Let op. Deze wet is vervallen op 18 september 2016. U leest nu de tekst die gold op 17 september 2016.

Wet scheepsuitrusting

Uitgebreide informatie
Wet van 13 april 2000, houdende regels met betrekking tot de productie en keuring van uitrusting voor zeeschepen (Wet scheepsuitrusting)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de productie en keuring van uitrusting voor zeeschepen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. richtlijn: richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46);
b. de verdragen:
1°. het op 5 april 1966 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de uitwatering van schepen (Trb. 1966, 275);
2°. het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake Internationale Voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee (Trb. 1974, 51);
3°. het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, (Trb. 1975, 147);
4°. het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157);
5°. de bij de onder 1° tot en met 4° genoemde verdragen behorende bindende protocollen, bindende bijlagen of bindende aanhangsels;
c. uitrusting: de onderdelen van scheepsuitrusting, genoemd in bijlage A.1 van de richtlijn;
d. Nederlands schip: een schip dat op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren, en waarvoor de verdragen voorschrijven dat de aan boord te plaatsen uitrusting overeenkomstig de verdragen is goedgekeurd;
e. productvoorschriften: de relevante fabricagevoorschriften en beproevingsnormen uit bijlage A.1 van de richtlijn;
f. overeenstemmingsbeoordeling: het onderzoek naar het voldoen van uitrusting aan de productvoorschriften;
g. merk van overeenstemming: het symbool, weergegeven in bijlage D van de richtlijn, dat wordt aangebracht op uitrusting waarvan overeenkomstig deze wet of een andere regeling ter uitvoering van de richtlijn is aangetoond dat zij voldoet aan de toepasselijke voorschriften uit de verdragen;
h. keuringsinstantie: een ingevolge artikel 4, eerste lid, aangewezen instantie;
i. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 2
Deze wet is niet van toepassing op uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen die in gebruik zijn voor de uitvoering van een militaire taak.
1.
Uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van een Nederlands schip, voldoet aan de productvoorschriften.
2.
Uitrusting als bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend in de handel gebracht, indien zij is voorzien van het merk van overeenstemming.
1.
Onze Minister wijst, met inachtneming van bijlage C van de richtlijn, de instanties aan die zijn belast met door hem aan te geven, in het kader van een of meer modules van overeenstemmingsbeoordeling als bedoeld in bijlage B van de richtlijn, te verrichten taken.
2.
Aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden, die mede betrekking kunnen hebben op de door de aangewezen instantie in rekening te brengen tarieven.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de criteria voor de beoordeling van instanties die in aanmerking wensen te komen voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, de wijze van beoordeling en de door deze instanties verschuldigde vergoeding voor de kosten van de beoordeling.
4.
Onze Minister trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, in:
a. indien hij van oordeel is dat de keuringsinstantie niet meer voldoet aan de criteria van bijlage C van de richtlijn of de in de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, opgenomen criteria voor de beoordeling van instanties;
b. indien de keuringsinstantie de bij of krachtens deze wet gestelde regels of de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft.
Artikel 5
Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten van de Europese Unie in kennis van een aanwijzing of een intrekking ingevolge artikel 4 en vermeldt in geval van een aanwijzing de aan de aangewezen instantie toegekende taken en het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan die instantie toegekende identificatienummer.
Artikel 6
In deze paragraaf wordt onder keuringsinstantie mede verstaan: een door een andere lidstaat van de Europese Unie bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde instantie, belast met in het kader van een of meer modules van overeenstemmingsbeoordeling als bedoeld in bijlage B van de richtlijn, te verrichten taken.
1.
De fabrikant volgt voor uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van een Nederlands schip, een procedure van overeenstemmingsbeoordeling.
2.
Voor uitrusting, niet zijnde uitrusting als bedoeld in het eerste lid, kan de fabrikant een procedure van overeenstemmingsbeoordeling volgen.
3.
Een procedure van overeenstemmingsbeoordeling wordt gevolgd, voordat uitrusting in de handel wordt gebracht.
1.
Een procedure van overeenstemmingsbeoordeling behelst voor uitrusting waarop ingevolge bijlage A.1 van de richtlijn:
a. de overeenstemmingsbeoordelingsmodules B en C van toepassing zijn: het EG-typeonderzoek, aangevuld met de procedure van overeenstemming met het type;
b. de overeenstemmingsbeoordelingsmodules B en D van toepassing zijn: het EG-typeonderzoek, aangevuld met de procedure van productiekwaliteitsborging;
c. de overeenstemmingsbeoordelingsmodules B en E van toepassing zijn: het EG-typeonderzoek, aangevuld met de procedure van productkwaliteitsborging;
d. de overeenstemmingsbeoordelingsmodules B en F van toepassing zijn: het EG-typeonderzoek, aangevuld met de procedure van productkeuring;
e. overeenstemmingsbeoordelingsmodule G van toepassing is: de procedure van eenheidskeuring;
f. overeenstemmingsbeoordelingsmodule H van toepassing is: de procedure van volledige kwaliteitsborging,
zoals opgenomen in bijlage B van de richtlijn.
2.
De procedure van eenheidskeuring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan uitsluitend worden gevolgd voor uitrusting die per stuk of in kleine hoeveelheden en niet in serie- of massaproductie wordt geproduceerd.
3.
Indien ingevolge bijlage A.1 van de richtlijn twee of meer procedures als bedoeld in het eerste lid, van toepassing zijn, kiest de fabrikant, onverminderd het tweede lid, voor een van de toepasselijke procedures.
4.
Indien op uitrusting zowel beproevingsnormen van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) als beproevingsnormen van het Europees Normalisatie-instituut voor Telecommunicatie (ETSI) van toepassing zijn, kiest de fabrikant voor de normen van een van beide instanties.
1.
De fabrikant kiest voor de uitvoering van een procedure van overeenstemmingsbeoordeling een keuringsinstantie die bevoegd is om de in het kader van die procedure aan een keuringsinstantie opgedragen taken te verrichten.
2.
Indien een procedure als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, wordt gevolgd, kan voor de aanvullende procedure een andere keuringsinstantie worden gekozen dan voor het EG-typeonderzoek.
1.
De fabrikant brengt op uitrusting die voldoet aan de productvoorschriften en waarvoor een toepasselijke procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd, in de laatste fase van het productieproces het merk van overeenstemming aan.
2.
Het merk van overeenstemming wordt, indien de keuringsinstantie die de procedure van overeenstemmingsbeoordeling heeft uitgevoerd, betrokken is bij de fase van fabricagecontrole, gevolgd door het identificatienummer van die instantie. Het identificatienummer wordt door de fabrikant aangebracht, indien het niet door de keuringsinstantie zelf wordt aangebracht.
3.
Het merk van overeenstemming en in voorkomend geval het identificatienummer, bedoeld in het tweede lid, worden gevolgd door de twee laatste cijfers van het jaar waarin het merk van overeenstemming is aangebracht.
4.
Het merk van overeenstemming wordt, met inachtneming van bijlage D van de richtlijn, op een zodanige wijze op de uitrusting of een daaraan bevestigd gegevensplaatje aangebracht, dat het voor de verwachte gebruiksduur van de uitrusting zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar zal zijn, met dien verstande dat het merk van overeenstemming op de verpakking, een etiket of een brochure wordt aangebracht, indien de aard van de uitrusting aanbrenging op de uitrusting zelf niet toelaat.
1.
De fabrikant stelt voor uitrusting waarop hij het merk van overeenstemming heeft aangebracht, een schriftelijke verklaring van overeenstemming op, waarin hij met inachtneming van de regels, opgenomen in bijlage B van de richtlijn, verklaart dat die uitrusting:
a. in overeenstemming is met het certificaat van EG-typeonderzoek en voldoet aan de productvoorschriften, indien voor de uitrusting de procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a;
b. in overeenstemming is met het certificaat van EG-typeonderzoek, indien voor de uitrusting een procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen b, c of d;
c. voldoet aan de productvoorschriften, indien voor de uitrusting een procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen e of f.
2.
De verklaring van overeenstemming, bedoeld in het eerste lid, vergezelt de uitrusting.
Artikel 12
De fabrikant verleent de keuringsinstantie en de door deze ingevolge artikel 16, tweede lid, aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen alle medewerking, voorzover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de procedure van overeenstemmingsbeoordeling en de uitoefening van andere in deze wet bedoelde taken.
1.
De door de fabrikant in het kader van een procedure van overeenstemmingsbeoordeling aan de keuringsinstantie te verstrekken technische documentatie voldoet aan het aanhangsel van bijlage B van de richtlijn.
2.
De fabrikant bewaart gedurende een periode van ten minste tien jaren de technische documentatie, bedoeld in het eerste lid, alsmede andere bij ministeriële regeling te bepalen gegevens.
3.
De fabrikant verstrekt aan de personen of instanties die door Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie zijn belast met het uitvoeren van door de verdragen voorgeschreven prestatieproeven op uitrusting in bedrijf aan boord van schepen, desgevraagd de inspectie- en beproevingsverslagen die bij de overeenstemmingsbeoordeling van die uitrusting zijn opgesteld.
1.
Voorzover door de fabrikant niet is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 13, rusten deze verplichtingen op de gemachtigde van de fabrikant of op degene die de uitrusting in de handel brengt.
2.
Zodra de gemachtigde van de fabrikant of degene die de uitrusting in de handel brengt, aan een ingevolge het eerste lid op hem rustende verplichting heeft voldaan, is die verplichting voor de ander en voor de fabrikant opgeheven.
Artikel 15
Indien voor uitrusting, niet zijnde uitrusting bestemd voor plaatsing aan boord van een Nederlands schip, door de fabrikant geen procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd, komt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 7, tweede lid, toe aan de gemachtigde van de fabrikant of de persoon die de uitrusting in de handel brengt. De artikelen 8 tot en met 13 zijn alsdan van overeenkomstige toepassing.
1.
Een keuringsinstantie neemt bij de uitvoering van de taken waarmee zij in het kader van de procedures van overeenstemmingsbeoordeling is belast, de in bijlage B van de richtlijn opgenomen regels in acht.
2.
Een keuringsinstantie is bevoegd om met inachtneming van bij ministeriële regeling gegeven voorschriften beproevingen en controles te doen verrichten door andere natuurlijke personen of rechtspersonen.
Artikel 17
Een keuringsinstantie die een procedure van overeenstemmingsbeoordeling heeft uitgevoerd, brengt, indien zij betrokken is bij de fase van fabricagecontrole, naast het merk van overeenstemming haar identificatienummer aan of ziet erop toe dat dit nummer wordt aangebracht door de fabrikant, diens gemachtigde of degene die de uitrusting in de handel brengt.
1.
Indien de keuringsinstantie die een certificaat van EG-typeonderzoek of een certificaat van EG-ontwerponderzoek heeft afgegeven, vermoedt dat de uitrusting waarop het certificaat betrekking heeft, niet meer aan de productvoorschriften voldoet ten gevolge van een wijziging van die voorschriften, stelt zij daarnaar een onderzoek in.
2.
De keuringsinstantie trekt het certificaat van EG-typeonderzoek of het certificaat van EG-ontwerponderzoek in, indien een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, uitwijst dat de uitrusting waarop het certificaat betrekking heeft, niet meer aan de productvoorschriften voldoet.
1.
Een keuringsinstantie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
2.
Een keuringsinstantie verstrekt aan de personen of instanties die door een lidstaat van de Europese Unie zijn belast met het toezicht op de naleving van veiligheidsvoorschriften aan boord van schepen waarvoor door of namens die lidstaat veiligheidscertificaten zijn afgegeven, aan andere keuringsinstanties en aan aangemelde instanties als bedoeld in artikel 6, desgevraagd inlichtingen ter zake van de door haar uitgevoerde procedures van overeenstemmingsbeoordeling.
1.
In uitzonderlijke gevallen van technische innovatie kan Onze Minister voor uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van een Nederlands schip, waarvoor toepasselijke keuringsvoorschriften ontbreken, een certificaat van gelijkwaardigheid afgeven, indien die uitrusting naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan uitrusting die voldoet aan de productvoorschriften.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de toepassing van het eerste lid, de wijze waarop de gelijkwaardigheid van uitrusting wordt beoordeeld, en de verschuldigde vergoeding voor de kosten van de beoordeling van gelijkwaardigheid en de afgifte van het certificaat van gelijkwaardigheid.
3.
Aan het gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid is afgegeven, kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. Deze beperkingen en voorschriften worden in het certificaat vermeld.
4.
Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten van de Europese Unie onmiddellijk in kennis van de afgifte van een certificaat van gelijkwaardigheid. Hij vermeldt daarbij de bijzonderheden van het geval en doet de Commissie en de andere lidstaten afschriften van de beoordelingsverslagen toekomen.
1.
Ten behoeve van de beproeving van uitrusting in bedrijf aan boord van een Nederlands schip kan Onze Minister voor uitrusting waarvoor geen procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd, een certificaat ten behoeve van beproeving afgeven.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de toepassing van het eerste lid en de voor de afgifte van een certificaat van beproeving verschuldigde vergoeding.
3.
Aan het gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat ten behoeve van beproeving is afgegeven, kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. Deze beperkingen en voorschriften worden in het certificaat vermeld.
4.
Onze Minister bepaalt de geldigheidsduur van het certificaat. De geldigheidsduur is niet langer dan voor een goede beproeving van de uitrusting redelijkerwijs nodig is.
Artikel 22
Uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving is afgegeven, behoeft in afwijking van artikel 3, eerste lid, niet te voldoen aan de productvoorschriften en mag, mits vergezeld van het desbetreffende certificaat, in afwijking van artikel 3, tweede lid, ook zonder merk van overeenstemming in de handel worden gebracht.
1.
Indien Onze Minister van oordeel is dat uitrusting die is voorzien van het merk van overeenstemming, ook wanneer zij op de juiste wijze aan boord is geplaatst en op de juiste wijze wordt onderhouden en gebruikt voor haar gebruiksdoel, de gezondheid of de veiligheid van de bemanning, de passagiers of andere personen in gevaar kan brengen of het mariene milieu kan aantasten, neemt hij passende voorlopige maatregelen om die uitrusting uit de handel te nemen. Zo nodig verbiedt hij het in de handel brengen van die uitrusting.
2.
Onze Minister stelt de andere lidstaten van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen onmiddellijk en onder opgave van redenen in kennis van maatregelen als bedoeld in het eerste lid.
1.
Indien Onze Minister van oordeel is dat op uitrusting in strijd met deze wet het merk van overeenstemming is aangebracht, neemt hij passende maatregelen om die uitrusting uit de handel te nemen. Zo nodig verbiedt hij het in de handel brengen van die uitrusting.
2.
Onze Minister stelt de andere lidstaten van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van maatregelen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 25
De fabrikant, diens gemachtigde of de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen, verleent alle medewerking die noodzakelijk is voor de uitvoering van maatregelen als bedoeld in de artikelen 23 en 24.
1.
Het is verboden uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van een Nederlands schip, in de handel te brengen of daartoe voorhanden te hebben, indien die uitrusting niet is voorzien van het merk van overeenstemming en ook niet vergezeld gaat van een certificaat van gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 20, of een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in artikel 21.
2.
Het is verboden om het merk van overeenstemming aan te brengen op uitrusting die niet voldoet aan de productvoorschriften of waarvoor geen procedure van overeenstemmingsbeoordeling is gevolgd.
3.
Het is verboden merktekens of opschriften aan te brengen die anderen kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische vormgeving van het merk van overeenstemming, of die de zichtbaarheid of de leesbaarheid van het merk verminderen.
4.
Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in de artikelen 12, 13 en 25 of met een verbod als bedoeld in artikel 23, eerste lid, tweede volzin, en 24, eerste lid, tweede volzin.
1.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
2.
Onze Minister kan voor bepaalde door hem aan te wijzen taken, verband houdende met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, ambtenaren van andere diensttakken ter beschikking stellen van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. Indien de terbeschikkingstelling ambtenaren betreft, ressorterende onder een ander ministerie dan dat van Onze Minister, wordt het desbetreffende besluit genomen in overeenstemming met de minister van dat andere ministerie.
3.
Van een besluit als bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 28
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in het kader van artikel 4, vierde lid, onderdeel a, op de keuringsinstanties uit te oefenen toezicht en de door de keuringsinstanties voor de uitoefening van dat toezicht verschuldigde vergoeding.
1.
De artikelen 3, 7, eerste lid, en 26, eerste lid, zijn tot en met 31 december 2000 niet van toepassing op uitrusting, genoemd in bijlage A.1 van de richtlijn, naar de tekst van die bijlage zoals deze op 20 december 1996 is vastgesteld, indien die uitrusting is vervaardigd voor de inwerkingtreding van deze wet en is goedgekeurd op grond van regels, gesteld krachtens de Schepenwet of de Wet voorkoming verontreiniging door schepen , die voor 20 december 1996 van kracht waren.
2.
De artikelen 3, 7, eerste lid, en 26, eerste lid, zijn gedurende een termijn van twee jaren niet van toepassing op uitrusting die ingevolge een na 20 december 1996 vastgesteld besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of van de Raad van de Europese Unie in bijlage A.1 is opgenomen, indien die uitrusting is vervaardigd voor de dag waarop het desbetreffende besluit voor de toepassing van deze wet is gaan gelden, en zij is goedgekeurd op grond van regels, gesteld krachtens de Schepenwet of de Wet voorkoming verontreiniging door schepen , die voor de vaststelling van dat besluit van kracht waren. De termijn van twee jaren vangt aan op de dag waarop het wijzigingsbesluit voor de toepassing van deze wet gaat gelden.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen, voorzover nodig ter uitvoering van een besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of van de Raad van de Europese Unie tot wijziging van bijlage A.1 van de richtlijn, aanvullende regels van overgangsrecht worden gesteld.
1.
Een wijziging van de richtlijn gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
2.
Een wijziging van de verdragen gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop die wijziging internationaal in werking treedt.
Artikel 31
Voorzover op grond van de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte de richtlijn ook verbindend is voor een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, wordt deze staat voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 32
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 33
[Wijzigt de Wet voorkoming verontreiniging door schepen.]
Artikel 34
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 35
Deze wet wordt aangehaald als: Wet scheepsuitrusting.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 13 april 2000
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de elfde mei 2000
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. De aanwijzing van keuringsinstanties
+ Hoofdstuk 3. De overeenstemmingsbeoordeling
+ Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk 5. Verbodsbepalingen
+ Hoofdstuk 6. Toezicht
+ Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Parlement
Documenten bij de totstandkoming van (deze versie van) de wet.

Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht