Let op. Deze wet is vervallen op 9 mei 2008. U leest nu de tekst die gold op 8 mei 2008.

Wet op de Parlementaire Enquête

Uitgebreide informatie
Wet van 5 augustus 1850, tot regeling van het regt van onderzoek (enquête)
Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat ter uitvoering van artikel 95 der Grondwet, het recht van onderzoek (enquête) van de Kamers der Staten-Generaal moet geregeld worden door de wet;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1.
Elk der Kamers of de verenigde vergadering der Staten-Generaal kan op voorstel van een of meer van haar leden of van een door haar ingestelde commissie besluiten een onderzoek in te stellen.
2.
De uitvoering van dit besluit wordt opgedragen aan hetzij een reeds door de betreffende Kamer of door de verenigde vergadering ingestelde commissie, hetzij aan een daartoe in te stellen commissie.
3.
Het besluit bevat een omschrijving van het onderwerp waarop het onderzoek betrekking zal hebben. Deze omschrijving kan hangende het onderzoek al dan niet op verzoek van de commissie die het onderzoek verricht, door de Kamer of de verenigde vergadering worden gewijzigd.
4.
Elk der Kamers of de verenigde vergadering der Staten-Generaal bepaalt de wijze waarop het aantal leden en plaatsvervangende leden van de commissie waaraan een onderzoek wordt opgedragen wordt vastgesteld alsmede de wijze waarop zij worden benoemd en ontslagen.
5.
Een commissie van onderzoek kan geen der bevoegdheden, haar bij deze wet verleend, uitoefenen, indien niet ten minste drie harer leden of als zodanig optredende plaatsvervangende leden tegenwoordig zijn.
1.
Het besluit tot het instellen van een onderzoek wordt in de Staatscourant geplaatst. Daarbij wordt vermeld aan welke commissie het onderzoek is opgedragen.
2.
Van wijzigingen in de omschrijving van het onderwerp van onderzoek en van beëindiging van het onderzoek wordt op gelijke wijze kennis gegeven.
1.
Vanaf het tijdstip van de eerste bekendmaking zijn alle Nederlanders, alle ingezetenen en andere binnen het grondgebied van het Rijk verblijfhoudende personen, benevens alle binnen het grondgebied van het Rijk gevestigde rechtspersonen verplicht te voldoen aan de vordering van de commissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de commissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor de vervulling van haar taak nodig is.
2.
De in het eerste lid genoemde personen zijn voorts vanaf het tijdstip van de eerste bekendmaking verplicht te voldoen aan een oproeping door de commissie uitgevaardigd om als getuige of deskundige te worden verhoord.
3.
Alle ambtenaren zijn vanaf het tijdstip van de eerste bekendmaking gehouden om, in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, gevolg te geven aan de vorderingen van de commissie die deze tot uitvoering van haar taak nodig oordeelt.
Artikel 4
De getuigen en deskundigen verschijnen voor de commissie van onderzoek, hetzij vrijwillig op een schriftelijke oproeping, hetzij ingevolge dagvaarding.
Artikel 4a
Een getuige of deskundige die door de commissie wordt verhoord kan niet tevens zijn lid van de commissie.
1.
Dagvaarding van getuigen of deskundigen geschiedt door de deurwaarders bij de verschillende rechterlijke colleges, hetzij op rechtstreekse last der commissie, hetzij, ten gevolge van haar vordering, op last der ambtenaren van het openbaar ministerie.
2.
Onder dagvaarding wordt in deze wet mede begrepen voor wat betreft personen, die geen bekende woon- of verblijfplaats binnen het Rijk hebben, een oproeping op last der commissie op door haar te bepalen wijze.
Artikel 6
De getuigen of deskundigen worden in persoon of te hunner woonplaats gedagvaardigd, ten minste drie dagen voor de dag van het verhoor.
1.
De verhoren van getuigen en deskundigen worden door de commissie gehouden op de plaats, waar zij zulks het meest wenselijk oordeelt.
2.
De schriftelijke aantekening der afgelegde verklaringen of gegeven berichten wordt aan de getuigen of deskundigen voorgelezen of ter inzage verstrekt en door dezen ondertekend.
1.
De commissie kan besluiten dat getuigen, mits zij de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt, niet worden verhoord dan na het afleggen van de eed of belofte.
2.
Zij leggen in dat geval in handen van de voorzitter van de commissie de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
3.
De deskundige is verplicht zijn taak onpartijdig en naar beste weten te verrichten.
1.
Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan.
2.
Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een getuige zonder bijstand wordt verhoord.
1.
Indien de behoorlijk gedagvaarde getuige of deskundige niet verschijnt, wordt daarvan een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk een nauwkeurige omschrijving der akte van dagvaarding behelst en door de aanwezige leden der commissie wordt ondertekend.
2.
Dit proces-verbaal wordt door de commissie, wanneer zij het nodig oordeelt, in handen gesteld van het openbaar ministerie bij de rechtbank van het arrondissement, waarin de in gebreke gebleven getuige of deskundige woont.
1.
De vervolging van hem die weigert gevolg te geven aan een vordering ingevolge artikel 3, eerste lid, en van de nalatige getuige of deskundige staat ter kennisneming van de burgerlijke rechter en wordt, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, ter terechtzitting voor burgerlijke zaken behandeld, op de wijze bij de wet voor strafzaken ter kennisneming van de rechtbank voorgeschreven.
2.
De bepalingen van de eerste titel van het vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering zijn van toepassing.
Artikel 11
Het proces-verbaal van niet-verschijning, door de commissie, opgemaakt, levert, behoudens tegenbewijs, een volledig bewijs op van hetgeen daarin vermeld staat.
Artikel 12
De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die niet voldoet aan de verplichting in artikel 3 omschreven, ook indien het feit buiten Nederland is begaan.
Artikel 13
Onverminderd de vervolging wegens de eerste niet-verschijning, kan de commissie een nadere dagvaarding van dezelfde getuige of deskundige bevelen, en zelfs door tussenkomst van de officier bij de betrokken rechtbank een bevel van medebrenging van de rechter-commissaris in het arrondissement waarin de getuige of deskundige woont, of zich werkelijk bevindt, doen requireren, om bij de dagvaarding te worden gevoegd.
Artikel 14
Bij herhaalde niet-verschijning zijn de artikelen 9, 10, 11 en 12 dezer wet mede van toepassing.
1.
Van een weigering gevolg te geven aan een vordering van de commissie ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt proces-verbaal opgemaakt, hetwelk de redenen van de weigering, zo die gegeven zijn, inhoudt, en door de leden van de commissie wordt ondertekend.
2.
Wanneer een getuige of deskundige, hetzij vrijwillig, hetzij op de nadere dagvaarding verschenen of uit kracht van het bevel tot medebrenging voor de commissie gebracht zijnde, weigert te antwoorden, of de eed of de belofte af te leggen, wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt, hetwelk de redenen van die weigering, zo die gegeven zijn, inhoudt, en door de aanwezige leden van de commissie wordt ondertekend.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde processen-verbaal bezitten de bewijskracht in artikel 11 omschreven.
1.
De commissie stelt het proces-verbaal, bedoeld in artikel 15, eerste lid, wanneer zij het nodig oordeelt, in handen van het openbaar ministerie bij de rechtbank van het arrondissement waarin zij het verschaffen van inzage, het nemen van afschrift of het anderszins kennisnemen heeft gevorderd.
2.
De commissie stelt het proces-verbaal, bedoeld in artikel 15, tweede lid, wanneer zij het nodig oordeelt, in handen van het openbaar ministerie bij de rechtbank van het arrondissement waarin het verhoor was gelast.
3.
De vervolging geschiedt op de wijze bij artikel 10 omschreven.
1.
De rechtbank van het arrondissement kan de gijzeling van de weigerachtige getuige of deskundige gelasten. Deze gijzeling wordt voor een tijdvak van zes maanden uitgesproken, doch houdt op wanneer de getuige of deskundige vroeger aan zijn verplichting mocht hebben voldaan.
2.
Op de vordering der commissie, gelast de voorzieningenrechter van de rechtbank de dadelijke gijzeling van de weigerachtige getuige of deskundige, die inmiddels tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter, op last der commissie, binnen het lokaal, waar zij vergadert, in bewaring kan worden gehouden; indien de weigerachtige getuige of deskundige, die op last van de commissie in bewaring wordt gehouden, om zijn invrijheidstelling verzoekt, wordt hij binnen vierentwintig uren door de voorzieningenrechter van de rechtbank gehoord; het door de voorzieningenrechter af te geven bevel vermeldt de gedane vordering, benoemt de deurwaarder met de overbrenging belast, en wijst de plaats der voorlopige gijzeling aan.
3.
Van de in-gijzeling-stelling wordt een akte opgemaakt, waarin het bevel tot gijzeling wordt aangehaald en waarvan onmiddellijk een afschrift aan de gegijzelde wordt overhandigd.
4.
Deze voorlopige gijzeling houdt op bij de voldoening aan de vroeger geweigerde verplichting, en vervalt van rechtswege, indien de bekrachtiging daarvan niet binnen acht dagen bij de rechter is gevraagd.
5.
De bij vonnis bevolen of bekrachtigde gijzeling is uitvoerbaar, niettegenstaande verzet of hoger beroep.
Artikel 18
Niemand kan genoodzaakt worden aan de commissie geheimen te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, danwel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij werkzaam is of geweest is.
1.
De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de commissie verhoord.
2.
De commissie kan echter om gewichtige redenen besluiten een verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen.
3.
De leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren geheimhouding omtrent hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter kennis komt.
4.
De aantekening, bedoeld in artikel 7, van een verhoor of een gedeelte van een verhoor als bedoeld in het tweede lid, wordt ter inzage gelegd van de leden van de Kamer of de verenigde vergadering door wie de commissie is ingesteld. De leden bewaren omtrent de inhoud van zodanige aantekening geheimhouding.
1.
De commissie kan om gewichtige redenen in verband met de bescherming van de in artikel 3, eerste lid, genoemde personen of van een belang, bedoeld in artikel 18, besluiten aan haar overgelegde bescheiden of gedeelten daarvan niet openbaar te maken.
2.
De leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren geheimhouding omtrent de inhoud van de bescheiden of gedeelten daarvan, die ingevolge een besluit, bedoeld in het eerste lid, niet openbaar worden gemaakt.
3.
Voor zover de in het tweede lid bedoelde bescheiden deel uitmaken van het onderzoeksverslag van de commissie, worden deze ter inzage of anderszins ter kennisneming gelegd van de leden van de Kamer of verenigde vergadering door welke de commissie is ingesteld. De leden bewaren omtrent de inhoud van de zodanige bescheiden geheimhouding.
1.
Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd.
2.
Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
1.
De gevoelens, door de leden van colleges bij de behandeling van zaken ter vergadering geuit, en de deswege plaats gehad hebbende beraadslagingen mogen, voor zover bij de wet een verplichting tot geheimhouding is opgelegd, nimmer een onderwerp van verhoor of ondervraging uitmaken. Met betrekking tot de behandeling van zaken ter vergadering van de ministerraad en de op grond daarvan plaatsgehad hebbende beraadslagingen mogen ministers en staatssecretarissen, gewezen ministers en staatssecretarissen, tenzij de ministerraad op een daartoe strekkend verzoek van de commissie ontheffing verleent van de geheimhoudingsplicht, slechts worden ondervraagd over in die raad gevallen beslissingen en de gronden waarp deze rusten.
2.
De verschoning van verplichte geheimhouding door burgerlijke ambtenaren of militairen of gewezen burgerlijke ambtenaren en militairen van alle rang ingebracht, moet evenzo worden aangenomen indien zij rust op het beweren dat de verlangde openbaarmaking wordt geoordeeld in strijd te zijn met het belang van de staat, of op de stellige last van hun meerderen dezelfde grond van verschoning aanduidende.
3.
In beide gevallen kan echter de Kamer of de verenigde vergadering der Staten-Generaal op het verslag van haar commissie verlangen, dat de gegrondheid van de ingebrachte verschoning door de minister, onder wie de betrokken ambtenaar of militair behoort of heeft behoord nader wordt bevestigd.
4.
Met betrekking tot gewezen ministers en staatssecretarissen geschiedt voor zaken, welke betrekking hebben op de tijd van hun ambtsvervulling, de bevestiging door de minister-president.
1.
De minister bij wie of onder wiens ondergeschikte ambtenaren bescheiden voorhanden zijn, waarvan inzage of kennisneming anderszins door de commissie schriftelijk wordt verlangd, bewilligt in die inzage of kennisneming, tenzij hij mocht beoordelen dat zij met het belang van de staat in strijd zou kunnen zijn.
2.
Tenzij de ministerraad anders besluit, wordt evenwel van bescheiden, weergevende de behandeling van zaken ter vergadering van de ministerraad niet anders verstrekt dan een door de minister-president ondertekend uittreksel, vermeldende de in die raad gevallen beslissingen.
Artikel 22
Bij de toepassing van de bepalingen, in de beide voorafgaande artikelen vervat, op leden van staatscolleges of andere ambtenaren, wier werkkring hen niet rechtstreeks onder enig ministerie rangschikt, zal de toestemming tot of weigering van inzage of kennisneming anderszins van bescheiden, of verklaring van strijdig staatsbelang, worden gegeven door de minister of ministers tot wier werkkring die behandelde zaken specifiek behoren.
1.
Wanneer de commissie nodig acht buiten Nederland verblijfhoudende personen als getuigen of deskundigen te horen, kan zij van de vragen, waarop antwoord wordt verlangd, in geschrifte mededeling doen aan het betrokken ministerie, dat de voldoening daaraan bevordert.
2.
Indien de medegedeelde vragen door ambtenaren of militairen van alle rang moeten worden beantwoord en de minister van oordeel is, dat het belang van de Staat de beantwoording niet toelaat, wordt daarvan aan de commissie kennis gegeven.
3.
Artikel 20, derde lid, is van toepassing.
Artikel 24
Behalve in het geval van artikel 25, kunnen nimmer verklaringen voor een commissie, of op haar vordering afgelegd, als bewijs in rechte gelden, hetzij tegen degene door wie zij afgelegd zijn, hetzij tegen derden.
1.
Getuigen, die in hun onder ede afgelegde verklaringen feiten hebben vervalst, of tegen de waarheid voorgedragen, worden gestraft met de straffen tegen valse getuigenis in burgerlijke zaken bij het Wetboek van Strafrecht bedreigd.
2.
Hij die schuldig is aan het omkopen van getuigen, wordt gestraft naar de voorschriften die in het Wetboek van Strafrecht over omkoping van getuigen zijn gegeven.
3.
Het proces-verbaal van gehouden getuigenverhoor bezit de bewijskracht als omschreven in artikel 11.
Artikel 26
De getuigen en deskundigen ontvangen op hun daartoe strekkend verzoek schadeloosstelling, door de commissie op vertoon van de schriftelijke oproeping of de akte van dagvaarding, te begroten overeenkomstig het bepaalde omtrent getuigen en deskundigen krachtens artikel 57 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken .
Artikel 28
De bevoegdheid en de werkzaamheden van een commissie van onderzoek worden door de ontbinding van één of van beide Kamers der Staten-Generaal niet geschorst.
Artikel 29
De Kamer of de verenigde vergadering der Staten-Generaal stelt een raming vast van de kosten, welke naar haar oordeel voor het onderzoek in een bepaald jaar vereist zijn. Zij brengt deze te Onzer kennis. Wij dienen vervolgens een voorstel van wet in tot verhoging van de rijksbegroting.
1.
Na de beëindiging van het onderzoek van een door haar ingestelde commissie besluit de Kamer of de verenigde vergadering, dat de processen-verbaal en de overige bescheiden van het onderzoek worden vernietigd, dan wel gedurende een door haar te bepalen periode worden bewaard in het archief van de Kamer of in het Rijksarchief.
2.
Bescheiden en aantekeningen, die ingevolge een besluit van de commissie, genomen krachtens de haar bij artikel 18 a en 18 b van deze wet verleende bevoegdheid, geheim dienen te worden gehouden, maken geen deel uit van dit archief.
3.
De commissie bepaalt waar de in het tweede lid bedoelde bescheiden worden bewaard en gedurende welke periode zij geheim zullen zijn.
Artikel 30
Deze wet kan worden aangehaald als de Wet op de Parlementaire Enquête.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 5den 1850
De Minister van Justitie,
Uitgegeven den dertienden Augustus 1850.
De Staatsraad, Directeur van het Kabinet des Konings ,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 4a
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 8a
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 14a
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 18a
Artikel 18b
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Artikel 29
Artikel 29a
Artikel 30
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken