Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2004. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2004.

Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag

Uitgebreide informatie
Wet van 15 augustus 1955, houdende vaststelling van de wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bij de wet regelen te stellen betreffende het registreren en verstrekken van justitiële gegevens, zomede inzake de afgifte van verklaringen omtrent het gedrag;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Er is een justitiële documentatiedienst, die de in het belang van een goede rechtsbedeling nodige en als zodanig bij algemene maatregel van bestuur aangewezen justitiële gegevens registreert.
2.
De justitiële documentatiedienst is tevens belast met het registreren van de door deze wet aangewezen justitiële gegevens in de strafregisters.
3.
De in de voorgaande leden bedoelde gegevens worden door de justitiële documentatiedienst beheerd.
4.
De leiding van de dienst berust bij Onze Minister van Justitie. Bij iedere rechtbank en bij het Ministerie van Justitie is een afdeling van de dienst geplaatst.
Artikel 2
De gegevens betreffende in Nederland geboren personen, wier geboorteplaats bekend is, worden geregistreerd ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, waarbinnen die plaats is gelegen. De griffier is belast met het beheer van de geregistreerde gegevens.
Artikel 3
De gegevens betreffende personen, wier geboorteplaats buiten Nederland is gelegen of onbekend is, alsmede betreffende rechtspersonen of vennootschappen worden geregistreerd ten Departemente van Justitie. Onze Minister van Justitie wijst een ambtenaar aan, die met het beheer van de geregistreerde gegevens is belast.
1.
De strafregisters bestaan uit:
a. strafbladen van de tegen natuurlijke personen gewezen onherroepelijke veroordelingen, waarbij, al dan niet tezamen met maatregelen, een of meer straffen zijn opgelegd, door Nederlandse rechters gewezen:
1°. wegens misdrijven;
2°. wegens overtredingen, indien daarbij vrijheidsstraf – anders dan vervangende – is opgelegd.
b. uittreksels van onherroepelijk geworden veroordelingen door andere dan Nederlandse rechters gewezen, voorzover Onze Minister van Justitie daartoe een voorschrift heeft gegeven. Deze uittreksels worden, voor de toepassing van deze wet, met strafbladen gelijkgesteld.
2.
Met een veroordeling wordt gelijkgesteld een rechterlijke beslissing waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in de artikelen 37 aof 77 h , vierde lid, onder a , van het Wetboek van Strafrecht.
3.
Indien een veroordeling is gewezen waarbij de rechter recht heeft gedaan overeenkomstig de artikelen 77 g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, wordt een strafblad slechts opgemaakt, indien de veroordeelde ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van zestien jaren had bereikt, de veroordeling is gewezen wegens misdrijf en daarbij, al dan niet te zamen met andere straffen of maatregelen, zijn opgelegd:
1°. jeugddetentie;
2°. geldboete van meer dan € 113;
3°. een alternatieve sanctie met een duur van meer dan veertig uren of
4°. plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
4.
Het derde lid is niet van toepassing, indien de rechter met toepassing van artikel 77 x , eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft bepaald, dat de straf of maatregel geheel niet zal worden ten uitvoer gelegd en een last tot herroeping niet is gegeven.
5.
De strafregisters bestaan tevens uit de strafbladen van de omtrent natuurlijke personen gewezen onherroepelijke uitspraken of beslissingen krachtens welke tegen deze personen veroordelingen door andere dan Nederlandse rechters gewezen in Nederland kunnen worden ten uitvoer gelegd, voor zover die veroordelingen zijn gewezen wegens feiten, die naar Nederlands recht misdrijven opleveren of ingevolge die uitspraken of beslissingen in Nederland vrijheidsstraf - anders dan vervangende - moet worden ondergaan.
Betreft het een minderjarige, dan geldt het voorgaande eveneens wanneer ingevolge de bedoelde uitspraak of beslissing de in het derde lid genoemde straffen of maatregelen moeten worden ondergaan.
1.
Het strafblad vermeldt:
1°. de personalia van de veroordeelde;
2°. de rechter, bij wiens onherroepelijk geworden uitspraak de straffen of maatregelen zijn bepaald;
3°. de dagtekening van de uitspraak;
4°. de kwalificatie van het feit, waarvoor de veroordeling is uitgesproken met aanhaling van de daarbij betrokken strafbepalingen; Onze Minister van Justitie kan bepalen dat in de daartoe aangewezen gevallen wordt volstaan met een korte aanduiding;
5°. de opgelegde straffen of maatregelen;
6°. de datum waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden;
7°. indien gehele of gedeeltelijke gratie wordt verleend van de opgelegde straf of maatregel, het daartoe strekkende koninklijke besluit.
2.
Het strafblad vermeld tevens:
1°. de bij een uitspraak of beslissing, krachtens welke een veroordeling door een andere dan een Nederlandse rechter gewezen in Nederland kan worden ten uitvoer gelegd, opgelegde of uitvoerbaar geworden straf of maatregel;
2°. de in een vreemde Staat genomen beslissing als gevolg waarvan het recht tot tenuitvoerlegging in Nederland van een door de rechter van die Staat gewezen veroordeling geheel of gedeeltelijk is komen te vervallen.
3.
Op de wijze door Onze Minister van Justitie te bepalen wordt in de strafregisters aantekening gehouden van:
1°. een last tot gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling;
2°. een last tot verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling;
3°. een last tot uitstel of het niet doen plaats vinden van vervroegde invrijheidstelling;
4°. een beslissing tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling.
Artikel 6
Een strafblad wordt uit het strafregister verwijderd indien na vernietiging van het gewijsde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
1.
Een strafblad wordt uit het strafregister verwijderd na verloop van een termijn van vier jaren.
2.
De termijn beloopt acht jaren indien bij de veroordeling is opgelegd gevangenisstraf of plaatsing in een rijkswerkinrichting.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing indien de rechter met toepassing van artikel 14 a van het Wetboek van Strafrecht heeft bepaald, dat de straf of straffen geheel niet zullen worden ten uitvoer gelegd en een last tot herroeping voor het geheel of voor een deel niet is gegeven.
4.
In geval bij de veroordeling de doodstraf is opgelegd, doch deze bij wege van gratie wordt omgezet in een andere straf, wordt voor de toepassing van de artikelen 7-9 gerekend, dat een straf is opgelegd, zoals in het besluit, waarbij de omzetting wordt geregeld, is bepaald.
Artikel 7a
In afwijking van het bepaalde in artikel 7 wordt een strafblad uit het strafregister verwijderd indien de rechter recht heeft gedaan overeenkomstig de artikelen 77 g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht:
1°. na verloop van een termijn van vier jaren indien bij de veroordeling jeugddetentie of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd;
2°. in de overige gevallen na verloop van een termijn van twee jaren.
Artikel 8
De termijn, bedoeld in de artikelen 7, en 7 a, vangt aan op de dag na die waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden.
1.
De termijn, bedoeld in de artikelen 7 en 7 a, wordt verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde vrijheidsstraf met uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het niet zal worden tenuitvoergelegd en een last tot herroeping niet is gegeven.
2.
De termijn wordt mede verlengd met de duur van de verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling en van de termijn van terbeschikkingstelling.
3.
De termijn loopt niet in de tijd gedurende welke ingevolge artikel 38 f van het Wetboek van Strafrecht de termijn van terbeschikkingstelling niet loopt.
4.
Indien bij de in artikel 4, lid 3, bedoelde veroordeling de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, wordt het strafblad niet eerder verwijderd dan op de dag waarop de plaatsing onvoorwaardelijk is beëindigd.
1.
Een strafblad wordt niet verwijderd zolang nog enig ander strafblad ten aanzien van de veroordeelde in het strafregister blijft geplaatst.
2.
Indien de veroordeelde vóór de afloop van de in de artikelen 7 en 7 abedoelde termijnen opnieuw wordt vervolgd, kan het gerecht in feitelijke aanleg, voor hetwelk de zaak wordt vervolgd of zal worden vervolgd, op vordering van het openbaar ministerie gelasten, dat het strafblad niet wordt verwijderd alvorens over die strafzaak onherroepelijk is beslist.
Artikel 10a
In geval van tenuitvoerlegging in Nederland van een veroordeling door een andere dan de Nederlandse rechter gewezen vangt de in artikel 7 bedoelde termijn aan op de dag na die, waarop die veroordeling onherroepelijk is geworden. De duur van de termijn wordt bepaald aan de hand van de bij de uitspraak of beslissing, krachtens welke de bovenbedoelde veroordeling in Nederland kan worden ten uitvoer gelegd, opgelegde of uitvoerbaar geworden straf of maatregel.
1.
De justitiële documentatiedienst verstrekt, op de wijze door Onze Minister van Justitie te bepalen, inlichtingen aan:
1°. Nederlandse rechterlijke ambtenaren;
2°. andere dan Nederlandse rechterlijke ambtenaren, voorzover Onze Minister van Justitie dat voorschrijft;
3°. Onze Minister van Justitie.
2.
Aan personen of lichamen, welke ingevolge artikel 37 van de Wet op de economische delicten de bevoegdheid tot transactie is verleend, worden ten behoeve van de uitoefening dier bevoegdheid gegevens verstrekt aangaande economische delicten.
3.
Aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, worden ten behoeve van de uitoefening van zijn wettelijk omschreven taak justitiële gegevens ter beschikking gesteld.
Artikel 12
De justitiële documentatiedienst verstrekt, in de gevallen door Onze Minister van Justitie bepaald, inlichtingen aan personen en instellingen, die op het gebied der reclassering, der kinderbescherming of der psychopathenzorg werkzaam zijn, en die in verband met die werkzaamheid krachtens wettelijk voorschrift zijn erkend.
1.
Wij kunnen aan het College van procureurs-generaal de bevoegdheid verlenen om, indien het zwaarwegend algemeen belang dit vordert, uit inlichtingen van de justitiële documentatiedienst, overeenkomstig de door Ons te geven voorschriften, gegevens te verschaffen aan de daartoe aangewezen personen, met een publieke taak belast.
2.
Ons besluit wordt in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 14
De justitiële documentatiedienst verstrekt, op de wijze door Onze Minister van Justitie te bepalen, aan de burgemeesters der gemeenten uittreksels uit de strafregisters ten dienste van de afgifte van de verklaringen omtrent het gedrag.
Artikel 15
Onze Minister van Justitie kan bepalen dat, indien het zwaarwegend algemeen belang zulks naar zijn oordeel vordert, de justitiële documentatiedienst uittreksels uit de strafregisters verstrekt aan andere personen, met een publieke taak belast.
1.
De burgemeester geeft geen andere verklaring omtrent het gedrag, onder welke benaming ook, af dan overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
2.
Het voorgaande lid geldt niet:
a. indien het verzoek om inlichtingen betrekking heeft op een persoon, in dienst van de gemeente;
b. indien, buiten het geval, waarin het verzoek om inlichtingen omtrent een bepaald persoon verband houdt met het vervullen van een bepaalde werkzaamheid, de burgemeester gehouden is andere bestuursorganen te dienen van bericht en raad;
3.
Een verklaring omtrent het gedrag houdt niet anders in dan dat de burgemeester uit het onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een model voor de verklaring vastgesteld.
1.
De afgifte van een verklaring omtrent het gedrag geschiedt door de burgemeester van de gemeente, waar de betrokkene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven.
2.
Indien de betrokkene niet is ingeschreven in een basisadministratie persoonsgegevens, geschiedt de afgifte door de burgemeester van 's-Gravenhage, behoudens uitzonderingen, bij algemene maatregel van bestuur te bepalen.
1.
Het verzoek tot afgifte geschiedt schriftelijk.
2.
Het behelst de naam, de voornamen, de dag en het jaar van geboorte van de betrokkene, alsmede een omschrijving van het doel, waarvoor de afgifte van de verklaring wordt gevraagd. Indien het doel, waarvoor de afgifte wordt gevraagd, verband houdt met het vervullen van een bepaalde werkzaamheid, wordt bij het verzoekschrift overgelegd een geschrift van degene, te wiens behoeve die werkzaamheid zal worden vervuld, waarin de aard dier werkzaamheden is vermeld.
Artikel 22
Het verzoek wordt ingediend door degene omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd. Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan voor bijzondere gevallen een afwijkende regeling vaststellen. Alsdan moet ten genoege van de burgemeester blijken dat degene, omtrent wiens gedrag een verklaring wordt gevraagd, met het indienen van het verzoek instemt.
Artikel 23
Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, doeleinden worden aangewezen, welke een onderzoek naar het gedrag niet wettigen.
1.
De burgemeester weigert het verzoek in behandeling te nemen, indien:
a. niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 21 of in, dan wel krachtens, artikel 22, of
b. de afgifte zou strijden met een regeling als bedoeld in artikel 23, dan wel anderszins het doel waarvoor de afgifte wordt gevraagd het instellen van een onderzoek niet wettigt.
2.
Zodanige beslissing wordt onverwijld bij aangetekende brief aan de verzoeker medegedeeld, met vermelding van de reden der weigering.
1.
Tegen de beslissing bedoeld in artikel 24 kan de verzoeker administratief beroep instellen bij Onze commissaris in de provincie, waarin de gemeente is gelegen. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het instellen van beroep een week.
2.
Onze commissaris beslist of het verzoek al dan niet in verdere behandeling moet worden genomen.
1.
De burgemeester geeft een verklaring omtrent het gedrag slechts af in die gevallen, waarin hem uit een onderzoek, met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken, dat bezwaren tegen die persoon bestaan. In alle andere gevallen weigert hij de gevraagde verklaring af te geven.
2.
In de verklaring wordt het doel, waarvoor de afgifte is gevraagd, vermeld.
1.
De burgemeester mag bij zijn onderzoek uitsluitend acht slaan op:
1°. hem ten aanzien van de betrokkene verstrekte uittreksels uit de strafregisters;
2°. gegevens ontleend aan de registers van de politie in de tegenwoordige of in de vroegere woonplaatsen of verblijfplaatsen van de betrokkene;
3°. andere schriftelijke bescheiden, welke hem in verband met de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag ter beschikking zijn gesteld.
2.
Indien ten aanzien van de betrokkene geen strafblad in de strafregisters voorkomt, let de burgemeester bij zijn onderzoek niet op feiten en gedragingen, vermeld in andere registers en bescheiden, indien sedert de dag waarop deze zijn voorgevallen, meer dan vier jaren zijn verlopen.
3.
In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het bepaalde in het voorgaande lid afwijken. Alvorens in zodanig geval op het verzoek te beslissen, wint hij het advies in van een commissie, bedoeld in artikel 28.
1.
De burgemeester kan, alvorens te beslissen, het oordeel inwinnen van een door hem ingestelde commissie van advies.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld, met betrekking tot de samenstelling van de commissies van advies.
3.
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie stellen een bijzondere commissie van advies in. De burgemeester kan het oordeel van deze commissie inwinnen, indien niet een commissie, als in het eerste lid bedoeld, kan worden gehoord.
4.
De burgemeester en, indien hij het oordeel van een commissie van advies inwint, deze commissie zijn bevoegd door tussenkomst van de Reclasseringsraad in het arrondissement, waarin de gemeente is gelegen, inlichtingen omtrent de betrokkene in te winnen.
1.
De burgemeester beslist binnen vier weken, nadat het verzoek is gedaan, of, indien Onze commissaris op grond van artikel 25 heeft beslist, dat het verzoek alsnog in verdere behandeling wordt genomen, binnen vier weken, te rekenen van de dagtekening van de verzending van diens beslissing, of de verklaring kan worden afgegeven.
2.
Indien de burgemeester, gelet op het ingestelde onderzoek, van oordeel is, dat de verklaring niet behoort te worden gegeven, deelt hij binnen de in het voorgaande lid bedoelde termijn, bij aangetekende brief, zijn met redenen omklede beslissing tot weigering mede aan de betrokkene, waarbij deze tevens wordt gewezen op het bepaalde in artikel 30. Onder de redenen worden de feiten en gedragingen opgenomen, waarop de beslissing steunt. In het bijzondere geval, bedoeld in artikel 27, derde lid, wordt in de beslissing vermeld, dat die bepaling toepassing heeft gevonden.
3.
De burgemeester kan de afgifte slechts weigeren, indien uit het onderzoek is gebleken, dat de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf of een overtreding, welke in het strafregister is vermeld, dan wel dat hij zich anderszins heeft misdragen.
4.
Indien een commissie van advies is gehoord, wordt tevens medegedeeld of de beslissing tot weigering van de afgifte al dan niet genomen is in overeenstemming met haar oordeel.
5.
De in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen kunnen, indien de burgemeester een commissie van advies hoort, ten hoogste twee keer met vier weken worden verlengd. Van de verlenging wordt mededeling gedaan aan de betrokkene.
1.
De betrokkene kan binnen twee weken na ontvangst van de mededeling, in artikel 29, tweede lid, bedoeld, daartegen een klaagschrift indienen ter griffie van de arrondissements-rechtbank binnen welker gebied de gemeente is gelegen.
2.
Het klaagschrift wordt door de betrokkene, zijn gemachtigde of zijn raadsman ondertekend en wordt in tweevoud ingediend.
3.
Het klaagschrift houdt in:
a. de naam en de woonplaats van de betrokkene;
b. een gekozen woonplaats binnen het Rijk in Europa, indien de verzoeker daarbuiten woonplaats heeft;
c. een duidelijke omschrijving van de beslissing van de burgemeester, waartegen het klaagschrift is gericht, onder overlegging voor zoveel mogelijk van een afschrift van de beslissing.
1.
De rechtbank stelt binnen een week na ontvangst van het klaagschrift de dag vast, waartegen de betrokkene en de burgemeester worden opgeroepen om te worden gehoord.
2.
De griffier doet de burgemeester bij de oproeping een exemplaar van het klaagschrift toekomen.
3.
De burgemeester doet onverwijld na ontvangst van de oproeping de bescheiden, op grond waarvan zijn beslissing is genomen, aan de rechtbank overleggen.
4.
De rechtbank stelt het openbaar ministerie, de klager en zijn raadsman in de gelegenheid van de door de burgemeester overgelegde bescheiden kennis te nemen.
1.
Het openbaar ministerie wordt bij de behandeling van het klaagschrift gehoord.
2.
De betrokkene wordt in persoon gehoord. Hij kan zich doen vertegenwoordigen door een gemachtigde en zich doen bijstaan door een raadsman. De rechtbank kan weigeren bepaalde personen, die van het verlenen van rechtsgeleerde hulp hun beroep maken en geen advocaat of procureur zijn, als gemachtigde toe te laten.
3.
De burgemeester kan zich doen vertegenwoordigen. Hij kan zich doen bijstaan door een raadsman.
4.
Als raadsman kan alleen een advocaat optreden, die zijn praktijk in Nederland uitoefent.
5.
Indien de rechtbank dit in het belang van het onderzoek nodig oordeelt, hoort zij getuigen. Zij kan het openbaar ministerie bevelen de getuigen tegen een bepaalde dag te dagvaarden.
6.
Ieder die als getuige is gedagvaard, is verplicht voor de rechtbank te verschijnen, de eed of de belofte te doen en getuigenis af te leggen, een en ander behoudens verschoning wegens ambts- of beroepsgeheim. Indien de getuige niet op de dagvaarding verschijnt, kan de rechtbank hem andermaal doen dagvaarden en daarbij tevens zijn medebrenging gelasten.
7.
Degene, die als getuige is verschenen, ontvangt een vergoeding overeenkomstig het Tarief van justitiekosten in strafzaken.
8.
De rechtbank is bevoegd door tussenkomst van de Reclasseringsraad in het arrondissement inlichtingen omtrent de betrokkene in te winnen.
1.
De rechtbank geeft binnen vier weken nadat het klaagschrift is ontvangen, haar met redenen omklede beschikking, welke door de griffier onverwijld bij aangetekend schrijven aan de betrokkene en aan de burgemeester wordt toegezonden.
2.
De behandeling der zaak geschiedt in raadkamer.
3.
Tegen de beschikking van de rechtbank staat hoger beroep of beroep in cassatie niet open, behoudens beroep in cassatie "in het belang der wet".
Artikel 34
Wordt het klaagschrift gegrond verklaard, dan geeft de burgemeester binnen drie dagen na ontvangst van het in het voorgaande artikel bedoelde schrijven, de verklaring omtrent het gedrag af.
1.
In de gevallen ten aanzien waarvan voor de inwerkingtreding van deze wet voorschriften zijn gegeven over de afgifte of de overlegging van een bewijs van goed zedelijk gedrag of een verklaring van overeenkomstige strekking, worden deze bewijzen of verklaringen, onder de benaming verklaring omtrent het gedrag, bij uitsluiting door de burgemeester overeenkomstig de bepalingen van deze wet afgegeven. De bepalingen betreffende deze bewijzen of verklaringen in bedoelde voorschriften blijven buiten toepassing.
2.
Indien ten dienste van de afgifte van een zodanige verklaring inlichtingen aan de burgemeester worden verstrekt, met toepassing van artikel 13, blijft artikel 27, tweede lid, buiten toepassing.
1.
Een ieder die ingevolge deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt, tot mededeling noodzaakt.
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 38
Deze wet kan worden aangehaald als "Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag".
Artikel 39
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Hjelle, 15 augustus 1955
De Minister van Justitie,
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de negende september 1955.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Titel I. De justitiële documentatie
+ Titel II. Verklaringen omtrent het gedrag
+ Titel III. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht