1.
Voor de heffing van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting behoeft met betrekking tot een schuldvordering luidende in een geldeenheid van een van de andere lid-staten die deelnemen aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie, welke vordering niet verband houdt met een in die andere geldeenheid luidende schuld, een koerswinst die als gevolg van de invoering van de euro ontstaat, in afwijking in zoverre van artikel 3.25 van de Wet inkomstenbelasting 2001, bij de bepaling van de winst pas in aanmerking te worden genomen naar de mate van de ter zake van de schuldvordering te ontvangen aflossingen.
2.
Voor de heffing van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting behoeft met betrekking tot een schuld luidende in een geldeenheid van een van de andere lid-staten die deelnemen aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie, welke schuld niet verband houdt met een in die andere geldeenheid luidende schuldvordering, een koerswinst die als gevolg van de invoering van de euro ontstaat, in afwijking in zoverre van artikel 3.25 van de Wet inkomstenbelasting 2001, bij de bepaling van de winst pas in aanmerking te worden genomen naar de mate van de ter zake van de schuld te betalen aflossingen.
3.
Voor de toepassing van dit artikel worden met aflossingen gelijkgesteld andere handelingen waardoor de schuldvordering onderscheidenlijk de schuld afneemt of verdwijnt als vermogensbestanddeel uit het vermogen van de onderneming.
4.
Voor de toepassing van dit artikel worden geldmiddelen niet begrepen onder schuldvordering.
Artikel 15
Bij ministeriële regeling kunnen de bedragen van f 180,10 en f 531 in artikel 25a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 worden verhoogd voorzover zij leiden tot tarieven die lager zijn dan de tegenwaarde in guldens van de minimumtarieven, genoemd in richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 betreffende de toepassing door de Lid-Staten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten (PbEG L 279).
Artikel 16
Bij ministeriële regeling kunnen de bedragen, genoemd in artikel 10 en artikel 14, vierde lid, van de Wet belasting zware motorrijtuigen worden aangepast in overeenstemming met de uitkomsten van het overleg over de toepassing van artikel 8, zevende lid, van het op 9 februari 1994 te Brussel tot stand gekomen verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens (Trb. 1994, 69) tussen de bij dat verdrag aangesloten landen.
1.
Voor de toepassing van artikel 30f, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 29 van de Invorderingswet 1990 wordt de depositorente van de Europese Centrale Bank die geldt op de eerste werkdag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan een kalenderkwartaal in de periode van 1 april 1999 tot en met 31 december 2001 verminderd – doch niet verder dan tot nihil – of vermeerderd met een bij ministeriële regeling vastgesteld aantal procentpunten indien de op 4 januari 1999 geldende depositorente hoger onderscheidenlijk lager is dan het op 31 december 1998 geldende promessedisconto van De Nederlandsche Bank N.V.
2.
Het in het eerste lid bedoelde aantal procentpunten waarmee de depositorente wordt verminderd of vermeerderd is gelijk aan het verschil in percentage tussen de op 4 januari 1999 geldende depositorente en het op 31 december 1998 geldende promessedisconto van De Nederlandsche Bank N.V.
3.
Voor de toepassing van artikel 60, tweede lid, van de Wet op de accijns en artikel 17, zevende lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 wordt de depositorente van de Europese Centrale Bank in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 verminderd – doch niet verder dan tot nihil – of vermeerderd met een bij ministeriële regeling vastgesteld aantal procentpunten indien de op 4 januari 1999 geldende depositorente hoger onderscheidenlijk lager is dan de op 31 december 1998 geldende voorschotrente van De Nederlandsche Bank N.V.
4.
Het in het derde lid bedoelde aantal procentpunten waarmee de depositorente wordt verminderd of vermeerderd is gelijk aan het verschil in percentage tussen de op 4 januari 1999 geldende depositorente en de op 31 december 1998 geldende voorschotrente van De Nederlandsche Bank N.V.
1.
Ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet kunnen bij ministeriële regeling nadere, zo nodig afwijkende, regels worden gesteld.
2.
Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop de krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de kamers der Staten-Generaal besluit tot het niet aannemen van het voorstel, wordt die regeling onverwijld ingetrokken.
1.
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1999, met uitzondering van de artikelen 7 en 9, die in werking treden met ingang van 1 april 1999 alsmede artikel 14, dat in werking treedt met ingang van 31 december 1998.
2.
Deze wet wordt aangehaald als: Wet overgang belastingheffing in euro's.
Inhoudsopgave
+ HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALING
+ HOOFDSTUK II. HEFFING EN INVORDERING MET BETREKKING TOT DE OVERGANGSPERIODE
+ HOOFDSTUK III. HET NA DE OVERGANGSPERIODE VASTSTELLEN VAN BELASTINGAANSLAGEN EN NEMEN VAN BESCHIKKINGEN MET BETREKKING TOT DE PERIODE VOOR DE OVERGANGSPERIODE EN DE OVERGANGSPERIODE
+ HOOFDSTUK IV. OMREKENING, AFRONDING EN RECHTSGELDIGHEID
+ HOOFDSTUK V. WIJZIGING VAN ENKELE BELASTINGWETTEN C.A.
- HOOFDSTUK VI. OVERIGE BEPALINGEN
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht