Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2015. U leest nu de tekst die gold op -.

Wet participatiebudget

Uitgebreide informatie
Wet van 29 december 2008 tot bundeling van het WWB-werkdeel, budgetten voor inburgeringsvoorzieningen en de middelen voor volwasseneneducatie (Wet participatiebudget)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat het WWB-werkdeel, inburgeringsbudgetten voor zover deze betrekking hebben op de inburgeringsvoorzieningen en de middelen voor volwasseneneducatie worden gebundeld;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
college: college van burgemeester en wethouders;
doelgroep:
1°. iedere in Nederland woonachtige Nederlander van achttien jaar of ouder,
2°. iedere in Nederland woonachtige vreemdeling van achttien jaar of ouder die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, en
3°. iedere in Nederland woonachtige persoon van zeventien jaar of jonger die heeft voldaan aan de kwalificatieplicht, bedoeld in paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, dan wel aan wie een vrijstelling van die kwalificatieplicht is verleend;
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers ;
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ;
Onze Ministers: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
participatievoorziening: opleiding educatie of re-integratievoorziening;
regionaal opleidingencentrum: een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
1.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verstrekt aan het college een uitkering ten behoeve van de kosten van participatievoorzieningen, niet zijnde uitvoeringskosten, voor de doelgroep alsmede voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
2.
De uitkering wordt vastgesteld in september voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft.
3.
Het bedrag van de uitkering is de som van de uitkomsten van drie berekeningen, elk op basis van een verdeelsleutel die bepaalt hoe het voor het kalenderjaar bij begrotingswet vast te stellen bedrag dat Onze Minister wie het aangaat beschikbaar heeft voor de uitkering wordt verdeeld over de colleges.
4.
De verdeelsleutels worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de betaalbaarstelling van de uitkering.
6.
Onder bij algemene maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden kan een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de uitkering worden aangewend voor andere kosten ten behoeve van de bevordering van participatie dan de kosten, bedoeld in het eerste lid, alsmede ten behoeve van de in dat lid bedoelde uitvoeringskosten.
1.
Het college kan aan personen uit de doelgroep opleidingen educatie of re-integratievoorzieningen aanbieden. Daarbij geldt dat opleidingen educatie alleen kunnen worden aangeboden aan personen van achttien jaar of ouder.
2.
In aanvulling op het eerste lid kan het college re-integratievoorzieningen of opleidingen educatie aanbieden aan iedere in Nederland woonachtige vreemdeling van achttien jaar of ouder die krachtens artikel 11, derde lid, van de Wet werk en bijstand met een Nederlander wordt gelijkgesteld.
3.
In aanvulling op het eerste en tweede lid kan het college re-integratievoorzieningen aanbieden aan:
a. personen van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969 , nog niet is geëindigd,
b. personen van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald,
ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject geboden is, voor zover deze re-integratievoorzieningen voorzien in de kosten van ondersteuning die nodig zijn bij een leer-werktraject voor die personen.
4.
Voor zover het college:
a. een opleiding educatie aanbiedt, is de Wet educatie en beroepsonderwijs van toepassing;
b. een re-integratievoorziening aanbiedt, is de Wet werk en bijstand van toepassing, tenzij het betreft een voorziening ten behoeve van een persoon als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de IOAW respectievelijk van de IOAZ, in welk geval de IOAW respectievelijk de IOAZ van toepassing is.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorwaarden worden gesteld waaronder de kosten van opleidingen educatie of re-integratievoorzieningen, niet zijnde uitvoeringskosten, ten laste van de uitkering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, kunnen worden gebracht.
6.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt geen re-integratievoorziening aangeboden aan de persoon, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a of b, van de Wet werk en bijstand.
1.
Het college legt verantwoording af aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de uitvoering van deze wet, op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
2.
Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2, niet volledig of onrechtmatig is besteed, wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teruggevorderd. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan het college.
3.
Indien de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, niet volledig door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen binnen dertien maanden na het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft, wordt de uitkering teruggevorderd. Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, stelt Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de terugvordering op een lager bedrag vast. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet binnen drie maanden na afloop van de dertien maanden, bedoeld in de eerste zin, mededeling van terugvordering aan het college.
4.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de terugvordering, bedoeld in het tweede en derde lid, alsmede over de verdeling van de teruggevorderde gelden. Daarbij kan worden bepaald dat een gedeelte van het niet bestede deel van de uitkering niet wordt teruggevorderd.
1.
Het college verstrekt desgevraagd aan Onze Ministers de gegevens die zij voor de statistiek en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig hebben. De gegevens worden kosteloos verstrekt.
2.
Het college verstrekt de gegevens ten behoeve van de verdeelsleutels, bedoeld in artikel 2, vierde lid, als onderdeel van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde gegevens;
b. de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, indien het college de in het eerste lid bedoelde gegevens niet of niet tijdig verstrekt dan wel de kwaliteit van die gegevens te kort schiet.
4.
Het college dient jaarlijks bij Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een beeld van de uitvoering in.
5.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het beeld van de uitvoering.
Artikel 5a. Verantwoordingsinformatie ten behoeve van verdeling uitkering en verdeelsleutels
In afwijking van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt bij de toepassing van de artikelen 2, 4, tweede lid, en 5, tweede lid, gebruikgemaakt van de gegevens, bedoeld in artikel 5, tweede lid, en de informatie, bedoeld in artikel 6, onderdeel a, waarvan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kennis heeft op 15 augustus voor zover het betreft de artikelen 2 en 5, tweede lid, en 30 september voor zover het betreft artikel 4, tweede lid, van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen. Indien artikel 6, onderdeel b, van toepassing is, wordt voor het jaar volgend op het verantwoordingsjaar gelezen: het tweede jaar volgend op het verantwoordingsjaar.
Artikel 6. Gemeenschappelijke regelingen
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van de artikelen 2, 4 en 5, in de plaats van het college, met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van artikel 2 en artikel 5, tweede lid, de met toepassing van artikel 34a van de Wet gemeenschappelijke regelingen door het openbaar lichaam op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, verantwoorde informatie in aanmerking kan worden genomen;
b. indien een openbaar lichaam de uitkering, bedoeld in artikel 2, ontvangt van het college van de gemeente die deelneemt aan de gemeenschappelijke regeling, voor de termijn van dertien maanden in artikel 4, derde lid, telkens wordt gelezen: vijfentwintig maanden.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het doeltreffender uitvoeren van deze wet teneinde de doelen van educatie en re-integratie te realiseren, voor een periode van drie jaar worden afgeweken van het bepaalde bij de artikelen 2, eerste lid en 3.
2.
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment als bedoeld in het eerste lid een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van het experiment aan beide kamers der Staten-Generaal.
3.
De voordracht voor de krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 12. Evaluatie
Onze Ministers zenden binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
1.
In afwijking van artikel 2 ontvangt het college van een gemeente die op grond van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid een brede doeluitkering als bedoeld in dat besluit heeft ontvangen, voor het kalenderjaar 2009 geen uitkering op grond van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 2, vierde lid, voor het bedrag dat door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap respectievelijk door Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie beschikbaar is gesteld voor de uitkering, bedoeld in artikel 2, eerste lid.
2.
In afwijking van artikel 2, eerste lid, wordt het voor het kalenderjaar 2009 verstrekte deel van de uitkering, bedoeld in dat lid, dat het college van een gemeente als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen op grond van de verdeelsleutel voor het bedrag dat door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beschikbaar is gesteld niet gebruikt voor de bekostiging van de in het meerjaren ontwikkelingsprogramma, bedoeld in het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid , vastgestelde resultaten ten aanzien van volwasseneneducatie en inburgering, bedoeld in dat besluit en de Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid .
3.
Het tweede lid is niet van toepassing voor zover de uitkering wordt gebruikt ter bekostiging van:
a. een re-integratievoorziening indien die onderdeel uitmaakt van een participatievoorziening die een combinatie is van een inburgerings- en een re-integratievoorziening, of
b. inburgeringsvoorzieningen of inburgeringsvoorzieningen die onderdeel uitmaken van een participatievoorziening als bedoeld in onderdeel a voor zover het totaal van de kosten van die inburgeringsvoorzieningen hoger is dan het totaal van de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen b en c, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
1.
Tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip wordt het deel van de uitkering dat het college ontvangt voor het desbetreffende kalenderjaar op basis van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 2, vierde lid, voor het bedrag dat door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is gesteld, besteed bij regionale opleidingencentra voor opleidingen educatie.
2.
Tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip wordt het deel van de uitkering dat het college ontvangt voor het desbetreffende kalenderjaar op basis van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 2, vierde lid, voor het bedrag dat door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is gesteld, besteed bij regionale opleidingencentra.
3.
De bestedingsverplichting bij regionale opleidingencentra voor opleidingen educatie, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover het college reeds vóór 15 september 2009 juridische verplichtingen met particuliere aanbieders voor opleidingen educatie is aangegaan.
Artikel 14a. Overgangsbepaling inzake het bedrag dat beschikbaar is gesteld voor inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen
Het bepaalde bij of krachtens deze wet blijft van toepassing op de kosten die het college heeft gemaakt, niet zijnde uitvoeringskosten, na de datum van inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 14 november 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (33 086), nadat dat voorstel tot wet is verheven, voor inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen, die zijn vastgesteld of overeengekomen op uiterlijk de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van die wet en op de kosten van inburgeringsvoorzieningen, die zijn vastgesteld of overeengekomen op grond van artikel X, derde lid, van die wet.
1.
De Wet werk en bijstand en de Wet educatie en beroepsonderwijs en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op 31 december 2008, blijven van toepassing op uitkeringen op grond van de artikelen 69, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand en op de rijksbijdrage op grond van artikel 2.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs over de jaren gelegen voor 2009.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de vaststelling van de rijksbijdrage die op grond van artikel 52 van de Wet inburgering is verleend over de jaren voor 2009.
3.
Het deel van de uitkering op grond van artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand voor het jaar 2008 dat op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 70, derde lid, van die wet, zoals deze luidde op 31 december 2008, wordt toegevoegd aan de uitkering van het daaropvolgende kalenderjaar, wordt toegevoegd aan de uitkering, bedoeld in artikel 2 van deze wet, voor het jaar 2009.
4.
In afwijking van artikel 2, tweede lid, wordt de uitkering voor het kalenderjaar 2009 binnen vier weken na de inwerkingtreding van deze wet vastgesteld.
Artikel 16. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
Artikel 17. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet participatiebudget.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 29 december 2008
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Uitgegeven de dertigste december 2008
De Minister van Justitie
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Participatiebudget
+ Hoofdstuk 3. Wijziging van andere wetten
+ Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken