1.
Deze paragraaf is van toepassing op:
a. banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 hebben;
b. beheerders van een icbe die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:69b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, voor zover het betreft het beheren van individuele vermogens en Nederlandse beheerders met een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, aanhef en onderdeel a, voor zover het betreft het verrichten van de activiteiten of het verlenen van de diensten, bedoeld in artikel 2:67a, tweede lid;
c. beleggingsondernemingen die een vergunning hebben als bedoeld in artikel 2:96 voor het verlenen van beleggingsdiensten; en
d. financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 hebben en die beleggingsdiensten mogen verlenen.
2.
De intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op vorderingen van beleggers op de financiële onderneming die verband houden met beleggingsverrichtingen die tot het tijdstip van intrekking van de vergunning hebben plaatsgevonden en laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op bestaande vorderingen van crediteuren op de financiële onderneming op het tijdstip van de intrekking van de vergunning.
3.
In deze paragraaf en paragraaf 3.5.6.1A wordt verstaan onder belegger: persoon als bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, eerste volzin.
1.
Er is een beleggerscompensatiestelsel dat tot doel heeft personen die op grond van een beleggingsdienst als omschreven in artikel 1:1 of een dienst als vermeld in bijlage I, deel B, punt 1, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten, geld of financiële instrumenten aan een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling hebben toevertrouwd, te compenseren ingeval de betreffende onderneming niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen die verband houden met die beleggingsdienst of nevendienst. Banken waarop artikel 2:13 of 3:33 van toepassing is, beleggingsondernemingen en financiële instellingen dragen de kosten van het beleggerscompensatiestelsel.
2.
Er is een depositogarantiestelsel dat tot doel heeft depositohouders te compenseren in het geval een bank niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen uit deposito’s. Banken dragen de kosten van het depositogarantiestelsel.
3.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
a. categorieën van financiële ondernemingen en personen die onder de reikwijdte van de vangnetregeling vallen, dan wel hiervan worden uitgesloten;
b. categorieën van vorderingen die onder de reikwijdte van een vangnetregeling vallen, de wijze van indiening en vaststelling daarvan, de voorwaarden voor vergoeding van deze vorderingen, de hoogte van de vergoeding, het doen van uitkeringen aan beleggers of crediteuren en de wijze van informatieverschaffing daarover door financiële ondernemingen.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot:
a. de bekendmaking van een vangnetregeling; en
b. de financiering, bekostiging en verdeling van baten van een vangnetregeling.
1.
Er is een depositogarantiefonds dat tot taak heeft het beheer van financiële middelen ten behoeve van de uitvoering van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid. De Nederlandsche Bank besluit over de aanwending van de financiële middelen van het fonds.
2.
Het depositogarantiefonds bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Amsterdam.
3.
Het depositogarantiefonds wordt vertegenwoordigd door een bestuur dat bestaat uit drie leden, waaronder de voorzitter. Benoeming, schorsing en ontslag van de leden geschiedt door de Nederlandsche Bank.
4.
De Nederlandsche Bank ondersteunt het depositogarantiefonds bij de uitoefening van zijn taak en verschaft de voor die taakuitoefening benodigde financiële middelen.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de taakuitoefening van het depositogarantiefonds, het bestuur van het fonds en de verantwoording door het fonds.
1.
De Nederlandsche Bank besluit onverwijld tot toepassing van een vangnetregeling indien:
a. de Nederlandsche Bank van oordeel is dat een financiële onderneming om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie niet in staat is een verschuldigd en betaalbaar deposito onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden terug te betalen of aan verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers die verband houden met een beleggingsdienst of dienst als bedoeld in artikel 3:259, eerste lid, en de onderneming daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat is; of
b. een rechterlijke instantie, om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële positie van de financiële onderneming, een uitspraak heeft gedaan die leidt tot schorsing van de rechten van depositohouders of beleggers om hun vordering op de betreffende financiële onderneming te verhalen.
2.
De Nederlandsche Bank geeft toepassing aan het eerste lid, aanhef en onder a, uiterlijk vijf werkdagen nadat zij voor het eerst heeft geconstateerd dat een bank heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare deposito’s onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden terug te betalen of aan verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers die verband houden met een beleggingsdienst of dienst als bedoeld in artikel 3:259a, eerste lid.
3.
De Nederlandsche Bank doet van het besluit tot toepassing van een vangnetregeling mededeling in de Staatscourant.
1.
Bij de toepassing van een vangnetregeling stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, derde lid, onderdeel b, bepaalde de omvang vast van de vorderingen die voor vergoeding in aanmerking komen en de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen van beleggers of depositohouders, alsmede de hoogte van de vergoeding van de vorderingen.
2.
De Nederlandsche Bank draagt zorg voor betaling van de ingevolge het beleggerscompensatiestelsel voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen van beleggers binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn.
3.
De Nederlandsche Bank is in staat ingevolge het depositogarantiestelsel voor vergoeding in aanmerking komende aanspraken te honoreren binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn.
4.
De Nederlandsche Bank treedt in de rechten die een belegger of depositohouder terzake van een vordering op de betalingsonmachtige financiële onderneming heeft voor zover zij een vergoeding als bedoeld in het eerste lid aan die belegger of depositohouder heeft betaald.
1.
De samenloop van vorderingen van beleggers op een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling ten aanzien waarvan een vangnetregeling is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge deze afdeling daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de boedel, beleggingsonderneming of financiële instelling hoofdelijk zijn verbonden.
2.
De samenloop van vorderingen van depositohouders op een bank ten aanzien waarvan een vangnetregeling is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge deze afdeling daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de boedel of de bank hoofdelijk zijn verbonden.
Artikel 3:262
De Nederlandsche Bank stelt met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, vierde lid, onderdeel b, bepaalde de bijdragen vast van de financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, aan de vangnetregeling. De bijdrageplichtige financiële ondernemingen voldoen deze bijdragen binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.
1.
Een financiële onderneming als bedoeld in artikel 3:258, eerste lid, stelt informatie ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling. Voorzover op een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor een met een vangnetregeling vergelijkbare regeling toepasselijk is, stelt de financiële onderneming eveneens informatie ter beschikking over die regeling.
2.
De informatie moet zodanig zijn dat al dan niet potentiële beleggers en depositohouders in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering valt onder de dekking van de vangnetregeling dan wel onder een vergelijkbare buitenlandse regeling.
3.
De informatie over de vangnetregeling wordt in de Nederlandse taal of in de taal die door de depositohouder en de bank zijn overeengekomen bij het aangaan van de overeenkomst ter beschikking gesteld of voorzover het een vergelijkbare regeling betreft die op een bijkantoor toepasselijk is, in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar het desbetreffende bijkantoor is gelegen.
4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
1.
Het is een financiële onderneming niet toegestaan informatie over een vangnetregeling ten behoeve van reclamedoeleinden te gebruiken.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die in een reclame-uiting vermelden dat op hen een vangnetregeling van toepassing is.
1.
Ingeval van een rechtsfeit als bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de richtlijn depositogarantiestelsels, geeft elke betrokken bank depositohouders daarvan kennis ten minste een maand voordat de rechtsgevolgen ingaan, tenzij de Nederlandsche Bank een kortere termijn toestaat omwille van de stabiliteit van het financiële stelsel of omdat hiermee een rechtmatig belang van de desbetreffende bank wordt gediend.
2.
De bank stelt gedurende drie maanden na de kennisgeving depositohouders onvoorwaardelijk en zonder betaling van een boete in staat deposito’s die voor vergoeding uit hoofde van een depositogarantiestelsel in aanmerking komen, op te nemen voor zover die deposito’s hoger zijn dan het uit hoofde van het toepasselijke depositogarantiestelsel gegarandeerde bedrag nadat de rechtsgevolgen, bedoeld in het eerste lid, zijn ingetreden.
3.
Artikel 1:23 is niet van toepassing ten aanzien van het tweede lid.
1.
De Nederlandsche Bank verhaalt de vorderingen op de betalingsonmachtige financiële onderneming die ingevolge artikel 3:261, derde lid, op haar zijn overgegaan, op die financiële onderneming.
2.
Ingeval bij de toepassing van een vangnetregeling een batig saldo resteert, stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 3:259, vierde lid, onderdeel b, bepaalde dit ter beschikking aan de financiële ondernemingen die een bijdrage als bedoeld in artikel 3:262 hebben gedaan.
Artikel 3:265a
De bewindvoerders stellen de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk na het uitspreken van de noodregeling, bedoeld in Afdeling 3.5.5, in kennis van aan hen bekende:
a. beleggers;
b. depositohouders;
c. vorderingen van de personen, bedoeld in de onderdelen a en b, op de financiële onderneming; en
d. vorderingen van de financiële onderneming op de personen, bedoeld in de onderdelen a en b.
1.
Zodra de Nederlandsche Bank de hoogte van de vergoeding van een vordering overeenkomstig artikel 3:261, eerste lid, heeft vastgesteld, deelt zij die en de berekening daarvan mee aan de bewindvoerders.
2.
Indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de vordering niet voor vergoeding in aanmerking komt, deelt zij dat mee aan de bewindvoerders.
3.
De bewindvoerders brengen het aan hen ingevolge het eerste lid medegedeelde bedrag in mindering op het bedrag van de na verrekening geresteerde of te resteren vordering van de belegger of depositohouder op de financiële onderneming.
1.
Indien de Nederlandsche Bank de hoogte van de vergoeding van een vordering nog niet ingevolge artikel 3:265b, eerste lid, aan de bewindvoerders heeft medegedeeld op het tijdstip waarop de bewindvoerders tot uitkering van vorderingen overgaan, keren de bewindvoerders het bedrag aan de desbetreffende belegger of depositohouder uit dat zij zouden hebben uitgekeerd in het geval waarin de Nederlandsche Bank de hoogte van de vergoeding zou hebben vastgesteld op het bedrag waarop de belegger of depositohouder aanspraak maakt.
2.
De bewindvoerders doen geen uitkering op het gedeelte van de na verrekening resterende vordering dat resteert na de uitkering ingevolge het eerste lid dan nadat de Nederlandsche Bank de overeenkomstig artikel 3:261, eerste lid, vastgestelde hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende vordering aan de bewindvoerders heeft medegedeeld.
3.
Indien de bewindvoerders tot een tussentijdse uitkering overgaan, reserveren zij een bedrag met betrekking tot elke na verrekening geresteerde of te resteren vordering waarop ingevolge het tweede lid nog geen uitkering is gedaan.
4.
De hoogte van het bedrag, bedoeld in het derde lid, wordt gevormd door een percentage van de na verrekening geresteerde of te resteren vordering waarop ingevolge het tweede lid nog geen uitkering is gedaan, welk percentage gelijk is aan het percentage dat is uitgekeerd op de andere vorderingen met dezelfde rang die wel zijn voldaan.
1.
Een bankspaardeposito eigen woning dat een depositohouder bij een bank aanhoudt en de daarmee verbonden eigenwoningschuld aan die bank of een ander worden tot hun gemeenschappelijk beloop opeisbaar en van rechtswege met elkaar verrekend, voor zoveel mogelijk eerst met de eigenwoningschuld aan de bank, ongeacht mogelijk bestaande rechten van derden ten aanzien van het bankspaardeposito eigen woning, onderscheidenlijk de verbonden eigenwoningschuld, op het tijdstip dat zich als eerste van de volgende tijdstippen voordoet:
a. het tijdstip waarop de Nederlandsche Bank de depositogarantieregeling in werking heeft gesteld ingevolge artikel 3:260, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
b. het tijdstip dat de rechtbank ingevolge artikel 3:174, zevende lid, vermeldt op de beschikking waarbij zij de noodregeling uitspreekt;
c. het tijdstip dat de rechtbank ingevolge artikel 14, eerste lid, laatste volzin, van de Faillissementswet vermeldt op de beschikking waarbij zij het faillissement uitspreekt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de deposito’s worden overgedragen aan degene aan wie de depositohouder de eigenwoningschuld heeft.
3.
De verrekening, bedoeld in het eerste lid, kan niet ertoe leiden dat degene die een eigenwoningschuld heeft, een additioneel bedrag verschuldigd wordt.
1.
Indien de Nederlandsche Bank een afwikkelingsinstrument als bedoeld in artikel 3A:1 toepast en de toepassing van dat instrument ertoe strekt dat depositohouders toegang houden tot hun deposito’s, wordt, overeenkomstig artikel 79 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, ten laste van het depositogarantiestelsel, bedoeld in 3:259, tweede lid, een bedrag beschikbaar gesteld.
2.
Indien bij de toepassing van het instrument van bail-in door het depositogarantiestelsel gegarandeerde deposito’s in gelijke mate zouden worden afgeschreven als vorderingen met een gelijke rang, wordt ten hoogste het bedrag beschikbaar gesteld waarmee deze vorderingen zouden zijn afgeschreven om de verliezen van de entiteit te absorberen tot het punt waarop de nettowaarde van de activa van de entiteit gelijk is aan nul.
3.
Bij de toepassing van een ander afwikkelingsinstrument wordt ten hoogste het bedrag beschikbaar gesteld ter grootte van het totaal aan verliezen die houders van vorderingen tot het gegarandeerde bedrag die voor vergoeding uit hoofde van het depositogarantiestelsel in aanmerking komen zouden lijden indien zij in gelijke mate verliezen zouden lijden als houders van vorderingen met een gelijke rang.
1.
De paragrafen 3.5.6.1 tot en met 3.5.6.1B zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verlenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het tweede lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het beleggerscompensatiestelsel;
b. banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het derde lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het depositogarantiestelsel; en
c. banken en financiële instellingen met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het vierde lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het beleggerscompensatiestelsel.
2.
Een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan, indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat van de zetel.
3.
Een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan, indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van depositogarantie beperkter is dan de dekking van het depositogarantiestelsel, kiezen voor deelname aan het depositogarantiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat van de zetel.
4.
Een bank of een financiële instelling met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 2:15, onderscheidenlijk artikel 2:112, is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen, kan indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat waar de zetel zich bevindt.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de deelname aan een vangnetregeling door een bank of beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die een in Nederland gelegen bijkantoor heeft.
1.
De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de
paragrafen 3.5.6.1 tot en met 3.5.6.1B bepaalde betreffende het beleggerscompensatiestelsel van overeenkomstige toepassing is op een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 is verleend, of op een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 2:22 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen en, indien op de vorderingen van beleggers op die beleggingsondernemingen in verband met beleggingsverrichtingen geen stelsel van beleggerscompensatie van toepassing is waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 11, eerste lid, van richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 84).
2.
De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge de paragrafen 3.5.6.1 en 3.5.6.1A bepaalde betreffende het depositogarantiestelsel van overeenkomstige toepassing is op banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien op de vorderingen van crediteuren op die banken geen stelsel van depositogarantie van toepassing is, waarvan de bescherming, ten minste wat betreft dekkingsniveau en beschermingsomvang, gelijkwaardig is aan de bescherming zoals voorgeschreven door de richtlijn depositogarantiestelsels.
3.
Een bank of beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent onderscheidenlijk beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor stelt informatie ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling.
4.
De informatie, bedoeld in het derde lid, wordt in de Nederlandse taal of in de taal die door de depositohouder en de bank zijn overeengekomen bij het aangaan van de overeenkomst ter beschikking gesteld en moet zodanig zijn dat al dan niet potentiële beleggers en crediteuren in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering valt onder de dekking van de vangnetregeling dan wel onder een vergelijkbare buitenlandse regeling.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het derde en het vierde lid.
Inhoudsopgave
+ 1. Algemeen deel
+ 2. Deel Markttoegang Financiële Ondernemingen
- 3. Deel Prudentieel Toezicht Financiële Ondernemingen
+ 3a. Deel Bijzondere maatregelen en voorzieningen betreffende financiële ondernemingen
+ 4. Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
+ 5. Deel Gedragstoezicht financiële markten
+ 6. Deel bijzondere maatregelen betreffende de stabiliteit van het financiële stelsel
+ 7. Deel Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht