Wet van 18 februari 1966, inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een verplichte verzekering van loontrekkenden tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het fonds genoemd in artikel 112 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
d. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die maatschappelijk kunnen worden gelijkgesteld met verenigingen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
e. [vervallen;]
f. [vervallen;]
g. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000 ;
h. onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
i. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
j. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
k. reïntegratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
l. resterende verdiencapaciteit: datgene dat de verzekerde, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering nog met arbeid kan verdienen zoals dat bij of krachtens artikel 18 is vastgesteld;
n. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht , behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2.
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
3.
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
5.
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
6.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
7.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.
8.
Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
9.
Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet .
1.
Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel van Nederland.
1.
Werknemer is de natuurlijke persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
2.
Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland een of meer personen in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is aangewezen,
wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt niet als werknemer beschouwd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat:
a. personen, die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
b. personen, die in Nederland wonen, ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken ten aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen, op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de sociale wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van een andere mogendheid, of van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen, die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
6.
Bij een maatregel, als bedoeld in het vijfde lid, kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 3a
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als werknemer beschouwd de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als werknemer beschouwd de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
1.
Als dienstbetrekking wordt mede beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene, die anders dan als zelfstandige en anders dan als thuiswerker, ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel 750 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. degene, die de onder a bedoelde persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
c. degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
d. degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
e. [vervallen;]
f. degene, die als lid van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de besomming, tenzij hij
1. als zodanig tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid verzekerd is bij het Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij of
2. exploitant of mede-exploitant van het vaartuig is;
g. [vervallen;]
h. degene, die als bestuurder werkzaam is ten behoeve van een coöperatie die met haar leden uitsluitend arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek sluit, indien hij lid is van de coöperatie en deze blijkens haar statuten en met inachtneming van de vereisten gesteld in het derde lid en krachtens het vierde lid kan worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
2.
Het bepaalde in het vorige lid, onder a en b, blijft buiten toepassing, indien de onder a bedoelde overeenkomst rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
3.
Een coöperatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, dient te voldoen aan de vereisten, dat:
a. doorgaans ten minste twee derde deel van het aantal personen met wie de coöperatie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van de coöperatie is;
b. het lidmaatschap van de coöperatie door ieder van de in onderdeel a bedoelde personen onder dezelfde voorwaarden kan worden verkregen en voorwaarden van geldelijke aard geen wezenlijke belemmering vormen voor de verkrijging van het lidmaatschap;
c. de leden van de coöperatie ieder één stem hebben;
d. de arbeidsvoorwaarden van de leden van de coöperatie niet wezenlijk verschillen van hetgeen gebruikelijk is bij gelijksoortige ondernemingen in de desbetreffende sector;
e. een lid van de coöperatie, behoudens in geval van liquidatie van de coöperatie, bij beëindiging van zijn lidmaatschap ten hoogste aanspraak kan maken op het door hem uit hoofde van een geldelijke voorwaarde als bedoeld in onderdeel b, hetzij uit anderen hoofde aan de coöperatie betaalde bedrag, herrekend naar geldontwaarding.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waarbij de in het derde lid genoemde vereisten
a. nader worden bepaald;
b. worden aangevuld met andere vereisten op grond waarvan de coöperatie kan worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
5.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder zelfstandige verstaan de persoon die:
a. in Nederland woont en die belastbare winst uit onderneming geniet als bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft; of
b. niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming geniet als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
c. directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, en het werk tot stand brengt uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming van de rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.
Artikel 5
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld, ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene, die als thuiswerker arbeid verricht;
b. degene, die de onder a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene, die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent;
d. degene, die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.
1.
Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene, die minister, staatssecretaris, Nationale ombudsman, substituut-ombudsman, lid van gedeputeerde staten of wethouder, is;
b. degene, die een verplichting naleeft, hem opgelegd door de wet of voortvloeiende uit een verbintenis anders dan bij arbeidsovereenkomst door hem jegens de Overheid aangegaan ten aanzien van ’s lands verdediging of ter bescherming van de openbare orde en de veiligheid der bevolking, alsmede van degene, die als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden verricht bij de brandweer;
c. degene die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat;
d. de directeur-grootaandeelhouder;
e. een persoon, indien degene met wie hij de arbeidsverhouding heeft, met betrekking tot die arbeidsverhouding op grond van artikel 6a van de Wet op de loonbelasting 1964 niet als inhoudingsplichtige wordt beschouwd;
f. degene die als vrijwilliger als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen als bedoeld in dat lid ontvangt met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 150 per maand en € 1 500 per kalenderjaar.
2.
Geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen, waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in:
a. een normale onderbreking van of verhindering tot het verrichten van de arbeid, zolang deze onderbreking of verhindering niet langer dan een maand heeft geduurd;
b. weersinvloeden, gebrek aan materialen of dergelijke omstandigheden;
c. [vervallen;]
d. de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe strekt, dat slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht;
e. de omstandigheid, dat de dienstbetrekking er toe strekt, dat niet regelmatig in elke kalenderweek arbeid wordt verricht, voor zover het betreft de kalenderweek waarin arbeid wordt verricht of arbeid zou worden verricht, indien de betrokkene niet arbeidsongeschikt was geworden;
f. arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan ziekengeld ingevolge de Ziektewet of arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge deze wet is toegekend.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder het verrichten van diensten ten behoeve van een huishouden mede verstaan het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden.
4.
Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing op de aldaar bedoelde arbeidsverhoudingen.
5.
Door Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt verstaan.
Artikel 7
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566) uitkering ontvangt;
b. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet, doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van die wet of van het uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of van een regeling als bedoeld in onderdeel c;
c. degene, die wegens werkloosheid niet werkt en die ingevolge een door Onze Minister aan te wijzen, van overheidswege getroffen regeling uitkering ontvangt.
Artikel 7a
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
a. degene, die krachtens de verplichte verzekering ingevolge de Ziektewet ziekengeld ontvangt;
b. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen degene, die wegens arbeidsongeschiktheid niet werkt, doch aan wie geen ziekengeld wordt verleend op grond van enige bepaling van de Ziektewet ;
c. degene, die wegens arbeidsongeschiktheid niet werkt, doch aan wie geen ziekengeld wordt betaald op grond van artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet maar wel een toeslag op grond van de Toeslagenwet .
1.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd degene, die op grond van de verplichte verzekering ingevolge deze wet uitkering ontvangt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op diegene die niet in Nederland woont.
Artikel 7c
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
a. de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg aan wie uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van die wet;
b. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen, degene die in verband met zwangerschap en bevalling niet werkt, anders dan bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet, doch aan wie geen uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg.
Artikel 8
Werkgever is de overheidswerkgever onderscheidenlijk de natuurlijke persoon tot wie of het lichaam tot welk een of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.
Artikel 9
Als werkgever wordt beschouwd:
1°. in de gevallen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene, met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: [vervallen;]
f: de exploitant of mede-exploitant van het vaartuig;
g: [vervallen;]
h: de coöperatie;
2°. in de gevallen, bedoeld in artikel 5, onder:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene, met wie het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene, die bij de in artikel 5 bedoelde algemene maatregel van bestuur als werkgever wordt aangewezen;
3°. de aangewezen inhoudingsplichtige, bedoeld in artikel 6, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt als werkgever beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, artikel 7a, onderdelen a en c, artikel 7b en artikel 7c, onderdeel a.
2.
In de gevallen, bedoeld in artikel 7, onderdeel b en c, artikel 7a, onderdeel b, en artikel 7c, onderdeel b, wordt als werkgever beschouwd degene, die door Onze Minister als werkgever wordt aangewezen.
3.
Ingeval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering of toeslag, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 8, 9 of 11, teneinde deze uitkering of toeslag door diens tussenkomst te doen uitbetalen, treedt voor de toepassing van het eerste lid, deze in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de door de werkgever verschuldigde premies, bedoeld in het derde lid, nadere regels worden gesteld.
Artikel 11
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9 een ander dan de aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking tot:
a. degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander;
b. degene, die een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene, die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent.
Artikel 12
De werkgever is verplicht de verzekerde gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de hem bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.
1.
Deze wet verstaat onder loon het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
2.
Minimumloon is het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet, en vervolgens gedeeld door 21,75.
3.
Loon, door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
4.
Degene, die krachtens een regeling als bedoeld in artikel 7, onderdeel c, uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag, waarover hij die uitkering ontvangt, een loon te ontvangen, gelijk aan die uitkering.
1.
Voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
1.
De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) wordt herzien.
2.
Onze Minister maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt.
3.
Een herziening van de uitkering als gevolg van een herziening van het dagloon vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
4.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden.
1.
De persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is geworden en op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd, verzekerd was op grond van de verplichte verzekering blijft verzekerd:
a. gedurende de wachttijd, bedoeld in artikel 19;
b. gedurende vier weken na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, indien hij na afloop van die wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt is, doch binnen die vier weken 15% of meer arbeidsongeschikt is;
c. gedurende de periode waarover hij recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2.
De persoon die arbeidsongeschikt is geworden en op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd, verzekerd was op grond van de verplichte verzekering blijft verzekerd:
a. gedurende vijf jaar na de intrekking, bedoeld in artikel 43, indien artikel 43a, eerste lid, geen toepassing vindt omdat artikel 43a, vierde lid, van toepassing is;
b. gedurende vijf jaar na het bereiken van het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, na welke wachttijd hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, indien artikel 43a, eerste lid, geen toepassing vindt omdat artikel 43a, vierde lid, van toepassing is.
1.
De persoon die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering meer arbeidsongeschikt wordt, wordt voor het recht op herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd alsof hij verzekerd was gebleven. Indien de verzekering berust op een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ontstaat de in de eerste zin bedoelde aanspraak op herziening van de uitkering eerst na het beëindigen van de dienstbetrekking.
2.
Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die in verband met artikel 6, eerste lid, onder a of b, niet verzekerd is.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan personen die niet verzekerd zijn en die arbeidsongeschikt of, die in gevallen als bedoeld in artikel 37, tweede lid, meer arbeidsongeschikt worden als gevolg van bij die maatregel aan te wijzen beroepsziekten, voor het recht op toekenning, onderscheidenlijk herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering worden beschouwd alsof ze verzekerd zijn.
1.
Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2.
Degene die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt, reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt, indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen soortgelijke personen, die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. De eerste zin blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip, waarop de verzekering een aanvang nam, ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van achttien maanden, heeft genoten, behoudens voorzover het betreft gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid, die bestond op de dag, voorafgaande aan de eerste dag van dit verlof. Als ononderbroken onbetaald verlof wordt aangemerkt perioden van onbetaald verlof die elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen.
3.
Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.
4.
Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien bij de aanvang van de verzekering de betrokkene uit hoofde van een vroegere verzekeringsperiode reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt.
5.
In het eerste en tweede lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
6.
Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
7.
[Vervallen.]
8.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
9.
De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers van de Staten-Generaal overgelegd.
10.
Bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in deze wet maakt de verzekeringsarts zo veel mogelijk gebruik van wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen.
1.
De verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.
2.
Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
3.
Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die na afloop van het in het eerste, tweede, en zevende lid bedoelde tijdvak niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
4.
Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene, die minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
5.
Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in de vorige leden, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken, gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet en worden niet in aanmerking genomen tijdvakken gedurende welke een uitkering wordt genoten als bedoeld in het tweede lid.
6.
Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt een belanghebbende geacht aanspraak te hebben op ziekengeld krachtens de Ziektewet , indien hem in verband met de artikelen 19a, 19b, 19c, 29, 30, 31, 44 en 45 van de Ziektewet geen ziekengeld wordt uitgekeerd.
7.
De wachttijd, bedoeld in het eerste lid, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verlengd op gezamenlijk verzoek van de verzekerde en de werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij artikel 29 of  artikel 29a, eerste of vierde lid, van de Ziektewet van toepassing is dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a van de Ziektewet, tenzij onderdeel a van artikel 76c van die wet van toepassing is, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten. De verlengde wachttijd eindigt op de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangegeven datum. De verlengde wachttijd kan op verzoek van de werkgever of de verzekerde worden verkort of wordt op hun gezamenlijk verzoek verder verlengd tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt bij verkorting van de verlengde wachttijd een nieuwe datum vast waarop de verlengde wachttijd eindigt, met dien verstande dat de wachttijd niet eerder eindigt dan vijftien weken na dat verzoek tenzij de werkgever voor het verstrijken van het tijdvak van die vijftien weken geen loon meer verschuldigd is, omdat de dienstbetrekking is geëindigd. Bij de bekendmaking van de beschikking maakt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen melding van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor de toekenning van de uitkering alsmede van de termijn binnen welke die aanvraag wordt gedaan. Het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit lid.
Artikel 19aa
De verzekerde, bedoeld in artikel 19, heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan reeds recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft.
1.
De verzekerde, bedoeld in artikel 19, heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan dan wel de dag na afloop van de toepassing van artikel 19b met betrekking tot dat recht op uitkering, is gelegen in een periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
2.
De persoon, die op grond van het eerste lid geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is, maar op grond van artikel 19b van de Ziektewet geen recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 18, tweede tot en met vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a zijn niet van toepassing, behoudens voorzover het betreft de op de dag voorafgaande aan de eerste dag dat die persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
4.
De persoon, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na die dag, wordt vanaf de dag dat hij in vrijheid is gesteld weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 30, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
5.
Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
Artikel 19b
De verzekerde, bedoeld in artikel 19, heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien en voor zolang hij zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
1.
De verzekerde, bedoeld in artikel 19, heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode dat hij niet in Nederland woont.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde op die dag woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.
3.
De persoon, die op grond van het eerste lid geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is, maar op grond van artikel 19a van de Ziektewet geen recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag:
a. dat hij in Nederland woont; of
b. dat hij in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan;
weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 18, tweede tot en met vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a, zijn niet van toepassing.
4.
De persoon, bedoeld in het derde lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na die dag, wordt vanaf die dag weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 30, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de verzekerde, bedoeld in artikel 19, recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan is gelegen in een periode dat de verzekerde niet in Nederland woont ingeval van:
a. een verzekerde die werkzaamheden verricht in het algemeen belang;
b. een verzekerde die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
6.
Onze Minister deelt mede in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan. In deze mededeling wordt tevens opgenomen:
a. de vindplaats van het desbetreffende verdrag of besluit, en
b. de eventueel in dat verdrag of besluit aanwezige beperkingen.
1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet bestaat achtereenvolgens uit een loondervingsuitkering, waarvoor het dagloon als maatstaf geldt en een vervolguitkering, waarvoor het vervolgdagloon als maatstaf geldt.
2.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
3.
Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.
Artikel 21a
De duur van de loondervingsuitkering is voor degene, die op de datum met ingang waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend:
58 jaar of ouder is zes jaar;
53 jaar of ouder is drie jaar;
48 jaar of ouder is twee jaar;
43 jaar of ouder is anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is één jaar;
33 jaar of ouder is een half jaar, en
jonger is dan 33 jaar nihil.
1.
Na afloop van de in artikel 21a bedoelde periode bestaat recht op vervolguitkering met als maatstaf het vervolgdagloon.
2.
Het vervolgdagloon is gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen het dagloon en het minimumloon.
3.
Voor de berekening van het vervolgdagloon geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op de datum met ingang waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend.
4.
Indien het dagloon lager is dan het minimumloon wordt het vervolgdagloon vastgesteld op het dagloon.
5.
Voor de toepassing van artikel 21a en het derde lid wordt voor degene ten aanzien van wie artikel 35, tweede lid, wordt toegepast als datum met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend in aanmerking genomen de datum waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn toegekend als dat lid niet was toegepast.
Artikel 22
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de betrokkene in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, verkeert, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste 100/108 maal zijn dagloon of zijn vervolgdagloon verhoogd. Het bepaalde in de vorige volzin vindt geen toepassing, indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, zo vaak hij dat nodig oordeelt de persoon die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, oproepen of doen oproepen en op een door of vanwege het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen in verband met de aanspraak op of het genot van een arbeidsongeschiktheidsuitkering of de toekenning dan wel verstrekking van een reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk IIB.
2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde personen op een door of vanwege het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats door een of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.
3.
De daartoe door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en doen onderzoeken door een of meer door hem daartoe aangewezen deskundigen.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen deskundige kunnen de persoon die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voorschriften geven in het belang van een behandeling of van genezing dan wel voorzover dit voortvloeit uit de taak tot bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in het kader van de uitvoering van het eerste lid voorschrijven dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zich laat registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien een persoon als bedoeld in artikel 23, eerste lid, na tijdig opgeroepen te zijn, niet verscheen of weigerde:
a. vragen te beantwoorden die zijn gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift, gegeven door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting.
2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond.
Artikel 26
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vast te stellen.
Artikel 27
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
Artikel 28
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 25:
a. indien de belanghebbende de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige krachtens artikel 24 in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid en tot registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegeven voorschriften zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. indien de belanghebbende zich niet, zolang als het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
c. indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan gedragingen, waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mede te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;
d. indien de belanghebbende de controlevoorschriften, bedoeld in artikel 27, of de verplichting bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen dan wel de verplichting bedoeld in artikel 80 niet binnen de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
e. indien de belanghebbende zijn arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. indien belanghebbende zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 34, derde lid, artikel 34a, eerste lid, of artikel 34a, vierde lid;
g. indien de belanghebbende zonder redelijke gronden niet meewerkt aan een scholing of opleiding die door zijn werkgever of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uit hoofde van de uitoefening van hun taak op grond van artikel 658a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek respectievelijk artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wenselijk wordt geacht voor zijn inschakeling in de arbeid;
h. indien de belanghebbende zonder deugdelijke grond weigert of heeft geweigerd mee te werken aan door zijn werkgever of door een door die werkgever aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de belanghebbende in staat te stellen passende arbeid te verrichten dan wel indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en bij de beoordeling als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, blijkt dat de belanghebbende zonder deugdelijke grond onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt onder werkgever mede verstaan de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet;
i. indien de belanghebbende zonder redelijke gronden niet meewerkt aan het opstellen van de reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of het reïntegratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet;
j. indien de belanghebbende de verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of in het reïntegratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
k. indien de belanghebbende die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn reïntegratieverplichtingen niet naleeft, de reden daarvan niet onmiddellijk aan het reïntegratiebedrijf heeft medegedeeld.
1.
Een maatregel als bedoeld in artikel 25 of 28 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 28 en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan de voorschriften, bedoeld in artikel 34, derde lid, of in artikel 34a, eerste lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
3.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.
Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 29a wordt opgelegd.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichtingen, bedoeld in artikel 80. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
2.
In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
3.
Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 80, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
4.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 80, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
5.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichtingen, bedoeld in artikel 80, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
6.
Onder eenzelfde gedraging als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 80 van deze wet, 25 van de Werkloosheidswet, 12 van de Toeslagenwet, 12, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 31, eerste lid, of 49 van de Ziektewet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering, ziekengeld of toeslag is verleend.
7.
In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
8.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
9.
Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
10.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
11.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijk boete is opgelegd.
12.
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijk boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten , de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen , de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen , de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet , die de degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd ontvangt.
2.
Onverminderd het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft.
3.
De Sociale verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet , de Algemene nabestaandenwet , de Wet werk en bijstand , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen .
4.
De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
5.
Zolang de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 29a, negende lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in afwijking van artikel 4.93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
1.
Bij de verrekening, bedoeld in artikel 29g, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 29a, vijfde lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.
2.
Artikel 29g, eerste lid, en het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 29a, zesde lid, indien en voor zover op het moment van verrekening, bedoeld in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet is betaald.
3.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op verzoek van de overtreder besluiten het eerste lid en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
4.
De voorgaande leden laten de verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel 29g, eerste lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
5.
Indien als gevolg van de verrekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij ministeriële regeling bepaald deel van de uitkering op grond van deze wet op aanvraag vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen. Het vrij te laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie.
6.
Voor de toepassing van het vijfde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
7.
Het vrijgelaten deel, bedoeld in het vijfde lid, is niet vatbaar voor beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
Artikel 29i
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verzekerde de uitkering op grond van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die verzekerde werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die beschikking in kennis voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten:
a. algehele arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid, welke binnen een half jaar na het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.
2.
Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip, waarop de verzekering een aanvang nam, ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van achttien maanden, heeft genoten, behoudens voorzover het betreft arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid, die bestond op de dag, voorafgaande aan de eerste dag van dit verlof. Als ononderbroken onbetaald verlof wordt aangemerkt perioden van onbetaald verlof die elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen.
3.
De in het eerste lid, onder b, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid, welke binnen een half jaar na de aanvang van de verzekering is ingetreden.
4.
Het bepaalde in het eerste lid, onder b, blijft buiten toepassing ten aanzien van degene, die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam, in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder a of b, niet verzekerd was.
5.
Onze Minister kan met betrekking tot de bij dit artikel aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegeven bevoegdheid nadere regelen stellen.
Artikel 30a
Indien voor het vaststellen van het recht op uitkering op grond van deze wet, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van een uitkering op grond van deze wet, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een medisch onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op een uitkering op grond van deze wet buiten aanmerking, voor zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.
Artikel 31
Zolang het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge de artikelen 25, 28, 30, en 30a arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel 18, tweede lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de betrokkene aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande, dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip, met ingang waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.
1.
Met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken wordt buiten aanmerking gelaten arbeidsongeschiktheid, welke is ingetreden tijdens een periode, gedurende welke de verzekerde op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen ontheffing was verleend van verplichtingen op grond van deze wet.
2.
Artikel 30, tweede lid, en artikel 31 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag toegekend.
2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de belanghebbende van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop de wachttijd van 104 weken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, verstrijkt.
3.
De belanghebbende, die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van de uitkering, dient zijn aanvraag te doen binnen 21 maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid. Indien de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, is verlengd op grond van het zevende lid van dat artikel wordt de aanvraag voor de toekenning van de uitkering, in afwijking van de eerste zin, uiterlijk 13 weken voor het verstrijken van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde verlengde wachttijd gedaan.
4.
Onverminderd het in deze wet terzake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde wordt ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 zijn geboren, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald tijdstip door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er in verband met wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het tijdstip kan voor verschillende groepen van personen verschillend worden vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de eerste zin niet van toepassing is op bepaalde groepen van personen.
5.
Ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 maar voor 2 juli 1959 zijn geboren en die voor 22 februari 2007 op grond van het vierde lid zijn herbeoordeeld, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er per 22 februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet van toepassing op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld.
6.
Op grond van de beoordeling, bedoeld in het vijfde lid, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid van de persoon, bedoeld in het vijfde lid, die niet heeft verzocht om een nieuwe medische beoordeling, niet lager vastgesteld dan de mate van arbeidsongeschiktheid die voor die persoon gold op 21 februari 2007.
7.
Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend, indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.
8.
Indien de toepassing van het derde lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering ambtshalve toe te kennen.
9.
Indien de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, is verlengd op grond van het zevende lid van dat artikel, besluit het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aanvraag, bedoeld in het derde lid, niet te behandelen, indien deze is ingediend vóór het verzoek tot de verlenging.
1.
De aanvraag voor de toekenning van de uitkering gaat vergezeld van een reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 71a. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover artikel 71b, eerste lid, toepassing vindt. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet en de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie- inspanningen, die zijn verricht.
2.
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toepassing heeft gegeven aan artikel 71a, negende lid, of artikel 71b, derde lid, tweede zin, wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aanvraag af.
3.
Bij de bekendmaking van de beschikking, bedoeld in het tweede lid, maakt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen melding van de mogelijkheid tot het doen van een nieuwe aanvraag voor de toekenning van de uitkering alsmede van de termijn binnen welke die aanvraag wordt gedaan.
4.
De termijn, waarbinnen de belanghebbende een nieuwe aanvraag voor de toekenning van de uitkering doet, is:
a. uiterlijk dertien weken voor het verstrijken van het tijdvak waarover de werkgever op grond van artikel 629 lid 11, onderdeel d, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, verplicht is het loon te betalen dan wel op grond van artikel 76a, zesde lid, onderdeel c, van de Ziektewet, verplicht is bezoldiging te betalen.
b. zo spoedig mogelijk, indien het tijdvak waarover de werkgever op grond van artikel 629 lid 11, onderdeel d, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, verplicht is het loon te betalen dan wel op grond van artikel 76a, zesde lid, onderdeel c, van de Ziektewet, verplicht is bezoldiging te betalen, minder bedraagt dan 13 weken of indien de werkgever vóór het verstrijken van dat tijdvak geen loon meer verschuldigd is;
c. uiterlijk dertien weken voor het verstrijken van het tijdvak waarover de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet, op grond van artikel 29, negende lid, van die wet verplicht is het ziekengeld te betalen;
d. zo spoedig mogelijk, indien het tijdvak waarover de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet, op grond van artikel 29, negende lid, van die wet verplicht is het ziekengeld te betalen, minder bedraagt dan 13 weken.
1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, met ingang van welke de belanghebbende aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.
2.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag, waarop de aanvraag werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.
1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
2.
Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 37 tot en met 40.
1.
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt hij die in:
a. ter uitvoering van een beschikking als bedoeld in artikel 30;
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien.
3.
Een beschikking tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 65c, of van inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 65d wordt ingetrokken of herzien indien onderscheidenlijk de loonsuppletie, de inkomenssuppletie of de voorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
1.
De intrekking of verlaging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, vindt niet eerder plaats dan zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever.
2.
Het eerste lid geldt niet, indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de verzekerde ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
1.
Terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd.
2.
De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, terzake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.
3.
Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van 104 weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of  3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
1.
Terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd artikel 39, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2.
Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, doch minder dan 80%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, doch binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan die uitkering is herzien, de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste lid van toepassing, onder afwijking van artikel 37.
3.
Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of  3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
1.
Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid intreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering reeds eerder wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 % of meer, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80 %;
d. binnen een door Onze Minister aan te geven termijn in door Onze Minister aan te wijzen gevallen.
2.
Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk eerder wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, met toepassing van artikel 35, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 42, tweede lid, geldt met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid, onder a en b, als dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend onderscheidenlijk herzien de dag, met ingang van welke die uitkering zou zijn toegekend onderscheidenlijk herzien, indien artikel 35, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 42, tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.
3.
Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 34, vijfde lid, plaats met ingang van 22 februari 2007.
4.
Onze Minister is bevoegd regels te stellen voor gevallen waarbij direct herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Ingevolge deze regels kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van degene die bij hervatting van de arbeid inkomen geniet, dat minder bedraagt dan evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.
1.
Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2.
Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of  3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
3.
Dit artikel vindt geen toepassing, indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38 of 39, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid.
Artikel 39b
Indien als gevolg van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid zowel recht op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat of is ontstaan op grond van de artikelen 38, 39 of 39a, als op ziekengeld op grond van de Ziektewet , wordt het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of wordt verhoogd uitbetaald voor zover dit het ziekengeld overtreft, danwel zou overtreffen, indien het ziekengeld op grond van artikel 45 van de Ziektewet geheel of gedeeltelijk is geweigerd.
1.
Het dagloon van de verzekerde, bedoeld in artikel 19aa, wordt met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14, mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 14 wordt bij de dagloonvaststelling, bedoeld in de eerste zin, de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet niet aangemerkt als loon.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 14, eerste lid, in plaats van de woorden «voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden» gelezen: voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ontstaan waaruit het tweede recht op arbeidsongeschiktheiduitkering zou zijn ontstaan.
3.
Ingeval tijdens het ontvangen van een vervolguitkering ten aanzien van de verzekerde die na het ontstaan van recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ziek is geworden, als gevolg van de toepassing van artikel 19aa, geen tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat wordt, met inachtneming van de tweede tot en met vierde zin, met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan, een loondervingsuitkering toegekend. Voor de duur van die loondervingsuitkering is, in afwijking van artikel 21a, de leeftijd van de betrokkene op de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan bepalend. Toekenning van de loondervingsuitkering is slechts mogelijk indien de duur van die uitkering langer is dan de duur van de loondervingsuitkering waarop recht bestond onmiddellijk voorafgaande aan de datum van ingang van de vervolguitkering. De duur van de toe te kennen loondervingsuitkering wordt verminderd met de duur van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering. Tijdens de duur van die loondervingsuitkering bestaat geen recht op vervolguitkering.
4.
Na afloop van de in het derde lid bedoelde loondervingsuitkering geldt voor de berekening van het vervolgdagloon, in afwijking van artikel 21b, derde lid, een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op de dag van ingang van de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
1.
Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.
2.
Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt in elk geval ambtshalve plaats, indien de betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet dan wel na afloop van het in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of in artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet bedoelde tijdvak van 104 weken in aanmerking komt voor een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering.
1.
De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, met ingang van welke de belanghebbende ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
2.
Met betrekking tot de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke een verhoging van die uitkering tot gevolg heeft, is het bepaalde in artikel 35, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
3.
De herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag, welke in de beschikking wordt genoemd als de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid was afgenomen.
4.
Indien herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding.
1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 15 % is gedaald.
2.
De intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag, welke in de beschikking wordt genoemd als de dag, waarop de arbeidsongeschiktheid was geëindigd of beneden 15 % was gedaald.
3.
Indien intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide opleiding of scholing, is artikel 42, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
4.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene die deelneemt aan een opleiding of scholing, wordt gedurende deze opleiding of scholing niet ingetrokken of herzien in verband met een daaruit voortvloeiende afname van de arbeidsongeschiktheid. Indien de belanghebbende tijdens de opleiding of scholing inkomen verwerft, is artikel 44, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
5.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken, indien degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
6.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken, indien degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
7.
Voor de verzekerde die op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het zesde lid, eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het vijfde lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat.
8.
Voor de toepassing van het vijfde lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
1.
Indien degene
a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, of
b. die aan het einde van de in artikel 19, bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was,
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
2.
Voor het bepalen van de periode van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, of  3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
3.
In de gevallen, waarin artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk artikel 3:21 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten geen toepassing vindt omdat artikel 29b van de Ziektewet toepassing kan vinden, wordt het aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag te leggen dagloon niet lager gesteld dan 108/100 maal de grondslag die voor de berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten in aanmerking werd genomen, dan wel 108/100 maal de grondslag die in aanmerking zou zijn genomen, indien na het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk artikel 3:3, eerste lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, recht zou hebben bestaan op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een laatstbedoelde wet, zoals die sinds de beëindiging van die uitkering onderscheidenlijk sinds het einde van die wachttijd op grond van artikel 8 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk artikel 3:7 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten zou zijn herzien.
4.
Dit artikel vindt geen toepassing, indien op grond van artikel 47 aanspraak bestaat op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
5.
De artikelen 19a en 19b en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
6.
Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit artikel wordt toegekend en tevens recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet bestaat, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze het ziekengeld overtreft, danwel zou overtreffen, indien het ziekengeld op grond van artikel 45 van de Ziektewet geheel of gedeeltelijk is geweigerd.
1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien de verzekerde niet meer in Nederland woont.
2.
Artikel 20, tweede, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43c
In de gevallen waarin artikel 43a toepassing vindt wordt het aan de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag te leggen dagloon niet lager gesteld dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering in aanmerking werd genomen, dan wel het dagloon dat in aanmerking zou zijn genomen indien na het einde van de in artikel 19, bedoelde wachttijd recht zou hebben bestaan op een loondervingsuitkering, zoals dat sinds de beëindiging van de uitkering onderscheidenlijk sinds het einde van die wachttijd op grond van artikel 15 zou zijn herzien.
Artikel 43d
De arbeidsongeschiktheidsuitkering, onderscheidenlijk de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in geval van herziening van die uitkering op grond van de artikelen 37, 38, 39 en 39a, wordt niet uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarin recht bestaat op ziekengeld op grond van artikel 29, negende lid, van de Ziektewet, op loon op grond van artikel 629 lid 11, onderdeel d, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel op bezoldiging op grond van artikel 76a, zesde lid, van de Ziektewet.
1.
Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of
b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
Na afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.
2.
Het in het eerste lid genoemde tijdvak van vijf jaar vangt aan op de eerste dag waarop arbeid wordt verricht, waarbij een nieuw tijdvak als bedoeld in het eerste lid aanvangt indien diegene andere arbeid gaat verrichten.
3.
Indien op de laatste dag van het in het eerste lid genoemde tijdvak van vijf jaar inkomen wordt genoten, maar geen arbeid wordt verricht, wordt dit tijdvak verlengd tot en met de laatste dag waarop dat inkomen wordt genoten.
4.
Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet, dat bestaat uit loon ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet sociale werkvoorziening, is het eerste lid voor onbeperkte duur van toepassing.
5.
Onze Minister kan bepalen dat het eerste lid voor onbeperkte duur toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen personen.
6.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de gevallen waarin het eerste lid buiten toepassing blijft.
7.
Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.
1.
Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45 %, in verband met het bepaalde in artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
2.
Het bepaalde in het vorige lid is mede van toepassing met betrekking tot degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45 %, in verband met het bepaalde in artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen 4 weken na de dag, met ingang van welke die uitkering, welke voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45 %, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
3.
Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45 %, in verband met het bepaalde in artikel 43, eerste lid, is ingetrokken met ingang van een dag, die gelegen is binnen vier weken na de dag, met ingang waarvan die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen die periode van vier weken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 39, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45 %, in verband met het bepaalde in artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, heeft, onverminderd het bepaalde in het tweede en het derde lid, indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een andere oorzaak dan die, waaruit de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
5.
Ten aanzien van degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken in verband met artikel 43, eerste lid, en die weer arbeidsongeschikt is geworden op grond van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 34, vijfde lid, vindt heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met ingang van 22 februari 2007.
6.
De heropening gaat in op de dag, met ingang van welke de betrokkene weer arbeidsongeschikt is geworden en vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op die dag.
7.
Indien zowel recht bestaat of is ontstaan op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit artikel als op ziekengeld op grond van de Ziektewet, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze het ziekengeld overtreft, danwel zou overtreffen, indien het ziekengeld op grond van artikel 45 van de Ziektewet geheel of gedeeltelijk is geweigerd.
8.
De artikelen 17, tweede lid, 19, vierde lid, 19a, 19b en de daarop berustende bepalingen, en 35, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
9.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag of ambtshalve heropend.
1.
De persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43b, eerste lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag:
a. dat hij in Nederland woont; of
b. waarop een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden in het land waar betrokkene woont, op grond waarvan recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan;
met inachtneming van de bepalingen van de wet aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
2.
Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
3.
De artikelen 19, vierde lid, 35 en 47, achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
1.
De persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43, vijfde lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
2.
Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
3.
De artikelen 19, vierde lid, 35, en 47, achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
4.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
1.
De persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43, zesde lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel met inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
2.
Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
3.
De artikelen 19, vierde lid, 35, en 47, achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt heropend door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2.
De heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een voortzetting van de ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van de artikelen 38, derde lid, 39, eerste lid, onderdeel c, en 39a wordt daarbij met herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid gelijk gesteld intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3.
Voor de berekening van de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt als dagloon of vervolgdagloon beschouwd het dagloon of vervolgdagloon, waarnaar de ingetrokken uitkering op de dag van ingang van de heropende uitkering zou zijn berekend, indien de uitkering niet was ingetrokken, tenzij hernieuwde vaststelling van een dagloon overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14 en met inachtneming van artikel 15 tot een hoger dagloon of vervolgdagloon leidt, in welk geval de heropende uitkering aan de hand van dit dagloon of vervolgdagloon wordt berekend.
1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering neemt een einde met ingang van de dag waarop de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.
2.
Toekenning of heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats, indien de uitkering onderscheidenlijk de heropening zou ingaan op of na de in het eerste lid bedoelde dag.
1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt als regel in termijnen van niet langer dan een maand.
2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering bestaat;
c. degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 25, 28 of 80 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
3.
Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
4.
Wanneer degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn, aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking der machtiging.
5.
Onze Minister kan regelen vaststellen inzake de betaalbaarstelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering door organen, welke belast zijn met de uitbetaling van invaliditeitsuitkering of van pensioen uit anderen hoofde dan ingevolge deze wet.
6.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, onder door hem te stellen voorwaarden, op verzoek van de in het vorige lid bedoelde organen, gelijktijdig met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, invaliditeitsuitkeringen of pensioenen, verschuldigd door die organen, betaalbaar te stellen.
7.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt regels omtrent de betaalbaarstelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in gevallen waarin de verzekerde recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering over een periode waarover hij tevens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt.
8.
Indien een reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon aan wie een uitkering op grond van deze wet is toegekend, onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een beschikking omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
9.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het reïntegratiebedrijf in kennis van een beschikking tot opschorting of schorsing als bedoeld in het achtste lid.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van een uitkering ingevolge deze wet op indien degene aan wie uitkering is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
2.
De betaling van een uitkering ingevolge deze wet wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.
Artikel 51
Voor zover betreft het in ontvangst nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
1.
Is van de aanvrager of ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een adres in Nederland bekend, terwijl in de basisregistratie personen ambtshalve is opgenomen dat hij is vertrokken naar een onbekend land van verblijf, dan verzoekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem de afwijkende registratie in de basisregistratie personen binnen een redelijke termijn ongedaan te laten maken.
2.
Wanneer na afloop van deze termijn, de afwijkende registratie niet is beëindigd of als uit de basisregistratie personen niet blijkt dat het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de gegevens over het adres in onderzoek heeft genomen, schort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de betaling van de uitkering aan de persoon, aan wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, op.
3.
De opschorting wordt beëindigd zodra is vastgesteld dat de persoon, bedoeld in het tweede lid, in het buitenland woont of verblijft of dat een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen.
4.
Indien het onderzoek van het college van burgemeester en wethouders is afgerond en de persoon, bedoeld in het tweede lid, in de basisregistratie personen ambtshalve opgenomen blijft met gegevens over het vertrek uit Nederland, schort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de betaling van de uitkering op tot verblijf in het buitenland kan worden vastgesteld of een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen.
1.
Na het overlijden van degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden, de arbeidsongeschiktheidsuitkering in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde.
2.
De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering over één maand, doch niet over de zaterdagen en zondagen, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk voor de dag van overlijden, van degene aan wie die arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend.
3.
In verband met het overlijden van degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, is artikel 49, eerste lid, niet van toepassing.
4.
De overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden genoemd in het eerste lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uitbetaald.
5.
De overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
6.
Het bedrag van de overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen reeds is uitbetaald.
1.
Indien de degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
2.
Indien degene, aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, van de desbetreffende inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
3.
Indien het eerste lid toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat niet aan het Zorginstituut Nederland wordt uitbetaald.
4.
Een herziening van de uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Artikel 56
De termijnen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag der betaalbaarstelling, worden niet meer uitbetaald.
1.
De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
2.
In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
3.
De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80.
4.
De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80.
5.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
6.
Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
7.
In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 57, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
2.
Artikel 29g is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Artikel 57b
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
1.
In afwijking van artikel 57, eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigde betaling ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 80, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 29a is opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht .
3.
Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van belanghebbende gewijzigd indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn schuld aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Artikel 59
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 57 en 58 is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 59a
Degene, die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft recht op een vakantie-uitkering.
1.
De vakantie-uitkering bedraagt 8 pct. van het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop recht bestond in de periode van twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei.
2.
Indien artikel 44 is toegepast, wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in het eerste lid verstaan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, nadat artikel 44 is toegepast.
3.
De uitbetaling van de vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar ambtshalve plaats in de maand mei.
4.
Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt het percentage van de in het eerste lid bedoelde vakantie-uitkering, alsmede de noemer van de in de artikelen 21, tweede lid en 22, bedoelde breuk dienovereenkomstig aangepast. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over de periode aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat. Het aldus gewijzigde percentage en de aldus gewijzigde noemer treden in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage onderscheidenlijk de in de artikelen 21, tweede lid en 22, genoemde noemer.
5.
De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
6.
In afwijking van het derde lid vindt, indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd en het niet aannemelijk is dat binnen korte tijd wederom recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zal ontstaan, uitbetaling van de vakantieuitkering plaats gelijktijdig met de uitbetaling van de laatste termijn van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of zo spoedig mogelijk daarna.
7.
Indien na de toepassing van het zesde lid wederom recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat en dientengevolge het derde lid of het zesde lid moet worden toegepast, wordt daarbij rekening gehouden met hetgeen met toepassing van het zesde lid reeds werd uitbetaald.
Artikel 59c
Onze Minister kan nadere regelen stellen ter berekening van de vakantie-uitkering van degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering met toepassing van het bepaalde krachtens artikel 65 niet of niet ten volle wordt uitbetaald en die naast de uitkering ingevolge de wetgeving van een andere Mogendheid eveneens recht heeft op een vakantie-uitkering ingevolge die wetgeving.
Artikel 59d
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 50, 53, 54, 56, 57 en 80 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering voor zover bij of krachtens deze paragraaf niet anders is bepaald.
Artikel 59e
Onze Minister kan met betrekking tot het bepaalde in deze paragraaf nadere regelen stellen.
Artikel 61
Indien een persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op of na de dag waarop hij de leeftijd van 45 jaar heeft bereikt inkomen gaat verdienen in verband waarmee zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd, binnen vijf jaar na de datum van die beëindiging opnieuw recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt het aan die uitkering ten grondslag te leggen dagloon niet lager gesteld dan het dagloon of vervolgdagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen, zoals dat vanaf de beëindiging tot aan de datum van de in dit artikel bedoelde toekenning op grond van artikel 15 van deze wet, al dan niet in verbinding met artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zou zijn herzien indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet was beëindigd.
1.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van andere wetten.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering op grond van de sociale wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de sociale wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of van een andere Mogendheid.
1.
Onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding en belening zijn:
a. de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. de vakantie-uitkering;
c. de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c;
d. de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d.
2.
Volmacht tot ontvangst van een uitkering onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
3.
Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.
Artikel 65b
Niet vatbaar voor beslag zijn:
a. de verhoging, bedoeld in artikel 22;
b. de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 53.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid in dienstbetrekking aanvaardt of verricht, op aanvraag loonsuppletie toekennen, indien zijn loon lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
2.
De loonsuppletie wordt verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal loonsuppletie is toegekend.
3.
Als perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede lid worden eveneens aangemerkt, perioden waarin een uitkering op grond van de Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is geëindigd.
4.
De loonsuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van deze wet.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de loonsuppletie.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, op aanvraag inkomenssuppletie toekennen, indien zijn inkomen uit het bedrijf of beroep lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
2.
De inkomenssuppletie wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal inkomenssuppletie is toegekend.
3.
De inkomenssuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen .
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de inkomenssuppletie.
Artikel 65f
De verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, om op een proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal zes maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten.
2.
Tijdens het verrichten van werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien.
3.
De onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid zijn:
a. werkzaamheden, waartoe de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, met zijn krachten en bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden, waarbij de werkgever, bij wie de proefplaatsing geschiedt, een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, heeft afgesloten;
c. werkzaamheden, die de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, niet reeds eerder onbeloond op een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht; en
d. werkzaamheden waarbij er, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, een reëel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste 6 maanden.
4.
Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.
Artikel 65h
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag van loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, van inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, de termijn waarbinnen die aanvraag wordt ingediend, alsmede omtrent de rechtsgevolgen die aan overschrijding van die termijn zijn verbonden, en met betrekking tot de aanvraag en van toestemming als bedoeld in artikel 65g.
Artikel 65k
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de verzekerde, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede tot en met tiende lid, van de Wet werk en bijstand is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 66
De verzekerde is verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Artikel 67
Voor de toepassing van deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als één verzekering.
1.
De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie van de verzekerde.
2.
De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een door Onze Minister nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.
3.
Uiterlijk twee weken voordat de termijn is verstreken waarbinnen de belanghebbende op grond van artikel 34, derde lid, eerste volzin, zijn aanvraag voor toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dient te doen stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een reïntegratieverslag op en verstrekt de werkgever hiervan een afschrift aan de verzekerde.
4.
Indien artikel 19, zevende lid, toepassing heeft gevonden:
a. stelt de werkgever in overleg met de verzekerde, indien hij nog geen reïntegratieverslag heeft opgesteld, in afwijking van het derde lid, het reïntegratieverslag uiterlijk 14 weken voor het verstrijken van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde verlengde wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, op en verstrekt een afschrift daarvan aan de verzekerde;
b. vult de werkgever in overleg met de verzekerde, indien hij reeds een reïntegratieverslag heeft opgesteld dit reïntegratieverslag uiterlijk 14 weken voor het verstrijken van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde verlengde wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, aan en verstrekt een afschrift daarvan aan de verzekerde, tenzij de verzekerde verzoekt dit, in verband met het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 34, derde lid, eerder te doen. De werkgever komt binnen twee weken aan dit verzoek tegemoet. Dit lid is van overeenkomstige toepassing bij een aanvraag voor de uitkering na toepassing van artikel 34a, tweede lid.
5.
Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet .
6.
De verzekerde verleent zijn medewerking bij het opstellen van het plan van aanpak en het opstellen van het reïntegratieverslag.
7.
Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid worden gesteld.
8.
Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, blijkt dat de werkgever zijn verplichting om een reïntegratieverslag op te stellen niet of niet volledig is nagekomen, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werkgever een termijn waarbinnen het reïntegratieverslag wordt verstrekt of aangevuld.
9.
Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een tijdvak vast, gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet.
Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.
10.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de toepassing van het negende lid nadere regels worden gesteld.
1.
In afwijking van artikel 71a, is op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten aanzien van de verzekerde die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b, c of d, van de Ziektewet recht heeft op ziekengeld, artikel 71a, tweede tot en met het tiende lid niet van toepassing en is artikel 71a, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt, binnen een door Onze Minister nader te bepalen termijn, in overleg met die verzekerde, een plan van aanpak op. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.
2.
In afwijking van artikel 71a, is artikel 71a, vierde, achtste, negende en tiende lid, niet van toepassing op de werkgever, wiens verzekerde op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g , van de Ziektewet dan wel op grond van artikel 29a, eerste of vierde lid, van die wet recht heeft op ziekengeld.
3.
In afwijking van het eerste lid is artikel 71a, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling, bedoeld in artikel 34a, blijkt dat de eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin, zonder deugdelijke grond de uit die zin voortvloeiende verplichtingen dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een tijdvak vast, gedurende welke de persoon, bedoeld in de eerste zin, recht op ziekengeld heeft op grond van artikel 29 van de Ziektewet. Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de aard en de ernst van het verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van dit artikel.
1.
Degene, die de wachttijd, bedoeld in artikel 19 doormaakt, dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 54 de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2.
Degene aan wie een reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk IIB is verstrekt of toegekend, of aan wie verstrekking of toekenning daarvan wordt overwogen, alsmede diens wettelijk vertegenwoordiger, is verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking of toekenning of op de duur of de hoogte van het reïntegratie-instrument.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen laat op verzoek tot de vrijwillige verzekering toe, mits hij hier te lande woont:
a. de persoon aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
b. de persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
2.
Op de persoon die voor 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is geworden en op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd verzekerde was op grond van de vrijwillige verzekering, blijft de vrijwillige verzekering op grond van dit hoofdstuk van toepassing:
a. gedurende de wachttijd, bedoeld in artikel 19;
b. gedurende vier weken na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, indien hij na afloop van die wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt is, doch binnen die vier weken 15% of meer arbeidsongeschikt is;
c. gedurende de periode waarover hij recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
1.
Het verzoek tot toelating tot de vrijwillige verzekering wordt binnen dertien weken na de dagtekening van de beschikking waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend of herzien ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2.
Een verzoek tot toelating wordt geacht binnen dertien weken na de dagtekening van het besluit te zijn gedaan, indien dit verzoek geschiedt binnen vier weken na de dag waarop de persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijze kennis heeft kunnen nemen van het besluit.
3.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek tot toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn gedaan, indien de persoon die het verzoek heeft gedaan, redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
4.
De vrijwillige verzekering vangt aan op de dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend of herzien.
Artikel 83b
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beëindigt de vrijwillige verzekering:
a. op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum;
b. met ingang van de dag waarop de vrijwillig verzekerde op grond van deze wet als werknemer wordt beschouwd;
c. indien de verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet, niet volledig of niet tijdig wordt betaald; of
d. indien niet langer wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel 81.
1.
De persoon, die om toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt, bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering de hoogte van het dagloon, met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag eventueel verhoogd of verlaagd krachtens artikel 18 van die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij in geval van arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen derft.
2.
De uitkering op grond van de vrijwillige verzekering wordt tijdens de duur, bedoeld in artikel 21a, berekend naar het in het eerste lid bedoelde dagloon. Dit dagloon wordt eveneens in aanmerking genomen bij de berekening van het vervolgdagloon, bedoeld in artikel 21b.
Artikel 85
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
a. de toelating tot de vrijwillige verzekering;
b. het einde van de vrijwillige verzekering; en
c. het dagloon, bedoeld in artikel 84, eerste lid.
Artikel 86
Met betrekking tot het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk zijn, met inachtneming van de wijzigingen, welke de aard van het onderwerp vordert, de bepalingen van de overige hoofdstukken en de ter uitvoering van die bepalingen genomen besluiten, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet is afgeweken.
Artikel 86a
In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over het verzekerd zijn op grond van deze wet als bedoeld in artikel 87, eerste lid.
1.
Onverminderd artikel 87, worden de beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2.
De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.
3.
Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
4.
Indien in verband met het geven van een beschikking als bedoeld in het eerste lid een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
1.
Een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verzekerd zijn op grond van deze wet kan door de werknemer uitsluitend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geeft de beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
2.
Indien een beschikking als bedoeld in het eerste lid om andere dan de in het tweede lid bedoelde redenen niet binnen dertien weken kan worden gegeven, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
3.
Een beschikking over verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, op grond van het zevende lid van dat artikel wordt gegeven binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 87b
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen beschikkingen waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Artikel 87c
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
1.
Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen eenentwintig weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
2.
Indien in verband met het geven van een beslissing op bezwaar een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing, in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verdaagd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verdaging schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 87e
Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 38, tweede of derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde opslag of korting kan niet zijn gegrond op de grief, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
1.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2 tot en met 11 en 13, eerste lid, en de daarop berustende bepalingen.
2.
Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Artikel 88
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. medische beschikking: een beschikking waaraan een beoordeling van medische gegevens ten grondslag ligt;
b. werknemer: de persoon op wiens medische gegevens de beoordeling betrekking heeft;
c. werkgever: de belanghebbende bij een medische beschikking, die niet de werknemer is.
1.
Stukken die medische gegevens bevatten worden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet aan de werkgever ter inzage of ter kennisname gegeven of toegezonden, tenzij de werknemer hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.
2.
De toestemming kan te allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.
3.
Tijdens het horen in bezwaar kan de toestemming ook mondeling worden ingetrokken.
1.
Indien door de werknemer geen toestemming is gegeven als bedoeld in artikel 88a, is de inzage, dan wel kennisname of toezending van stukken die medische gegevens bevatten, voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die advocaat of arts is dan wel daarvoor van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bijzondere toestemming heeft gekregen.
2.
De gemachtigde, bedoeld in het eerste lid, treedt in de plaats van de werkgever bij:
a. de voorbereiding van een medische beschikking;
b. het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift; en
c. de behandeling van een bezwaar;
voorzover betrekking hebbend op medische gegevens.
3.
Artikel 7:4, tweede, vierde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op stukken of inlichtingen die medische gegevens bevatten.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vermeldt de motivering van een medische beschikking, voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, in een aparte bijlage.
2.
Indien de werknemer geen toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 88a wordt de bijlage, bedoeld in het eerste lid, niet aan de werkgever verstrekt.
3.
De bijlage wordt verstrekt aan de gemachtigde van de werkgever, bedoeld in artikel 88b.
4.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van een arts of een psycholoog, waarnaar bij de motivering van een medische beschikking wordt verwezen.
Artikel 88d
Bij de bekendmaking van een medische beschikking wordt gewezen op de artikelen 88a, 88b, 88c en 88e.
Artikel 88e
De gronden van het bezwaar of beroep, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht, worden in een aparte bijlage vermeld voorzover ze betrekking hebben op medische gegevens.
1.
Indien artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is toegepast, vindt in afwijking van artikel 8:62, eerste lid, van die wet het onderzoek ter zitting, voorzover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaats, tenzij de bestuursrechter ambtshalve of op verzoek van een van de partijen bepaalt dat het onderzoek openbaar is.
2.
In de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt mededeling gedaan van het eerste lid.
Artikel 88g
Artikel 88f is van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van het hoger beroep en bij de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening.
Artikel 89
Bij de vaststelling van de schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid, houdt de rechter rekening met de aanspraken, die hij krachtens deze wet heeft.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op degene, die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
2.
Overeenkomstig door Onze Minister te stellen regelen kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen.
3.
De in het eerste lid bedoelde aansprakelijke is eveneens verplicht tot vergoeding van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de verzekerde, die op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen rusten op grond van deze wet en de daarop rustende bepalingen alsmede de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de verzekerde ten dienste zou hebben gestaan.
1.
Het bepaalde in het vorige artikel geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde, die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien de arbeidsongeschiktheid is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk verzekerde.
2.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet 1990.
Artikel 91a
De artikelen 20, 43b, en 47a, zijn niet van toepassing op de persoon die:
a) op 31 december 1999 op grond van artikel 18 recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag niet in Nederland woont, en
b) op 19 december 2005 dit recht op uitkering uitsluitend nog heeft op grond van artikel 2 van de wet van 9 december 2004, houdende goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 28 juni 1962 te Genève totstandgekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid (Verdrag Nr. 118 aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb. 1962, 122 en Trb. 1964, 23) (Stb. 2004, 715).
1.
Ten aanzien van de persoon wiens eerste dag van arbeidsongeschiktheid is gelegen voor 1 januari 2004 blijven de artikelen 19, met uitzondering van het tweede lid, laatste zin, 34 en 75a van toepassing zoals deze luidden op 31 december 2003, met dien verstande dat het krachtens artikel 75a, vierde lid, tweede zin, te verhalen bedrag respectievelijk het krachtens artikel 75a, vijfde lid, aan 's Rijks kas af te dragen bedrag wordt vermeerderd met de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over de uitkering.
2.
Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien in verband met een voor 1 januari 2004 ingetreden toeneming van de arbeidsongeschiktheid, zijn de artikelen 37, met uitzondering van het derde lid, laatste zin, 40 en 41 van toepassing, zoals deze luidden op 31 december 2003.
3.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Artikel 91c
Zo nodig in afwijking van de overige artikelen van dit hoofdstuk blijven de artikelen 75a, derde lid, en 76f, vijfde lid, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurend zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb. 274) van toepassing voor de duur van de periode waarin op grond van artikel IXa van die wet recht bestaat op een financiële tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg.
1.
Een beschikking tot toekenning van inkomenssuppletie op grond van artikel 29 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de persoon die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur waarvoor die inkomenssuppletie was toegekend aangemerkt als een beschikking tot toekenning van inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 65d.
2.
Een beschikking tot toekenning van loonsuppletie op grond van artikel 32 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de persoon die op dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur waarvoor die loonsuppletie was toegekend aangemerkt als een beschikking tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 65c.
3.
De persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de toepassing van artikel 34, vierde lid, van deze wet, artikel 35, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 3:28, vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, of de persoon, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken, wordt gedurende vijf jaar na de dag van intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aangemerkt als verzekerde in de zin van artikel 65c en 65d.
1.
Artikel 65i vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2.
Artikel 65j vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
1.
Ten aanzien van dienstbetrekkingen die voorafgaand aan 1 januari 2012 zijn ingegaan en waarvoor voorafgaand aan 1 januari 2012 een aanvraag voor subsidie voor loonkosten is ingediend, blijven de artikelen 65i en 65j van deze wet, de daarop berustende bepalingen en artikel 30e van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zoals die luidden op 31 december 2011 gelden.
2.
Dit artikel vervalt vijf jaar na de dag waarop artikel VII van de Wet van 21 mei 2012 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met aanpassing van de dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan werkgevers en werkzoekenden en de opheffing van de Raad voor Werk en Inkomen als publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en van de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met de beëindiging van de inzet van het re-integratiebudget Werkloosheidswet en van loonkostensubsidies in werking is getreden.
Artikel 91h
In gedingen aangevangen voor het van toepassing worden van artikel 90, vierde lid, bepaalt de rechter op verzoek van een van de partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan artikel 90, vierde lid. Stelt de rechter partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts gelijktijdig met de einduitspraak open.
Artikel 91i*
Met betrekking tot de afwikkeling van zaken die verband houden met het zijn van eigenrisicodrager gelegen voor de datum van inwerkingtreding van de artikelen IV en V van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven de artikelen 1, onderdeel f, 65i, eerste lid, 71, 87e, 90 en 91e en hoofdstuk IIIA alsmede de artikelen 40 en 122e van de Wet financiering sociale verzekeringen zoals deze artikelen en dat hoofdstuk luidden op de dag voor de inwerkingtreding van de artikelen IV en V van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, van toepassing.
Artikel 92
Hij die niet voldoet aan de verplichting, omschreven in artikel 12, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 96
Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
Artikel 98
De in artikelen 92 en 96 bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
1.
Een overeenkomst met betrekking tot de verzekering van geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid, gesloten door degene, die verplicht verzekerd wordt, vervalt met ingang van de dag, waarop de verzekeraar van de verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd worden ontvangt, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend, gelijkwaardig aan die, welke uit de in deze wet geregelde verplichte verzekering voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de dag, waarop de betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de overeenkomst met ingang van die dag.
2.
De premie, welke degene, wiens verzekering krachtens het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al naar gelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen bedrag voor administratiekosten.
Artikel 98b
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 6, tweede lid, onder a en c, 17, eerste lid, 19, tweede en derde lid, 21a, 38, 39, eerste lid, 39a, 43a, 47, eerste, tweede, derde en vierde lid, en 53.
Artikel 98c
Onze Minister kan ter bevordering van de veiligheid van de arbeid van verzekerden alsmede van de gezondheid van verzekerden bij de arbeid, regelen stellen inzake het door de werkgever vastleggen van gegevens en het verstrekken van inlichtingen door de werkgever aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en een bij die regelen aan te wijzen instelling omtrent bedrijfsongevallen en beroepsziekten.
Artikel 98d
Artikel 14 en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel A, van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten, blijven van toepassing op de persoon wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan voor de datum van inwerkingtreding van dat artikel, met betrekking tot die arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met betrekking tot de artikelen 40, eerste lid, en 48, derde lid, is de eerste zin niet van toepassing.
Artikel 98e
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend voor de inwerkingtreding van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, dan wel daarna met toepassing van artikel 91b, worden geacht te zijn toegekend voor onbepaalde tijd.
1.
De artikelen 39b en 43a, zesde lid, alsmede 47, zevende lid, zoals die zijn komen te luiden na inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, zijn niet van toepassing op de persoon wiens arbeidsongeschiktheid voor de dag van inwerkingtreding van die wet is toegenomen als bedoeld in de artikelen 38 tot en met 39a, 43a of 47, tot het moment waarop in verband met diezelfde toename van de arbeidsongeschiktheid geen recht meer bestaat op ziekengeld op grond van de Ziektewet .
2.
Artikel 43a, vierde lid, onderdeel b, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving blijft van toepassing op de persoon die op of voor de dag van inwerkingtreding van die wet arbeidsongeschikt werd als bedoeld in artikel 43a, eerste lid.
3.
Dit artikel vervalt met ingang van de dag gelegen tien jaar na de dag van inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving.
Artikel 99
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door Onze Minister geregeld.
Artikel 100
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering".
Artikel 100a
Na de plaatsing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in het Staatsblad wordt de tekst van die wet, zo nodig, door de zorg van Onze Minister van Justitie, opnieuw in het Staatsblad geplaatst, waarbij vernummeringen en daarmede verband houdende wijzigingen in aanhalingen worden aangebracht.
Artikel 101
De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 18 februari 1966
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Uitgegeven de zeventiende maart 1966.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. De verstrekkingen der verzekering
+ Hoofdstuk IIA. Garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikten, samenloop, verstrekkingen die onvervreemdbaar zijn en verstrekkingen die niet vatbaar zijn voor beslag
+ Hoofdstuk IIB. Reïntegratie-instrumenten
+ Hoofdstuk III. De uitvoering der verzekering
+ Hoofdstuk IIIA
+ HOOFDSTUK IV
+ Hoofdstuk V. Het verstrekken van inlichtingen
+ Hoofdstuk VI. De vrijwillige verzekering
+ Hoofdstuk VII. Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en beroep in cassatie
+ Hoofdstuk VIII. De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
+ Hoofdstuk VIIIA. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk IX. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht