houder van de erkenning:
a. niet voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen, of
b. ter verkrijging van de erkenning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt.
4.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een erkenning intrekken wegens de in het derde lid genoemde redenen of indien de erkenning gedurende tenminste drie maanden is geschorst.
1.
De toezichthouders kunnen hun bevoegdheid inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden niet uitoefenen op taxi-, start- en landingsbanen van een luchthaven.
2.
Indien de toezichthouders toegang verlangen tot militaire terreinen of gebouwen geschiedt zulks eerst na overleg met Onze Minister van Defensie.
3.
In geval van onmiddellijke dreiging van gevaar zijn de toezichthouders bevoegd het bedienen of opstijgen van luchtvaartuigen in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde te verbieden of te beletten.
4.
Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing bij uitoefening van de bevoegdheid door toezichthouders buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam.
5.
Voor de werking van dit artikel, met uitzondering van het vierde lid, wordt onder toezichthouders mede begrepen de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet.
1.
Tot het toezicht op de naleving van de verplichtingen, voortvloeiend uit de erkenning, bedoeld in artikel 3.25 van deze wet en artikel 5, tweede lid, van de basisverordening, behoort in ieder geval:
a. het periodiek onderzoeken van het erkende bedrijf;
b. het steekproefsgewijs onderzoeken van door het erkende bedrijf vervaardigde ontwerpen, producten of onderdelen.
De houder van een erkenning is verplicht aan voor het houden van het toezicht noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen.
2.
Tot het toezicht op de naleving van de verplichtingen, voortvloeiend uit de AOC, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van deze wet en artikel 8, tweede lid, van de basisverordening, behoort in ieder geval:
a. het periodiek onderzoeken van de houder van de AOC, en
b. het uitvoeren van inspectievluchten.
De houder van de AOC is verplicht aan voor het houden van het toezicht noodzakelijke werkzaamheden medewerking te verlenen.
3.
De houder van een erkenning of een AOC is gehouden tot betaling, overeenkomstig door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen regels, van het door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu ter zake van de kosten van toezicht vastgestelde tarief.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van de verplichting, bedoeld in artikel 8.25a, een onderzoek instellen bij de exploitant van de luchthaven.
2.
Met het onderzoek zijn belast de krachtens artikel 11.1, eerste lid, aangewezen toezichthouders.
3.
In afwijking van het tweede lid, kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu het onderzoek laten verrichten door een of meer aangewezen deskundigen.
4.
De ingevolge het derde lid aangewezen deskundigen horen gebruikers.
5.
Na afloop van het onderzoek wordt daarvan een rapport opgemaakt.
6.
Een afschrift van het rapport wordt gezonden aan de exploitant van de luchthaven.
7.
De exploitant van de luchthaven wordt gedurende vier weken na de toezending van het rapport, in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling zijn zienswijze daaromtrent naar voren te brengen. Van hetgeen mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.
8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het in het eerste lid bedoelde onderzoek.
1.
Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn belast de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren, alsmede de bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, respectievelijk Onze Minister van Defensie aangewezen ambtenaren.
2.
De opsporingsambtenaren zijn bevoegd het verrichten van werkzaamheden aan boord van luchtvaartuigen of het bedienen of opstijgen van luchtvaartuigen in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde te verbieden of te beletten en voor zover het een burgerluchtvaartuig betreft, het luchtvaartuig, waarmee de overtreding wordt begaan naar een door hen aangewezen plaats over te brengen of te doen overbrengen en aldaar in bewaring te stellen.
3.
De betrokken ambtenaar maakt van de inbewaringstelling proces-verbaal op, dat hij binnen vierentwintig uur zendt aan de officier van justitie van de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de inbewaringstelling geschiedt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd uitgereikt of toegezonden aan de gezagvoerder en aan de houder van het betrokken luchtvaartuig. Artikel 11.7, vierde lid, is ten aanzien van de gezagvoerder en de houder van overeenkomstige toepassing.
4.
De kosten verbonden aan de uitvoering van het tweede lid kunnen door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu worden ingevorderd bij dwangbevel.
1.
Op eerste vordering van een opsporingsambtenaar is degene, die op grond van artikel 2.1 van deze wet of artikel 7, tweede lid, van de basisverordening in het bezit dient te zijn van een bewijs van bevoegdheid, een bewijs van gelijkstelling of een medische verklaring, verplicht dat bewijs of die verklaring behoorlijk ter inzage af te geven.
2.
Op eerste vordering van een opsporingsambtenaar is het lid van het boordpersoneel, dat werkzaamheden verricht of aanstalten maakt werkzaamheden te gaan verrichten, verplicht zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens de door de opsporingsambtenaar te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die ambtenaar aangewezen apparaat.
1.
Een opsporingsambtenaar kan het lid van het boordpersoneel van wie, uit het in artikel 11.4, tweede lid, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van de opsporingsambtenaar gebleken is dat hij onder zodanige invloed van een stof, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van deze wet, of paragraaf 7, onderdeel g, van bijlage IV bij de basisverordening, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is zijn werkzaamheden behoorlijk te verrichten, een vliegverbod opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren, tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op het lid van het boordpersoneel, dat aanstalten maakt zijn werkzaamheden te gaan verrichten.
2.
In geval van verdenking van overtreding van artikel 2.12, tweede lid, kan een opsporingsambtenaar aan het betreffende lid van het boordpersoneel een vliegverbod opleggen tot ten hoogste vierentwintig uren.
3.
De opsporingsambtenaar, die een verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.
4.
Het is een lid van het boordpersoneel verboden de werkzaamheden, die hij moet verrichten, te verrichten gedurende de tijd waarvoor een vliegverbod als bedoeld in het eerste of tweede lid, geldt.
1.
Bij verdenking dat een lid van het boordpersoneel werkzaamheden heeft verricht in strijd met artikel 2.12, eerste lid, van deze wet, paragraaf 7, onderdeel g, van bijlage IV bij de basisverordening, of artikel 2.12, derde lid, van deze wet kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, onder a.
2.
Het lid van het boordpersoneel aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
3.
De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
4.
In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, onder b. Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 2.12, eerste lid, van deze wet of paragraaf 7, onderdeel g, van bijlage IV bij de basisverordening bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.
5.
Indien het lid van het boordpersoneel zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.
6.
Het lid van het boordpersoneel aan wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen; hem wordt door een arts zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is.
7.
De in het zesde lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat afname van bloed bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
8.
De krachtens het zevende lid vrijgestelde personen zijn verplicht mee te werken aan een door de officier van justitie, door een hulpofficier van justitie of door een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen ambtenaren van politie bevolen onderzoek teneinde op andere wijze dan door bloedonderzoek het gebruik van de in artikel 2.12, eerste lid, van deze wet of paragraaf 7, onderdeel g, van bijlage IV bij de basisverordening bedoelde stoffen of het in 2.12, derde lid, onder b genoemde gehalte vast te stellen.
9.
Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie aangewezen opsporingsambtenaren, door een arts de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte, aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd.
10.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven omtrent de wijze van uitvoering van artikel 11.4, tweede lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie worden in de bij die algemene maatregel aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
1.
Op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar is het lid van het boordpersoneel, tegen wie door een van die personen ter zake van overtreding van:
a. artikel 2.12, indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde lid, onderdeel a respectievelijk onderdeel b, van dat artikel blijkt of bij gebreke van een dergelijk onderzoek een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van het lid van het boordpersoneel hoger is dan tweehonderdzeventig microgram (270 µg) alcohol per liter uitgeademde lucht respectievelijk drievijfde milligram (0,6 mg) alcohol per milliliter bloed, of
b. artikel 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid, proces-verbaal wordt opgemaakt,
verplicht tot afgifte van het hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling.
2.
Het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling wordt, tegelijk met het proces-verbaal, onverwijld opgezonden aan de betrokken officier van justitie. Deze is bevoegd het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling onder zich te houden, totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die uitspraak het lid van het boordpersoneel de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die uitspraak, voor wat betreft de bijkomende straf der ontzegging voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. In het laatste geval levert de ambtenaar, na het bovenbedoelde tijdstip, het bewijs van bevoegdheid of van gelijkstelling in bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
3.
Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het ingevorderde bewijs onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid, dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 11.11, tweede lid, zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het bewijs is ingevorderd of ingevorderd geweest, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen.
4.
De opsporingsambtenaar, die gebruik maakt van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid, en de officier van justitie, die gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, doen daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Indien de officier van justitie het ingevorderde bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling aan de houder teruggeeft, doet hij daarvan op gelijke wijze mededeling.
5.
In geval van toepassing van het eerste of het tweede lid kan iedere belanghebbende bij klaagschrift daartegen opkomen. Het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van het gerecht in feitelijke aanleg binnen welks rechtsgebied het feit, dat tot toepassing van het eerste of het tweede lid van dit artikel aanleiding heeft gegeven, werd gepleegd dan wel ingevolge artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering geacht wordt te zijn gepleegd. De rechtbank geeft zo spoedig mogelijk, na de belanghebbende, desverlangd bijgestaan door diens raadsman, te hebben gehoord, althans opgeroepen, zijn met redenen omklede beschikking, welke onverwijld aan de belanghebbende wordt betekend. Tegen de beschikking kan het openbaar ministerie binnen twee weken daarna en de belanghebbende binnen twee weken na de betekening beroep in cassatie instellen. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.
6.
Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor toepassing van het eerste of tweede lid niet is toegelaten, kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade, die hij ten gevolge van die toepassing heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel, dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen 89, derde tot en met zesde lid, 90, 91 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien het proces-verbaal, bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, betreft een lid van het boordpersoneel als bedoeld in artikel 10.1, tweede lid, stelt de opsporingsambtenaar onverwijld, voor de afloop van de in artikel 11.5, eerste lid, bedoelde periode, de officier van justitie bij het gerecht, bedoeld in hoofdstuk II, titel I, III of IV van de Wet militaire strafrechtspraak daarvan in kennis.
2.
De officier van justitie, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd het betrokken lid van het boordpersoneel een vliegverbod op te leggen, totdat de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die uitspraak het lid van het boordpersoneel de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die uitspraak, voor wat betreft de bijkomende straf der ontzegging voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De betrokken officier van justitie stelt hiervan onverwijld Onze Minister van Defensie in kennis.
3.
Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid, heft hij het vliegverbod op. Opheffing vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid, dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van een bevoegdheid, bedoeld in artikel 11.11, tweede lid, zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur wordt opgelegd dan de tijd gedurende welke het vliegverbod geldt, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van oplegging van het vliegverbod is aangevangen. De betrokken officier van justitie stelt hiervan onverwijld Onze Minister van Defensie in kennis.
4.
In geval van toepassing van het tweede lid kan iedere belanghebbende bij klaagschrift daartegen in beroep komen. Artikel 11.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het klaagschrift wordt ingediend bij de griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, bedoeld in hoofdstuk II, titel I, III of IV van de Wet militaire strafrechtspraak en de beschikking van de rechtbank eveneens onverwijld aan Onze Minister van Defensie wordt betekend.
5.
Ten aanzien van het vliegverbod, bedoeld in het tweede lid, is artikel 11.5, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.8a
De artikelen 11.4, tweede lid, 11.5, eerste, derde en vierde lid, 11.6, 11.7 en 11.8 van deze wet zijn van overeenkomstige toepassing op degene, die luchtverkeersdienstverlening geeft of luchthaveninformatie verschaft als bedoeld in de artikelen 2.1, 5.16 of 10.2 van deze wet of artikel 8c van de basisverordening dan wel een grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van deze wet bedient, met dien verstande, dat voor de toepassing van artikel 11.5 in plaats van het opleggen van een vliegverbod treedt het verbieden van het geven van luchtverkeersdienstverlening, het verschaffen van luchthaveninformatie of het gebruiken van een grondstation als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid.
1.
Met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van ten hoogste de derde categorie wordt gestraft degene, die
a. handelt in strijd met de artikelen
11°. 11.2a, 11.4, 11.7, eerste lid, en 11.8a voor zover het betreft de artikelen 11.4, tweede lid, en 11.7;
b. handelt in strijd met het bepaalde krachtens de artikelen
1°. 1.5 voor zover het bepaalde betrekking heeft op hoofdstuk II van de basisverordening;
c. handelt in strijd met hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald voor zover deze voorschriften bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 1.6 zijn aangewezen als overtreding.
2.
De in het eerste lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
3.
Handelen in strijd met krachtens deze wet gestelde regels, bedoeld in het eerste lid, onder b, vormt slechts een strafbaar feit voorzover dit in die regels uitdrukkelijk is bepaald.
1.
Met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste de vierde categorie wordt gestraft degene, die
a. handelt in strijd met de artikelen
4°. 11.5, vierde lid, 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid, 11.8, vijfde lid, 11.8a voor zover het betreft de artikelen 11.5, 11.6 en 11.8, 11.12 en 11.14;
b. handelt in strijd met hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald, voor zover deze voorschriften bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 1.6 zijn aangewezen als misdrijf en het gaat om gelijksoortige voorschriften als bedoeld in onderdeel a;
c. handelt in strijd met hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald, voor zover deze voorschriften bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 1.6 zijn aangewezen als misdrijf en het gaat om andersoortige voorschriften dan bedoeld in onderdeel a.
2.
De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
3.
De ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden, dan wel indien binnen die termijn een voorstel tot wijziging van het eerste lid bij de Staten-Generaal is ingediend, op het tijdstip waarop dat voorstel is verworpen of, na tot wet te zijn verheven, in werking is getreden.
1.
Voor een overtreding of misdrijf waarop in de artikelen 11.9 en 11.10 een geldboete van de derde of vierde categorie is gesteld, kan de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba telkens een geldboete van ten hoogste de derde categorie, onderscheidenlijk de vierde categorie opleggen.
2.
Handelen in strijd met de artikelen 4.1, eerste en derde lid, alsmede als strafbare feiten aangeduide overtredingen van voorschriften krachtens hoofdstuk 4 wordt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangemerkt als een overtreding en wordt door de rechter gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie.
1.
Bij veroordeling wegens overtreding van een der in artikel 11.9, eerste lid, strafbaar gestelde feiten kan de bevoegdheid
a. aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel,
b. werkzaamheden te verrichten aan een luchtvaartuig,
c. luchtverkeersdienstverlening te geven,
voor ten hoogste drie jaren worden ontzegd.
2.
Bij veroordeling wegens overtreding van een der in artikel 11.10, eerste lid, strafbaar gestelde feiten kan een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid voor ten hoogste zes jaren worden ontzegd.
3.
Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in artikel 11.9, eerste lid, of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen, nog geen drie jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een der in artikel 11.10 bedoelde strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste zes jaren worden ontzegd.
4.
Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten, genoemd in artikel 11.10, eerste lid, nog geen zes jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten de betrokkene een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste twaalf jaren worden ontzegd.
5.
Onder vroegere onherroepelijke veroordeling als bedoeld in het derde onderscheidenlijk het vierde lid, wordt mede verstaan een vroegere onherroepelijke veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens feiten soortgelijk aan de feiten, bedoeld in het derde onderscheidenlijk het vierde lid.
1.
Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of een daarop aangetekende bevoegdverklaring krachtens artikel 2.5 van deze wet of krachtens de basisverordening is geschorst, verboden gedurende de tijd van schorsing werkzaamheden te verrichten, waartoe het geschorste bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf.
2.
Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat een hem afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling krachtens artikel 11.7 is ingevorderd, verboden gedurende de tijd, dat het bewijs is ingevorderd, werkzaamheden te verrichten, waartoe het geschorste bewijs of de geschorste bevoegdverklaring de bevoegdheid gaf.
3.
Het is degene, die weet of redelijkerwijs moet weten, dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 11.11 is ontzegd, verboden gedurende de tijd, dat hem die bevoegdheid is ontzegd, die werkzaamheden te verrichten.
1.
Bij de toepassing van artikel 11.11 gaat de bijkomende straf in en verliest elk aan de veroordeelde ingevolge artikel 2.2 van deze wet of de basisverordening afgegeven bewijs van bevoegdheid of ingevolge artikel 2.7 van deze wet afgegeven bewijs van gelijkstelling zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de rechterlijke uitspraak voor wat genoemde bijkomende straf betreft, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De uitspraak is, voor wat de bijkomende straf betreft, niet voor tenuitvoerlegging vatbaar, zolang de termijn, waarvoor hem bij een of meer andere rechterlijke uitspraken die bevoegdheid is ontzegd, nog niet verstreken is.
2.
Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaald, dat de tijd, gedurende welke het bewijs van bevoegdheid van de veroordeelde ingevolge artikel 11.7 voor het tijdstip, waarop de uitspraak voor wat betreft de in dit artikel genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingehouden is geweest, dan wel ingevolge artikel 11.8, tweede lid, een vliegverbod is opgelegd, op de duur van de in het eerste lid bedoelde bijkomende straf geheel of gedeeltelijk in mindering zal worden gebracht.
3.
Voor wat betreft de in het eerste lid bedoelde bijkomende straf is artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op rechterlijke uitspraken niet van toepassing.
1.
Het is degene, die een luchtvaartuig bedient, verboden na een ongeval of een landing, waarbij een ander is gedood of letsel of schade aan een ander is toegebracht, zich van de plaats van dat ongeval of die landing te verwijderen, tenzij hij behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en van de identiteit van dat luchtvaartuig.
2.
Niet strafbaar is degene, die een luchtvaartuig bedient en die zich na een ongeval of landing, bedoeld in het eerste lid, van de plaats van dat ongeval of die landing verwijdert doch binnen twaalf uren na dat ongeval of die landing en voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig kennis geeft aan een van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren en daarbij zijn identiteit en de identiteit van het betrokken luchtvaartuig bekendmaakt.
Artikel 11.14a
De Autoriteit Consument en Markt is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 8.25d tot en met 8.25h bepaalde.
Artikel 11.15
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van:
a. de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 8.25d tot en met 8.25h;
b. het bepaalde bij of krachtens de volgende EG verordeningen:
1°. Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 259/91 (PbEU L 46);
2°. de kaderverordening;
3°. de luchtvaartnavigatiedienstenverordening;
4°. de luchtruimverordening;
5°. de interoperabiliteitsverordening;
6°. Hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij en tot intrekking van artikel 9 van richtlijn nr. 2004/36/EG (PbEU L344);
7°. Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PbEU L 204);
8°. de vergoedingenverordening;
9°. de basisverordening;
10° de prestatieverordening;
11° artikel 21, tweede lid, van de onderzoeksverordening.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van:
c. artikel 8.12, 8.19, 8.20, 8.21, 8.70, tweede lid, juncto de artikelen 8.12 en 8.19 tot en met 8.21, 8.77, tweede lid, juncto de artikelen 8.19 en 8.21, eerste en derde lid, of van een beperking of voorschrift als bedoeld in artikel 8.23, 8.70, tweede lid, juncto artikel 8.23 of 8.77, tweede lid, juncto artikel 8.23;
d. artikel 7.5 of van een maatregel als bedoeld in artikel 8.22, 8.70, tweede lid, juncto artikel 8.22 of 8.77, tweede lid, juncto artikel 8.2;
e. het bepaalde bij of krachtens:
1°. Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 259/91 (PbEU L 46);
2°. Hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2111/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij en tot intrekking van artikel 9 van richtlijn nr. 2004/36/EG (PbEU L 344);
3°. Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PbEU L 204) en
4°. artikel 21, tweede lid, van de onderzoeksverordening.
2.
Een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom kunnen tezamen worden opgelegd.
3.
De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste:
a. 500 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
b. 1 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
c. 100 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;
d. 1 000 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d;
e. 74 000 euro bij een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
1.
Onverminderd titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht kan de verlener van luchtvaartnavigatiediensten de verdere verlening van luchtvaartnavigatiediensten opschorten, indien de gebruiker van die diensten niet heeft voldaan aan de eis tot het onmiddellijk en volledig betalen van de vergoedingen, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, en artikel 5.21, tweede lid.
2.
De opschorting kan slechts plaatsvinden wanneer een gebruiker gedurende drie maanden zijn openstaande facturen voor de vergoedingen niet heeft betaald of wanneer de achterstallige schuld minimaal 10.000 euro bedraagt.
3.
Voor de opschorting van de dienstverlening, stuurt de verlener van luchtvaartnavigatiediensten een aangetekend besluit naar de gebruiker waarin wordt aangegeven dat bij niet-betaling van de vergoedingen binnen 30 dagen de dienstverlening op kosten van de gebruiker zal worden opgeschort. Het besluit bevat de datum en het tijdstip vanaf wanneer geen dienstverlening meer zal worden gegeven.
4.
De kosten bedoeld in het derde lid, omvatten in ieder geval:
a. parkeerkosten voor het luchtvaartuig die de gebruiker als gevolg van de opschorting aan de betrokken luchthavenexploitant verschuldigd wordt,
b. kosten van verleende grondafhandelingsdiensten die de gebruiker als gevolg van de opschorting aan verleners van die diensten verschuldigd wordt.
5.
De dienstverlening blijft opgeschort zolang de achterstallige schuld vermeerderd met de in het derde lid bedoelde kosten niet is voldaan.
6.
De desbetreffende verlener van luchtvaartnavigatiediensten stelt de volgende instanties onverwijld op de hoogte van het besluit tot opschorting van de dienstverlening:
a. overige verleners van luchtvaartnavigatiediensten in de gebieden in en grenzend aan het vluchtinformatiegebied Amsterdam,
b. de betrokken luchthavenexploitant,
c. de Eurocontrol-organisatie,
d. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
7.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan nadere regels stellen voor het opschorten van de verlening van luchtvaartnavigatiediensten.
8.
Artikel 5.20, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de inning van vergoedingen als bedoeld in het derde lid, met dien verstande dat in onderlinge samenwerking voorzieningen worden getroffen door verleners van luchtvaartnavigatiediensten, exploitanten van luchthavens en verleners van grondafhandelingsdiensten.
9.
De LVNL kan op verzoek van de Eurocontrol-organisatie, ook de dienstverlening opschorten voor vluchten van gebruikers die een achterstand hebben in de betaling van aan de Eurocontrol-organisatie verschuldigde vergoedingen van kosten als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, onderdeel a. Het tweede tot en met het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de achterstallige schuld minimaal 50.000 euro bedraagt.
Artikel 11.20
Bij niet tijdige betaling van de bestuurlijke boete kan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een dwangbevel uitvaardigen.
Artikel 11.21
Onze Minister van Defensie is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen als bedoeld in de artikelen 10.13, tweede of derde lid, 10.27 of 10.32.
1.
Onze Minister van Defensie kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van:
b. een maatregel als bedoeld in artikel 10.30 voor zover de maatregel zich richt tot de houder van de medegebruikvergunning verleend op grond van artikel 10.27.
2.
De artikelen 11.16, tweede en derde lid, en 11.20 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 11.20 Onze Minister van Defensie de plaats inneemt van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 11.22a
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, bedoeld in artikel 8a.58, tweede lid, juncto artikel 8.12, tweede en vierde lid.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van artikel 8a.58, tweede lid, juncto artikel 8.12.
2.
De artikelen 11.16, tweede lid en derde lid, onder c, en 11.20 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Gedeputeerde staten kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van:
a. artikel 8.44, vijfde lid, juncto de artikelen 8.19 tot en met 8.21, artikel 8.47, tweede lid, juncto artikel 8.12, 8.64, zesde lid, juncto de artikelen 8.19 en 8.21, eerste en derde lid, of van een beperking of voorschrift als bedoeld in de artikelen 8.46, 8.64, zesde lid, juncto artikel 8.46 of 8a.51, tweede lid;
b. een maatregel als bedoeld in de artikelen 8.45 of 8.64, zesde lid, juncto artikel 8.45.
2.
De artikelen 11.16, tweede en derde lid, en 11.20 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 11.20 gedeputeerde staten de plaats innemen van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 11.24
Ingeval van overtreding van de artikelen 8.25d, eerste tot en met dertiende lid, de krachtens het veertiende lid gestelde regels, 8.25da, vijfde en zesde lid, 8.25e, eerste, tweede, derde of vierde lid, de krachtens het vijfde lid gestelde regels, 8.25ea, tweede, derde lid of vierde lid, laatste volzin, 8.25f, eerste, tweede, vierde, achtste of negende lid, de krachtens het tiende lid gestelde regels, 8.25ga of 8.25h, eerste of tweede lid, is hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 58a, van de Mededingingswet van overeenkomstige toepassing.
1.
Naar aanleiding van een onopzettelijke of uit onachtzaamheid begane overtreding van een wettelijk voorschrift stelt de Staat geen rechtsvordering in en legt een bestuursorgaan geen bestuurlijke sanctie op indien van deze overtreding kennis is verkregen door een melding als bedoeld in artikel 7.1.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien sprake is van grove nalatigheid met betrekking tot het voorval.
Artikel 11.26
Gegevens die bij een intern bedrijfsveiligheidsonderzoek in het kader van een bij of krachtens de Wet Luchtvaart of de Luchtvaartwet gecertificeerd veiligheidsmanagementssysteem zijn verkregen, kunnen niet ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 7.1 worden gevorderd dan na machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie.
Artikel 11.27
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu publiceert, voor zover van toepassing, uiterlijk met ingang van één maand na de inwerkingtreding van dit artikel en daarna steeds maandelijks, in de Staatscourant een lijst van instanties ten aanzien waarvan in de daaraan voorafgaande periode een beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, onderdeel e, of een beschikking tot toepassing van de bestuursdwang, bedoeld in artikel 11.15, onderdeel b, onder 1°, 6° en 7°, onherroepelijk is geworden.
Artikel 11.28
Ingeval bij of krachtens deze wet regels worden gesteld ter uitvoering van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), kan overtreding van die regels ook als strafbaar feit worden aangemerkt dan wel worden bestraft met een bestuurlijke sanctie indien deze regels in de Engelse taal zijn gesteld en bekend gemaakt.
Artikel 12.2
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu zendt drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de werking en de doeltreffendheid van de LVNL.
1.
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
2.
De krachtens het Luchtverkeersreglement 1980 (Stb. 1980, 786) door of vanwege Onze Minister gegeven nadere regels, alsook de krachtens het Luchtverkeersreglement 1980 door of vanwege Onze Minister gegeven vrijstellingen, ontheffingen en de daaraan verbonden voorschriften blijven nog twee jaar na het in werking treden van deze wet van kracht, tenzij zij op een vroeger tijdstip worden ingetrokken.
3.
De wet van 8 december 1971, Stb. 719, houdende inning van vergoedingen voor het gebruik van het luchtruim, wordt ingetrokken.
Artikel 12.4
De ambtenaren die op het moment van inwerkingtreding van titel 5.3 van deze wet tot het personeel van de directie Luchtverkeersbeveiliging van de Rijksluchtvaartdienst van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu behoren, gaan van rechtswege over in dienst van de LVNL.
1.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat worden toegerekend aan de LVNL.
2.
De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan op de datum van inwerkingtreding van deze wet onder algemene titel over op de LVNL tegen een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde.
3.
De in het eerste lid van dit artikel bedoelde overgang van vermogensbestanddelen wordt aangemerkt als storting op geldleningen van de Staat aan de LVNL. De voorwaarden van de geldlening worden door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met Onze Minister van Financiën vastgesteld, waarbij een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met onze Minister van Financiën te bepalen deel van het te lenen bedrag achtergesteld zal zijn bij alle andere verplichtingen van de LVNL.
4.
Ten aanzien van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van Financiën aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
5.
Ter zake van de verkrijging door de LVNL van de vermogensbestanddelen bedoeld in het eerste lid, blijft de heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
Artikel 12.6
In afwijking van het bepaalde in artikel 5.31 benoemt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de leden van de raad van toezicht, bedoeld in artikel 5.31, tweede lid onder a, b, c, en d de eerste maal als volgt:
a. een lid wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Defensie;
b. een lid wordt benoemd uit de kring van de in Nederland werkzame luchtvaartmaatschappijen;
c. een lid wordt benoemd uit de kring van de exploitanten van Nederlandse luchthavens;
d. een lid, tevens voorzitter, wordt benoemd op voordracht van de vier reeds benoemde leden van de raad van toezicht, voor een periode van drie jaren.
Artikel 12.7
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 12.8
Deze wet wordt aangehaald als: Wet luchtvaart.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 18 juni 1992
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
De Minister van Defensie,
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de zestiende juli 1992
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Personeel
+ Hoofdstuk 3. Luchtvaartuigen
+ Hoofdstuk 4. Vluchtuitvoering
+ Hoofdstuk 5. Luchtverkeer, luchtverkeersbeveiliging en luchtverkeersbeveiligingsorganisatie
+ Hoofdstuk 6. Luchtvervoer
+ Hoofdstuk 7. Diverse bepalingen inzake luchtvaart
+ Hoofdstuk 8. Luchthavens
+ Hoofdstuk 8a. Bijzondere bepalingen luchthavens
+ Hoofdstuk 9. Bijzondere of buitengewone omstandigheden
+ Hoofdstuk 10. Militaire luchtvaart
+ Hoofdstuk 11. Toezicht en handhaving
+ Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht