Wet van 20 juni 2002 houdende Wet op het onderwijstoezicht
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen met betrekking tot het toezicht op het onderwijs;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Economische Zaken,
b. de inspectie: de Inspectie van het onderwijs,
c. de inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het onderwijs,
d. onderwijswet:
1.
Leerplichtwet 1969 ,
Wet op het primair onderwijs ,
Wet op de expertisecentra ,
Wet op het voortgezet onderwijs ,
Wet educatie en beroepsonderwijs ,
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ,
Wet medezeggenschap op scholen ,
Wet overige OCW-subsidies ,
Wet op de erkende onderwijsinstellingen , of
Experimentenwet onderwijs ,
2.
Leerplichtwet BES
Wet primair onderwijs BES
Wet voortgezet onderwijs BES
Wet educatie en beroepsonderwijs BES , of
Wet sociale kanstrajecten jongeren BES
f. voorschoolse educatie: voorschoolse educatie als bedoeld in de artikelen 1.1, eerste lid, en 2.1, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen,
g. instelling: school, instelling of exameninstelling in de zin van een onderwijswet, daaronder begrepen een niet bekostigde instelling,
h instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
i. samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
j. regionaal expertisecentrum: regionaal expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b van de Wet op de expertisecentra, waaronder begrepen de commissie voor de indicatiestelling die door het regionaal expertisecentrum in stand wordt gehouden,
k. bestuur: bevoegd gezag in de zin van een onderwijswet, met dien verstande dat waar het de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES betreft hieronder wordt verstaan het hoofd van de school of instelling, en met dien verstande dat waar het het toezicht op de uitoefening van de taken van het samenwerkingsverband betreft hieronder wordt verstaan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
l. onderwijsdeelnemer: leerling, deelnemer, student of extraneus in de zin van een onderwijswet,
m. ouders: met het gezag over het kind belaste ouders, hun geregistreerde partners, voogden en verzorgers,
n. jaarwerkplan: document waarin de inspectie haar werkzaamheden voor het komende jaar neerlegt,
o. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer of, bij ontbreken daarvan, door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer.
1.
Er is een Inspectie van het onderwijs, die onder Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ressorteert. Aan het hoofd van de inspectie staat de inspecteur-generaal.
2.
Onze Minister geeft met betrekking tot de uitoefening van de in deze wet aan de inspectie toegekende bevoegdheden uitsluitend in schriftelijke vorm zijn aanwijzingen, onder mededeling daarvan aan de Staten-Generaal.
1.
Het toezicht op het onderwijs is opgedragen aan de inspectie.
2.
Het toezicht omvat de volgende taken:
a. het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs, daaronder begrepen de kwaliteit van het onderwijspersoneel, aan instellingen als bedoeld in de onderwijswetten met uitzondering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek , het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, en het beoordelen van de kwaliteitsvoorwaarden van de voorschoolse educatie op peuterspeelzalen en kindercentra, bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen ,
b. het beoordelen en bevorderen van de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften,
c. het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het stelsel voor hoger onderwijs, met inbegrip van het stelsel van accreditatie, bedoeld in artikel 1.1, onderdelen q, r en s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en het onderzoeken van de kwaliteit van het onderwijs aan een instelling voor hoger onderwijs anders dan ten behoeve van de accreditatie in het hoger onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 5a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
d. het beoordelen en bevorderen van de financiële rechtmatigheid door in ieder geval het verrichten van onderzoek naar de rechtmatige verkrijging van de bekostiging, naar de controlerapporten van de door het bestuur aangewezen accountant, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de rechtmatigheid van het financieel beheer van de bekostigde instellingen, de samenwerkingsverbanden en de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven,
e. het rapporteren over de ontwikkeling van het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan, en
f. het verrichten van andere bij of krachtens de wet aan de inspectie opgedragen taken.
3.
Onze Minister kan de inspectie mandaat verlenen om:
b. een subsidie lager vast te stellen, te wijzigen, of gedeeltelijk in te trekken of terug te vorderen op grond van de afdelingen 4.2.5 tot en met 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht;
c. bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs , de Wet primair onderwijs BES , de Wet op de expertisecentra , de Wet op het voortgezet onderwijs , de Wet voortgezet onderwijs BES , de Wet educatie en beroepsonderwijs , de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek correcties aan te brengen of bedragen in mindering te brengen op de bekostiging;
d. voor zover het niet de enige opleiding in zijn soort betreft, een waarschuwing als bedoeld in de artikelen 6.1.5, 6.1.5b, 6.2.3, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.3, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te geven, of een besluit als bedoeld in de artikelen 6.1.4, 6.1.5b, 6.2.2, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.1, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te nemen;
e. de bestuurlijke boete op te leggen, bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969 of artikel 39 van de Leerplichtwet BES; of
f. te beslissen op een tegen een besluit als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingediend bezwaarschrift.
1.
De inspectie oefent het toezicht uit met inachtneming van de vrijheid van onderwijs.
2.
De inspectie oefent het toezicht uit op zodanige wijze dat instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezicht noodzakelijk is.
3.
De intensiteit van het toezicht in het onderwijs is afhankelijk van de kwaliteit van het onderwijs, van de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, van de mate van naleving van wettelijke voorschriften en, voor zover deze wordt bekostigd uit ’s Rijks kas, van de financiële situatie van de instelling.
4.
De uitoefening van het toezicht is er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs.
Artikel 5. Uitoefening toezicht op beroepsopleidingen in overleg met andere ministeries
Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in voorkomende gevallen beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het beroepsmatig functioneren dient te beschikken, pleegt de inspectie overleg met door Onze Minister wie het aangaat, aangewezen ambtenaren.
1.
Bij de inspectie zijn vertrouwensinspecteurs werkzaam voor:
a. onderwijsdeelnemers die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of radicalisering, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer van de instelling,
b. ten behoeve van een instelling met taken belaste personen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of radicalisering, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer van de instelling, en
c. onderwijsdeelnemers, ten behoeve van een instelling met taken belaste personen, besturen, ouders, op instellingen ingestelde klachtencommissies en op instellingen aangestelde vertrouwenspersonen, die geconfronteerd worden met een geval van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of radicalisering als bedoeld onder a of b.
2.
Naast zijn taken, voortvloeiend uit artikel 3, heeft de vertrouwensinspecteur ten behoeve van de in het eerste lid genoemde personen en organen de volgende taken:
a. het fungeren als aanspreekpunt,
b. het adviseren over eventueel te nemen stappen,
c. het bijstaan bij het nemen van stappen gericht op het zoeken naar een oplossing, en
d. het desgevraagd begeleiden bij het indienen van een klacht of het doen van aangifte.
3.
De vertrouwensinspecteur is, voorzover het betreft misdrijven als bedoeld in titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon, vrijgesteld van de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in de artikelen 160, eerste lid, en 162, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering of de artikelen 198, eerste lid, en 200, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES.
4.
De vertrouwensinspecteur is voorzover het betreft een geval van seksueel misbruik of seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in de uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een onderwijsdeelnemer, de ouders van een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon.
5.
De vertrouwensinspecteur is bevoegd zonder toestemming van degene die het betreft bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens te verwerken met betrekking tot de personen, bedoeld in het eerste lid, indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, psychisch geweld, fysiek geweld, discriminatie of radicalisering kan worden afgeleid.
6.
De vertrouwensinspecteur verstrekt de door hem verzamelde gegevens niet aan derden. In het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 8, tweede lid, worden slechts geabstraheerde gegevens opgenomen.
7.
In afwijking van het zesde lid is de vertrouwensinspecteur bevoegd rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister van Veiligheid en Justitie vallende instanties in kennis te stellen van een geval of vermoeden van een geval van psychisch geweld, fysiek geweld, discriminatie of radicalisering:
a. in het belang van de onderwijsdeelnemers,
b. in het belang van ten behoeve van een instelling met taken belaste personen, of
c. indien de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft.
1.
De inspectie fungeert als aanspreekpunt voor ten behoeve van een instelling met taken belaste personen die van oordeel zijn dat de kwaliteit van het onderwijs tekortschiet ten gevolge van het door het bestuur van de instelling gevoerde personeelsbeleid.
2.
De inspectie beoordeelt of uit hetgeen haar op grond van het eerste lid ter kennis is gebracht een redelijk vermoeden voortvloeit dat de kwaliteit van het onderwijs tekortschiet.
3.
De inspectie is verplicht tot geheimhouding van hetgeen haar op grond van het eerste lid is toevertrouwd.
1.
De inspectie stelt jaarlijks een jaarwerkplan vast. Het jaarwerkplan behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
2.
Onze Minister zendt het jaarwerkplan van de inspectie aan de Staten-Generaal.
1.
De inspectie rapporteert desgevraagd en uit eigen beweging aan Onze Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs en doet op grond daarvan voorstellen die zij in het belang van het onderwijs nodig acht.
2.
De inspectie stelt jaarlijks uiterlijk de derde woensdag van mei het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 23, achtste lid, van de Grondwet vast. Onze Minister zendt het verslag, vergezeld van een reactie, namens de regering onverwijld aan de Staten-Generaal.
3.
Onze Minister geeft geen aanwijzingen met betrekking tot de in de rapportages neergelegde oordelen van de inspectie over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs.
4.
Indien een rapportage als bedoeld in het eerste lid, of een deel daarvan, specifiek het onderwijs in de Friese taal of het onderwijs in de Friese taal en cultuur betreft op het geheel aan scholen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs onderscheidenlijk speciaal onderwijs, zendt de inspectie, tegelijkertijd met verzending aan Onze Minister, die rapportage onderscheidenlijk dat deel, in afschrift aan gedeputeerde staten van Fryslân.
1.
Bij de uitoefening van de taken van de inspectie zijn, voorzover deze niet het toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, sub 1, gegeven voorschriften betreffen, de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
2.
De bevoegdheden, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, worden uitgeoefend door daartoe door Onze Minister aangewezen personen.
3.
Van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 10. Reikwijdte
De artikelen 11, 12 en 15 zijn niet van toepassing op de instellingen voor hoger onderwijs.
1.
Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen a, b en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie jaarlijks met inachtneming van artikel 4 het onderwijs aan elke instelling. Naar aanleiding van het onderzoek geeft de inspectie een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs aan de instelling en over de naleving van wettelijke voorschriften door de instelling.
2.
De inspectie verricht het onderzoek aan de hand van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en, indien het betreft een instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs , aan de hand van de volgende aspecten van kwaliteit, te weten:
a. leerresultaten,
b. voortgang in de ontwikkeling van leerlingen,
c. het gevoerde personeelsbeleid, voor zover daar op grond van artikel 6a, eerste en tweede lid, aanleiding toe bestaat.
3.
Indien uit het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, een redelijk vermoeden voortvloeit dat de kwaliteit tekortschiet, stelt de inspectie nader onderzoek in, waarbij tevens de oorzaken van het tekortschieten worden onderzocht. Dit nader onderzoek verricht zij, indien het betreft een instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs , mede aan de hand van een of meer van de volgende aspecten van kwaliteit, te weten:
a. het leerstofaanbod,
b. de leertijd,
c. het pedagogisch klimaat,
d. het schoolklimaat,
e. de effectiviteit van het didactisch handelen van het onderwijspersoneel,
f. de leerlingenzorg,
g. de inhoud, het niveau en de uitvoering van de toetsen, tests, opdrachten of examens,
h. voor wat betreft de kwaliteit van het onderwijspersoneel:
1°. de eisen van bevoegdheid en bekwaamheid,
2°. het personeelsbeleid, voor zover het betreft de duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel.
4.
Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in het derde lid, oordeelt dat de kwaliteit tekortschiet, verricht zij na na ten hoogste één jaar onderzoek naar de kwaliteitsverbeteringen die de instelling heeft gerealiseerd.
5.
De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel van een onderzoek, bedoeld in het derde of vierde lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek. Indien de inspectie dit nodig oordeelt, verricht zij onderzoek zonder deze kennisgeving.
6.
Bij de uitvoering van een onderzoek, bedoeld in het derde of vierde lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken.
7.
Het tweede lid, onderdeel c en het derde lid, onderdeel h, zijn van overeenkomstige toepassing op de instellingen, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs .
1.
Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de beschikking waarin is vermeld dat de bekostiging een aanvang zal nemen, bedoeld in artikel 79, achtste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 86, zesde lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 66, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, toont het bevoegd gezag bij de inspectie aan dat het ten aanzien van die instelling kan voldoen aan de vereisten met betrekking tot:
b. de voorschriften omtrent onderwijstijd gesteld op grond van de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs .
2.
De inspectie kan indien het bepaalde in het eerste lid daartoe aanleiding geeft overleg voeren met het bevoegd gezag van de instelling. Naar aanleiding van dit overleg kan de inspectie besluiten dat het bepaalde in artikel 11b, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat in afwijking van het derde lid bij het opstellen van de risicoanalyse het schoolplan niet wordt betrokken, en in afwijking van het vierde lid de risicoanalyse wordt opgesteld binnen drie maanden na het overleg, bedoeld in de eerste volzin.
1.
Binnen een maand na aanvang van de bekostiging van een instelling, bedoeld in artikel 81 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 87 van de Wet op de expertisecentra, artikel 66, vierde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs, verstrekt de instelling aan de inspectie gegevens met betrekking tot:
c. het voldoen aan de voorschriften omtrent onderwijstijd die gelden op grond van de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs .
2.
De inspectie oefent toezicht uit door middel van het opstellen van een risicoanalyse indien:
a. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de genoemde termijn zijn verstrekt,
b. de inspectie onvolkomenheden constateert in de naleving van het eerste lid.
3.
Bij het opstellen van de risicoanalyse worden de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, betrokken.
4.
De risicoanalyse wordt binnen drie maanden nadat de bekostiging is aangevangen door de inspectie opgesteld.
5.
Binnen een maand nadat de risicoanalyse is opgesteld toont de instelling ten genoegen van de inspectie aan dat de onvolkomenheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn hersteld.
6.
Indien de instelling twee maanden na het opstellen van de risicoanalyse nog steeds in gebreke is ten aanzien van de naleving van het eerste lid, onderdelen a, b en c, kunnen de maatregelen worden genomen die door de in het eerste lid, aanhef, genoemde onderwijswetten worden mogelijk gemaakt.
7.
Nadat het bevoegd gezag van een niet uit de openbare kas bekostigde bijzondere school overeenkomstig artikel 5 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 54 van de Wet op het voortgezet onderwijs aan Onze Minister kennis heeft gegeven van de oprichting van de school, brengt de inspectie zo spoedig mogelijk na de aanvang van het onderwijs advies uit aan burgemeester en wethouders over de vraag of deze onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, van de Leerplichtwet 1969.
1.
De inspectie gaat bij een onderzoek als bedoeld in de artikelen 11 en 12a uit van openbare verantwoordingsinformatie over de resultaten en de kwaliteit van het onderwijs, de financiële situatie van de instelling en de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd.
2.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, is richtinggevend voor het oordeel van de inspectie, indien deze voldoende actueel en betrouwbaar is.
1.
Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie met inachtneming van artikel 4 de naleving van de wettelijke voorschriften en de financiële rechtmatigheid bij instellingen voor hoger onderwijs.
2.
Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken onderzoekt de inspectie ontwikkelingen in het stelsel van hoger onderwijs.
3.
Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, onderdelen b, c en d, bedoelde taken kan de inspectie naar aanleiding van signalen van buitenaf die mogelijk kunnen leiden tot gevolgen op stelselniveau in incidentele gevallen onderzoek verrichten op aanwijzing van de Minister dan wel uit eigen beweging onder door Onze Minister te stellen voorwaarden.
4.
Artikel 11, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.
1.
De inspectie legt haar werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in de artikelen 11 en 12a en voor de toepassing van artikelen 11a en 11b, vast in een of meer toezichtskaders. De toezichtskaders behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
2.
Alvorens een toezichtskader vast te stellen of te wijzigen voert de inspectie overleg met vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokkenen, terwijl bij onderwerpen betrekking hebbend op de vrijheid van inrichting in ieder geval overleg wordt gevoerd met de erkende richtingen.
3.
Een toezichtskader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 13a. Informeren college burgemeester en wethouders
Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, informeert zij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betreffende instelling gelegen is.
1.
Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet dan wel de naleving van voorschriften als bedoeld in de artikelen 11 en 12a tekortschiet, informeert zij Onze Minister en kan zij voorstellen doen over te treffen maatregelen.
2.
De inspectie informeert Onze Minister indien naar het oordeel van de inspectie de kwaliteit van het onderwijs op een instelling die bestaat uit een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , op een instelling die bestaat uit een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra , of op een instelling waar onderwijs wordt gegeven van de soorten en leerwegen, genoemd in artikel 23a1, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs , langer dan een jaar ernstig tekortschiet zonder dat de kwaliteitsverbeteringen, bedoeld in artikel 11, vierde lid, voldoende zijn gerealiseerd.
3.
De inspectie stelt het bestuur van de betreffende instelling in kennis van haar voorstellen aan Onze Minister.
1.
Naast het onderzoek, bedoeld in artikel 11, kan de inspectie ter uitvoering van haar taken, bedoeld in artikel 3, uit eigen beweging dan wel op aanwijzing van Onze Minister specifiek onderzoek verrichten.
2.
Artikel 11, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.
Artikel 15a. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de uitoefening van de taken van het samenwerkingsverband.
1.
Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de inspectie het onderzoek tevens verricht aan de hand van aspecten van kwaliteit, te weten:
a. de wijze waarop invulling is gegeven aan het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs, en de wijze waarop het wordt uitgevoerd,
b. het aantal leerplichtige jongeren wonend in het gebied van het samenwerkingsverband dat niet is ingeschreven bij een school als bedoeld in de Leerplichtwet 1969 ,
c. het aantal leerplichtige leerlingen van scholen in het samenwerkingsverband dat het onderwijs aan de school waaraan hij is ingeschreven gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken zonder geldige reden niet meer volgt, en
d. de wijze waarop een samenwerkingsverband zorg draagt voor de kwaliteit van het onderwijs aan een orthopedagogisch-didactisch centrum als bedoeld in artikel 18a, lid 10a, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
De artikelen 12, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15e. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens.
1.
De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het functioneren van het College voor toetsen en examens en op de naleving van de bij of krachtens de Wet College voor toetsen en examens , de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES gegeven voorschriften.
2.
Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, kan de inspectie Onze Minister onder meer voorstellen een voorziening te treffen als bedoeld in artikel 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, indien:
a. is gebleken dat de kwaliteit van het functioneren van het College voor toetsen en examens onvoldoende is geweest, of
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens de Wet College voor toetsen en examens is bepaald.
Artikel 15g. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de kwaliteitsvoorwaarden voor voorschoolse educatie in peuterspeelzalen en kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen.
1.
De artikelen 4, tweede lid, 7, 8, eerste en derde lid, en 9 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 4, tweede lid, onder »instellingen» wordt verstaan «kindercentra en peuterspeelzalen als bedoeld in de artikelen 1.1, eerste lid, en 2.1, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen» en dat in artikel 9, eerste lid, onder «het toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften» wordt verstaan: het toezicht op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet of de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gegeven voorschriften omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie.
2.
De inspectie houdt toezicht op de naleving van de afspraken onderwijsachterstandenbeleid, bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs.
1.
De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15h, eerste lid, aan de hand van de kwaliteitsvoorwaarden van de voorschoolse educatie in peuterspeelzalen en kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen, te weten:
a. de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie,
b. het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid,
c. de kwaliteit van de educatie,
d. ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen,
e. kwaliteitszorg,
f. de doorgaande lijn tussen voor- en vroegschoolse educatie.
2.
De inspectie rapporteert over de bevindingen van het toezicht aan de houder van een peuterspeelzaal of een kindercentrum en aan het college van burgemeester en wethouders.
3.
Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan de inspectie uit eigen beweging incidenteel onderzoek verrichten naar de kwaliteit van de voorschoolse educatie in peuterspeelzalen en kindercentra, bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen.
4.
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder «andere betrokkenen» in ieder geval wordt verstaan: vertegenwoordigers van houders van kindercentra en peuterspeelzalen als bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
5.
De inspectie verricht het onderzoek, bedoeld in artikel 15h, tweede lid, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of op verzoek van Onze Minister. Het college van burgemeester en wethouders dient een dergelijk verzoek in op eigen initiatief of als een partij als bedoeld in artikel 167, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs aan het college hierom verzoekt.
Artikel 15j. Vaststelling en openbaarmaking van inspectierapporten
De artikelen 20, 21, 22 en 23 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 20, tweede lid, onder «een bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschrift» wordt verstaan «een bij of krachtens een onderwijswet of een bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gegeven voorschrift omtrent de kwaliteit van voorschoolse educatie» en dat in het derde en vierde lid onder «het bestuur» moet worden verstaan: de houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal als bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
1.
Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van de voorschoolse educatie in peuterspeelzalen of kindercentra als bedoeld in de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgestelde bepalingen, ernstig of langdurig tekortschiet, informeert zij het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente en doet voorstellen over te treffen maatregelen.
2.
De inspectie stelt de houder van de betreffende peuterspeelzaal of van het betreffende kindercentrum in kennis van haar voorstellen aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 15l. Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
1.
Ter uitvoering van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde taken, onderzoekt de inspectie jaarlijks de kwaliteit van de uitoefening van de wettelijke taken door de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in de artikelen 1.5.1 van de Wet educatie en 10b4 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, oordeelt dat de kwaliteit tekortschiet, verricht zij na een door haar aangegeven termijn onderzoek naar de verbeteringen die de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven heeft gerealiseerd.
3.
De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel van het onderzoek, bedoeld in het eerste of tweede lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek. Indien de inspectie dit nodig oordeelt, verricht zij onderzoek zonder deze kennisgeving.
4.
Bij de uitvoering van een onderzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken.
5.
De artikelen 12, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De inspectie legt haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 11, dan wel artikel 12a, vast in een inspectierapport.
2.
Indien de inspectie oordeelt dat een bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschrift niet is nageleefd, vermeldt zij dit in het rapport.
3.
Alvorens een rapport vast te stellen, stelt de inspectie het bestuur in de gelegenheid van het ontwerp-rapport kennis te nemen en daarover overleg te voeren.
4.
Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over door het bestuur gewenste wijzigingen van het ontwerp-rapport, wordt de zienswijze van het bestuur in een bijlage bij het inspectierapport opgenomen.
5.
De inspectie zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan onverwijld aan het bestuur.
1.
De inspectie maakt een inspectierapport in de vijfde week na vaststelling daarvan openbaar.
2.
Tevens verstrekt de inspectie een inspectierapport op verzoek. De inspectie kan een vergoeding van kosten vragen overeenkomstig een door haar vast te stellen tarief voor de afgifte van een inspectierapport.
3.
De inspectie verstrekt een inspectierapport niet eerder dan nadat het op grond van het eerste lid openbaar is gemaakt.
Artikel 22. Verantwoorde toezichtsuitoefening
De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde uitoefening van het toezicht.
1.
Er is een klachtadviescommissie belast met de behandeling van en advisering over klachten over gedragingen van de inspectie. Op de behandeling van en advisering over klachten is de in afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
2.
De klachtadviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Economische Zaken. De leden maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de inspectie. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
3.
De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de vrijheid van richting en inrichting, toezicht en klachtbehandeling.
4.
De klachtadviescommissie bepaalt haar eigen werkwijze.
1.
Er is een Raad van advies inzake de inspectie die tot taak heeft de inspectie bij te staan in de waarborging van een zorgvuldige en professionele uitoefening van het toezicht. De raad adviseert de inspecteur-generaal onderscheidenlijk het hoofd inspectie gevraagd en ongevraagd over de kwaliteit van de uitoefening van het toezicht, in het bijzonder over de uitvoering van de artikelen 13 en 22.
2.
De raad bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter.
3.
De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, kwaliteitszorg en toezicht.
4.
De raad bepaalt zijn eigen werkwijze.
Artikel 24a. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. basisregister onderwijs: basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b;
b. meldingsregister relatief verzuim: meldingsregister relatief verzuim als bedoeld in artikel 24h;
c. startkwalificatie: startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969;
d. register vrijstellingen en vervangende leerplicht: register vrijstellingen en vervangende leerplicht als bedoeld in artikel 24k2.
1.
Er is een basisregister onderwijs, dat ten doel heeft:
a. Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de bekostiging van scholen en instellingen, de begrotings- en beleidsvoorbereiding, de planning en bekostiging van de instellingen voor hoger onderwijs en ten behoeve van de uitvoering van zijn overige wettelijke taken;
b. de inspectie gegevens te verstrekken ten behoeve van het toezicht op het onderwijs;
c. het Centraal bureau voor de statistiek gegevens te verstrekken teneinde het Centraal bureau voor de statistiek in staat te stellen:
1°. Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de beleidsvoorbereiding;
2°. de gemeenten gegevens te verstrekken ten behoeve van de toekenning van uitkeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wet participatiebudget, aan instellingen, en ten behoeve van de begrotings- en beleidsvoorbereiding inzake de gemeentelijke taken op het gebied van het onderwijs;
d. de instellingen, bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn om te beoordelen of personen die als deelnemer zijn of wensen te worden ingeschreven voor een opleiding voldoen aan de eisen die daarvoor zijn gesteld bij of krachtens artikel 8.2.1 of 8.2.2 van die wet;
e. de instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gegevens te verstrekken die nodig zijn om te beoordelen of personen die als student of extraneus zijn of wensen te worden ingeschreven voor een opleiding voldoen aan de eisen die daarvoor zijn gesteld bij of krachtens artikel 7.24, eerste en tweede lid, 7.25, eerste tot en met derde lid, 7.25a, 7.28, eerste lid, 7.30, eerste lid, of 7.30a, eerste lid, van die wet; en
f. het meldingsregister relatief verzuim te voorzien van de gegevens die noodzakelijk zijn in het kader van het doel van dat register.
2.
Het beheer van het basisregister onderwijs berust bij Onze Minister.
3.
Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in deze paragraaf, is Onze Minister de verantwoordelijke, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
1.
In het basisregister onderwijs zijn de volgende gegevens opgenomen:
a. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 178a, tweede en zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 164a, leden 2a en 2b, van de Wet op de expertisecentra;
b. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra , tezamen met de andere gegevens, artikel 164a, tweede lid, lid 2a, lid 2b, en achtste lid, van de Wet op de expertisecentra;
c. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs , tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 103b, tweede en achtste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en artikel 164a, leden 2a en 2b, van de Wet op de expertisecentra;
c1. de persoonsgebonden nummers van de leerlingen die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een school die is aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs, tezamen met de andere gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede en achtste lid, in samenhang met artikel 58, zevende lid, onderdeel a, van die wet;
d. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b1°, van de Wet educatie en beroepsonderwijs alsmede deelnemers aan een opleiding educatie die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een instelling waaraan door het gemeentebestuur op grond van artikel 3 van de Wet participatiebudget uitkeringen zijn toegekend, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 2.3.6a, tweede en vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
d1. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een opleiding educatie die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instelling of een instelling als bedoeld in die wet voor een opleiding educatie ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, tezamen met de andere gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede en vijfde lid, in samenhang met artikel 1.4a.1, achtste lid, onderdeel a, van die wet;
e. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een beroepsopleiding die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs , tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en artikel 164a, leden 2a en 2b van de Wet op de expertisecentra;
e1. de persoonsgebonden nummers van de deelnemers aan een beroepsopleiding die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een andere dan een in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instelling of een instelling als bedoeld in die wet voor een beroepsopleiding ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, tezamen met de andere gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede en zevende lid, in samenhang met artikel 1.4.1, zesde lid, onderdeel a, van die wet;
f. de persoonsgebonden nummers van de studenten en extraneï die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest aan een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek , met uitzondering van de Open Universiteit, tezamen met de andere gegevens, genoemd in artikel 7.52, tweede en vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
g. de hierna te noemen gegevens zoals die over de personen, bedoeld in de onderdelen a tot en met f, zijn opgenomen in de basisregistratie personen:
1°. geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, geboorteland, geslacht, overlijdensdatum, geboorteland moeder en geboorteland vader;
2°. de gegevens over de nationaliteit;
3°. de gegevens over het verblijf in Nederland en het vorige verblijf buiten Nederland en over het vertrek uit Nederland en het vorige verblijf buiten Nederland;
h. de gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling zoals die over de personen, bedoeld in de onderdelen e, e1 en f, zijn opgenomen in de basisregistratie personen.
2.
Indien de in het eerste lid, onderdeel g, bedoelde gegevens van een leerling, deelnemer, student of extraneus aan een school of instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen worden in het basisregister onderwijs alleen opgenomen de gegevens die het bevoegd gezag verstrekt op basis van
3.
De persoonsgegevens van de leerlingen, deelnemers, studenten en extraneï die niet langer zijn ingeschreven aan een school of instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, worden tot vijf jaren na beëindiging van de laatste inschrijving bewaard in het basisregister onderwijs in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren. Artikel 10, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens is niet van toepassing. In afwijking van de eerste volzin geldt voor de geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, instelling voor hoger onderwijs waar een opleiding is gevolgd, naam van die opleiding, datum diploma en het aantal jaren genoten hoger onderwijs van studenten die niet langer zijn ingeschreven aan een instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, een bewaartermijn van vijftig jaren.
Artikel 24d. Het verstrekken van gegevens aan betrokkene
Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan de betrokkene en diens wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 24e. Het verstrekken van gegevens aan Minister en inspectie
Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan Onze Minister en de inspectie voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke taken.
1.
Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan:
a. de school of instelling waar de betrokkene als leerling, deelnemer, student of extraneus is of was ingeschreven, voor zover de gegevens betrekking hebben op de periode waarin hij aan de desbetreffende school of instelling is of was ingeschreven, en
b. de school of instelling waar de betrokkene als leerling, deelnemer of extraneus is ingeschreven, voor zover de gegevens betrekking hebben op de periode waarin hij aan een andere school of instelling was ingeschreven.
1a.
Uit het basisregister onderwijs kunnen aan de in artikel 24b, eerste lid, onderdelen d en e, genoemde instellingen tevens de in die onderdelen bedoelde gegevens worden verstrekt.
2.
Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos persoonsgegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders, voorzover dat verplicht is op grond van artikel 64 van de Participatiewet, artikel 45 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 45 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
3.
Uit het basisregister onderwijs worden aan burgemeester en wethouders de naam, het adres, het persoonsgebonden nummer, de behaalde diploma’s, het laatst genoten onderwijs, de laatst bezochte school of instelling, de data van in- en uitschrijving bij die school of instelling en de reden van uitstroom verstrekt van degenen die:
a. woonachtig zijn in de desbetreffende gemeente of in een gemeente die behoort tot de regio waarvan de desbetreffende gemeente contactgemeente is als bedoeld in artikel 8.3.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 162b, derde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 118h, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. ouder dan vier jaar en jonger dan 23 jaar zijn,
c. niet in het bezit zijn van een startkwalificatie en niet behoren tot de jongeren, bedoeld in artikel 4a, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969.
4.
In afwijking van het derde lid worden van degenen die wel voldoen aan het derde lid, onderdelen a en b, maar die niet voldoen aan het derde lid, onderdeel c, de in de aanhef van het derde lid bedoelde gegevens aan burgemeester en wethouders verstrekt, indien dit de eerste verstrekking uit het basisregister onderwijs aan burgemeester en wethouders betreft waaruit blijkt dat diegenen niet voldoen aan het derde lid, onderdeel c.
5.
Uit het basisregister onderwijs worden persoonsgegevens verstrekt aan door Onze Minister aangewezen instellingen ten behoeve van onderzoeksactiviteiten naar de kwaliteit en de toegankelijkheid van het beroepsonderwijs, de educatie en het hoger onderwijs.
6.
Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos persoonsgegevens verstrekt aan:
a. de Sociale verzekeringsbank, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet ;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 30, eerste lid, 30a, eerste en tweede lid, 30b, 30d en 31 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
7.
Uit het basisregister onderwijs worden kosteloos persoonsgegevens aan het Centraal bureau voor de statistiek verstrekt. Het Centraal bureau voor de statistiek gebruikt deze gegevens in ieder geval om:
a. Onze Minister gegevens te verstrekken ten behoeve van de beleidsvoorbereiding; en
b. de gemeenten gegevens te verstrekken ten behoeve van de toekenning van uitkeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wet participatiebudget, aan instellingen, en ten behoeve van de begrotings- en beleidsvoorbereiding inzake de gemeentelijke taken op het gebied van het onderwijs.
8.
Het Centraal bureau voor de statistiek kan de gegevens die het op grond van het zevende lid heeft ontvangen, alsmede de daaraan door het Centraal bureau voor de statistiek gekoppelde gegevens van belang voor statistische doeleinden op het gebied van arbeid als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, openbaar maken in de vorm van overzichten die betrekking hebben op afzonderlijke scholen, instellingen of opleidingen, mits aan deze overzichten geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon of een afzonderlijk huishouden kunnen worden ontleend.
9.
Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos persoonsgegevens verstrekt aan de rijksbelastingdienst, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de wetgeving op het gebied van rijksbelastingen zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
10.
Uit het basisregister onderwijs worden kosteloos aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen c, d, i en j, van die wet, alsmede de leeftijd van de deelnemer bij aanvang van de beroepspraktijkvorming verstrekt.
11.
Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos persoonsgegevens en andere gegevens verstrekt aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn taken op grond van de Wet inburgering .
12.
Aan de instellingen en organen, genoemd in het eerste tot en met het elfde lid, wordt geen rechtstreekse toegang tot het basisregister verleend.
13.
Onze Minister verstrekt uit het basisregister onderwijs geen persoonsgebonden nummer van een leerling, deelnemer, student of extraneus ter uitvoering van artikel 107, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij deze gegevens noodzakelijk zijn voor nakoming van verplichtingen als referent in de zin van die wet dan wel voor het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten in de zin van die wet.
14.
Uit het basisregister worden aan het meldingsregister relatief verzuim toegevoegd de persoonsgebonden nummers van de leerlingen en deelnemers, bedoeld in artikel 24c, eerste lid, onderdelen a tot en met e, met van elke leerling of deelnemer de naam, het geslacht, de geboortedatum, het adres en het gegeven of betrokkene al dan niet beschikt over een startkwalificatie.
16.
Uit het basisregister onderwijs worden aan het samenwerkingsverband met betrekking tot leerlingen die door het samenwerkingsverband toelaatbaar zijn verklaard tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs verstrekt:
a. de datum van in- of uitschrijving op een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, bedoeld in de Wet op de expertisecentra ;
b. het registratienummer van de school of, indien sprake is van een nevenvestiging, het registratienummer daarvan;
c. het registratienummer van het samenwerkingsverband dat de leerling toelaatbaar heeft verklaard tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs en het volgnummer van de toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in artikel 40, tiende en twaalfde lid, van de Wet op de expertisecentra;
d. de begin- en einddatum van de periode waarvoor de leerling toelaatbaar is verklaard tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs; en
17.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het derde en vierde lid.
1.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels omtrent de autorisatie van degenen die onder zijn gezag vallen voor verwerking van persoonsgegevens uit het basisregister onderwijs.
2.
Onze Minister benoemt een functionaris voor de gegevensbescherming als bedoeld in artikel 62 van de Wet bescherming persoonsgegevens die in elk geval is belast met het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens in het basisregister onderwijs.
1.
Er is een meldingsregister relatief verzuim dat ten doel heeft burgemeester en wethouders, het hoofd, bedoeld in artikel 21a van de Leerplichtwet 1969, en het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 8.1.8a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a van de Wet op het voortgezet onderwijs, te voorzien van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken inzake:
a. het verzuim, bedoeld in artikel 21a van de Leerplichtwet 1969; en
b. het zonder geldige reden niet meer volgen van het onderwijs of de educatie, bedoeld in artikel 8.1.8a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of van het onderwijs, bedoeld in artikel 47b van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in deze paragraaf, is Onze Minister de verantwoordelijke, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
1.
In het meldingsregister relatief verzuim zijn de volgende gegevens opgenomen:
b. de gegevens, bedoeld in artikel 24f, veertiende lid.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden in het meldingsregister relatief verzuim bewaard gedurende het schooljaar waarin de kennisgeving, bedoeld in artikel 21a, eerste en tweede lid, van de Leerplichtwet 1969, of de opgave, bedoeld in artikel 8.1.8a, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, is gedaan en het daaropvolgende schooljaar.
1.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels omtrent de autorisatie van degenen die onder zijn gezag vallen voor verwerking van gegevens uit het meldingsregister relatief verzuim.
2.
De functionaris voor de gegevensbescherming, bedoeld in artikel 24g, tweede lid, is tevens belast met het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens in het meldingsregister relatief verzuim.
1.
Uit het meldingsregister relatief verzuim kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan de betrokkene en diens wettelijke vertegenwoordiger.
2.
Uit het meldingsregister relatief verzuim worden aan Onze Minister gegevens verstrekt ten behoeve van de beleidsvorming ten aanzien van de taken, bedoeld in artikel 24h, eerste lid.
3.
De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden op een zodanige wijze verstrekt, dat degenen van de leerlingen of deelnemers, bedoeld in artikel 24i, op wie zij betrekking hebben, niet geïdentificeerd of identificeerbaar zijn.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede en derde lid.
5.
Uit het meldingsregister relatief verzuim worden kosteloos gegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders, het hoofd, bedoeld in artikel 21a van de Leerplichtwet 1969, en het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 8.1.8a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 47b van de Wet op de expertisecentra en artikel 28a van de Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover dat bij wet is vereist of toegestaan.
6.
Onze Minister verstrekt uit het meldingsregister relatief verzuim geen persoonsgebonden nummers ter uitvoering van artikel 107, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij deze gegevens noodzakelijk zijn voor nakoming van verplichtingen als referent in de zin van die wet dan wel voor het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot referenten in de zin van die wet.
Artikel 24k1. Niet bekostigd onderwijs
De artikelen 24h tot en met 24k zien mede op beroepsopleidingen ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, opleidingen educatie ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van die wet, en scholen die zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
Er is een register vrijstellingen en vervangende leerplicht dat ten doel heeft:
a. burgemeester en wethouders te voorzien van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken inzake de handhaving van de Leerplichtwet 1969 ;
b. Onze Minister gegevens te verstrekken voor de bijstelling van het aantal voortijdig schoolverlaters zoals blijkt uit het basisregister onderwijs, ten behoeve van de bekostiging van scholen en instellingen en de begrotings- en beleidsvoorbereiding;
c. ten behoeve van de beleidsvorming ten aanzien van artikel 3a, 3b, 5 tot en met 10, en 15 van de Leerplichtwet 1969 landelijk en per woongemeente een overzicht te maken van:
1°. het aantal jongeren dat is vrijgesteld en het aantal jongeren met een vervangende leerplicht; en
2°. het aantal jongeren dat eerder is vrijgesteld van de leerplicht of eerder een vervangende leerplicht heeft gehad.
2.
Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in deze paragraaf, is Onze Minister de verantwoordelijke, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
1.
In het register vrijstellingen en vervangende leerplicht zijn de volgende gegevens opgenomen:
a. de persoonsgebonden nummers van de jongeren voor wie op grond van artikel 5 of 5a van de Leerplichtwet 1969 een beroep is gedaan op vrijstelling van inschrijving als leerling van een school respectievelijk een instelling, met daaraan toegevoegd de aanduiding «vrijgesteld», de begin- en einddatum van de vrijstelling, de woongemeente en of eerder een beroep op vrijstelling is gedaan;
b. de persoonsgebonden nummers van de jongeren voor wie burgemeester en wethouders op grond van artikel 15 van de Leerplichtwet 1969 vrijstelling verlenen van de in artikel 4a van de Leerplichtwet opgelegde verplichtingen, met daaraan toegevoegd de aanduiding «vrijgesteld», de begin- en einddatum van de vrijstelling, de woongemeente en of eerder een beroep op vrijstelling is gedaan;
c. de persoonsgebonden nummers van de jongeren voor wie burgemeester en wethouders instemmen met het verzoek, bedoeld in artikel 3a, eerste lid of 3b, eerste lid, met daaraan toegevoegd de aanduiding «vervangende leerplicht», de begin- en einddatum van de vervangende leerplicht, de woongemeente en of eerder vervanging van de leerplicht is toegestaan.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden tot één jaar na de datum waarop de vrijstelling of de vervangende leerplicht afloopt in het register vrijstellingen en vervangende leerplicht bewaard.
1.
Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan de betrokkene en diens wettelijke vertegenwoordiger.
2.
Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht worden aan Onze Minister de persoonsgebonden nummers verstrekt van jongeren die op grond van artikel 5, 5a en 15 van de Leerplichtwet 1969 zijn vrijgesteld van de leerplicht.
3.
Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht wordt jaarlijks op 1 oktober aan Onze Minister een opsomming verstrekt van het landelijk en per woongemeente aantal:
a. jongeren die eerder een beroep op vrijstelling hebben gedaan;
b. overige vrijgestelde jongeren;
c. jongeren waarbij eerder vervangende leerplicht is toegestaan; en
d. overige jongeren met een vervangende leerplicht.
4.
Onze Minister gebruikt de persoonsgebonden nummers, bedoeld in het tweede lid, ten behoeve van:
a. de bijstelling van het aantal voortijdig schoolverlaters zoals blijkt uit het basisregister onderwijs;
b. de controle of de jongere blijkens het basisregister onderwijs staat ingeschreven bij een school of instelling.
5.
Indien uit het basisregister onderwijs aan Onze Minister op grond van het vierde lid, onder b, is gebleken dat een jongere die op grond van artikel 5, 5a of 15 van de Leerplichtwet 1969 is vrijgesteld van de leerplicht staat ingeschreven bij een school of instelling, meldt Onze Minister aan het bevoegd gezag van de betreffende school of instelling dat de jongere is vrijgesteld.
6.
Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht worden kosteloos gegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders.
7.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 24l. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. diplomaregister: diplomaregister, bedoeld in artikel 24m;
b. diplomagegevens: gegevens, bedoeld in artikel 24o;
c. betrokkene: degene op wie een diplomagegeven betrekking heeft;
e. waardedocument: een getuigschrift, diploma, cijferlijst of certificaat als bedoeld in artikel 24n;
f. College voor examens: College voor examens, genoemd in artikel 2 van de Wet College voor examens, of één van diens rechtsvoorgangers, genoemd in artikel 12 van die wet, op het gebied van staatsexamens;
g. afsluitend examen:
het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en het examen van een opleiding van de Open Universiteit, voor zover dit examen door die wet daarmee gelijk wordt gesteld,
1.
Er is een diplomaregister hoger onderwijs, beroepsonderwijs, voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, inburgering en Nederlands als tweede taal, dat ten doel heeft diplomagegevens te verstrekken aan:
a. de betrokkene;
b. de instelling of school, bedoeld in artikel 24n, of de school of afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs, waarbij de betrokkene is ingeschreven of minder dan vijf jaar voor de gegevensverstrekking was ingeschreven;
c. de instelling of school, bedoeld in artikel 24n, of het College voor examens, waarbij de betrokkene minder dan vijf jaar voor de gegevensverstrekking een waardedocument heeft behaald;
d. een instelling of school als bedoeld in artikel 24n, of het College voor examens, voor zover de verwerking van die gegevens noodzakelijk is voor de aanmelding, inschrijving of examinering van de betrokkene;
e. overheidsinstanties, voor zover de verwerking van die gegevens noodzakelijk is voor de goede vervulling van hun publieke taak;
f. overige derden.
2.
Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in dit hoofdstuk is Onze Minister de verantwoordelijke, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 24n. Reikwijdte diplomaregister
Behoudens artikel 24r omvat het diplomaregister gegevens over:
a. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde propedeutische examens van uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger beroepsonderwijs en met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs, met uitzondering van de programma’s, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die op of na 1 januari 1996 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ;
b. diploma’s, cijferlijsten en certificaten van uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
c. diploma’s, cijferlijsten en certificaten van opleidingen als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1, derde lid, van die wet;
d. diploma’s van staatsexamens als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2011 zijn afgegeven door het College voor examens;
e. diploma’s voor het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgering die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven;
f. diploma’s en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2006 zijn afgegeven door scholen als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet aan leerlingen die aan de desbetreffende school zijn ingeschreven;
g. diploma’s en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door scholen als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet aan leerlingen die zijn ingeschreven aan een school of afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs;
h. diploma’s, cijferlijsten en certificaten van staatsexamens als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2011 zijn afgegeven door het College voor examens;
i. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van de uit ’s Rijks kas bekostigde programma’s, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en g, van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ;
j. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zijn afgegeven door de instelling, bedoeld in onderdeel h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ;
k. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in onderdeel i van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ;
l. diploma’s en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onderdeel b, en artikel 14b van de Wet op de expertisecentra die zijn afgegeven door scholen voor voortgezet speciaal onderwijs.
1.
Het diplomaregister bevat voor alle daarin opgenomen waardedocumenten gegevens over:
a. het persoonsgebonden nummer, de geslachtsnaam, de voornamen, het geslacht en de geboortedatum van betrokkene zoals opgenomen in de basisregistratie personen of, bij het ontbreken daarvan, zoals opgegeven door de organisatie die het waardedocument heeft uitgereikt;
b. het soort waardedocument alsmede de naam van de organisatie die dit heeft uitgereikt.
2.
Het diplomaregister bevat voorts gegevens over:
a. in geval van een getuigschrift van een opleiding of programma, opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: de desbetreffende opleiding en het jaar, de maand en de aard van het examen;
b. in geval van een diploma, cijferlijst of certificaat van een opleiding, opgenomen in het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs: de kwalificatie, het onderdeel van de kwalificatie of het keuzedeel en de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onder h, q en s, van die wet;
c. in geval van een diploma, cijferlijst of certificaat van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, afgegeven door een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van die wet: de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, onder f en g, van die wet;
d. in geval van een diploma voor een staatsexamen als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, afgegeven door het College voor examens: het behaalde diploma, het programma en de datum waarop het diploma is behaald;
e. in geval van een diploma voor het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgering: het behaalde diploma, het niveau, het profiel en de datum waarop het diploma is behaald.
f. in geval van een diploma of cijferlijst van onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs, afgegeven door een school als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet: de gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede lid, onder c, d, f en g, van die wet;
g. in geval van een diploma, cijferlijst of certificaat voor een staatsexamen als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, afgegeven door het College voor examens: de vakken waarin examen is afgelegd, de cijfers van het college-examen, het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk betrekking heeft, de beoordeling van het sectorwerkstuk, alsmede het thema van het sectorwerkstuk, de cijfers van het centraal examen, de eindcijfers en de uitslag van het staatsexamen;
h. in geval van een diploma of cijferlijst van onderwijs als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onderdeel b, en artikel 14b van de Wet op de expertisecentra, afgegeven door een school voor voortgezet speciaal onderwijs: de gegevens, bedoeld in artikel 164a, tweede lid, onder c, k, l en m, van die wet.
1.
Indien een of meer van de gegevens in het diplomaregister afwijken van de gegevens in het originele waardedocument, kan de betrokkene Onze Minister elektronisch verzoeken eerstgenoemde gegevens te verbeteren. Onze Minister verzoekt de organisatie die het document heeft uitgereikt om hem elektronisch de juiste gegevens te verstrekken. Indien de organisatie constateert dat een of meer gegevens van de betrokkene in het diplomaregister niet overeenkomen met de gegevens waarover zij beschikt, verzoekt zij Onze Minister om deze gegevens te verbeteren.
2.
Indien de organisatie die het document heeft uitgereikt, constateert dat de gegevens van de betrokkene in het diplomaregister overeenkomen met de gegevens waarover zij beschikt of indien zij niet meer over de diplomagegevens van betrokkene beschikt, deelt zij dit elektronisch mee aan Onze Minister en deelt Onze Minister dit elektronisch mee aan de betrokkene. Indien de organisatie niet meer over de diplomagegevens van de betrokkene beschikt, kan de betrokkene op vertoon van het originele waardedocument aan Onze Minister verzoeken om de gegevens in het diplomaregister te verbeteren.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de gegevens, bedoeld in artikel 24o, eerste lid, onder a, die zijn overgenomen uit de basisregistratie personen.
1.
Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan betrokkene.
2.
Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan een instelling of school als bedoeld in artikel 24n of aan een school of afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, indien betrokkene is ingeschreven of was ingeschreven bij die instelling, school of afdeling. Op grond van de eerste volzin kunnen uitsluitend diplomagegevens worden verstrekt die zijn behaald voor onderwijs van die instelling, school of afdeling.
3.
Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan een instelling of school als bedoeld in artikel 24n of aan het College voor examens indien betrokkene een waardedocument heeft behaald bij die instelling, die school of dat college. Op grond van de eerste volzin kunnen uitsluitend diplomagegevens worden verstrekt van waardedocumenten die zijn afgegeven door die instelling, die school of dat college.
4.
Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan een instelling of school als bedoeld in artikel 24n of aan het College voor examens ten behoeve van de aanmelding, inschrijving of examinering van betrokkene.
5.
Op grond van het vierde lid kunnen uitsluitend diplomagegevens worden verstrekt van:
a. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder a tot en met d en f tot en met l, indien het betreft een instelling als bedoeld in artikel 24n, onder a, i, j of k,
b. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder b, c, f, g, h en l, indien het betreft een instelling als bedoeld in artikel 24n, eerste lid, onder b,
c. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder c, f, g, h en l, indien het betreft een school, instelling of afdeling als bedoeld in artikel 24n, eerste lid, onder c, f, g of l,
d. de waardedocumenten, bedoeld in artikel 24n, onder c, d, f, g, h en l, indien het betreft het College voor examens.
6.
Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan Onze Minister en de inspectie voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke taken. Voor zover het betreft het gebruik door Onze Minister voor de begrotings- en beleidsvoorbereiding, worden de diplomagegevens op een zodanige wijze verstrekt, dat degenen op wie zij betrekking hebben niet geïdentificeerd of identificeerbaar zijn. Artikel 24f, zevende en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
7.
Uit het diplomaregister worden desgevraagd diplomagegevens verstrekt aan:
a. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als beheerder van een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om inschrijving in dat register;
b. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als beheerder van het Informatiesysteem Inburgering, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet inburgering ten behoeve van de beoordeling van de aanwezigheid van een vrijstelling van de inburgeringsplicht;
c. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 30, eerste lid, 30a, eerste en tweede lid, 30b, 30d en 31 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
8.
Uit het diplomaregister wordt desgevraagd aan betrokkene een elektronisch document met diplomagegevens verstrekt, dat is beveiligd tegen wijzigingen en waarvan kan worden vastgesteld dat het is afgegeven door Onze Minister.
9.
De verstrekking van gegevens uit het diplomaregister geschiedt elektronisch.
10.
In afwijking van het negende lid geschiedt de verstrekking van gegevens op grond van het eerste of achtste lid schriftelijk indien betrokkene hierom verzoekt.
11.
Voor de elektronische verstrekking van gegevens op grond van het eerste tot en met zesde lid is geen vergoeding verschuldigd. Onze Minister kan regels stellen over de vergoeding die verschuldigd is voor de elektronische verstrekking van gegevens op grond van het zevende en achtste lid en voor de schriftelijke verstrekking van gegevens op grond van het tiende lid.
Artikel 24r. Bewaartermijn diplomagegevens
Diplomagegevens worden tot 60 jaar na de maand van afgifte van het laatst behaalde waardedocument of, indien dat eerder is, tot het overlijden van betrokkene bewaard in het diplomaregister in een vorm die het mogelijk maakt betrokkene te identificeren.
1.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels omtrent de autorisatie van degenen die onder zijn gezag vallen voor verwerking van persoonsgegevens uit het diplomaregister.
2.
Onze Minister benoemt een functionaris voor de gegevensbescherming als bedoeld in artikel 62 van de Wet bescherming persoonsgegevens die in elk geval is belast met het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens in het diplomaregister.
1.
Onze Minister houdt gedurende twintig jaren volgend op de verstrekking van gegevens uit het diplomaregister met uitzondering van de verstrekking op grond van artikel 24q, eerste lid of zesde lid, tweede volzin, aantekening van de verstrekking, tenzij de verstrekking van gegevens in de genoemde periode anderszins is te herleiden uit het diplomaregister.
2.
Onze Minister deelt aan de betrokkene mede of hem betreffende gegevens gedurende twintig jaren voorafgaande aan het verzoek uit het diplomaregister zijn verstrekt aan een overheidsorgaan, een onderwijsinstelling of een andere derde. Onze Minister kan volstaan met een in algemene termen gestelde mededeling omtrent de verstrekkingen.
Artikel 24u. Gebruik persoonsgebonden nummer door derde
Een derde kan bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het persoonsgebonden nummer voor zover dit noodzakelijk is in verband met de verstrekking van gegevens aan hem uit het diplomaregister.
Artikel 33. Afstemming met andere wetsvoorstellen
a. [Wijzigt deze wet.]
b. [Wijzigt deze wet.]
c. [Wijzigt kamerstuk 26935.]
d. [Wijzigt deze wet.]
c. [Wijzigt kamerstuk 27728.]
Artikel 34. Evaluatie register vrijstellingen en vervangende leerplicht
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van paragraaf 4 van hoofdstuk 6a van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de realisatie van de volgende doelstellingen van het register vrijstellingen en vervangende leerplicht:
a. verbetering van de handhaving van de Leerplichtwet 1969 door de leerplichtambtenaar;
b. verbetering van de registratie van het aantal voortijdig schoolverlaters;
c. uniformering van de registratie van de vrijstellingen en vervangende leerplicht.
Artikel 35. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 36. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het onderwijstoezicht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 2002
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven drieëntwintigste juli 2002
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Taken en bevoegdheden bij het toezicht
+ Hoofdstuk 3. Uitoefening van het toezicht
+ Hoofdstuk 3a. Toezicht samenwerkingsverbanden
+ Hoofdstuk 3b. Toezicht College voor toetsen en examens
+ Hoofdstuk 3c. Toezicht voorschoolse educatie
+ Hoofdstuk 3d. Toezicht Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven
+ Hoofdstuk 4
+ Hoofdstuk 5. Vaststelling en openbaarmaking van inspectierapporten
+ Hoofdstuk 6. Kwaliteit van de uitoefening van het toezicht
+ Hoofdstuk 6a. Het basisregister onderwijs, het meldingsregister relatief verzuim, en het register vrijstellingen en vervangende leerplicht
+ Hoofdstuk 6b. Het diplomaregister hoger onderwijs, beroepsonderwijs, voortgezet (algemeen volwassenen)onderwijs, NT2 en inburgering
+ Hoofdstuk 7. Wijzigingsbepalingen
+ Hoofdstuk 8. Slot- en overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht