Let op. Deze wet is vervallen op 1 maart 2010. U leest nu de tekst die gold op 28 februari 2010.

Wet medezeggenschap onderwijs 1992

Uitgebreide informatie
Wet van 3 december 1992, houdende medezeggenschap in het onderwijs, niet zijnde hoger onderwijs
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet medezeggenschap onderwijs ( Stb. 1981, 778) te vervangen door een nieuwe wet, aangezien de evaluatie van deze wet en de invoering van het formatiebudgetsysteem aanleiding geven tot aanzienlijke wijzigingen in de medezeggenschapsregeling die thans geldt voor het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, en het voortgezet onderwijs;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Deze wet verstaat onder:
a. "Onze Minister": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
b. «school»: een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school, cursus dan wel inrichting voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs , een uit 's Rijks kas bekostigde instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en een openbare of uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs ;
c. "het bevoegd gezag": voor wat betreft
1°. een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen;
2°. een andere openbare school:
het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan,
3°. een bijzondere school: het schoolbestuur;
d. «leerlingen»: leerlingen in de zin van de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs en deelnemers in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs ;
e. "ouders": de ouders, voogden en verzorgers van de leerlingen;
f. «schoolleiding»: de directeur in de zin van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en de rector, directeur of de leden van de centrale directie in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs , alsmede de conrectoren of de adjunct-directeuren.
2.
In deze wet wordt onder personeel mede verstaan personeel van de school dat is benoemd in algemene dienst van het bevoegd gezag.
Artikel 2. Aard bepalingen
De bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, voor zover zij de scholen betreffen, zijn regels voor het openbaar onderwijs en voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs.
1.
Aan elke school is een medezeggenschapsraad verbonden.
2.
Het aantal leden van de raad bedraagt aan een school met minder dan 250 leerlingen ten hoogste 6 leden, met 250 tot 750 leerlingen ten hoogste 10 leden, met 750 tot 1250 leerlingen ten hoogste 14 leden en met 1250 of meer leerlingen ten hoogste 18 leden.
3.
De raad bestaat uit
a. leden die uit en door het personeel worden gekozen; en
b. leden die uit en door de ouders of de leerlingen worden gekozen overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid.
4.
De aantallen leden, bedoeld in het derde lid onderdeel a en onderdeel b , zijn aan elkaar gelijk.
5.
De leden, bedoeld in het derde lid onderdeel b , worden gekozen
a. uit en door de ouders, voor zover het betreft een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs;
b. uit en door de ouders, dan wel deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen die de leeftijd van dertien jaar hebben bereikt, voor zover het betreft een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;
c. deels uit en door de ouders en deels uit en door de leerlingen, voor zover het betreft een school voor voortgezet onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een door Onze minister aangewezen inrichting voor voortgezet onderwijs;
d. uit en door de leerlingen, dan wel deels uit en door de leerlingen en deels uit en door de ouders, voor zover het betreft een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs ;
e. uit en door de leerlingen, voor zover het betreft een door Onze minister aangewezen inrichting voor voortgezet onderwijs.
6.
Aan een scholengemeenschap, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal onderwijs met daaraan verbonden een afdeling, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs kan de verkiezing van de leden van de raad plaatsvinden volgens een stelsel, waarin de scholen die in de scholengemeenschap zijn verenigd, onderscheidenlijk de afdelingen waaruit de school bestaat, evenredig zijn vertegenwoordigd.
7.
Geen lid van de raad kunnen zijn voor wat betreft
- een gemeentelijke school: zij die deel uitmaken van het college van burgemeester en wethouders dan wel van de raad, respectievelijk zij die deel uitmaken van een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 83 van de Gemeentewet, die belast is met het bestuur van de school;
- een andere openbare school: zij die deel uitmaken van het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
- een bijzondere school: zij die deel uitmaken van het schoolbestuur dan wel, indien de school uitgaat van een stichting of een vereniging, van het bestuur van de stichting of de vereniging.
8.
Een lid van de schoolleiding kan niet tevens lid zijn van de raad, indien hem is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, dan wel in het overleg, bedoeld in artikel 13, tweede lid.
9.
Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de raad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de raad dat uit en door de ouders of de leerlingen wordt gekozen, kunnen worden gesteld door ouders of leerlingen en door organisaties van ouders of leerlingen.
10.
De verkiezing van de leden van de raad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming.
Artikel 4. Voorzitter medezeggenschapsraad
De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.
1.
Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken. Het bevoegd gezag en de raad komen met elkaar bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door het bevoegd gezag, de raad of het deel van de raad, dat uit en door het personeel onderscheidenlijk uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen. De besprekingen kunnen namens het bevoegd gezag worden gevoerd. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de schoolleiding, een lid van de schoolleiding opdragen de besprekingen dan wel bepaalde besprekingen namens hem te voeren. Op verzoek van dit lid van de schoolleiding of op verzoek van de raad kan het bevoegd gezag dit lid ontheffen van de taak om een bespreking namens het bevoegd gezag te voeren.
2.
De raad is voorts bevoegd tot bespreking van alle aangelegenheden, de school betreffende. Hij is bevoegd over deze aangelegenheden aan het bevoegd gezag voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Het bevoegd gezag brengt op de voorstellen, bedoeld in de tweede volzin, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de in de vorige volzin bedoelde reactie, stelt het bevoegd gezag de raad ten minste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over de voorstellen, bedoeld in de tweede volzin.
3.
De raad bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de school.
4.
De raad waakt voorts in de school in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert gelijke behandeling in gelijke gevallen en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone werknemers.
5.
Het bevoegd gezag verstrekt de raad aan het begin van het schooljaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het bevoegd gezag, de organisatie binnen de school, de taakverdeling tussen bevoegd gezag en schoolleiding en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad onverwijld in kennis van voornemens met betrekking tot de aangelegenheden bedoeld in artikel 6 onder a en artikel 7 onder a, d en e. Voorts verschaft het bevoegd gezag de raad, al dan niet gevraagd, tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.
6.
Het bevoegd gezag verstrekt de raad:
a. jaarlijks de begroting en bijbehorende beleidsvoornemens op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied;
b. jaarlijks voor 1 mei informatie over de berekening die ten grondslag ligt aan de middelen uit 's Rijks kas die worden toegerekend aan het bevoegd gezag;
7.
Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad besluiten dat het betrokken lid aan die vergadering, of dat onderdeel daarvan, niet deelneemt. De raad besluit dan tevens dat de behandeling van de betreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaatsvindt.
8.
De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de school betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda’s en verslagen van de vergaderingen van de raad worden toegezonden aan het bevoegd gezag, aan de eventuele geledingenraden en deelraden, en aan de eventuele gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de school ten behoeve van belangstellenden. De raad stelt de eventuele geledingenraden ten minste eenmaal per jaar in de gelegenheid om over aangelegenheden die de betrokken geleding in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren.
9.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor, dat de leden van de raad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de school. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaatleden en voormalige leden.
10.
De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een aan de school werkzame persoon mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de raad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met het in dit lid bepaalde is nietig.
Artikel 6. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad
Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:
a. verandering van de onderwijskundige doelstellingen van de school;
b. vaststelling of wijziging van het schoolplan dan wel het leerplan of de onderwijs- en examenregeling en het zorgplan;
c. vaststelling of wijziging van een mogelijk schoolreglement;
d. vaststelling van de schoolgids voor zover het niet betreft de vaststelling van de onderwijstijd;
e. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het verrichten door ouders van ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs;
f. vaststelling of wijziging van regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden;
g. het doen van een verzoek tot afwijking als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van deze wet;
h. vaststelling of wijziging van het bestuursreglement van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, alsmede indien artikel 9.1.7, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing is, het desbetreffende deel van de statuten;
i. vaststelling of wijziging van de model-onderwijsovereenkomst wat een instelling voor educatie en beroepsonderwijs betreft; en
Artikel 7. Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad
De medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot in ieder geval de volgende aangelegenheden:
a. verandering van de grondslag van de school;
b. vaststelling of wijziging van de lesrooster in het voortgezet onderwijs;
c. vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school, waaronder de voorgenomen bestemming van de middelen die door het bevoegd gezag ten behoeve van de school uit de openbare kas zijn toegekend of van anderen zijn ontvangen, met uitzondering van de middelen, bedoeld in artikel 9, onderdelen b en e;
d. beëindiging, belangrijke inkrimping of uitbreiding van de werkzaamheden van de school of van een belangrijk onderdeel daarvan, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
e. overdracht of omzetting van de school of van een onderdeel daarvan, respectievelijk fusie van de school met een andere school, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
f. het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
g. deelneming of beëindiging van deelneming aan een onderwijskundig project of experiment, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake;
h. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de organisatie van de school;
i. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de aanstelling en het ontslag van de schoolleiding en het overige personeel;
j. aanstelling of ontslag van de schoolleiding;
k. vaststelling of wijziging van de concrete taakverdeling binnen de schoolleiding, alsmede vaststelling of wijziging van het managementstatuut;
l. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toelating en verwijdering van leerlingen;
m. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toelating van studenten die elders in opleiding zijn voor een functie in het onderwijs;
n. regeling van de vakantie;
o. het oprichten van een centrale dienst;
p. nieuwbouw of belangrijke verbouwing van de school;
q. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het onderhoud van de school;
r. aansluiting bij een geschillencommissie; en
s. vaststelling of wijziging van de wijze waarop de voorziening, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, wordt georganiseerd.
1.
Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:
a. regeling van de gevolgen voor het personeel van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 7 onder a, d, e, f, g en o, en 9 onder d en e;
b. vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie in het volgende schooljaar;
c. vaststelling of wijziging van regels met betrekking tot de nascholing van het personeel;
d. vaststelling of wijziging van een mogelijk werkreglement voor het personeel en van de opzet en de inrichting van het werkoverleg, voor zover het besluit van algemene gelding is voor alle of een gehele categorie van personeelsleden;
e. vaststelling of wijziging van de verlofregeling van het personeel;
f. vaststelling of wijziging van een arbeids- en rusttijdenregeling van het personeel;
g. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot de toekenning van salarissen, toelagen en gratificaties aan het personeel;
h. vaststelling of wijziging van de taakverdeling respectievelijk de taakbelasting binnen het personeel, de schoolleiding daaronder niet begrepen;
i. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot personeelsbeoordeling, functiebeloning en functiedifferentiatie;
j. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het overdragen van bekostiging; en
k. vaststelling of wijziging van de klachtenregeling.
2.
Het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs dat tevens bevoegd gezag is van een of meer basisscholen behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel van eerstgenoemde school is gekozen voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de inzet van de bekostiging die op grond van artikel 120, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs aan eerstgenoemde school is toegekend.
Artikel 9. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad
Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de volgende aangelegenheden:
a. regeling van de gevolgen voor de ouders of leerlingen van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 7 onder a, d, e, f, g en o;
b. de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van een overeenkomst die door de ouders is aangegaan;.
c. vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van de leerlingen;
d. vaststelling van het leerlingenstatuut, bedoeld in artikel 24 g van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een mogelijk ouders- of leerlingenstatuut anders dan bedoeld in artikel 24 g van de Wet op het voortgezet onderwijs;
e. de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen anders dan onder b bedoeld en niet gebaseerd op de onderwijswetgeving indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden respectievelijk het onderwijs en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden geconfronteerd;
f. vaststelling of wijziging van de klachtenregeling;
g. vaststelling van de onderwijstijd; en
h. vaststelling of wijziging van de wijze waarop de overblijfvoorziening, bedoeld in artikel 45 van de Wet op het primair onderwijs, wordt georganiseerd.
Artikel 10. Adviesbevoegdheid personeels- of ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad
Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 8 of artikel 9, dan wel op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 15, tweede lid, voor een te nemen besluit de voorafgaande instemming van een deel van de medezeggenschapsraad behoeft, wordt het andere deel van de raad in de gelegenheid gesteld over het besluit advies uit te brengen.
1.
Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 7 onder c, en artikel 28, zesde lid, onder a, wordt niet genomen dan na afweging van in elk geval de onderwijskundige, de personele en de materiële belangen van de school of scholen, welke afweging schriftelijk in de motivering van het besluit tot uitdrukking wordt gebracht.
2.
Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b, g, h en i, wordt genomen met inachtneming van in elk geval de besluiten tot vaststelling van het schoolplan, de hoofdlijnen van de bestemming van de financiële middelen en het organisatiebeleid van de school.
3.
Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder c, wordt genomen met inachtneming van in elk geval de onderwijskundige doelstellingen van de school en de vormgeving van het onderwijs zoals neergelegd in het schoolplan.
4.
Een besluit met betrekking tot de aangelegenheden waarnaar wordt verwezen in artikel 8, eerste lid onder a, dan wel in artikel 9 onder a, wordt niet ten uitvoer gelegd voordat een definitief besluit is genomen over de regeling van de gevolgen van dat besluit voor het personeel, dan wel voor de ouders of leerlingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder a, respectievelijk 9 onder a, tenzij dringende redenen in het belang van de school een eerdere tenuitvoerlegging noodzakelijk maken.
5.
Een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in de artikelen 7, onderdeel s, en 9, onderdeel h, wordt niet genomen dan na raadpleging van de ouders.
Artikel 12. Adviesaanvrage
Indien een te nemen besluit ingevolge het bepaalde in artikel 7, dan wel op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 15, tweede lid, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat:
a. advies wordt gevraagd op een zodanig tijdstip, dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming;
b. de raad in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht;
c. de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven; en
d. de raad, indien het bevoegd gezag het advies niet of niet geheel wil volgen, in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen.
1.
De bevoegdheden op grond van de artikelen 6 tot en met 10, dan wel op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 15, tweede lid, zijn niet van toepassing, voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de school reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens wet gegeven voorschrift. De bevoegdheden van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, zijn niet van toepassing, voor zover de desbetreffende aangelegenheid voor de school reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst.
2.
De bevoegdheden op grond van de artikelen 6 tot en met 10, dan wel op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 15, tweede lid, zijn niet van toepassing voor zover het betreft een aangelegenheid als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 37, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 40a, van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 3.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 4a, tweede en derde lid, van de Experimentenwet onderwijs, voor zover het in deze leden bedoelde overleg niet besluit de aangelegenheid ter behandeling aan het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad over te laten.
1.
Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens deze wet, een medezeggenschapsreglement voor de school vast.
2.
Het bevoegd gezag legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de medezeggenschapsraad voor en stelt het slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.
1.
In het reglement wordt in ieder geval geregeld:
a. het aantal leden van de medezeggenschapsraad;
b. aan de desbetreffende scholen, de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan artikel 3, vijfde lid onderdeel b onderscheidenlijk d;
c. de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de raad;
d. de zittingsduur van de leden van de raad;
e. de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de leden van de raad hun uit het lidmaatschap van de raad voortvloeiende verplichtingen nakomen;
f. indien een lid van de schoolleiding is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de raad, in welke gevallen op verzoek van de raad het bevoegd gezag zelf deze besprekingen met de raad voert;
g. de wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de raad;
h. de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten, en de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht;
i. indien een of meer deelraden zijn ingesteld, de bevoegdheden van de medezeggenschapsraad die aan de deelraden worden overgedragen;
j. de mogelijkheid om de keuze te wijzigen voor het in de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad vertegenwoordigen van afzonderlijke medezeggenschapsraden door middel van gemeenschappelijke vertegenwoordigers; en
k. de procedure voor de beslechting van die geschillen tussen het bevoegd gezag en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet.
2.
In het reglement kan worden geregeld dat:
a. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 6, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 8 of 9, dan wel in adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
b. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 8, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 of 9, dan wel in adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
c. de instemmingsbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 9, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 of 8, dan wel in adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 7;
d. de adviesbevoegdheid ten aanzien van een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 7, wordt omgezet in instemmingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6, 8 of 9; en
e. door het bevoegd gezag te nemen besluiten met betrekking tot nader in het reglement te omschrijven aangelegenheden die niet reeds in de wet worden genoemd, instemming dan wel advies behoeven zoals bedoeld in de artikelen 6 , 7, 8 of 9.
3.
In het reglement kan voorts worden geregeld:
a. de voorwaarde dat leerlingen, die tot de school zijn toegelaten met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 60, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 8.1.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 48, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, alsmede hun ouders, slechts kandidaat kunnen worden gesteld voor verkiezing tot lid van de raad, indien zij hebben verklaard de grondslag en de doelstellingen van de school te respecteren;
b. de toekenning aan de raad van een overeenkomstige bevoegdheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling, in welk geval artikel 21, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige toepassing is voor wat betreft het onderscheid, bedoeld in die wet of in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
c. de toekenning aan de raad of aan het deel dat uit en door het personeel wordt gekozen, van de bevoegdheden inzake de arbeidsomstandigheden in de school, bedoeld in het zesde lid, voor zover deze niet betreffen te nemen besluiten van het bevoegd gezag als bedoeld in de artikelen 6, 7, 8 en 9 en als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e; en
d. welke van de geschillen tussen het bevoegd gezag en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de school is aangesloten en wie het geschil aanhangig kan maken.
4.
De voorwaarde, bedoeld in het derde lid onderdeel a , kan slechts worden toegepast, indien zij door of namens het bevoegd gezag voorafgaand aan de toelating aan de betrokkenen bekend is gemaakt.
5.
[Vervallen.]
6.
De bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, zijn de bevoegdheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van die wet aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend.
7.
De regeling, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, kan slechts worden toegepast, voor zover de commissie voor geschillen waarbij de school is aangesloten, in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.
1.
De medezeggenschapsraad legt in een bijlage bij het medezeggenschapsreglement vast:
a. zaken van huishoudelijke aard voor de raad; en
b. de wijze waarop door het bevoegd gezag beschikbaar gestelde middelen voor de raad en de eventuele geledingenraden en deelraden worden verdeeld.
2.
Het bevoegd gezag vermeldt in een bijlage bij het medezeggenschapsreglement:
a. de commissie voor geschillen waarbij de school is aangesloten;
b. indien besprekingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, namens het bevoegd gezag worden gevoerd, in welke gevallen en door wie dat geschiedt;
c. indien een lid van de schoolleiding namens het bevoegd gezag optreedt in besprekingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, in welke gevallen dat geschiedt, en in welke gevallen dit lid op zijn verzoek van die taak wordt ontheven;
d. of een lid van de schoolleiding namens het bevoegd gezag optreedt in het overleg, bedoeld in artikel 13, tweede lid; en
e. de wijze waarop het vervallen van het lidmaatschap van de medezeggenschapsraad van een lid van de schoolleiding dat is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, dan wel in het overleg, bedoeld in artikel 13, tweede lid, is geregeld.
3.
De bijlagen, bedoeld in het eerste en tweede lid, maken geen deel uit van het reglement.
artikel 15, tweede lid van Wet medezeggenschap onderwijs 1992">
Artikel 17. Geldigheidsduur bijzondere bevoegdheden ingevolge toepassing artikel 15, tweede lid
1.
De geldigheidsduur van bijzondere advies- en instemmingsbevoegdheden die ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede lid onderdelen a tot en met d , in het medezeggenschapsreglement zijn opgenomen, bedraagt ten hoogste twee jaren. Zodra de termijn van twee jaren is verstreken, gelden van rechtswege weer de bevoegdheden ingevolge de artikelen 6 tot en met 9.
2.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan telkens worden verlengd met ten hoogste twee jaren, indien het bevoegd gezag en ten minste twee derden van het aantal leden van de medezeggenschapsraad daartoe besluiten ten aanzien van alle of een aantal van de in het eerste lid eerste volzin, bedoelde bevoegdheden.
3.
Een besluit als bedoeld in het tweede lid, wordt in een gezamenlijke schriftelijke verklaring van bevoegd gezag en ten minste twee derden van het aantal leden van de medezeggenschapsraad vastgelegd. De verklaring vermeldt de duur van de verlengingsperiode en de bevoegdheden waarop de verlenging betrekking heeft. De verklaring wordt toegevoegd aan het medezeggenschapsreglement.
1.
Elke school is aangesloten bij een commissie voor geschillen. Een commissie als bedoeld in de vorige volzin strekt haar werkkring uit over ten minste 20 scholen. Onze minister kan het in de vorige zin bedoelde aantal scholen lager stellen.
2.
Een commissie voor geschillen bestaat uit 3 leden en 3 plaatsvervangende leden, waarvan een lid en een plaatsvervangend lid worden gekozen door de bevoegde gezagsorganen en een lid en een plaatsvervangend lid door de medezeggenschapsraden van de in het eerste lid bedoelde scholen. Deze twee leden kiezen het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.
3.
De leden en de plaatsvervangende leden mogen niet deel uitmaken van het bevoegd gezag of van de medezeggenschapsraad van een school, waarover de commissie haar werkkring uitstrekt.
1.
Een commissie voor geschillen neemt kennis van de volgende geschillen:
a. op verzoek van het bevoegd gezag, indien het bevoegd gezag ten aanzien van een te nemen, na overleg al dan niet gewijzigd, besluit dat ingevolge de artikelen 6, 8 of 9 dan wel ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede lid, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het bevoegd gezag zijn voorstel wenst te handhaven;
b. op verzoek van het bevoegd gezag of van de medezeggenschapsraad, indien het bevoegd gezag ten aanzien van de inhoud van het medezeggenschapsreglement voor zover aangegeven in artikel 15, eerste of derde lid, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft verworven;
c. op verzoek van de medezeggenschapsraad, indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen waarover ingevolge artikel 7 dan wel ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede lid, advies door de raad is uitgebracht, het bevoegd gezag daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat daardoor de belangen van de school of de belangen van de raad ernstig worden geschaad; en
d. op verzoek van het bevoegd gezag of van de medezeggenschapsraad, indien het bevoegd gezag en de raad van mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement.
2.
De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis neemt van andere geschillen tussen het bevoegd gezag en de raad dan bedoeld in het eerste lid. Artikel 20, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Een uitspraak van een commissie voor geschillen van openbare scholen wordt voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht gelijk gesteld met een uitspraak in administratief beroep.
1.
Indien aan een te nemen besluit van het bevoegd gezag de instemming, vereist ingevolge de artikelen 6, 8 of 9 dan wel ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede lid, is onthouden, deelt het bevoegd gezag binnen drie maanden aan de medezeggenschapsraad mede, of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien deze mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.
2.
Het bevoegd gezag doet een verzoek als bedoeld in artikel 19, eerste lid onderdeel a , onder overlegging van de door het bevoegd gezag gemaakte afweging van de belangen die daarbij voor het bevoegd gezag onderscheidenlijk de raad of het betrokken deel daarvan aan de orde zijn. De commissie stelt de raad of het betrokken deel daarvan in de gelegenheid om zijn argumenten voor het onthouden van zijn instemming bij de commissie naar voren te brengen.
3.
De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de raad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag dan wel de raad of het betrokken deel daarvan te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het bevoegd gezag alsmede de instemming van de raad of het betrokken deel daarvan, beoordeelt de commissie of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De uitspraak van de commissie is bindend voor het bevoegd gezag en de raad.
1.
Voor zover aan een voorstel van het bevoegd gezag tot vaststelling of wijziging van het medezeggenschapsreglement, voor wat betreft onderwerpen als bedoeld in artikel 15, eerste en derde lid, de instemming, vereist ingevolge artikel 14, tweede lid, is onthouden, deelt het bevoegd gezag aan de medezeggenschapsraad dan wel de raad aan het bevoegd gezag binnen drie maanden mede, of het voorstel wordt voorgelegd aan de commissie voor geschillen. Indien een dergelijke mededeling niet binnen drie maanden wordt gedaan, vervalt het voorstel.
2.
Indien het bevoegd gezag een verzoek doet als bedoeld in artikel 19, eerste lid onderdeel b, is artikel 20, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Indien de raad een verzoek doet als bedoeld in artikel 19, eerste lid onderdeel b, wordt het verzoek met redenen omkleed en stelt de commissie het bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor handhaving van het voorstel bij de commissie naar voren te brengen.
3.
De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de raad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het bevoegd gezag alsmede de instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. De commissie geeft, voor zover zij van oordeel is dat het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen, in haar uitspraak aan hoe het voorstel dient te worden gewijzigd. Na de uitspraak van de commissie stelt het bevoegd gezag het medezeggenschapsreglement vast overeenkomstig de uitspraak van de commissie.
1.
Indien het bevoegd gezag een besluit neemt waarbij het een advies van de medezeggenschapsraad, vereist ingevolge artikel 7, dan wel ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede lid, niet of niet geheel volgt, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort met zes weken, tenzij de raad tegen onmiddellijke uitvoering van het besluit geen bedenkingen heeft.
2.
De medezeggenschapsraad doet een verzoek als bedoeld in artikel 19, eerste lid onderdeel c, binnen zes weken nadat het betrokken besluit door het bevoegd gezag is genomen, onder overlegging van de argumenten voor zijn advies en de argumenten voor zijn oordeel dat door het niet of niet geheel volgen van het advies de belangen van de school of van de raad ernstig worden geschaad. De commissie stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om zijn argumenten voor het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad bij de commissie naar voren te brengen.
De behandeling van het verzoek verlengt de opschorting, bedoeld in het eerste lid, niet.
3.
De commissie is bevoegd een bemiddelingsvoorstel aan het bevoegd gezag en de raad voor te leggen, tenzij het bevoegd gezag dan wel de raad te kennen geven daarop geen prijs te stellen. Indien de commissie van deze bevoegdheid geen gebruik maakt of indien haar voorstel niet de instemming verwerft van het bevoegd gezag alsmede de instemming van de raad, beoordeelt de commissie of het bevoegd gezag bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad
a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet of met het medezeggenschapsreglement;
b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het advies van de raad; of
c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad.
De commissie doet vervolgens de bindende uitspraak of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven.
Artikel 23. Geschil interpretatie
Op een verzoek als bedoeld in artikel 19, eerste lid onderdeel d, doet de commissie de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement dient te worden gegeven.
Artikel 24. Nadere geschillen
Indien in het medezeggenschapsreglement ingevolge de toepassing van artikel 15, derde lid onderdeel d, geschillen worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het medezeggenschapsreglement.
1.
De medezeggenschapsraad kan in rechte optreden indien de vordering strekt tot naleving door het bevoegd gezag van de verplichtingen jegens de raad, voortvloeiend uit deze wet.
2.
Indien de burgerlijke rechter bevoegd is, neemt de kantonrechter kennis van de vordering.
3.
In afwijking van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de raad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
4.
De raad treedt op verzoek van een geleding in de raad op, indien de rechten van die geleding specifiek aan de orde zijn.
1.
Het bevoegd gezag stelt het personeel, de ouders en de leerlingen in de gelegenheid om desgewenst onderscheidenlijk een personeelsraad dan wel afzonderlijke raden voor het onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel, een ouderraad en een leerlingenraad in te stellen. Een dergelijke raad is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad met name over die aangelegenheden, die de desbetreffende geleding in het bijzonder aangaan.
2.
Op verzoek van een geledingenraad stelt de medezeggenschapsraad het bevoegd gezag in kennis van een schriftelijk advies als bedoeld in het eerste lid. Artikel 5, tweede lid derde volzin, is ten aanzien van een dergelijk schriftelijk advies van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bevoegd gezag kan een deelraad instellen voor:
a. een school met ten minste 600 leerlingen, die deel uitmaakt van een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs of van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en
b. ten behoeve van de betrokkenen bij een of meer organisatorische eenheden van een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs , dan wel indien geen organisatorische eenheden zijn ingesteld, ten behoeve van de betrokkenen bij een of meer beroepsopleidingen en opleidingen educatie, verbonden aan de instelling.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt een deelraad in ieder geval ingesteld, indien de medezeggenschapsraad dit wenst.
3.
Een deelraad is bevoegd desgevraagd of uit eigen beweging advies uit te brengen aan de medezeggenschapsraad over aangelegenheden die het desbetreffende deel van de school of de scholengemeenschap in het bijzonder aangaan.
4.
Artikel 3, tweede tot en met vijfde en zevende tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
5.
Volgens regels, vastgesteld in het medezeggenschapsreglement, kan de medezeggenschapsraad de uitoefening van een bevoegdheid op grond van de artikelen 6 tot en met 9, dan wel op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 15, tweede lid, overdragen aan een deelraad voor zover het een aangelegenheid betreft die het desbetreffende deel van de school of de scholengemeenschap in het bijzonder aangaat.
6.
Ten aanzien van de op grond van het vijfde lid aan de deelraad overgedragen bevoegdheden zijn de artikelen 12 en 13 van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien het bevoegd gezag meer dan een school in stand houdt als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra , de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel de Wet educatie en beroepsonderwijs , stelt het bevoegd gezag per schoolsoort een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in. Het bevoegd gezag kan ten behoeve van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra één gemeenschappelijke medezeggenschapsraad instellen, indien de instemming van twee derden van de leden van de desbetreffende medezeggenschapsraden is verkregen. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad behandelt uitsluitend aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor de desbetreffende scholen.
2.
Iedere medezeggenschapsraad is vertegenwoordigd in een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.
3.
De leden van de raad worden gekozen uit en door de leden van de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zo dat het aantal leden, gekozen uit personeel onderscheidenlijk uit ouders of leerlingen, elk de helft van het aantal leden van de raad bedraagt. De leden van de raad hebben zitting zolang zij lid zijn van één van de desbetreffende medezeggenschapsraden.
4.
Het bevoegd gezag stelt voor elke gemeenschappelijke medezeggenschapsraad een reglement vast. In het reglement wordt in ieder geval vastgelegd uit hoeveel leden de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bestaat en de wijze waarop de verkiezing door de medezeggenschapsraden geschiedt. Het reglement kan tevens bepalen dat voor de afzonderlijke medezeggenschapsraden gemeenschappelijke vertegenwoordigers in de raad worden gekozen als de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden daartegen geen bezwaar hebben. Voorts worden in het reglement in ieder geval geregeld de onderwerpen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen d tot en met h en j.
5.
De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad legt in een bijlage bij het reglement de zaken van huishoudelijke aard voor de raad vast.
6.
De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot vaststelling of wijziging van:
a. de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de desbetreffende scholen, waaronder
1°. de voorgenomen bestemming van de middelen die aan het bevoegd gezag ten behoeve van elk van de scholen uit de openbare kas zijn toegerekend of van anderen zijn ontvangen, alsmede
2°. de criteria die worden toegepast bij de verdeling van deze middelen over voorzieningen op bovenschools niveau en op schoolniveau, en
b. het managementstatuut.
7.
Aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5, zesde lid, overgedragen. Aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad kunnen bijzondere bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9, of daarvan afwijkende bijzondere bevoegdheden ingevolge de toepassing van artikel 15, tweede lid, worden overgedragen. De overdracht van deze bevoegdheden vereist de instemming van zowel het bevoegd gezag als van twee derden van de leden van de desbetreffende medezeggenschapsraden. De bevoegdheden die zijn overgedragen worden vastgelegd in het reglement.
8.
De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad treedt in de plaats van de afzonderlijke medezeggenschapsraden ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het zevende lid.
9.
Ten aanzien van de op grond van het achtste lid aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad toekomende bevoegdheden, zijn de artikelen 10 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.
10.
Het bevoegd gezag legt het reglement, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorstel aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad voor en stelt het slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de gemeenschappelijk medezeggenschapsraad heeft verworven. Het instemmingsvereiste, bedoeld in de eerste volzin, heeft geen betrekking op de bevoegdheden die ingevolge het zevende lid zijn overgedragen.
11.
De artikelen 4 en 19 tot en met 25 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29. Gemeenschappelijke geledingenraden
Indien meer scholen door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden gehouden, geeft het bevoegd gezag gelegenheid tot het instellen van een gemeenschappelijke raad voor een geleding als bedoeld in artikel 26. Een dergelijke raad is bevoegd desgevraagd of eigener beweging advies uit te brengen aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dan wel de afzonderlijke medezeggenschapsraden van de betrokken scholen over aangelegenheden, die van gemeenschappelijk belang zijn en de desbetreffende geleding in het bijzonder aangaan.
1.
Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen van deze wet, niet zijnde de adviesbevoegdheid, bedoeld in artikel 28, zesde lid, in een school of in een aantal scholen die door hetzelfde bevoegd gezag in stand worden gehouden, in de weg staan, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag toestaan, dat voor wat betreft een of meer onderdelen op door hem aangegeven wijze wordt afgeweken van het bepaalde in deze wet.
2.
Indien bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid zich voordoen aan een categorie van scholen, kan bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van het bepaalde in deze wet.
1.
Op gronden die verband houden met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de school ten grondslag ligt, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een bijzondere school ontheffing verlenen van de voorschriften van deze wet, dan wel toestaan dat de leden bedoeld in artikel 3, derde lid onderdeel b, voor zover het betreft een school voor voortgezet onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een door Onze minister aangewezen inrichting voor voortgezet onderwijs, worden gekozen uit en door de ouders. Het bevoegd gezag toont bij zijn verzoek om ontheffing aan, dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de school als van de bij de school betrokken ouders of leerlingen. Het bevoegd gezag toont bij zijn verzoek om de in de eerste volzin bedoelde toestemming aan dat dit verzoek wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden zowel van het personeel van de school als van de bij de school betrokken ouders.
2.
Onze minister verklaart de ontheffing dan wel de toestemming vervallen, indien de gronden waarop zij berustte, niet meer aanwezig zijn dan wel indien zij niet meer wordt ondersteund door een meerderheid van twee derden van elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën.
3.
Het bevoegd gezag doet elke vijf jaren aan Onze minister mededeling omtrent de stand van zaken met betrekking tot de gronden van de ontheffing dan wel de toestemming en de ondersteuning ervan.
1.
Het bevoegd gezag staat de medezeggenschapsraad het gebruik toe van de voorzieningen, waarover het kan beschikken en die de raad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de raden, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29.
1.
Het bevoegd gezag stelt de leden van de medezeggenschapsraad in de gelegenheid om gedurende een door dat bevoegd gezag en de raad gezamenlijk vast te stellen deel van de jaartaak de scholing te ontvangen die de leden van de raad voor de vervulling van hun taak nodig hebben. Het personeel van de school wordt in de gelegenheid gesteld deze scholing in werktijd en met behoud van salaris te ontvangen.
2.
Het deel van de jaartaak, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op een zodanige omvang als redelijkerwijs noodzakelijk is voor de taakvervulling door de leden van de medezeggenschapsraad.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van de raden, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29.
1.
Indien het bevoegd gezag van een school de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften niet nakomt, kan Onze minister besluiten dat de vergoeding uit de openbare kas geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden.
2.
De vergoeding wordt wederom toegekend, indien Onze minister blijkt, dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.
3.
Afschrift van zijn beslissing zendt Onze minister aan gedeputeerde staten en aan burgemeester en wethouders, voor zover het een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs betreft.
Wet op de ondernemingsraden van Wet medezeggenschap onderwijs 1992">
Artikel 35. Wet op de ondernemingsraden
De Wet op de ondernemingsraden ( Stb. 1990, 91) is niet van toepassing op de scholen in de zin van deze wet.
1.
De Wet medezeggenschap onderwijs ( Stb. 1981, 778) wordt ingetrokken.
2.
Het Besluit medezeggenschap onderwijs ( Stb. 1984, 442) blijft van kracht, totdat de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 30, tweede lid, tot stand is gekomen. Het geldt tot dat tijdstip als besluit, gebaseerd op artikel 30, tweede lid, van deze wet.
3.
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
artikel 8 van Wet medezeggenschap onderwijs 1992">
Artikel 39. Overgangsrecht bevoegdheden artikel 8
1.
Het bevoegd gezag behoeft de instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel is gekozen, voor elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de aangelegenheden, genoemd in artikel 8.
2.
Artikel 13, tweede lid, is op de besluiten, bedoeld in het eerste lid, van toepassing.
1.
Binnen 4 maanden na de inwerkingtreding van deze wet legt het bevoegd gezag een voorstel van het reglement voor de medezeggenschap voor aan de medezeggenschapsraad. De raad spreekt zich binnen 4 maanden uit over het voorstel. Het bevoegd gezag stelt het reglement slechts vast voor zover het voorstel de instemming van twee derden van het aantal leden van de raad heeft verworven.
2.
Het medezeggenschapsreglement, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs, vervalt met ingang van 1 augustus 1993, indien het bevoegd gezag niet met instemming van de raad bepaalt dat het geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip vervalt. De eerste volzin is niet van toepassing op de advies- en instemmingsbevoegdheden, bedoeld in artikel 41, eerste lid.
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 39, blijven de instemmings- en adviesbevoegdheden ten aanzien van de bijzondere medezeggenschapsaangelegenheden, bedoeld in artikel 7 van de Wet medezeggenschap onderwijs, zoals deze ingevolge genoemde wet zijn vastgelegd in het medezeggenschapsreglement, van kracht tot en met 31 juli 1993.
2.
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 15, tweede lid, en daaromtrent de vereiste overeenstemming wordt bereikt op een tijdstip, gelegen voor 31 juli 1993, kan het bevoegd gezag met instemming van twee derden van het aantal leden van de raad besluiten om het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 10 alsmede het bepaalde ingevolge artikel 15, tweede lid, in werking te doen treden op een eerder tijdstip.
3.
Voor zover in het medezeggenschapsreglement, bedoeld in het eerste lid, instemmingsbevoegdheden zijn vastgelegd die niet terugkeren in de resultaten van het bepaalde in het tweede lid, blijft het eerste lid van kracht.
1.
Een medezeggenschapsraad die op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet ingevolge artikel 4 van de Wet medezeggenschap onderwijs aan de school is verbonden, geldt dat medezeggenschapsraad in de zin van deze wet, totdat een medezeggenschapsraad aan de school is verbonden ingevolge artikel 3 van deze wet. Indien van deze raad overige leden als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de Wet medezeggenschap onderwijs, deel uitmaken, hebben zij zitting in de raad met adviserende stem.
2.
Ten aanzien van een gemeenschappelijke raad, een geledingenraad, een gemeenschappelijke geledingenraad, of voorlopige raad, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43. Commissies voor geschillen
Een commissie voor geschillen als bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs, geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet als commissie voor geschillen in de zin van deze wet.
Artikel 44. Beslissing aanhangige geschillen
De op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet nog niet besliste geschillen, door het bevoegd gezag van een school voorgelegd aan een commissie voor geschillen als bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs, gelden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet als geschillen die krachtens deze wet aanhangig zijn bij een commissie voor geschillen in de zin van deze wet.
1.
Indien aan een school nog geen medezeggenschapsraad is verbonden, wordt aan de school binnen een half jaar een voorlopige medezeggenschapsraad gekozen.
2.
Het aantal leden van de voorlopige raad bedraagt aan een school met minder dan 250 leerlingen 4 leden, met 250 tot 750 leerlingen 8 leden, met 750 tot 1250 leerlingen 12 leden en met 1250 of meer leerlingen 16 leden.
3.
Artikel 3, derde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing op de voorlopige raad.
4.
Het bevoegd gezag legt binnen drie maanden na de verkiezing van de voorlopige raad een medezeggenschapsreglement als voorstel aan deze raad voor. Vervolgens spreekt de voorlopige raad zich, na overleg met het bevoegd gezag, binnen drie maanden over het voorstel uit. De artikelen 14, tweede lid, 19, eerste lid aanhef en onderdeel b, en 21, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 47
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 49. Verslag
Onze minister brengt vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet verslag uit over de werking ervan aan de beide Kamers van de Staten-Generaal.
1.
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.
2.
Deze wet kan worden aangehaald als " Wet medezeggenschap onderwijs 1992".
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 3 december 1992
De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 1992
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 2. Aard bepalingen
Artikel 3. Medezeggenschapsraad
Artikel 4. Voorzitter medezeggenschapsraad
Artikel 5. Algemene bevoegdheden en taken medezeggenschapsraad en raadsleden
Artikel 6. Instemmingsbevoegdheid medezeggenschapsraad
Artikel 7. Adviesbevoegdheid medezeggenschapsraad
Artikel 8. Instemmingsbevoegdheid personeelsdeel medezeggenschapsraad
Artikel 9. Instemmingsbevoegdheid ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad
Artikel 10. Adviesbevoegdheid personeels- of ouders/leerlingendeel medezeggenschapsraad
Artikel 11. Regels wijze besluitvorming
Artikel 12. Adviesaanvrage
Artikel 13. Nadere regels bijzondere bevoegdheden
Artikel 14. Medezeggenschapsreglement
Artikel 15. Inhoud medezeggenschapsreglement
Artikel 16. Bijlagen medezeggenschapsreglement
Artikel 17. Geldigheidsduur bijzondere bevoegdheden ingevolge toepassing artikel 15, tweede lid
Artikel 18. Commissie voor geschillen
Artikel 19. Competentie commissie
Artikel 20. Geschillen bijzondere instemmingsbevoegdheid
Artikel 21. Geschil inhoud medezeggenschapsreglement
Artikel 22. Geschil bijzondere adviesbevoegdheid raad
Artikel 23. Geschil interpretatie
Artikel 24. Nadere geschillen
Artikel 25. Procesbevoegdheid medezeggenschapsraad
Artikel 26. Geledingenraden
Artikel 27. Deelraden
Artikel 28. Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad
Artikel 29. Gemeenschappelijke geledingenraden
Artikel 30. Afwijking bij bijzondere omstandigheden
Artikel 31. Ontheffing in verband met eigen aard
Artikel 32. Voorzieningen
Artikel 33. Scholing
Artikel 34. Inhouding vergoeding
Artikel 35. Wet op de ondernemingsraden
Artikel 36. Intrekking WMO; Besluit medezeggenschap onderwijs ; wijziging Invoeringswet W.H.B.O.
Artikel 37
Artikel 38
Artikel 39. Overgangsrecht bevoegdheden artikel 8
Artikel 40. Overgangsrecht medezeggenschapreglement
Artikel 41. Overgangsrecht bijzondere bevoegdheden
Artikel 42. Overgangsrecht medezeggenschapsraad
Artikel 43. Commissies voor geschillen
Artikel 44. Beslissing aanhangige geschillen
Artikel 45. Voorlopige medezeggenschapsraad
Artikel 46
Artikel 47
Artikel 48. Wijzigingsbepalingen bevoegd gezag openbare school
Artikel 49. Verslag
Artikel 50. Inwerkingtreding; citeertitel
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken