Let op. Deze wet is vervallen op 12 maart 2008. U leest nu de tekst die gold op 11 maart 2008.

Wet raadplegend referendum Europese Grondwet

Uitgebreide informatie
Wet van 27 januari 2005, betreffende het houden van een raadplegend referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie (Wet raadplegend referendum Europese Grondwet)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het op basis van de resultaten van de Europese Conventie te sluiten verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa aan een raadplegend referendum te onderwerpen, teneinde de betrokkenheid van de burgers bij de toekomstige hervormingen van de Europese Unie die voortvloeien uit de Europese Conventie te verhogen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties;
b. referendum: raadplegend referendum, bedoeld in artikel 2;
c. referendumcommissie: referendumcommissie, genoemd in artikel 24;
d. verdrag: verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.
Artikel 2
Er wordt een raadplegend referendum gehouden over het verdrag, zoals dat is ondertekend voor het Koninkrijk.
1.
Kiesgerechtigd voor het referendum zijn diegenen die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
2.
Voor de beoordeling of aan de vereisten voor het kiesrecht is voldaan, is de toestand op de drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8, bepalend. Het vereiste van het hebben bereikt van de achttienjarige leeftijd wordt beoordeeld naar de toestand op de dag van de stemming.
Artikel 5
De registratie van de kiesgerechtigdheid van de ingezetenen van de gemeente in de gemeentelijke administratie voor de verkiezingen van de Tweede Kamer geldt tevens als registratie van de kiesgerechtigdheid voor het referendum.
Artikel 6
De artikelen 34 en 35 van de Tijdelijke referendumwet zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 34, eerste en tweede lid, in plaats van «elk nationaal referendum» wordt gelezen: het referendum;
b. in artikel 34, derde lid, in plaats van «vanaf het tijdstip waarop het besluit van de voorzitter van het centraal stembureau tot toelating van het inleidend verzoek tot het houden van een referendum onherroepelijk is geworden» wordt gelezen: met ingang van de dag waarop deze wet in werking is getreden;
c. in artikel 34, vierde lid, in plaats van «de dagtekening van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110» wordt gelezen: de dagtekening van het besluit, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
2.
De artikelen 37, 38, 41, eerste lid, en 42 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 38, derde lid, in plaats van «een referendum» wordt gelezen: het referendum;
b. in artikel 41, eerste lid, in plaats van «nationale referenda» wordt gelezen: het referendum.
3.
De hoofdstembureaus voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer treden op als hoofdstembureaus voor het houden van het referendum.
1.
De referendumcommissie stelt zo spoedig mogelijk de dag van de stemming vast, in overeenstemming met Onze Minister. De bekendmaking van het besluit geschiedt door kennisgeving in de Staatscourant.
2.
Als dag van de stemming wordt aangewezen:
a. indien het verdrag voor, op of binnen vijf weken na de datum met ingang waarvan de leden van de referendumcommissie zijn benoemd, is of wordt ondertekend voor het Koninkrijk: een woensdag binnen een termijn die aanvangt op de vijfentachtigste dag en eindigt vijf maanden na de datum met ingang waarvan de leden van de referendumcommissie zijn benoemd;
b. indien het verdrag ten minste vijf weken na de datum met ingang waarvan de leden van de referendumcommissie zijn benoemd, wordt ondertekend voor het Koninkrijk: een woensdag binnen een termijn die aanvangt op de vijftigste dag en eindigt vier maanden na de datum waarop het verdrag is ondertekend voor het Koninkrijk.
3.
De artikelen 110, derde lid, en 111 van de Tijdelijke referendumwet zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 110, derde lid, in plaats van «vier maanden» wordt gelezen: vier dan wel vijf maanden;
1.
De tekst van het verdrag is gedurende vier weken voorafgaande aan de stemming kosteloos ter secretarie van elke gemeente verkrijgbaar. De burgemeester brengt dit ter openbare kennis.
2.
De burgemeester draagt er zorg voor dat de samenvatting, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel b, ten minste veertien dagen voor de stemming aan het adres van de kiezers wordt bezorgd.
3.
Bij de samenvatting wordt van de verkrijgbaarheid van de tekst van het verdrag ter gemeentesecretarie mededeling gedaan.
Artikel 10
De artikelen 115 tot en met 120 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 115 in plaats van «de aan het referendum onderworpen wet of het aan het referendum onderworpen besluit» wordt gelezen: het verdrag;
b. in artikel 115 in plaats van «de wet of het besluit» wordt gelezen: het verdrag;
c. in onderdeel a van artikel 117 in plaats van «datum van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110, onderscheidenlijk het besluit, bedoeld in artikel 112» wordt gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8,;
d. in onderdeel d van artikel 117 in plaats van «de wet of het besluit» wordt gelezen: het verdrag;
e. in artikel 118, tweede lid, onderdeel b, in plaats van «datum van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110, onderscheidenlijk het besluit, bedoeld in artikel 112,» wordt gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8,;
f. in artikel 119, tweede lid, onderdeel b, in plaats van «datum van het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 110, onderscheidenlijk het besluit, bedoeld in artikel 112,» wordt gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8,;
g. in artikel 119, tweede lid, onderdeel c, in plaats van « artikel 34» wordt gelezen: artikel 6;
h. in artikel 120, eerste lid, in plaats van «een nationaal referendum» wordt gelezen: het referendum;
i. in artikel 120, eerste lid, in plaats van «datum van het in artikel 110 bedoelde koninklijk besluit» wordt gelezen: drieënveertigste dag voor de stemming, bedoeld in artikel 8;
j. in artikel 120, tweede lid, onderdeel a, in plaats van «de aan het referendum onderworpen wet» wordt gelezen: het verdrag.
Artikel 11
De artikelen 121, 122, eerste lid, onderdelen a tot en met d, 122, tweede lid, 123, 124 en 125, eerste en tweede lid, van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien verstande dat:
a. in artikel 122, eerste lid, onderdelen a en b, in plaats van «de aan het referendum onderworpen wet of het aan het referendum onderworpen besluit» wordt gelezen: het verdrag;
b. in artikel 123, tweede lid, onderdeel a, in plaats van «de wet of het besluit» wordt gelezen: het verdrag;
c. in artikel 123, eerste lid, en in artikel 125, eerste lid, de woorden «en kiesgerechtigden» buiten toepassing blijven.
Artikel 12
De burgemeester draagt er zorg voor dat de processen-verbaal, met daarbij gevoegd de opgaven van de door hem vastgestelde aantallen stemmen, onverwijld worden overgebracht naar de voorzitter van het hoofdstembureau.
Artikel 13
Artikel 127 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 is van toepassing.
a. in artikel 129, eerste lid, in plaats van «provincie» wordt gelezen «kieskring» en de woorden «en van de in de artikelen 122 en 125, derde lid, bedoelde aantallen kiesgerechtigden voor het referendum» buiten toepassing blijven;
b. in artikel 131 in plaats van « artikel 126» wordt gelezen: artikel 12;
c. in artikel 135, eerste lid, in plaats van «een nationaal referendum» wordt gelezen: het referendum;
d. in artikel 136, onderdelen a en b, in plaats van «de aan het referendum onderworpen wet of het aan het referendum onderworpen besluit» wordt gelezen: het verdrag.
Artikel 15
Het centraal stembureau stelt vervolgens vast of een meerderheid van de kiesgerechtigden die bij de stemming een geldige stem hebben uitgebracht zich voor het verdrag heeft uitgesproken.
Artikel 16
De artikelen 138 en 139 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing.
Artikel 17
De voorzitter van het centraal stembureau maakt de uitslag van het referendum zo spoedig mogelijk openbaar door plaatsing van een afschrift van het proces-verbaal in de Staatscourant.
Artikel 18
De voorzitter van het centraal stembureau doet een afschrift van het proces-verbaal toekomen aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en Onze Minister.
Artikel 19
Artikel 142 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 is van toepassing, met dien verstande dat in het tweede lid in plaats van « artikel 126» wordt gelezen: artikel 12.
Artikel 20
Geen beroep kan worden ingesteld tegen:
a. een besluit van het stembureau, het hoofdstembureau of de burgemeester inzake het verloop van de stemming, de stemopneming en de vaststelling van de uitslag van het referendum;
b. het besluit, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
Artikel 21
Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen besluiten van het centraal stembureau inzake het verloop van de stemming, de stemopneming en de vaststelling van de uitslag van het referendum.
Artikel 22
Artikel 145 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 is van toepassing, met dien verstande dat in plaats van « artikel 144» wordt gelezen: artikel 21.
Artikel 23
De artikelen 147 en 150 tot en met 164 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 zijn van toepassing, met dien verstande dat in de artikelen 147, 150, eerste lid, 151 tot en met 156, 157, eerste lid, en 159 tot en met 161 in plaats van «een referendum» wordt gelezen: het referendum.
1.
Er is een referendumcommissie.
2.
De referendumcommissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden.
3.
De leden van de referendumcommissie worden door de Tweede Kamer der Staten-Generaal benoemd. De benoeming van de voorzitter vindt plaats op voordracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de overige leden worden benoemd op voordracht van onderscheidenlijk de Kiesraad, de Adviesraad internationale vraagstukken, de Raad voor het openbaar bestuur en de Sociaal-Economische Raad. Elk van de adviesorganen, genoemd in de tweede volzin, doet een voordracht van ten minste twee personen.
4.
Indien het verdrag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is ondertekend voor het Koninkrijk, worden de leden zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze wet benoemd.
1.
De referendumcommissie heeft een secretaris.
2.
De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de referendumcommissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de referendumcommissie.
3.
Aan de secretaris kunnen andere medewerkers worden toegevoegd.
4.
De secretaris en de andere medewerkers zijn geen lid van de referendumcommissie.
5.
Onze Minister benoemt de secretaris en de andere medewerkers.
1.
De referendumcommissie heeft tot taak:
a. het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 8, eerste lid;
b. het vaststellen van een feitelijke samenvatting van het verdrag;
c. het verstrekken van subsidies ten behoeve van maatschappelijke initiatieven die zich ten doel stellen het publieke debat in Nederland over het verdrag dan wel het referendum te bevorderen.
2.
De referendumcommissie stelt een regeling vast met betrekking tot:
a. de nadere bepaling van de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en de wijze van verstrekking;
b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
c. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
d. de bevoegdheid om besluiten te nemen over subsidieverlening;
e. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
f. de verplichtingen voor de subsidieontvanger, waaronder de rapportage over toepassing van de subsidie;
g. de vaststelling van de subsidie;
h. de betaling van de subsidie en de eventuele verlening van voorschotten en
i. overige onderwerpen die betrekking hebben op de uitvoering van dit hoofdstuk.
3.
Het subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is € 1 miljoen.
4.
In afwijking van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht stelt de referendumcommissie zo spoedig mogelijk na de afwikkeling van de krachtens het eerste lid, onderdeel c, verstrekte subsidies een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid en de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies in de praktijk. Het verslag wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Artikel 27
Artikel 167 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 is van toepassing.
Artikel 28
Indien de Tijdelijke referendumwet is vervallen voor het tijdstip waarop deze wet vervalt, wordt in deze wet in plaats van « Tijdelijke referendumwet » gelezen: Tijdelijke referendumwet , zoals die luidde op 31 december 2004.
1.
Onze Minister kan bepalen dat tijdens het referendum experimenten plaatsvinden met het oog op nieuwe voorzieningen die de kiesgerechtigde in Nederland in staat stellen om in een stemlokaal naar keuze te stemmen.
2.
Op experimenten als bedoeld in het eerste lid is hetgeen bij of krachtens de Experimentenwet Kiezen op Afstand met betrekking tot zodanige experimenten is bepaald, van overeenkomstige toepassing.
1.
Onder toepassing van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet, zoals die luidde op 31 december 2004 treedt deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
2.
In afwijking van de Tijdelijke referendumwet , zoals die luidde op 31 december 2004 kan over deze wet geen referendum op grond van de Tijdelijke referendumwet , zoals die luidde op 31 december 2004 worden gehouden.
Artikel 31
Deze wet vervalt op een door bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit tijdstip ligt na de vaststelling van het verslag, bedoeld in artikel 26, vierde lid.
Artikel 32
Deze wet wordt aangehaald als: Wet raadplegend referendum Europese Grondwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 januari 2005
De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties ,
Uitgegeven de derde februari 2005
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. De kiesgerechtigdheid
+ Hoofdstuk 3. Kieskringen, stemdistricten en stembureaus
+ Hoofdstuk 4. De stemming
+ Hoofdstuk 5. De stemopneming door het stembureau
+ Hoofdstuk 6. De vaststelling van de uitslag van het referendum
+ Hoofdstuk 7. Bepalingen inzake beroep
+ Hoofdstuk 8. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk 9. De referendumcommissie
+ Hoofdstuk 10. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken